Hoe Trump verdween uit Makkum

Donald Trump bestelde in 1989 een luxe jacht bij een scheepswerf in Makkum. Rik Kuiper reconstrueerde de geschiedenis voor de Volkskrant. Hier demonteert hij het verhaal in 25 voetnoten.

Donald Trump bestelde in 1989 een luxe jacht bij een scheepswerf in Makkum. Rik Kuiper reconstrueerde de geschiedenis voor de Volkskrant. Hier demonteert hij het verhaal in 24 voetnoten.

 

[dropcap]B[/dropcap]astiaan Sonneveld had nooit zo’n jacht ontworpen.<fn>De titel van dit verhaal verwijst vanzelfsprekend naar ‘Hoe God verdween uit Jorwerd’ van Geert Mak. Dat vond ik toepasselijk omdat dit verhaal ook in Friesland speelt, omdat de hoofdpersoon aan het eind de benen neemt en omdat Trump zichzelf soms God lijkt te wanen. De eerste zin refereert ook aan de eerste zin van Mak – ‘Peet had nooit het dorp verlaten’. Maar dat is zo subtiel dat het vermoedelijk niemand is opgevallen.</fn> Natuurlijk, de 36-jarige ontwerper tekende in zijn carrière veerboten, cruiseschepen en een aantal kleinere plezierjachten, maar zoiets? Daar had hij zich nooit aan gewaagd.

Toch belde in het voorjaar van 1989 de directeur van scheepswerf Amels te Makkum.<fn>Ik kies er hier bewust voor om de directeur niet bij naam te noemen, om de lezer zo vroeg in het verhaal niet met al te veel namen te confronteren. Het gaat vooralsnog vooral om Sonneveld (die gelukkig als een van de enige betrokkenen van destijds bereid bleek me te woord te staan. Zonder hem had ik een verhaal kunnen maken gebaseerd op de krantenarchieven, maar zijn anekdotes maakten het veel persoonlijker.)</fn> Een stuk of vijf bekende ontwerpers hadden een poging gewaagd om een kolossaal jacht te ontwerpen, vertelde hij. De opdrachtgever had de voorstellen van tafel geveegd. Kon Sonneveld iets bedenken dat wél bij vastgoedtycoon Donald Trump in de smaak zou vallen?

Dat wilde hij wel, natuurlijk wilde hij dat. Man, als dit lukte kon het de definitieve doorbraak van zijn bureau in de mondiale jachtbouw betekenen. Dan lag de wereld voor hem open – voor hem, een eenvoudige jongen die de zeevaartschool had afgerond, maar al na een jaar concludeerde dat een leven als zeeman hem niet kon bekoren.<fn>Belangrijk zinnetje, dat benadrukt dat dit een soort American Dream kan worden.</fn>

Sonneveld bestudeerde het lijstje met eisen. Het schip moest 128 meter lang worden en 16 meter breed. Trump wilde een comfortabele suite voor zijn gezin, een stuk of twintig gastenverblijven, een zaal waar hij een paar honderd gasten kon ontvangen, een zwembad en een landingsdek voor zijn helikopter.

Hij dacht aan de Trump Tower in New York, de wolkenkrabber die de miljardair als thuisbasis gebruikte. De architectuur van die toren was overtuigend en direct, vond Sonneveld. Trump hield blijkbaar van een groot gebaar. Niet veel later pakte de ontwerper zijn schetsboek. Uit zijn potlood vloeide een slank en imponerend schip.<fn>Aan het einde van deze scène moet het verhaal op spanning staan. De lezer wil weten of Trump dit ontwerp wel goed genoeg vindt, en of het schip vervolgens ook echt gebouwd zal worden.</fn>

* * *

Jachtwerf Amels had al eens zaken gedaan met Donald Trump.<fn>Nu het verhaal op spanning staat, kan ik de tijd nemen voor wat achtergrondinformatie.</fn> Anderhalf jaar eerder, op 22 januari 1988, schoof de Trump Princess ‘de kathedraal van Makkum’ binnen, het enorme overdekte droogdok dat als enige in Nederland een schip met een lengte van bijna negentig meter kon huisvesten.

Het jacht – met een lengte van 86 meter een van de grootste ter wereld – was in 1980 gebouwd in opdracht van een Saoedische wapenhandelaar die het naar zijn dochter vernoemde: Nabila. Sindsdien had het schip enige roem vergaard als decor in de James Bondfilm ‘Never Say Never Again’. Trump kocht het in 1987, plakte zijn eigen naam erop en bestelde een refit.

Zo’n honderd medewerkers van Amels stortten zich op de Princess. De marmeren vloeren, de wanden van onyx en de gouden kranen en deurknoppen mochten blijven, maar de vloerbedekking en de lederen bekleding moesten helemaal worden vernieuwd. Ook zou het schip opnieuw in de lak worden gezet, zodat het weer glom als een spiegel.

Voor Amels kwam de order, waar circa 17 miljoen gulden mee gemoeid was, op een uitstekend moment. Een jaar eerder was het bedrijf failliet gegaan. Investeringsmaatschappij CTS Limited<fn>Deze investeringsmaatschappij moet ik vroeg in het verhaal noemen, want die wordt later belangrijk. Ik doe het hier vrij terloops.</fn> kocht de boel op en zorgde voor een doorstart. Desondanks voelde Makkum de pijn: voor de helft van de 120 medewerkers was geen plek meer.

Eind mei kwam de 42-jarige Trump de vorderingen zelf inspecteren. Hij arriveerde met zijn toenmalige echtgenote Ivana per helikopter in Makkum.

‘We stonden te praten onder in het dok’, herinnert<fn>Dit is iets wat ik liever niet doe. Ik schakel over naar de tegenwoordige tijd om iemand achteraf te laten reflecteren op de gebeurtenissen. Het haalt de magie een beetje uit het verhaal, vind ik altijd, omdat je naar de toekomst springt. Soms ontkom je er echter niet aan. Dit durfde ik bijvoorbeeld niet voor eigen rekening te nemen, omdat het slechts uit één bron kwam.</fn> Wessel de Vries zich, destijds werkbaas bij Amels. ‘Zijn vrouw vroeg hem iets en kreeg meteen een sneer. Hij leek me niet erg aardig.’

Lang bleef het stel niet op de werf. Direct na de rondleiding vlogen ze terug naar Schiphol.

Een week na het bezoek trokken twee sleepboten de Trump Princess achterwaarts de kathedraal uit, gadegeslagen door de dorpelingen. Het jacht was klaar om de Atlantische Oceaan over te steken, waar Trump ermee zou pronken op de jaarlijkse vlootshow in New York.

 * * *

Door de ramen zag hij de boomtoppen van Central Park, aan de wanden prijkten ingelijste tijdschriftcovers met de beeltenis van Trump.<fn>In een paar woorden schets ik het decor.</fn> Daar zat Bastiaan Sonneveld dan, met zijn enorme tekeningentas<fn>Belangrijk detail: daar zal straks wel iets uitkomen! Ik bouw de spanning langzaam op.</fn> op de zesentwintigste verdieping van de Trump Tower, in het vrij sobere kantoor van een van de meest succesvolle mannen van de Verenigde Staten.

Sonneveld had twee weken aan het ontwerp van het nieuwe jacht gewerkt.<fn>Ik vertraag nog wat meer.</fn> In de laatste paar dagen had hij met een tekening van circa twee meter breed gemaakt. Daarmee was hij – samen met directeur Cor Smits van Amels – naar New York gereisd. Ze hadden in het Plaza Hotel mogen overnachten, het beroemde hotel dat Trump een jaar eerder voor ruim 400 miljoen dollar had aangeschaft. ‘Ik heb geen gebouw gekocht’, schreef Trump daarover in de New York Times, ‘ik heb een meesterwerk gekocht – de Mona Lisa.’

Trump wendde zich tot Sonneveld. ‘Laat maar zien wat je hebt.’

Sonneveld stond op, opende zijn tas en haalde er de panelen uit waarop hij de tekening had geplakt. Hij vouwde ze open.

De ontwerper zei weinig. Dat was niet nodig, vond hij. Een goed beeld was krachtiger dan een verhaal. En dit was een goed beeld. Er sprak emotie uit – bam!<fn>De tekening zelf wilde Sonneveld me helaas niet laten zien. Daardoor kon ik de details van het ontwerp niet goed beschrijven.</fn>

Trump keek er kort naar.

Toen zei hij: ‘That’s what I want!’<fn>Boem! Een krachtig citaat. En daarmee is de scène meteen voorbij, zodat het citaat extra lang nadreunt.</fn>

 * * *

Een ‘superorder’ noemde de Leeuwarder Courant<fn>De toenmalige directie van Amels wilde niet praten. Bastiaan Sonneveld was niet overal bij aanwezig. Ik kon veel gebeurtenissen dus alleen maar reconstrueren op basis van krantenartikelen. Dat is behelpen, maar soms kan het niet anders.</fn> het op de voorpagina van 20 juni 1989. Drie jaar lang zouden ze bij Amels met honderd man aan het jacht van Donald Trump moeten bouwen. Door de voorgenomen lengte moest de kathedraal misschien verbouwd worden. Het prijskaartje vermeldde een ongekend bedrag: circa 330 miljoen gulden.

Een verslaggever had direct naar de rechterhand van Trump in New York gebeld. Was Trump zijn andere jacht nu al zat, wilde hij weten.<fn>Ik pas hier een truc toe. Het artikel in de Leeuwarder Courant was geen interview. Toch weet ik op basis van het stuk dat de verslaggever vragen heeft gesteld en dat Walker die vragen heeft beantwoord. Hier probeer ik die dialoog te suggereren, door vragen en antwoorden af te wisselen. Die dialoog maakt het levendig.</fn>

‘Nee’, antwoordde Jeffrey Walker, vicepresident van de Trump Organization. ‘Integendeel. Het jacht is een groot succes in ons land. Maar Trump wil een nog imposanter jacht, dat bovendien zijn eigen persoonlijkheid uitstraalt. De Trump Princess is gebouwd naar de wensen van een ander, Trump wil nu een schip dat helemaal van hemzelf is.’

En wat maakte dat nieuwe jacht zo bijzonder? ‘De grootte alleen al’, antwoordde Walker. ‘De Trump Princess was na de verbouwing al een groots jacht, maar dit zal alles doen verbleken. Het wordt het duurste en grootste privéjacht ter wereld.’

O ja, vroeg de verslaggever, het schip moest toch 128 meter lang worden? En hoe zat het dan met het schip van koning Fahd van Saoedi-Arabië? Dat was toch 147 meter? ‘Ach ja’, zei Walker. ‘Dat schip van die ‘Arab what’s his name’. Maar dat is een afzichtelijk prul.’<fn>Ach ja, de feiten. Daar namen Trump en zijn metgezellen ook toen al een loopje mee. Dat vond ik tekenend en daar wilde ik de scène mee afsluiten. Het heeft ook een functie. Deze passage zorgt ervoor dat de lezer gaat twijfelen aan alles wat Walker in de rest van het verhaal zal zeggen. En terecht, blijkt aan het einde.</fn>

 * * *

Driehonderd man van verschillende bedrijven zouden straks in de kathedraal aan de Trump Princess II werken, schatte directeur Cor Smits in oktober 1989. Driehonderd man! Alleen dan zouden ze het schip voor de zomer van 1992 gereed hebben, zoals met Trump was afgesproken.

De mannen van scheepswerf De Biesbosch in Dordrecht begonnen in januari met het casco van het schip, want daar hadden ze bij Amels niet voldoende mensen voor. Dit casco, waar vijfduizend ton staal in verwerkt moest worden, zou over een jaar naar Makkum komen. In de kathedraal zouden ze vervolgens de aluminium opbouw – waar scheepswerf Friesland in Lemmer al aan begonnen was – op het casco zetten.

Daarna konden circa honderd werklieden van interieurbouwer Struik en Hamerslag – ook betrokken bij de renovatie van het eerste jacht van Trump – aan de slag. ‘Hiermee kunnen we alle grenzen verleggen’, zei directeur Marco Struik tegen de Leeuwarder Courant. ‘Het wordt luxer dan luxe, de meest moderne dingen moeten we maken. En we moeten de hele wereld over om bestanddelen hiervoor aan te kopen. Bepaalde onderdelen moeten zelfs nog worden uitgevonden.’<fn>Samenvattende passage. Informatie komt – noodgedwongen – uit krantenberichten.</fn>

* * *

Op welk moment klonk in de bestuurskamer van Amels het eerste gemopper? Wanneer sloeg Cor Smits met zijn vuist op tafel? Wie slaakte de eerste vloek?<fn>Weer een stilistische truc. Ik weet niets, kan alleen suggereren. Door vragen te stellen die beelden oproepen komt het toch tot leven.</fn>

Er is weinig over bekend, want ook 27 jaar later weigert de toenmalige directie te spreken over de toestanden met Trump.

‘Ik wil daar niets over kwijt’, zegt<fn>Wederom in de tegenwoordige tijd, want die citaten heb ik zelf opgetekend.</fn> Smits door de telefoon. ‘Meneer Trump was onze klant en een directeur praat niet over zijn klanten.’

‘Ik voel er niets voor om opnieuw over Trumps bemoeienis met de werf Amels te praten’, mailt Sjoerd Veeman. ‘Ik ben nog steeds werkzaam in de megajacht business en confidentiality is daar een must, zelfs als het onderwerp alle details zelf met overgave van de daken schreeuwt.’

‘Dat kan Smits beter vertellen’, zegt Piet Horjus.<fn>Ik had het idee van het kastje naar de muur gestuurd te worden. Hier probeer ik dat gevoel op de lezer over te dragen, zonder het letterlijk te zeggen.</fn>

Feit is, dat de eerste maanden van 1990 hectisch waren voor Amels. In de media verschenen berichten over de aanstaande scheiding van Donald en Ivana. Dat zou geen gevolgen hebben voor de order bij Amels, meldde de Leeuwarder Courant op 13 februari. ‘Bij mijn weten tenminste niet’, vertelde directeur Cor Smits tegen een verslaggever.

Waren de aanbetalingen van Trump op dat moment al gestopt? Had hij toen al pogingen ondernomen om de reeds gedane betalingen terug te vorderen? Misschien wel, maar Smits hield ook toen de kaken stijf op elkaar. Ondertussen vreesde de directeur voor de toekomst van het bedrijf.

* * *

In de kantine van jachtwerf Amels pakte Jeffrey Walker de microfoon. Het was 10 mei 1990 en de vicepresident van de Trump Organization vertelde de opgetrommelde pers dat Donald Trump de werf had overgenomen van CTS Limited. Het was zijn eerste investering in de Europese Gemeenschap.

Walker sprak in superlatieven. In Makkum werkten de beste ambachtslieden. Een betere jachtwerf dan Amels bestond niet. En ze gingen hier de prachtigste jachten van de wereld bouwen.

Met de kennis van nu kon je dit horen: ‘Trump will make Amels great again.’<fn>Dit is de enige keer dat ik als verteller wat meer op de voorgrond treed. Ik vond het een leuke verwijzing naar zijn verkiezingsslogan: ‘We will make America great again’.</fn>

Walker ontkende tegenover de journalisten dat het Trump alleen te doen was om zijn eigen schip. In de media waren berichten verschenen dat de tycoon vreesde dat de bouw van zijn jacht in gevaar zou komen als een ander de werf overnam. Onzin, aldus Walker. ‘Het is een langetermijnaankoop.’

En nee, Trump verkeerde – door de scheiding en miljoenenverliezen op zijn casino’s – niet in financiële problemen, zoals her en der werd beweerd. ‘Amels is gezond, Trump is nog veel gezonder’, zei Walker. ‘Hij heeft volgens de meest sombere schatting – maar ik weet zeker dat het meer is – 500 miljoen dollar op de bank staan. Begrijp me goed: op de bank. Hoeveel procent van het nationaal inkomen van Nederland is dat?’

* * *

Jeffrey Walker kwam er persoonlijk voor naar Makkum. Nog geen maand na de persconferentie vertelde hij Cor Smits dat de bouw van het jacht zou worden stilgelegd.

Tijdelijk, schreef de Leeuwarder Courant op 7 juni 1990. Want Trump wilde het ontwerp van het voortstuwingsmechanisme nog eens onder de loep nemen. Hij zou gasturbinevoortstuwing wensen in plaats van gewone motoren.

Tegen de verslaggever zei Smits dat het ‘geheel onverwachts’ kwam. ‘Het is niet duidelijk wat Trump nu wil.’

‘Of het jacht afgebouwd gaat worden en wanneer’, zei hij kort daarna tegen een andere journalist, ‘ligt aan mijn klant en enige aandeelhouder.’

Een dag later publiceerde de Leeuwarder Courant een treurig stemmende analyse van de gang van zaken. Trump had Amels overgenomen om te voorkomen dat ‘een andere eigenaar met contracten en boeteclausules zou gaan zwaaien in geval van uitstel van de bouwwerkzaamheden’.

Dat lijkt een plausibele analyse, zeggen betrokkenen van toen.<fn>Deze analyse kan ik voor eigen rekening nemen, maar ik vond het sterker om anderen zich er ook over te laten uitspreken. Vandaar dat ik hier citaten uit interviews invoeg. Daardoor krijgt deze passage een wat journalistiekere toon dan de rest van het verhaal.</fn> ‘Hij kocht de werf omdat hij de order wilde annuleren’, zegt Ton Compier, destijds lid van de ondernemingsraad van Amels.

‘Ik vermoed dat hij schadeclaims wilde ondervangen’, zegt Roelof Verdam, voormalig directeur van scheepswerf De Biesbosch, dat het casco voor ongeveer een derde gereed had.

‘Dit was de beste oplossing voor Trump’, zegt ontwerper Bastiaan Sonneveld nu. ‘De werf kostte een paar miljoen. Dat was minder dan de termijnen die openstonden.’

Nog in juni verkocht Donald Trump zijn ‘langetermijnaankoop’, die hij anderhalve maand in bezit had gehad. De Trump Princess II zou nooit worden afgebouwd.

* * *

Een jaar of twee later wandelde Bastiaan Sonneveld<fn>We begonnen met Sonneveld, dus we moeten ook nog een keer bij hem terugkeren. Dat maakt het verhaal mooi rond.</fn> door de straten van New York. Toen hij de Trump Tower passeerde, besloot hij in een opwelling naar binnen te gaan.

Hoe vaak was hij hier met Cor Smits geweest? Een keer of vier, vijf? Ze hadden zelfs met Trump geluncht in een chique etablissement, waar ze per limousine heen waren gereden. Sonneveld keek er met plezier op terug. Ze waren aan elkaar gewaagd geweest, ook al vond de miljardair hem waarschijnlijk een rare snuiter, met zijn lange rode haren. Misschien waardeerde Trump het dat de ontwerper nooit exact deed wat hij suggereerde.

Ja hoor, zeiden de beveiligers, Sonneveld mocht boven komen.<fn>Ik wilde in deze scène – de epiloog eigenlijk – graag nog het een en ander aan reflectie kwijt. Die heb ik steeds tussen eenvoudige stukjes handeling gezet, waarmee ik min of meer suggereer dat hij op het project terugkijkt terwijl hij in de Trump Tower is.</fn>

Dat de boel werd afgeblazen, was een desillusie geweest. En hij had financiële schade geleden. Een deel van de gemaakte kosten kreeg hij wel vergoed door de nieuwe eigenaren van Amels, maar lang niet alles. Gelukkig was er vrij snel een mooi nieuw project gekomen.

De lift arriveerde op de zesentwintigste verdieping. Daar zat de man die ooit een jacht van 330 miljoen gulden bestelde.

Hij had het een geweldig project gevonden, zei Trump tegen Sonneveld. En zijn ontwerp was het beste van allemaal geweest.

Na ongeveer een halfuur stapte Sonneveld weer in de lift naar beneden. Hij zou Donald Trump nooit meer spreken.<fn>Ik heb lang zitten denken over een goede slotzin, maar kwam niet veel verder dan dit. Mwah, denk ik nu.</fn>

 

Hoe patholoog anatoom George Maat de minister op de knieën kreeg

George Maat, dat was toch die forensisch patholoog anatoom die tijdens een college in Maastricht uit het onderzoek naar de MH17 klapte? En prompt door minister Van der Steur werd afgeserveerd? Dat was ‘m wel, maar het zat anders. Zoals Van der Steur met het schaamrood op de kaken moest toegeven. Het AD zocht uit hoe dat zo kon.

De heer in de Haagse slangenkuil is, behalve niet ongeestig en verhelderend, een knap in elkaar gezet verhaal. De belangrijkste keuze van de schrijver gold het perspectief: van de eerste tot de laatste zin krijgen we het verhaal verteld vanuit het perspectief van Maat.

Doordat er niemand anders dan Maat in het verhaal aan het woord komt (anders dan zoals Maat het hoorde), wordt het mogelijk met onvolledige zinnetjes en verzuchtingen (‘Zozo’) heel dicht op de huid van Maat te blijven. Nergens wordt dat verwarrend, nergens stoort het.

 

 

De wonderbaarlijke gedaanteverwisseling van een racist

Tien jaar geleden werd hij gezien als ‘de troonopvolger’, de toekomstige leider van de witte nationalisten in de Verenigde Staten. Derek Black, zoon van de oprichter van de extreem-rechtse website Stormfront, was nog maar net volwassen of hij had al een eigen radioprogramma en sprak voor zalen vol neo-nazi’s en leiders van de Ku Klux Klan. En toen gebeurde er iets opmerkelijks. Tijdens zijn studie aan ‘one of the most liberal schools in the state’ kwam hij tot inkeer.

In ‘The white flight of Derek Black’ beschrijft Eli Saslow (in 2014 winnaar van een Pulitzer Prize) hoe die wonderbaarlijke gedaantewisseling tot stand kwam. Het verhaal, dat in oktober in de Washington Post stond en meer dan 6000 woorden telt, toont een intrigerend beeld van een groep ‘white supremacists’ die de afgelopen jaren steeds meer invloed wist te verwerven in de Verenigde Staten.

De kracht van dit verhaal zit in de toon. Saslow veroordeelt niet, maar registreert. Hij beschrijft hoe Derek de inzichten van zijn vader overneemt en hoe hij zich daar later langzaam van distantieert – door dialoog en onderwijs. De mooiste passages van het verhaal gaan over zijn worsteling met zijn loyaliteit. Want als Derek afstand neemt van zijn standpunten, neemt hij tegelijkertijd afstand van zijn vader.

Interessant aan dit verhaal is ook de opbouw. Saslow verklapt al op tien procent van het verhaal – na circa 650 woorden – hoe het zal aflopen: Derek Black zal zijn racistische gedachtengoed opgeven.

White nationalism had bullied its way toward the very center of American politics, and yet, one of the people who knew the ideology best was no longer anywhere near that center. Derek had just turned 27, and instead of leading the movement, he was trying to untangle himself not only from the national moment but also from a life he no longer understood.

Daarna steunt het verhaal op de vraag hoe Derek Black dan van zijn geloof is gevallen. Dat is een slimme zet van Saslow, denk ik. Want mensen lezen graag over een sympathieke hoofdpersoon. Met een klootzak leven we niet mee, het kan ons niet schelen of die onder een trein komt of een leuke vrouw ontmoet. Door alvast te laten weten dat het verhaal goed afloopt, gaan we de hoofdpersoon anders zien. Sympathieker. Hij zal tot inkeer komen. En dus leven we makkelijker mee.

Wakker blijven bij je hersenoperatie

Carel Dolman laat twee elektroden in zijn hersenen inbrengen die hem moeten verlossen van de gekmakende overbeweeglijkheid van Parkinson. Bij de operatie moet hij bij kennis blijven.

Carel Dolman is 38 als hij hoort dat hij de ziekte van Parkinson heeft. Zeven jaar later laat hij twee elektrodes in zijn hersenen aanbrengen die hem moeten verlossen van de gekmakende overbeweeglijkheid. Een operatie die alleen mogelijk is als hij zelf bij kennis blijft.

De tanige man op het verrijdbare ziekenhuisbed in operatiezaal 9 moet zijn naam noemen. Carel, zegt hij, Carel Dolman.

Michiel Staal staat aan zijn bed. De neurochirurg vraagt of Carel Dolman weet dat ze in zijn hersenen gaan opereren.

Ja, zegt hij. God ja. Natuurlijk weet hij dat.

En dat hij tijdens die operatie bij kennis blijft?

Maanden heeft Carel Dolman daarover kunnen piekeren. Hoe professor Staal zijn schedel blootlegt, twee gaten boort en met een naald tien centimeter diep in zijn hersenen zal ronddwalen. En dat hij, Carel, dan moet aangeven of die naald goed zit. Carel Dolman knikt.

Het is twaalf minuten voor acht op een dinsdagochtend in september.

Drie maanden eerder. Als Carel Dolman praat, praat de tafel mee. Doordat alles aan hem beweegt. Zijn armen en benen, zijn handen en voeten. Aan één stuk door plukt Carel aan het vel van zijn hals, slaat hij zijn benen over elkaar, vouwt hij zijn armen voor zijn borst, buigt hij voorover tegen de rand van de houten tafel – bonk – en leunt weer terug. En frunnikt aan zijn nek. En kruist zijn armen voor zijn borst opdat het in vredesnaam even stopt.

Bonk.

Carel Dolman verontschuldigt zich en trekt de stoel naast hem naar zich toe. Die stoel staat nu niet meer tegen de tafel. De stoel is stil.

Carel Dolman – veertiger, gymleraar, gehuwd en vader van twee jonge zoons – vertelt hoe het begonnen is, nu bijna zeven jaar geleden. Tijdens een vergadering op school ontdekte hij dat zijn notities onleesbaar werden. Nadenken bij elke letter. En toch dat rare gepriegel. Hij ging naar zijn huisarts, die aan schrijfkramp dacht. Daarbij bleef het. Totdat Jolanda, zijn echtgenote, aan Carel vroeg wat er toch mis was met zijn voeten. Hij slofte.

Carel Dolman ging naar een neuroloog die zijn bloed liet testen en een scan liet maken van zijn hoofd. De arts dacht al dat hij niets kon vinden, toen hij nog eens goed keek naar Carels rare loopje, en aan zijn polsen draaide, en zei: ‘Ik weet het. U heeft de ziekte van Parkinson.’

Godsamme.

Carel Dolman was 38 jaar. Hij wilde zijn zoontjes nog leren windsurfen. Hij zou met ze gaan fietsen langs de Friese elf steden. En ’s winters skiën. Op zijn naaste familie na, wat vrienden en de directie van zijn school, vertelde hij niemand wat er loos was. Totdat mensen in het dorp over hem begonnen te praten. Dat hij met zó’n sik rondliep. Dat hij zo stijf was en onhandig.

De groep van atheneum-4 hoorde het als eerste.

Jongens, ga eens even zitten.

Een van de jongens had een opa, en die had het ook.

Hoe oud is die opa, vroeg Carel Dolman.

Tachtig.

Joh, zei hij, ik ben nog niet op de helft.

Carel Dolman ligt op het verrijdbare bed in operatiezaal 9. Professor Staal heeft hem de vragen gesteld die hij van het protocol moet stellen. De anesthesist heeft blauwe, gele, groene en rode kabeltjes aan zijn lijf verbonden. Carel is wat roezig, maar vastbesloten. Dit is te doen.

Om half zeven is hij gewekt. Hij heeft geen oog dicht gedaan. Doordat hij zijn medicijnen niet meer mocht innemen. Of toch van de zenuwen? Daar had hij niet op gerekend. De vorige avond, in kamer 32 van de verpleegafdeling van het umcg, heeft hij het er nog met Jolanda over gehad. Hoe de ‘buren’ op de camping in Zuid-Frankrijk hem telkens hadden aangestaard. Alsof hij niet helemaal goed was. Dat heftige bewegen van zijn armen, dat plukken aan zijn hals, tics zijn het, zo onrustig, nooit eens stil, om horendol van te worden.

Voor het eerst had Carel zich bekeken gevoeld, op die camping.

Hij is er klaar mee, zei hij tegen Jolanda. Klaar met de pillen die de stijfheid en onhandigheid niet meer onderdrukten. Klaar met de andere pillen waarvan hij ‘zo gek als een deur’ werd. Carel ging eindeloos bieden op Marktplaats-bootjes, duizenden euro’s, en zat ’s nachts al maar op internet. Jolanda had zijn koffers al bij de voordeur gezet, toen een verpleegkundige vertelde dat die dwangmatigheid een bekende bijwerking van de medicijnen was. Carel moest weer andere pillen slikken, waarvan hij ten slotte, nu een jaar geleden, steeds beweeglijker werd. Hij viel tien kilo af, zijn lijf werd mager.

Zonder pil kwam Carel Dolman nauwelijks vooruit – dan was hij ‘off’. Met pillen ging hij ‘on’, zo ‘on’ als een batterijkonijn. ‘Er zit geen enkele rem op. Je moet maar door. En zo druk in je hoofd.’

Jolanda leerde ermee leven. Zijn jongens wisten niet beter. Maar de dag kwam dichterbij dat Carel Dolman zou moeten stoppen met werken. Toen hoorde hij van die hersenoperatie. Jolanda voelde er niets voor. ‘Ik heb liever dat ze je voet amputeren dan dat ze in je hersenen zitten.’

Maar Carel Dolman twijfelde niet, en nu, het is inmiddels twintig over acht, hij is wel drie keer naar het toilet geweest, nu scheert support specialist Cor Kliphuis met een tondeuse de stoppels van zijn toch al kortgeknipte hoofd. Daarna zeept Kliphuis zijn schedel in met scheercrème, en haalt hij het laatste haar met een mesje weg.

‘Dit voelt koud,’ waarschuwt Kliphuis, voordat hij Carels spiegelgladde hoofd dept met desinfecterende witte jodium.

‘Hallekidee,’ roept Carel, bijna vrolijk.

Vlak daarna legt Kliphuis een kussen over zijn benen. Plompverloren klimt hij bovenop Carel Dolman, op het ziekenhuisbed, zijn knieën aan weerszijden van Carels bovenlichaam. In zijn handen houdt Kliphuis de zware, vierkante, met streepjes afgezette kroon van donker metaal, het ‘frame’, weet Carel. Neurochirurg Staal staat achter het hoofdeinde van zijn bed. Als Kliphuis de kroon boven Carels hoofd houdt, begint Staal (‘Dit hoeft geen pijn te doen’) de stelschroeven aan te draaien, op elke hoek van het frame één.

Het hoofd van Carel Dolman is met een prikje plaatselijk verdoofd. Hij voelt nauwelijks dat de eerste scherpe punt door de weke delen van zijn hoofdhuid dringt. Maar als Staal het metalen frame met kracht vastzet, kruislings, zoals je de moeren van een autowiel aandraait, linksvoor, rechtsachter, linksachter, rechtsvoor, voelt hij de druk op zijn schedel. Blijven ademen nu.

De puntjes van de schroeven dringen twee of drie millimeter diep in het bot van zijn schedel.

Zijn hoofd in een bankschroef.

‘Best vervelend,’ zegt Carel Dolman.

Het roesje van de anesthesist, weet Kliphuis, kalmeert Carel Dolman. Hij vindt het wat minder erg dan het is – en zal het zich minder precies herinneren.

Dit is het deel dat de meesten wel willen vergeten, denkt Staal.

Over het beige marmoleum van de ziekenhuisgangen wordt Carel Dolman even na half negen van de operatiezaal naar de ct-scan gereden. Hij hoort het geklepper van slippers, de kalmerende stem van Kliphuis, het zoemen van de airco, het openschuiven van liftdeuren, en weet wat er komen gaat.

Het is niet zijn eerste hersenscan, maar hij herinnert zich de paniek van die eerste keer, een uur in de mri, kap over je heen, dopjes in je oren, en tóch het lawaai van een cirkelzaag in je schedeldak.

Cor Kliphuis heeft hem zijn hersenen laten zien, een grijze geitenkaas van honderd miljard zenuwcellen, met op de scan lichtere en donkerder vlekken. Kliphuis wees hem de zwarte kernen aan, in het midden van zijn hoofd, die niet meer doen wat ze moeten doen. Ze geven te weinig dopamine af. Daardoor slaan twee andere kernen ter grootte van koffieboontjes, schakelkastjes die de motoriek regelen, op hol. En hij dus ook.

Een verdieping onder de operatiezaal wordt Carel Dolman, kroon op zijn hoofd, in de ct-scan geschoven. Negentig seconden later is een tweede beeld van zijn hersenen gemaakt, dat op een computer wordt gecombineerd met het beeld van de mri-scan. De optelsom is een driedimensionaal plaatje van de schedel van Carel Dolman, waarmee akelig precies wordt berekend hoe de naald van professor Staal straks in die koffieboontjes zal prikken, diep genoeg om dat malle bewegen te stoppen.

Kort na negen uur klinkt Clouseau uit de radio en schroeft Cor Kliphuis de kroon op het hoofd van Carel Dolman vast aan de operatietafel. Een blauwe molton en een opblaasbaar kussen ondersteunen Carels nek. Zodra hij prettig ligt, tekent neurochirurg Staal met een zwarte stift – een permanent marker, het mag niet gaan uitlopen – op het kale hoofd waar hij de huid zal opensnijden. Hij werkt op de tast, voelt aan de schedelnaden waar hij moet zijn. Honderden keren heeft hij dit gedaan, ‘maar niets is routine’.

‘Er komt nu een prikje. Mag dat?’ vraagt de chirurg.

‘Heb ik een keus?’ antwoordt Carel Dolman.

‘U mag nee zeggen, maar dat zou ik niet aanraden.’

Terwijl de verdoving begint te werken, trekt de operatieassistent een doorzichtig plastic scherm op tussen de rest van Carel Dolman en de zwarte streep op zijn hoofd. Het scherm wordt met oranje desinfecterende folie aan zijn schedel vastgeplakt. Aan de steriele snijkant van de zaal ligt nu alleen het deel van Carels hoofd bloot waarin Staal zal werken.

Iemand legt Clouseau het zwijgen op.

Met een mesje snijdt Staal de hoofdhuid open, een eerste snee die door het plakplastic en de huid gaat, waarna hij vlot twee hechtdraden door de huidflap trekt en de draden met klemmen vastmaakt aan het operatiedoek.

Als de chirurg met een ‘elektrisch mes’ dieper snijdt, in het onderhuidse vet en het beenvlies, ruikt Carel Dolman de geur van verbrand vlees.

‘Het is net puntlassen,’ zegt Cor Kliphuis.

Staals assistent zuigt bloed af, helpt bij het dichtbranden van kleine bloedvaten, bij het maken van een tweede snee boven het rechteroor, en drukt gaasjes in de wond, waardoor het hoofd van Carel Dolman langzaam verandert in een woestmodern schilderij met gele en bruine jodiumtinten, een verfomfaaide, rommelige mummie.

Carel Dolman ziet het niet, maar laat het gebeuren.

Tot zijn wereld aan de andere zijde van het zeil dringen geuren door, het getik van apparatuur, stemmen die zacht met elkaar overleggen. Hij kan alleen naar zijn voeteneinde kijken, naar het laken over zijn onrustige benen. Hij hoort het schelle, scherpe zingen als van een tandartsboor wanneer Staal een sleufje in zijn schedel freest, enkele centimeters lang, een ‘lit-jumeauxtje’, zoals de chirurg het noemt, waarin het platte, plastic verbindingsstukje straks netjes kan liggen, dat de draden in zijn hoofd zal koppelen aan een draad naar zijn buik.

Het is vijf minuten over tien als Staal droog aankondigt dat nu het boren gaat beginnen. Het klinkt nonchalant en plechtig tegelijk, als bij het aansnijden van een taart. Maar Carel Dolman vangt het seintje op. Bang is hij niet. Het boren zal hij nauwelijks voelen – in het bot zitten geen pijnzenuwen – en die boor slaat vanzelf af als hij door het bot heen is. Maar hij zal het horen. Adem door je open mond, heeft Kliphuis hem aangeraden, dan is je hoofd geen afgesloten klankkast.

Staal plaatst de boor op het bot, en maakt binnen drie minuten twee ronde gaatjes zo groot als een eurocent, één links, één rechts.

Steeds iets dieper schroeft Staal een lange, dunne naald in het hoofd van Carel Dolman. De weg die de naald aflegt, ligt vast. Op het frame is een boog gemonteerd, waardoor alleen de diepte nog verandert en het puntje van de naald millimeter na millimeter dichterbij zijn doel komt. Hersenen kunnen dat hebben, heeft Staal uitgelegd. ‘Je weet wat een onschuldig traject is, waar niets gebeurt als je erdoorheen gaat.’ En hersenen voelen geen pijn.

Achter het doorzichtige plastic praat neuroloog Teus van Laar, die even eerder de operatiezaal binnen kwam, kalm met Carel Dolman. Hij vraagt de maanden van het jaar te noemen – ‘januari, februari, maart…’ Hij pakt zijn linkerhand en voelt hoe soepel de pols is. Hij kijkt naar de stand van zijn ogen, zoekt naar kramp in zijn hand. En laat Carel Dolman duim en wijsvinger tegen elkaar ’tappen’.

Dit is waar alles samenvalt. Waarom het, zoals Staal zegt, ‘verdomd belangrijk is dat je elkaar heel erg goed kent’. De chirurg die het platina tipje van de naald inbrengt. De neuroloog die voelt – ‘je moet het heel vaak gedaan hebben,’ zegt Van Laar – hoe een patiënt reageert. En Carel Dolman zelf, die wakker moet zijn, zo wakker dat hij hoort hoe uit het luidsprekertje naast hem iets komt dat op het gehuil van zeehonden lijkt. Zo klinkt zijn brein dus, zo klinkt de hyperactieve koffieboon in zijn hoofd als de naald zijn doel heeft bereikt en het elektrische signaal wordt omgezet in geluid.

Van Laar blijft proberen, eerst aan de linkerkant, dan rechts, hoe Carel Dolman reageert op de stroomstootjes van de elektrode. Eén volt, twee volt, … en door tot vier volt. En dat voor elk van de vier contactpuntjes op de elektrode. Hoe losjes voelt Carels elleboog, hoe struikelt hij over de tongbreker ‘artillerie’, hoe bewegen zijn ogen. Gaan zijn voeten tintelen, kan hij nog tappen met wijsvinger en duim.

Staal en Van Laar – ‘We stoppen niet voor we beiden tevreden zijn’ – zoeken naar het beste punt. Een millimeter dieper in de koffieboon, een millimeter opzij. Zo gemakkelijk als zij het juiste punt vonden in de rechterhelft van Carel Dolmans hersenen, een ‘hole in one’ zal Van Laar zeggen, zo lastig is het links. ‘We zitten close,’ zegt Van Laar, ‘het doet wel wat, maar dit is het net niet.’ En wat later: ‘Het is beter nu, maar niet zo overtuigend als de andere kant.’

Soms, weten Staal en Van Laar, stopt een Parkinsonpatiënt al met trillen als de naald op zijn plek komt. Nooit laat dat moment hen onverschillig. Het heeft iets mysterieus: hoeveel zij ook weten over hersencellen en neurotransmitters, waaróm het brein op die stroomstootjes reageert zoals het doet, begrijpen ze maar ten dele. Maar elke keer als het werkt, zegt Staal, gaat er een rilling door hem heen.

Gekscherend worden ze in het umcg soms ‘staaldraden’ genoemd, de twee dunne draden die Staal om kwart over twaalf met blauwe lijm en wat botgruis, bij het boren opzij gelegd in een aluminium bakje, vastzet in de gaten in Carel Dolmans hoofd. De uiteinden van de draden steken in een platte, witte, plastic connector die Staal in het uitgefreesde bedje legt. Daarna hecht hij het beenvlies en de huid.

Carel Dolman doet een plas in een ondersteek.

De hoofdwond is dicht. Het gordijn wordt losgetrokken en weggehaald. Cor Kliphuis schroeft de kroon los. En om kwart voor één zit Carel Dolman overeind, een witte tulband op zijn hoofd. Hij is moe. Ontzettend moe. Breng hem nu maar onder zeil.

Als neurochirurg Michiel Staal een boterhammetje eet, wordt Carel Dolman onder narcose gebracht voor het tweede deel van zijn operatie. Hij ligt nu naakt op de operatietafel. Zijn hele lichaam is afgedekt met groen operatiedoek. Alleen een gestrekte halve meter huid van zijn rechteroor tot aan zijn zij blijft onbedekt.
Staal wast opnieuw zijn handen, borstelt zijn armen, trekt een andere operatiejas aan. Uit de radio klinkt Elton John. Nikita. De chirurg tornt de eerder dicht gehechte wond boven het rechteroor open, maakt een snee in Carel Dolmans zij, en prikt het uiteinde van een halve meter lange, holle priem onder de hoofdhuid. Staal moet kracht zetten om de ’tunnelaar’ door het onderhuidse vet te dwingen, onder de hals door, bovenlangs het sleutelbeen – en niet eronder, daar zitten de longen -, langs zijn borstkas, duwend, ‘een beetje poken’, zegt Cor Kliphuis, totdat het puntje van de priem opduikt tussen het vanillegele vet bij de buik van Carel Dolman.

Uit de verpakking krijgt Staal een kastje aangereikt, iets kleiner dan een pakje sigaretten. Het apparaat, een soort pacemaker, bevat een batterij die jarenlang stroompjes naar de hersenen zal sturen, stroompjes die de overactieve kernen in balans moeten houden. En het lijf van Carel Dolman soepel, zijn motoriek weer wat normaal.

Cor Kliphuis meet de bedrading door, van de pacemaker in Carels buik onderhuids naar zijn schedel. ‘Je wilt niet dat ergens nog een aansluiting niet goed zit, want dan moet alles weer open.’

Staal hecht de hoofdwond. Zijn operatieassistent maakt de buikwond dicht.

‘Carel, het is klaar,’ zegt de anesthesist. Het is vijf voor twee. Maar Carel Dolman zal pas uren later wakker worden.

Drie maanden later. Carel Dolman staat in de deuropening van zijn woning. Voller in zijn gezicht, onder het litteken op zijn voorhoofd grijnzend van oor tot oor – hij steekt zijn armen uit, zoals hij dat ook deed toen hij net ontwaakte uit zijn narcose. Kijk eens hoe rustig.

Carel Dolman scheert zich weer met rechts. Hij maait het gras. Hij plakt de lekke banden van zijn zoons. Zet de aardappelen op, morst niet met koffie. ‘En ik hoor je niet meer, ik hoor je ’s ochtends niet schuifelen,’ zegt Jolanda.

Uit een lade pakt Carel Dolman de afstandsbediening waarmee hij zijn pacemaker als het moet zelf aan en uit kan zetten. In het umcg is dat apparaat ingesteld. De frequentie, het voltage, de beste combinatie van platina puntjes. Gewoon: proberen. Gaat zijn lip hangen, voelt hij tintelingen, beweegt zijn hand te veel, spreekt hij onverstaanbaar. ‘Heel wonderlijk,’ herinnert Jolanda zich, ‘hoe ze hem aanzetten en je ineens weer gewoon begon te praten.’

Genezen is Carel Dolman niet. De Parkinson is niet weg. Hij slikt medicijnen, maar minder. Niemand weet hoe lang het duurt, maar hij heeft er een aantal jaren zonder dat gekmakende bewegen bij gekregen. En straks gaat hij weer aan het werk op school.

De laatste beklimming van Eric Arnold

In anderhalve dag schreef Rik Kuiper voor de Volkskrant de reconstructie van de laatste klim van Eric Arnold. Verhalende journalistiek vergt niet altijd dagen of weken.

Na vier mislukte pogingen bereikte bergbeklimmer Eric Arnold (35) eindelijk de top van Mount Everest. Het was het laatste wat hij deed.

[dropcap]D[/dropcap]aar staat <fn> Dit verhaal stond aanvankelijk in de verleden tijd, maar op aandringen van de chef heb ik alles omgezet naar tegenwoordige tijd. Daardoor krijgt de reconstructie meer urgentie. Achteraf heb ik daar spijt van – ik hou meer van de beschouwende toon van de verleden tijd.</fn> hij toch maar, op 8848 meter hoogte. Eric Arnold, die pechvogel die al vier keer eerder de top van Mount Everest wilde halen, is er eindelijk in geslaagd. <fn> Ik kies voor een alwetende verteller, die de zaak van bovenaf bekijkt, maar wel zo dicht mogelijk tegen Eric Arnold aankruipt, om het verhaal zo persoonlijk mogelijk te maken.</fn> Het is vrijdagochtend 20 mei 2016, de zon komt op. <fn> ‘Alwetende verteller’ is eigenlijk niet zo adequate omschrijving hier, want ik wist juist heel veel niet. Ik klamp me vast aan de dingen die ik wel weet, bijvoorbeeld dat hij op de top geweest is, rond zonsopkomst.</fn>

Wat denkt hij, als hij neerkijkt op de toppen van de Lhotse en de Makalu – ook geen kleine jongens? <fn>Ik moet meteen eerlijk zijn over mijn onwetendheid. Wel laat ik de lezer hier vast weten wat hij kan verwachten: een verhaal over hoogteziekte en een jeugddroom.</fn> Is hij euforisch? Of heeft de hoogteziekte hem al zo te pakken, dat hij niet kan genieten van de prestatie waar hij al sinds zijn negentiende van droomt?

Lang blijft hij er vermoedelijk niet, met zijn lijf verpakt in een dikke jas en zijn gezicht verborgen achter een skibril en een zuurstofmasker. Ervaren bergbeklimmers juichen misschien even, nemen een paar foto’s, plegen eventueel een telefoontje en drinken een moeizame slok water – als dat niet bevroren is. Daarna gaan ze weer. Want ze weten: op de top ben je pas halverwege.<fn>Eric Arnold stond op de top. Wat hij daar precies deed en hoe lang hij er was weet ik niet. Maar ik wil toch dat de lezer een beeld in zijn hoofd krijgt van dat moment. Dat doe ik door te suggereren. Niet zomaar in het wilde weg, maar een ‘educated guess’ – en ik ben er eerlijk over, zie het woord ‘vermoedelijk’. </fn>

‘Tweederde van de ongelukken gebeurt op de weg terug’, zei Arnold een week eerder nog op de radio tegen Giel Beelen. ‘Naar beneden lopen is gewoon moeilijker.’

En inderdaad, de afdaling valt tegen. Met veel moeite bereikt Arnold kamp 4, het kamp dat het dichtst bij de top ligt. Hij is uitgeput, niet meer in staat om door te lopen naar een lager kamp zoals eigenlijk de bedoeling is, niet meer in staat om via de satelliettelefoon zijn vriendin en zijn ouders bellen.

‘Mijn lichaam heeft geen energie meer’, zou hij tegen de andere leden van het expeditieteam hebben gezegd.

Niet veel later overlijdt Eric Arnold in zijn slaap in een tent op de flank van de berg waar hij zo van houdt. Hij is 35 jaar geworden.<fn>Veel lezers weten – als ze dit maandagochtend lezen – dat Eric Arnold is overleden. Het zou potsierlijk zijn dat gegeven in dit verhaal tot het laatst te bewaren. Noodgedwongen begint dit verhaal dus met het einde – in ultimas res. Het verhaal gaat vervolgens om de vraag: hoe kon dit gebeuren?</fn>

 

 

[dropcap]W[/dropcap]aar het allemaal begint?  <fn>Hier begint het verhaal eigenlijk opnieuw, en wel helemaal aan het begin.</fn> In een jongenskamer, zoals zo veel avonturen. ‘Het is gewoon mijn jeugddroom’, vertelt Eric Arnold later op de radio.<fn>Doordat dit verhaal helemaal in de tegenwoordige tijd is gezet, gaat het hier wringen. Want die tegenwoordige tijd – gebruiken we die nou voor de anekdotes uit zijn jeugd, of voor het moment dat hij op de radio is, jaren later? Ik los het hier provisorisch op met het woord ‘later’. In mijn oorspronkelijke tekst, die dus volledig in de verleden tijd stond, staat het mooier: ‘Waar het allemaal begon? ‘Het is gewoon mijn jeugddroom’, zei Eric Arnold vorige week nog op de radio. ‘Ik had vroeger een poster boven mijn bed…’’ </fn> ‘Ik had vroeger een poster boven mijn bed hangen van de Everest – naast die van Pamela Anderson, trouwens. Die laatste droom is beetje weg, maar die eerste is altijd gebleven.’<fn> Ik kon in die twee dagen geen mensen vinden die Eric Arnold persoonlijk goed kenden en over hem wilden praten. Daarom was ik aangewezen op wat hij eerder zei op de radio, in interviews en op zijn eigen blog.</fn>

Ook een bezoek aan de kapper in 1999 blijkt cruciaal te zijn. ‘Daar zat ik te bladeren door een oude leesmap en zag ik een artikel over een Mount Everest expeditie’, zegt hij in een ander interview. ‘Het triggerde iets in mijn gedachten en dat is daarna nooit meer weggegaan.’

Omdat hij nog nooit geklommen heeft, besluit de jonge Eric Arnold een beginnerscursus te gaan doen. Daarna gaat hij mee met expedities, telkens iets moeilijker en altijd met Mount Everest in zijn achterhoofd.<fn>Met deze passages schets ik wat voor persoon Eric Arnold is. Hij is een serieuze klimmer, zien we hier. Al jaren bezig zijn droom te verwezenlijken. Ik zeg het niet expliciet, maar wil hiermee aangeven dat Arnold geen roekeloze toerist was.</fn>

In 2002 reist hij voor het eerst naar de Himalaya, tien jaar later waagt hij zich voor het eerst aan Mount Everest. Het is koud en het stormt zo hard op de berg dat hij nauwelijks op zijn benen kan blijven staan. Zijn vingers zijn bevroren, net als een van zijn ogen. Op 250 meter onder de top – slechts drie tot vier uur verderop – keert hij om. ‘Zuurstoftekort, kou en angst doen mij besluiten om te keren’<fn>Op sommige plekken is toch duidelijk dat dit verhaal snel geschreven is. Twee keer achter elkaar gebruik ik het woord omkeren. Niet mooi.</fn>, zal hij later in een interview zeggen. Het blijkt een verstandige keuze. Enkele andere klimmers komen die dag om het leven.

Het jaar daarop wil Arnold een nieuwe poging wagen, maar nog voor hij vertrekt, kegelt iemand hem op de ijsbaan omver. Een schaats snijdt zijn achillespees doormidden.

In 2014 zit het ook niet mee. Arnold is in het basiskamp als een lawine een deel van de klimroute verwoest. Zestien mensen sterven en alle expedities worden afgelast. Hij besluit direct bij vertrek dat hij het jaar daarop terug zal keren. In een interview met bergsporttijdschrift Hoogtelijn zegt hij later: ‘Het is een boek dat af moet; dat laatste hoofdstuk moet geschreven worden.’

Maar ook in 2015 haalt hij de top niet. Een aardbeving met een kracht van 7,9 op de schaal van Richter treft Nepal op het moment dat Arnold in het basiskamp zit. ‘Ik kwam naar buiten en zag lawines aan komen rollen van alle kanten’, zegt hij tegen de Volkskrant. ‘Zulke grote lawines heb ik nooit gezien.’ Hij heeft geluk dat hij het kan navertellen.<fn>Deze opsomming van pogingen is relevant. Dat het hem al zo vaak niet gelukt is zou mee kunnen spelen bij zijn keuze om zijn beklimming voort te zetten.</fn>

 

[dropcap]V[/dropcap]ier gestrande pogingen, maar Eric Arnold gaat door. Hij schrijft zich in voor de Everest South Expedition, zodat hij in het voorjaar van 2016 opnieuw mee kan met Arnold Coster, een Nederlander die in Kathmandu woont en expedities organiseert.<fn>Coster zelf was in de twee dagen dat ik dit stuk schreef onbereikbaar. Later heb ik nog een veel langer verhaal voor de Volkskrant gemaakt over deze beklimming, geheel vanuit het perspectief van de expeditieleider.</fn>

Volgens zijn uitgebreide brochure zou het de tiende keer worden dat Coster met een groep Mount Everest beklimt. ‘Hij behoort tot de mensen met de meeste ervaring ter wereld’, aldus de brochure. ‘En hij heeft een hoog succespercentage.’<fn>Ook Katja Staartjes bevestigde telefonisch dat Arnold Coster een ervaren expeditieleider was. Misschien had ik dat ook in de tekst op moeten nemen. </fn>

En dus arriveert Eric Arnold rond 20 april in het basiskamp aan de voet van Mount Everest. Van daaruit klimmen de expeditieleden in de eerste dagen van mei alvast een fors stuk naar boven. Een acclimatisatietocht is het, om aan de zuurstoftekort te wennen.

Tijdens die tocht krijgt Arnold – zoals gebruikelijk is – last van de hoogte. ‘Net als de bonkende hoofdpijn en algehele malaise wegtrekt, is het tijd om door te gaan naar een hogere plek waar de algehele malaise zich herhaalt’, zal hij op 4 mei over die tocht noteren. ‘Meestal valt dit samen met de momenten dat ik mij afvraag waarom ik dit ook alweer leuk vind.’

Een dag of tien later is die twijfel weer verdwenen. ‘Voorlopig gaat het gesmeerd’, schrijft hij op 13 mei vanuit het basiskamp. ‘Bergbeklimmen is geen wedstrijd, op hoogte is jezelf onnodig uitputten zelfs gevaarlijk. Natuurlijk geeft het wel vertrouwen dat ik tot nu toe minimaal bij de kopgroep in de hoogtekampen aan kom. Mijn zuurstofsaturatie geeft prachtige waarden aan. Maar garantie krijgt niemand.’<fn>Deze passage, die Eric Arnold op zijn blog schreef, illustreert nogmaals dat hij geen roekeloze klimmer is.</fn>

 

[dropcap]O[/dropcap]p maandag 16 mei, een paar uur na middernacht, begint Eric Arnold aan zijn allerlaatste tocht naar boven. De groep verlaat het basiskamp en loopt naar kamp 2, dat op ruim zes kilometer hoogte ligt. Daar blijven ze een dag. Op zijn Twitteraccount, dat wordt bijgewerkt door zijn vriendin, verschijnt het bericht, dat Arnold ziek is. Hij heeft een voedselvergiftiging en krijgt antibiotica.<fn>Of dit verband houdt met datgene wat gebeuren gaat, kon ik op het moment van schrijven niet beoordelen. Ik vond het wel frappant.</fn>

De medicatie lijkt aan te slaan. Arnold kan woensdag op pad, en komt via de touwen die de sherpa’s langs de route hebben aangelegd in kamp 3, dat op 7158 meter hoogte ligt. ‘Dosis oerkracht gevonden!’, staat op Twitter. ‘Laatste touwlengtes diep in het rood. Nu herstel: drinken!’

Donderdag arriveert Arnold op de Zuidcol, een plateau op een hoogte van 7950 meter, waar zich het laatste kamp voor de top bevindt. ‘Diep in het rood gegaan’, meldt zijn vriendin namens Arnold op Twitter. Er was iets misgegaan met de zuurstoftoevoer.

Het waait hard op de Zuidcol, de temperatuur moet er circa dertig graden onder nul zijn. Op deze hoogte – vanaf 7500 meter – begint het gebied dat bergbeklimmers de Death Zone noemen.<fn>Hier vermeng ik achtergrondinformatie met de handeling. Dat probeer ik zo kort mogelijk te houden, om de lezer niet te veel op te houden.</fn> Het is onmogelijk om er lang te verblijven, omdat de hoeveelheid zuurstof ongeveer een derde is van de hoeveelheid op zeeniveau. Zelfs met een zuurstoffles is dat tekort niet op te vangen.

Waarom komt iemand hier dan? Kort daarvoor noemde Arnold het klimmen een verslaving. ‘Het heeft lang geduurd voordat ik precies kon duiden waarom dat zo is’, schreef hij in een blog. ‘In de bergen raak ik in een flow. Ondanks het gevaar is er geen plek waar ik mij zo tot in mijn haarvaten in leven voel als in de bergen. In Nederland kabbelt het leven in grijstinten, in de bergen is alles oranje, rood en groen. In de bergen zitten hoofd en hart op één lijn. De bron van energie is dan onuitputtelijk. Niets is te veel.’<fn> Deze passage is voor mij een lichtpuntje in een wrange geschiedenis. Eric Arnold stierf weliswaar, maar wel tijdens datgene wat hij het mooiste vond in het leven.</fn>

Eric Arnold heeft zes uur de tijd om te herstellen in kamp 4. Hij moet proberen wat te eten en circa zeven liter gesmolten sneeuw te drinken, hoewel een lichaam daar op grote hoogte helemaal geen zin in heeft.<fn>Ik kan hier geen details geven over de beklimming van Eric Arnold. In plaats daarvan verlevendig ik het verhaal met informatie die ik van Katja Staartjes kreeg, die eerder Mount Everest beklom. Zo beschik ik toch over broodnodige details.</fn> Vanavond zullen ze aan hun toppoging beginnen.

 

[dropcap]M[/dropcap]et lampen op hun helmen gaan de zeven leden van de expeditie met zeven sherpa’s donderdagavond op weg naar de top.

Het is gebruikelijk om toppogingen vanaf de Zuidcol ’s avonds te beginnen. Op en neer naar boven bij daglicht is onmogelijk, want een topklim duurt 16 tot 25 uur. Een deel van de tocht moet dus in het donker worden afgelegd. Het is veiliger om in het donker te beginnen: dan zijn de expeditieleden nog fit.<fn>Ook hier: tekst verlevendigd met informatie van Katja Staartjes.</fn>

Het eerste stuk van de route naar de top is nog vrij vlak, maar na een paar uur wordt het steiler. Over hellingen van soms wel vijftig graden bereiken ze een vlakke plek die het Balkon wordt genoemd. Daar begint een bergkam die naar de top leidt.

Wat gebeurt er tijdens die tocht? Als het klopt dat Eric Arnold is overleden aan hoogteziekte, zoals de organisatie van de expeditie vermoedt, dan moet zijn lichaam ergens daar in de Death Zone op hol geslagen zijn.

Sommige klimmers worden moe door de ijle lucht, anderen krijgen hoofdpijn, worden duizelig of misselijk. Iedereen heeft er last van, al is het bij de een erger dan bij de ander.

Vlak voor de top arriveren Arnold en de anderen bij de Hillary Step – genoemd naar Edmund Hillary, die via deze route in 1953 samen met zijn sherpa Tenzing Norgay als eerste naar de top van Mount Everest wist te klimmen. Op zeeniveau is de klim eenvoudig voor een getrainde klimmer, op deze hoogte is het een uitputtingsslag.

Soms slaat de hoogteziekte venijnig hard toe bij een klimmer. Dan kan de huid blauw worden, raakt de klimmer verward en gaat hij zwalken. Dit heet acute mountain sickness. In extreme gevallen hoopt vocht zich op in de longen en de hersenen, wat levensgevaarlijk is.

Merkt Eric Arnold dat zijn lichaam langzaam uitgeput raakt? Of wilde hij het niet merken?

‘De druk was nu heel groot’, zal zijn vriendin later tegen een journalist van het Algemeen Dagblad zeggen, toen ze nog niet wist dat hij zou sterven, maar wel dat hij uitgeput in een tent in kamp 4 lag. ‘Waar een ander was teruggegaan, heeft hij er waarschijnlijk drie stappen bij gezet.’

Arnold klimt rond zonsopgang via de touwen tegen de Hillary Step op. Daarna is het nog een klein stukje naar de top. Zuchtend en hijgend zal hij<fn>Suggestie.</fn> op 8848 meter aangekomen zijn. Daar ziet hij wat hij zijn hele leven wilde zien: de Himalaya, vanaf het hoogste punt.

Het uitzicht is waanzinnig. <fn>De lezer weet al wat er daarna tijdens de afdaling gebeurde. Ik wil toch een beetje positief eindigen. Dit heeft Eric Arnold toch maar mooi gezien. Hij heeft zijn droom vervuld.</fn>

 

Ton van Dijk: De dood van een cowboy

Good old Ton van Dijk is een van de beste vertellers in de Nederlandse journalistiek. En zijn ‘cowboy’ is een onvergetelijke reportage, vindt Henk Blanken. Hij liet Ton van Dijk per mail aan het woord.

OOoit was het land daar slechts polderland, nu rijst aan de noordelijke kim het pijpen- en buizenwoud van de Botlek. Als de wind verkeerd staat wordt de was aan de lijn sneller zwart dan tijdens het dragen en ruik je de fabrieken van verre.

Mooie dorpjes zijn het, Geervliet en Heenvliet op het Zuidhollandse eiland Putten, tweelingdorpen verbonden door een smalle, kronkelende slaperdijk. De dorpskernen liggen hoger dan het omringende land. In de polder zijn nieuwe wijken gebouwd voor mensen die Rotterdam wilden ontvluchten of naar de Rijnmond kwamen voor werk. Van oudsher behoorden de bewoners tot het zwarte volk, streng gelovig, de zondag werd geheiligd, de weekdagen waren er voor hard en zwaar werk op het land van zeeklei. De import bracht frivoliteit en lawaai, barbecue en kratten pils in zomeravondse tuinen. De eertijds zo stille markt in Heenvliet, met zijn keurig gerangschikte keitjes, kreeg een disco annex snackbar.

Open hier het interview

HB: Zo’n lange, gedragen inleiding zouden we nu niet meer doen, geloof ik. Of wel? Het is prachtig en sfeervol, maar het duurt wel even voor het verhaal met wat handeling op gang komt.

TvD: Ik doe dat vaak. De beschrijving van, zoals dat in politietaal heet, de pd, plaats delict, in dit geval de omgeving. Ik schrijf in blokken die wisselen van plaats, in tijd of van standpunt. Als ik begin met bijvoorbeeld de schoten van een misdaad, komt daarna de omschrijving waar, dus zeg maar als tweede blok. Doch meestal al in het begin, om de lezer met zachte hand het verhaal binnen te voeren. Nu ook nog. Voor Trouw schreef ik (dik 7000 woorden) vorig jaar een stuk over de domineemoord in Ubbergen, ook weer volgens dat procedé, eerst de beschrijving van het huis en de straat waar de ene dominee de ander met een bijl de hersenen insloeg.

De Vissersdijk begint bij de markt, het eerste gebouw aan de rechterkant is een houten, donker geteerde schuur. Na een stuk tuin volgt het eerste woonhuis met een krullerig uithangbord: ‘DEN GLAZE GRAVEUR. OPEN ATELIER WHAT’S IN A NAME’. Sinds vrijdagavond 4 maart staat het huis leeg. Aan de straatkant zijn de gordijnen dichtgetrokken, alleen een lege fles Old Smugglers-whisky is op de vensterbank achtergebleven.

Bij Jan Spruit, de glasgraveur van dat eerste huis op de Vissersdijk, leek het soms ook wel een disco. Tot diep in de nacht waren mensen er welkom en als het weer het toeliet zaten ze in de tuin. Een gekke tuin van die gekke Jan Spruit met zijn wapperende, blonde lange haren, zijn snor, dat puntsikje en die eeuwige cowboyhoed. Hij hield van drama, van overdrijven. Hij was een cowboy, de laatste echte cowboy, hij zei dat hij als cowboy vóór zijn veertigste wilde sterven.

Open hier het interview

HB: Van meet af aan kies je de positie van de alwetende verteller. De verslaggever is zelf vrijwel helemaal afwezig (op de uitzondering kom ik nog). Hoe zorg je ervoor dat de lezer je geloofwaardig vindt?

TvD: Door veel te weten kun je zo schrijven dat de lezer niet twijfelt aan het waarheidsgehalte.

In de laatste weken van februari en begin maart kwamen de geluiden uit het huis niet van gezelligheid. Jan had een nieuwe vaste vriendin, Marlène, achttien jaar en het spontane hart op de tong. Voor ze officieel zouden trouwen moest de verbouwing klaar zijn. Marlènes moeder, haar stiefvader John, en Marlène en Jan zelf klusten al weken in het huis. De oude zolderbalken waren schoongeschraapt en die vrijdagavond hadden ze schrootjes tussen de balken gezet. Ze namen nog een pijpje bier, het was bijna gedaan en de klok was 23.00 uur voorbij toen Jan zei: ‘Ik klap bijna, godverdomme, ik moet effe zeiken.’ Jan ging de achterdeur uit.

Buiten was het aardedonker. Door de beslagen ruiten viel wel licht op het plaatsje, maar vanuit de kamer kon je in de tuin niets zien. Er klonken vier knallen, kort na elkaar. Binnen dachten ze dat Jan een geintje uithaalde. Hij had wat met vuurwerk en stak natuurlijk, blij dat het karwei bijna geklaard was, een paar rotjes af. Lacherig liep John naar het raam, hij veegde een plek schoon en probeerde naar buiten te kijken. Hij hoorde Jan niet en kon van licht naar donker niets onderscheiden.

Hij stapte de deur naar het plaatsje uit. Jan lag voorover op de tegels. Jan? Jan! Wat is er, wat doe je? De anderen kwamen aanlopen. Toen John zich over het lichaam van Jan boog, stond er ineens een zwarte kruin naast hem, een wachtmeester van de rijkspolitie. Waar kwam die zo ineens vandaan? De politieman keek naar Jan en voelde aan hem. Vuurwerk, rotjes? Er was op Jan geschoten en ze moesten onmiddellijk naar binnen en binnen blijven ‘in het belang van het onderzoek’. De maat van de wachtmeester was al naar de surveillancewagen om assistentie te vragen. Toen Jan naar buiten kwam vormde hij een goed doelwit tegen het licht van de ramen. Vier kogels hadden hem in borst en buik getroffen, ‘de dood trad vrijwel onmiddellijk in’. Jan Spruit was zesendertig jaar geworden.

Open hier het interview

HB: Hier vallen twee dingen op. Je geeft citaten nu weer zonder aanhalingstekens (Jan! Wat is er, wat doe je?). Ben je minder zeker van zo’n citaat dan de quote van Jan Spruit een alinea eerder (‘Ik klap bijna…’)? En je geeft weer wel tussen aanhalingstekens de formele taal van de politie weer (‘de dood trad…’). Dat geeft de verteller wat gezag, neem ik aan?

TvD: Ik heb uiteraard Marlène en haar ouders gesproken. Zij schrokken toen ze Jan zagen liggen. Ze wisten natuurlijk niet meer precies wie wat op dat moment riep. Door geen aanhalingstekens te gebruiken schetste ik de algemene consternatie. Die proces verbaal gebruik ik inderdaad om het geheel een officieel aanzien te geven. De afwisseling in de verteltrant en dat soort taal vind ik mooi en die quotes zijn trouwens ook echt.

Tegen het ochtendgloren meldde een ontredderde Hans V., rechercheur bij de Rotterdamse gemeentepolitie in de rang van hoofdagent, zich bij het wegenwachtstation van Rhoon, een heel eind verderop. Zijn herinneringen waren glazig en versuft. ‘U zegt mij dat ik vier kogels heb afgevuurd op Jan Spruit. Het zal wel zo zijn, ik kan het mij niet herinneren.’

Een maand na de dood van Jan ziet zijn tuin aan de Vissersdijk er verwaarloosd uit, de lente broeit in de grond, vals gras en distels steken op en de paardebloemen willen vroeg bloeien. Op de zachtglooiende driehoek grond zijn hier en daar stukjes geëffend en ommuurd met een rand stenen om zitjes te maken. In het verste punt van de tuin staat een driepoot, daarin hangt een fors stuk boomstam, op de ronde kant zijn cirkels getekend als van een schietschijf. Jan gooide met tomahawks. Hij was er handig in, zowat alles wat scherp was, kreeg hij in het hout: bijlen, messen, speren.

Jan was altijd met die tuin bezig, een zitje hier, een randje stenen daar. Z’n vrienden zeiden wel eens dat Jan leefde bij de seizoenen. Wanneer de blaadjes vielen, kreeg hij het in de kop en wanneer de blaadjes kwamen óók, maar dan was het meestal uitbundiger. Vorig jaar met de lente wilde hij een kanon in de tuin zetten, de loop had­ie al, de halve zool. Hij moest alleen nog een affuit hebben, wanneer de gek dat gevonden zou hebben, was er op een tuinfeest zeker met losse flodders geschoten.

Het was Dirk van de houthandel in Geervliet die Jan in contact bracht met Hans. Jan had moeilijkheden met zijn boekhouder, hij verdacht de man ervan hem op te lichten. Dirk wist dat Hans, zijn buurman, rechercheur was en vroeg hem eens mee te gaan naar Jan in Heenvliet om wat advies te geven. Dirk kende Jan al jaren, Jan hielp hem af en toe met een klusje en hij was ook nog een goeie klant van Dirks Houthal in het centrum van Geervliet. Bij de cowboy van Heenvliet kon iedereen naar binnen stappen: dokter, pooier, bedelaar, notaris of politieagent zoals Hans, het maakte Jan niets uit. Hij zei altijd: ‘Als je een hart in je donder hebt en je kan lullen, dan ben je bij mij welkom. Het bier staat daar, je pakt als je dorst hebt.’

Trix, de vrouw van Hans, ging ook ‘ns mee, ze vond het gezellig. Hans en Trix kwamen meer bij Jan, zeker op de tuinfeesten die Jan gaf, zoals met het jaarlijkse dorpsfeest, de paardenmarkt. Jan en Helma wisten altijd sfeer en gezelligheid te scheppen en vaak werd het een dolle boel. Jan en Helma, Hans en Truc, ze bevielen elkaar wel, die vier. Hans en Trix bleven komen, ze werden huisvrienden.

In 1971 kwam Hans van de opleidingsschool voor gemeentepolitie. In september begon hij als aspirant-­agent bij de uniformdienst in Rotterdam­-Zuid. Hans werd in de groep waar hij werkte als een goede collega beschouwd. Henny werkte bij dezelfde ploeg, Hans werd zijn vaste maat. Het klikte tussen die twee, ze draaiden dezelfde diensten, ze hadden dezelfde mentor en ze reden samen op de surveillancewagen. Henny kon uitstekend met Hans overweg, z’n maat was beheerst, niet agressief en hij had humor. Ze voetbalden samen in een amateurteam van Overmaas, Hans was geen groot talent maar wel een echte sportjongen; door zijn inzet, mentaliteit en onverwoestbare conditie was hij een bruikbare rechtsachter: Hans’ eigenlijke hobby was het lange­afstandlopen. Hij liep bijna dagelijks tien, vijftien kilometer, begon aan de halve marathon, liep later de landelijke politiemarathon in Assen binnen drie uur en was daarmee de beste Rotterdammer. Hij had karakter en kon afzien.

Hans werd volgens schema bevorderd tot hoofdagent en ging de recherchecursus doen. Zonder problemen haalde hij net als zijn maat de eindstreep. Zijn beoordelingen waren zonder meer goed, uitstekend kun je wel zeggen. Niets leek zijn glad en soepel lopende carrière bij de Rotterdamse politie in de weg te staan.

Open hier het interview

HB: Hierboven gebruik je voor het eerst in dit stuk de jij-vorm als vertellerstruc (‘uitstekend kun je wel zeggen’). Dat doe je later vaker. Het is een mooi, beetje vaag midden tussen de eerste persoon (jij als verslaggever – maar dat wil je vermijden) en het noemen van nog meer bronnen. Hoe bewust doe je dat, of is het, zoals bijna alle verslaggevers zeggen, een kwestie van intuïtie?

TvD: Het is denk ik wel bewust. Wanneer je dit soort karakterbeschrijvingen in quotes zou opschrijven, jan zei dat, Piet dit, kost dat veel ruimte en het maakt een en ander ook lastiger lezen door al die verschillende bronnen. Dus dan parafraseer ik. Ik heb genoeg mensen gesproken om dat soort onderdelen van een portret te componeren.

Jan kwam uit een groot gezin. Toen zijn vader nog op de wilde vaart zat, werd er na elke reis van een jaar, anderhalf jaar soms, wel een kind gemaakt, acht in totaal. Toen vader aan de wal ging werken, verhuisde het gezin van Schiedam naar het noorden, vader kreeg een baan daar.

Moeder was scherp, vlijmscherp. Als ze zei dat iets blauw was, dan kon je dat maar beter niet tegenspreken. Nu nog, drieënzeventig jaar oud, is haar wil een wet.
Jan was anders dan de anderen, een moeilijk kind, altijd tegen de draad in. Toen­ie elf, twaalf was werd­ie een tijdje naar een opvoedingsgesticht in Zeist gestuurd. Ook daar flikte Jan van alles, hij spande touwtjes op de trap om de pastoor te laten vallen. Op zijn veertiende verjaardag kreeg hij van moeder een paspoort, een monsterboekje en een plunjezak. ‘Ga jij maar varen, iets anders ben je niet nut,’ zei ze en Jan ging. Jan en moeder, dat akkordeerde niet en het is nooit veel beter geworden.

Nadat Jan het huis uit was, hadden moeder en hij niet veel contact meer. Een hoogst enkele keer belde Jan eens op, de gesprekken waren kort en koel. Moeder hield niet van Jans manier van leven en zeker niet van hoe hij eruitzag, altijd die rare cowboykleren, die grote hoed en dat háár. Zo’n voorbeeld had haar man z’n kinderen niet gegeven. Moeder zou nooit willen erkennen dat Jan wel iets had van de bon vivant die vader was. In z’n goede tijden was Jan bij iedereen gezien, zeker bij het zwakke geslacht. Zijn blonde haar en die sprekende bruine ogen trokken vrouwen aan en hij kon ook zo’n vrije, makkelijke en vrolijke indruk maken. Voor buitenstaanders was Jan omringd met de geur van romantiek en avontuur, hij droeg het aureool van de vagebond die dingen deed waar anderen alleen maar van droomden.

Hans was serieus in z’n werk, ambitieus. Hij trouwde met Trix, een lieve, schuchtere meid van het Brabantse land, ze kochten in de nieuwbouwwijk van Geervliet een keurig hoekhuis. De ramen aan de straatkant werden opgesierd met planten en handgeweven en ­geknoopte versieringen, om de tuin kwam een schutting van manshoog houten vlechtwerk. Hans en Trix kregen twee kinderen, de oudste, John, is nu vijf, een leuk rossig meidje kwam als tweede de ‘rijkeluiswens’ vervullen. De ramen van de kinderkamers aan de achterkant kregen kleurige zelfgemaakte poppen en beesten op de vensterbanken.

Trix was niet sterk, aan de eerste, zware bevalling hield ze rugklachten over. Dat, en die twee kleine handenbindertjes de hele dag over de vloer, maakten haar leven als moeder, huisvrouw en echtgenote zwaar, zwaarder dan ze gedacht had. Er waren tijden dat ze er nauwelijks tegenop kon. Voor haar rug liep ze bij een specialist, na een operatie en zes weken ziekenhuis hield ze klachten. Gelukkig maar dat ze aan Hans zo’n goeie man had, hij probeerde niet veeleisend te zijn en haar met alles zoveel mogelijk te helpen. Zijn huwelijk en zijn gezin waren Hans heel wat waard.

Hans had het naar z’n zin bij de Rotterdamse gemeentepolitie, in het huis in Geervliet woonde hij prettig. Hans vond het leuk met Jan en Helma uit Heenvliet kennis te hebben gemaakt, je kon er inlopen wanneer je wilde en je leerde bij Jan allerhande types uit de omgeving kennen. Na z’n avonddiensten en soms zelfs na z’n nachtdiensten was er bij Jan nog wel eens bedrijvigheid en volk over de vloer. Jan accepteerde hem als politieman, Hans kon daar iemand zijn, zich even ontspannen. Als Hans overdag vrij was, hielp hij Jan wel eens met klusjes in zijn atelier, zo leek de relatie in evenwicht.

Nadat Jan een paar jaar gevaren had, hield hij het voor gezien, aan de wal was het leuker. Zijn broer Piet had het monsterboekje er ook aan gegeven en woonde in de Rotterdamse Afrikaanderwijk, een oude volksbuurt in Zuid. Jan trok bij zijn broer in, samen pakten ze alles aan, meestal via koppelbazen, die betaalden het best. Scheepswerven, laden en lossen, voor goed betaald werk stonden hun handen niet verkeerd.

Jan kreeg steeds meer dat wilde uiterlijk, een hippie leek hij wel. Moeilijk was hij nog, agressief ook, hij kon zo driftig worden. Hij ging af en toe met z’n broer Bas stappen en dan sloegen ze mekaar aan het einde van de avond de koppen in om niks. Bas heeft aan een van die avondjes een stifttand overgehouden. Jan blufte vaak dat hij alles durfde. Je kon hem beter niet uitdagen want dan deed hij het ook. Als het om gezelligheid ging, liepen alle broers en zussen met Jan weg, een bruiloft of familiefeest was geen echt feest als Jan verstek liet gaan. Jan was de gangmaker, al danste hij maar met een stoel in het rond, dan lag de familie plat. Op een oudjaarsavond had Jan zich helemaal als vrouw verkleed. Hoge hakken, nylonkousen, twee sinaasappelen in z’n beha. Ze gingen om twaalf uur de straat op en Jan had de rotjes als een patroongordel in z’n kouseband gestopt. Af en toe tilde Jan zijn rok op en trok hij een rotje uit de kouseband, je had de mensen moeten zien kijken. Om dat soort dingen kon zijn broer Piet lachen, maar als je Jan dag in dag uit met dat wisselende humeur en zijn driftbuien over de vloer had, werd het je wel eens te veel. Piet zei tegen zijn vrouw dat het voor Jan beter zou zijn als hij trouwde. Het werd tijd dat Jan zijn benen eens onder zijn eigen tafel kon steken, dan zou het wel gedaan zijn met die malle fratsen.

Open hier het interview

HB: Ook dit is een stilistische truc die je vaker gebruikt: het taalgebruik van je bronnen weergeven zodat hun stemmen klinken, terwijl je ze niet direct citeert (‘zijn benen eens onder zijn eigen tafel kon steken’ en verderop bijvoorbeeld ‘Buiten kreeg hij knokken’). Het zijn de quotes die je meteen noteert, neem ik aan?

TvD: Absoluut. Ik ben erg gespitst op het exacte taalgebruik van de geïnterviewden. Ik werk heel vaak met de cassetterecorder. Veel uittikwerk, maar het loont de moeite.

Jan kwam Helma tegen, een leuke meid. Ze moesten trouwen en ze gingen bij Piet om de hoek in de Parelstraat wonen.

Vanaf het begin van hun huwelijk had Helma het niet makkelijk met Jan. Toen zij in mei 1968 thuis van hun eerste kind beviel, belde Jan z’n moeder op: ‘Moe, ik heb een dochter.’ Moeder zei: ‘Gelukkig, dan heeft Helma tenminste wat, want aan jou heeft ze toch niks.’ Na zoiets werd­ie gek en dan moest Helma het ontgelden: ‘Was jij maar in de kraam gestorven!’ Schelden, schreeuwen, een stuk lawaai, hij had een stem om cokes mee te kloppen, de hele buurt luisterde met de ruzies mee. Wanneer het zo toeging, stonden mensen voor de buitendeur te luisteren maar ze dorsten niet naar boven te komen. Het huwelijk van Jan en Helma werd een golfbeweging met steeds diepere dalen en steeds minder toppen. Het tweede kind kwam twee jaar later, weer een dochtertje, ze waren er blij mee, maar het betekende niet dat Jans zucht naar het avontuur, naar cafés, de straat en belevenissen minder werd. Helma hoopte op een normaal leven. Jan kon dat niet beloven. Dat was wel eerlijk, maar met dat soort eerlijkheid schoot je weinig op. Altijd was er wel wat. Die verhalen over hoe ’n leuke vent Jan wel niet was en hoe gezellig het was om met hem om te gaan, waren voor Helma geen nieuws meer. Niemand heeft met Jan geleefd zoals zij.

Open hier het interview

HB: De laatste zin hierboven staat in de voltooid tegenwoordige tijd, terwijl de rest in de verleden tijd geschreven is. Je doet het nog een paar keer. Waarom?

TvD: Dat is een soort intuïtie, een gevoel, niet gebaseerd op regels. Ik betrap mezelf erop dat ik daar af en toe mee rommel, maar soms gebruik ik ook TT na VT om weer vaart in de tekst te krijgen.

Toen ze pas getrouwd waren voelde Helma zich een sulletje, ze zei overal ja en amen op, ze dacht dat het beter was de lieve vrede te bewaren. Dat hielp niet, er was evengoed ruzie, maar bovendien vond Helma dat het leven niet alleen maar bestond uit ja­zeggen, ééns moest ze paal en perk gaan stellen, het ja­knikken had niets opgeleverd. Er waren grenzen, zoals toen ze op kerstavond naar het buurtcafé De Maas waren gegaan. Helma wist dat Jan altijd achter de vrouwen aan zat, ze had het min of meer geaccepteerd, moeten accepteren, hoewel je zoiets niet echt makkelijk kunt verkroppen. In het café raakte Jan aan de praat met een ander echtpaar. Het ging over partnerruil. Zoiets zag Helma helemaal niet zitten. Toen Jan er tegen haar over begon, zei ze dat direct. Jan moest zelf maar weten wat hij deed, maar als hij die mensen mee naar huis wilde nemen, dan ging zij de Margriet wel lezen. Punt uit. In het café bleef Jan nog rustig maar eenmaal thuis begon hij opnieuw en kreeg hij het op z’n heupen. Hij trok een hartsvanger uit het hout van de schoorsteen, toen al was hij gek op wapens, en wilde Helma te lijf. Helma vluchtte naar de zolder en kroop door een gat in de berging. Het gat was zo nauw dat ze zich achteraf afvroeg hoe ze daar in godsnaam was doorgekomen, maar ja, als je maar genoeg angst hebt, dan is een muizenhol misschien nog groot genoeg.

Jan kon Helma niet vinden en rende de straat op om haar te zoeken. Buiten kreeg hij knokken met een stel buitenlanders. Ze stonden fietsen en keien naar elkaar te gooien. Hij kwam naar boven rennen om zijn dubbelloops jachtgeweer te halen.

Door de ruzie binnen, waren de ballen van de kerstboom gevlogen. De straat stond zwart van de mensen. Toen Jan met z’n geweer naar buiten liep waarschuwden ze dat de politie eraan kwam. Jan holde terug naar boven, trok z’n kleren uit en ging in bed liggen. Toen de politie aanbelde, schreeuwde hij woedend naar beneden hoe ze ’t in derlui stomme harses kregen om iemand midden in de nacht uit z’n bed te halen. Hij gooide ze het geweer naar de koppen en hij wilde ze met een speer te lijf. De agenten kwamen met getrokken pistolen de trap op. Ze wilden Jan fouilleren, terwijl hij alleen maar z’n onderbroek aanhad. Jan trok z’n onderbroek uit en begon te vechten. Het werd een kloppartij in het kleine huis, pas toen één agent hem op z’n blote voeten stampte en een ander hem een stomp in de maag verkocht, kregen ze hem in de boeien. Hij werd in z’n blote kont naar beneden gebracht en in de bus gezet.

Als er weer trammelant geweest was, gedroeg Jan zich de dagen erna als een mak lam. Dan huilde hij een potje en dan dacht Jan dat alles weer goed was. Marjolein en Karel waren in de Parelstraat goeie vrienden van Jan en Helma. Ze hebben wat keren geprobeerd de ruzies te beslechten, ze stonden zowat elke week op de stoep als het weer eens uit de hand dreigde te lopen. Wanneer Marjolein en Karel er waren, huilde Jan dikke tranen en beloofde hij dat hij het nooit meer zou doen. Maar Jan kon geen normaal leven leiden, hij probeerde het wel een tijdje, lang duurde het nooit. Het had niet eens zozeer met drank te maken, Jan zoop bier met sloten, maar hij kon ook ineens stoppen en een half jaar Spa en Seven­Up drinken zonder dat hij er rustiger van ging leven. Helma begreep dat het met Jan nooit beter zou worden. Ze had af en toe heel gezellige tijden met hem gehad, dat was echt zo, maar de nadelen werden groter dan de voordelen. Zij hakte de knoop door, ze moesten maar gaan scheiden.

In het begin deed Jan er overdreven optimistisch over. Het was prima, die scheiding, eindelijk zou hij zijn vrijheid terugkrijgen. Hij voelde zich een hele bink, riep tegen iedereen die het maar horen wilde dat hij weer een vrij jongen werd en liet de datum van de scheiding alvast op zijn arm tatoeëren. Die datum was nog fout ook, de officiële uitspraak was een paar weken later. Jan ging bij kennissen buiten Rotterdam in een caravan op hun erf wonen, Helma bleef met haar dochters Astrid en Sylvia in de Parelstraat.

Hans kwam na de recherchecursus bij de recherche. Ook daar ging het werk hem goed af. Eind jaren zeventig kwam er een plaats vrij bij de CID, de Criminele Inlichtingen Dienst. Hoogwaardig, specialistisch werk, ze wilden er in het korps alleen de besten voor hebben. Zijn oude maat Henny werkte daar al, de CID bestond uit een ploeg van zes rechercheurs die zich enkel bezighield met informatie verzamelen. Vroeger werden ze caférechercheurs genoemd omdat het voornaamste deel van hun taak eruit bestond zich in de clubs en kroegen onder de jongens van de vlakte te mengen. Een leuke maar moeilijke baan binnen het korps, er was veel belangstelling voor, je werd het niet zomaar.

Het werk stelde hoge eisen. Je ging om met hasjboeren, pooiers, dealers, inbrekers en containerboeren, je zat tot diep in de nacht met zware criminelen aan de bar. In dat werk zijn de verleidingen soms groot. De penoze probeert je uit, ze kijken tot hoever ze met je kunnen gaan en of je plat te maken bent. Als je niet tegen vrouwen en drank kunt, moet je er maar liever helemaal niet aan beginnen. Je moet ook goed met mensen om kunnen gaan, rustig en met zelfvertrouwen. Bluffers, opscheppers en grootsprekers vallen gauw door de mand. Als ze geen waardering voor je kunnen opbrengen omdat je als politieman niet staat voor je werk dan pruimen ze je niet meer. Je moet in het pulletje vallen, anders hoor je en zie je niks. De politie is een noodzakelijk kwaad en alleen als je stevig in je schoenen staat en respect verdient, wil men je nog wel eens in vertrouwen nemen. Als CID­-rechercheur sta je zelfs onder druk van je eigen collega’s. De jongens van de uniformdienst rijden in de pitwagen en zien jou op de hoek van de straat joviaal kletsen met een zware crimineel. Klap op de schouder, je schuift een café binnen, de conclusie dat je wel plat zal zijn is gauw getrokken. Roddels en verhalen zijn er snel, wat is er nou leuker dan een smeris in de luren leggen. Meiden die vertellen dat ze met je op stap zijn geweest en een gezellig wipje hebben gemaakt. Je moet ertegen kunnen en je voor je bazen kunnen verantwoorden, want die reageren met het boek in de hand soms zo verdomd rechtlijnig.

De voorkeur van de leiding gaat uit naar iets oudere rechercheurs, maar ook jongeren maken een kans, vooral als ze zulke grandioze beoordelingen hebben als Hans had. Je moet naar de post solliciteren, maar de collega’s bij het CID hebben een zware stem in het kapittel als het om een nieuwe jongen in de ploeg gaat: Ze kennen de rechercheurs van het korps wel en ze willen niet het risico lopen dat ze er iemand bij krijgen die zich niet kan aanpassen. Hans solliciteerde, Theo Buis, de oudste rechercheur van het team had hem gevraagd dat te doen.

Jan had van jongs af aan een artistieke tik, hij knutselde altijd en kon uit ouwe troep de mooiste dingen maken. Het begon met houtsnijwerk, hij maakte van balkjes dolken en zwaarden, heft en schede bewerkt met paardefiguren. Jan had een natuurtalent voor tekenen, snel en trefzeker zetten zijn handen op papier wat zijn ogen zagen. Hij had geen vrede met het werken voor koppelbazen. Hij wilde meer en zocht daar altijd naar. Hij was een tijdje helper van de motor­stuntrijder Jan Vos, samen zijn ze nog eens bij Willem Duys op de televisie geweest. Jan Vos reed zich later dood bij een stunt.

Jan begon met leerbewerken. En hij ontdekte het glasgraveren. Dat werd zijn beroep, met tekenen alleen kon je moeilijk je brood verdienen, maar tekeningen gegraveerd op ruiten, spiegels en glazen deden het goed. Zijn interesse voor wapens, ook antieke, kwam hem goed van pas. Zijn series van ridders en soldaten in volle wapenrustingen werden met zwier gegraveerd. Glasgraveurs telde Nederland niet veel, Jan werd bekend en hij schaarde zich bij het handjevol vakbroeders dat met graveren de kost kon verdienen. Het kunstenaarsachtige beviel Jan wel, je eigen tijd indelen en niks met bazen te maken hebben. Het vergde wel veel van zijn zelfdiscipline. Jan had het huis in Heenvliet gekocht en achter het kleine winkeltje begon hij zijn eerste atelier. Maar hij greep elk excuus aan om niet te hoeven werken en excuses waren er genoeg zolang er maar volk aan de deur kwam. Hij ging lesgeven aan de volksuniversiteit, cursussen leerbewerken en glasgraveren. Een kolfje naar zijn hand, er kwamen op die cursussen vooral veel vrouwen af die een hobby wilden hebben om hun dagen in de nieuwbouwwijken door te komen. Jans lessen waren populair en buiten de lesuren onderhield Jan af en toe innige contacten met leerlingen.

Met Karel reisde hij van Sneek tot Middelburg het land af om op braderieën en markten te werken en leren spullen en gegraveerd glaswerk te verkopen. Ze deden goede zaken, hoewel Jan een rare was. Hij flapte er van alles uit. Hij zei rustig tegen mensen die voor zijn kraam stonden: ‘Loop jij maar door, je porem staat me niet aan.’ Maar hij vroeg ook de pet van een agent en graveerde voor hem en diens collega het embleem op twee bierglazen. ‘Hier, neem mee voor thuis, jullie lopen hier de hele dag ook voor ons.’ Als Jan het op z’n heupen had, trok hij altijd volk naar de kraam en dan werd er goed verkocht. Z’n oog moest alleen met op een leuke meid vallen die wel wat wilde, want dan was Jan de hele dag verdwenen, of lag hij achter het zeil van de kraam of in de auto met zo’n meid te rommelen en als Karel dan dekking moest geven, kwam er van de handel niet veel terecht.

Niet lang na de scheiding besefte Jan dat hij niet buiten Helma kon. Hij begon zich in de gekste bochten te wringen om Helma terug te krijgen. Toen het met gewoon bellen en vragen niet lukte, zette hij zelfmoordpogingen op touw. Hij belde Helma op dat hij doodging omdat hij vergiftigde planten had gegeten. Helma waarschuwde de dokter en kwam uit Rotterdam naar Heenvliet. Jan had de bladeren van een dieffenbachia opgegeten. De dokter zei dat Jan er wel een dagje beroerd van zou zijn, maar dat hij niet dood zou gaan, hij zal hoogstens kotsmisselijk worden.

In die jaren moest Jan af en toe een paar dagen naar de psychiatrische afdeling van het Delta ziekenhuis. Na een van de eerste keren moesten Jan en Helma bij een psycholoog komen die gesprekken met ze wilde hebben om te zien of er wat aan hun relatie te doen was. Helma wilde niet terug, zelfs de psycholoog zei dat Helma groot gelijk had, maar Jan werd steeds gekker. In het lege huis in Heenvliet kwijnde hij weg. Hij had vriendinnetjes genoeg en al zette hij om de haverklap nog huwelijksadvertenties óók, Jan kon niet buiten Helma. Hij slikte pillen. Hij ging een keer in de tuin zitten met een geladen ouderwets kruitpistool tegen z’n hoofd. Als Helma niet terugkwam, zou hij zich van kant maken. De politie moest er weer aan te pas komen. Dat soort chantagemiddelen gebruikte hij wel, maar de reeks gesprekken met de psycholoog afmaken, deed hij niet.

Uiteindelijk zwichtte Helma, haar medelijden kreeg weer eens de overhand. Ze ging terug en liet Jan beloven dat hij zou proberen een normaal gezinsleven met haar en hun dochters te hebben. In het begin had ze het moeilijk. De overgang van de stad naar zo’n stil dorp was groot en met Jan was het, ze had het kunnen weten, al na korte tijd opnieuw mis gegaan. Toen ze nog niet zo lang terug was, hadden ze een logéetje over de vloer, een meisje van vijftien jaar, ze was stevig uit de kluiten gewassen. Het was ’s avonds laat geworden en er was behoorlijk wat bier doorgegaan. Midden in de nacht wilde Jan bij dat kind kruipen. Helma hield hem tegen en mokkend ging Jan mee naar bed. Na een tijdje schrok Helma wakker, Jan lag niet meer naast haar, hij had het toch in z’n dronken kop gehaald om naar dat kind te gaan. Helma vloog uit bed, Jan stond in de logeerkamer, dat kind was zich natuurlijk kapot geschrokken.

Het werd de zoveelste vreselijke ruzie, Helma kreeg slaag. Tot drie keer toe kneep Jan Helma’s keel dicht. Hij zou haar wurgen als ze het waagde om hem in de weg te staan. Helma riep: ‘Doe het maar!’ dat was misschien nog het beste. Helma heeft nooit begrepen hoe iemand zoiets kon doen, in z’n eigen huis waar zijn eigen vrouw bij was. Eerst had hij zo gebeden en gesmeekt of ze terug wilde komen en dan zoiets. De vader en moeder van het logéetje kwamen de andere dag naar Heenvliet om verhaal te halen. De vader bleef buiten lopen, gelukkig maar, anders was het een. veldslag geworden. De moeder was furieus , maar het gekke was dat, hoewel Helma de moeder in haar hart volkomen gelijk gaf, ze in dat soort situaties toch weer partij trok voor ‘haar’ Jan, ze kreeg op zulke momenten medelijden met hem, het was eigenlijk zo’n zielig persoon. Ze had zoveel meegemaakt dat ze eigenlijk steeds meer accepteerde. Dingen waar een andere vrouw niet over geprakkiseerd zou hebben ze toe te laten, vond zij al bijna normaal. Ze ging met Jan eens ’n keer mee naar een van zijn leerbewerkingscursussen, had je die vrouwen daar moeten meemaken. Ze keken Helma zowat de deur uit, ze was een sta-in-­de-weg. Helma kwam uiteindelijk nog wel op voor vriendinnen van Jan, ze trok zich aan hen op en verdedigde hen tegenover Jan als hij weer eens een vriendinnetje als oud vuil aan de kant gezet had. Ze was nog eens mee geweest naar een vriendin van Jan. Toen zaten ze daar met z’n drieën stommetje te spelen tot Helma zei: ‘Nou Jan, doe je mond eens open, wie wil je nu eigenlijk, haar of mij.’ Met al z’n bravoure was Jan soms net een groot kind. Helma zou eens een weekje weggaan, bij kennissen logeren. Jan bracht haar weg, hij zei nog dat het zo leuk voor haar was, er eens even helemaal uit. De volgende dag belde hij op. Waar ze bleef, godverdomme dit, godverdomme dat, ze moest meteen naar huis komen, hij had honderd glazen voor een opdracht gegraveerd en die stonden kriskras door het huis om afgewassen en ingepakt te worden. Toen Helma thuiskwam, vroeg ze kwaad of een van z’n vriendinnetjes dat karweitje niet even op had kunnen knappen.

Hans was nog jong, maar veelbelovend. Hij werd de maat van Theo, de door de wol geverfde oudgediende. Ze werkten als CID-rechercheurs altijd met z’n tweeën. In het normale schema draaide je elke week een nachtdienst, van negen uur ’s avonds tot ’s ochtends vroeg, een avonddienst van vier uur ’s middags tot twaalf, één uur. De rest deed je in dagdienst, dan had je besprekingen, je werkte de administratie af en je ging natuurlijk ook op pad. Criminelen zijn op alle tijden wakker. Extra overwerk is er niet veel, je verdient meer omdat je een vaste toeslag hebt voor hoge onregelmatigheid, je moet rekenen dat ook op vrije dagen je telefoon rinkelt. Bij Theo thuis kent z’n dochter meer criminelen bij naam en toenaam dan collega’s.

Hans nam zo’n dikke tweeduizend gulden schoon per maand mee naar huis. Je kon gelukkig wel je onkosten declareren, in de nacht kost een spaatje gauw drie gulden en als je informant Franse cognac slikt, dan kom je er niet met een tientje. Theo dronk niet, en Hans evenmin. Theo heeft nooit van alcohol gehouden, hoogstens een glaasje wijn bij een diner en Hans was een sportjongen. Hij nam af en toe een pilsje, maar niet tijdens het werk, daar hield Theo niet van. In de cafés maakte het niet uit. Het zou de barkeeper worst wezen of je voor zevenenhalve scheer Spa dronk of bier, zolang de kassa maar rinkelde.

Hans en Trix bleven regelmatige gasten bij Jan en Helma. In het begin merkten ze wel dat er vaak spanningen waren, maar daar bemoeide Hans zich pas mee toen Helma hem om raad ging vragen. Hans mocht Helma graag, hij sprak met Trix over het leven dat zij, met twee opgroeiende dochters, had bij Jan.

Hans praatte er ook met z’n maat Theo over. Die waarschuwde hem, je moest altijd uitkijken dat je je niet in een wespennest stak. Theo had meer met het bijltje gehakt, hoe vaak niet criminelen hun vrouw en kinderen in een ruzie op straat schopten … Of zo’n vrouwtje nam zelf de benen en het enige idee dat ze dan hadden om hulp te zoeken, was bij die politieman die ze kenden. Je zult het zien, zoiets gebeurt altijd op een moment dat je het ’t minst verwacht, op kerstavond of zo, als alle hulpverleners op hun bandapparaat hebben staan dat ze de volgende week tijdens kantooruren te bereiken zijn. Theo had Hans een lijstje met telefoonnummers gegeven van instellingen waar Hans Helma naar toe zou kunnen sturen als de bom nog eens zou barsten. Het Bliif­-van-­m’n-­liif­huis stond bovenaan.

Helma zag het steeds minder zitten, ze had er spijt van dat ze terug was gegaan naar Jan. Hij was geen zier veranderd, eerder leek het erger te worden. Hij had een atelier in een schuur bij kennissen in Geervliet, zogenaamd om beter te kunnen werken, maar het bleef thuis een kermis. Jan bleef ook een rokkenjager. Als Helma er wat van zei dan riep Jan dat zij toch ook haar gang kon gaan. Ja, haar gang gaan, zoals Jan dat wilde, ze mocht gerust vreemdgaan, maar o wee als het een verhouding leek te worden, dan was het huis te klein. Helma kon niet zomaar van het ene bed in het andere stappen, bij haar was vreemdgaan synoniem met een verhouding. Die had ze wel eens en dat kon Jan niet zetten. Hij zei altijd: ‘Je mag best met mijn poppetje spelen, maar je mag haar niet meenemen.’ De buitenwereld zag Jan er niet voor aan dat hij Helma sloeg, en het was ook niet zo dat z’n handen de hele dag loszaten, maar Helma had genoeg meegemaakt om angst te hebben voor z’n woede-uitbarstingen. Jan was zo’n dubbel mens. Hij kon zo aardig zijn, een meester in het vleien. Aan de andere kant was hij een asbak, hij kon je de grond instampen. Wanneer je ruzie met Jan had, was-­ie niet te vertrouwen, hij kon niet tegen zijn verlies. Als het hem slecht ging, begon hij als een waanzinnige te zwemmen en keihard om zich heen te slaan om drijvend te blijven. Het had natuurlijk met zijn jeugd te maken, maar voor die wetenschap kocht Helma weinig. In zijn jeugd had Jan niet veel liefde gehad, daarom was hij misschien als een bezetene op zoek naar aandacht en liefde.

In 1972, bij de rassenrellen in de Afrikaanderwijk, de buurtbewoners hadden onder leiding van Jan een paar Turkse pensions uitgeruimd, had Jan de smaak van roem en aandacht geproefd. Hij wilde dat telkens weer. Op een balk in de woonkamer stond geschreven ‘I am the King’ en daarnaast had hij allemaal foto’s en kranteknipsels van zichzelf gehangen. Een ander zou zich schamen zo vaak door de politie te zijn opgehaald, Jan vond het prachtig. Hij wilde altijd weten wat je van hem vond, en als je hem goed vond, was je de beste vriend die er bestond. Dat was de buitenkant. Als Jan echt liefde en aandacht kreeg, dan kon hij daarop moeilijk antwoorden, dat benauwde hem en dan vluchtte hij in uiterlijk vertoon, in feestvieren en malligheid.

Bij de schietvereniging De Geuzen in Brielle mochten ze hem graag. Op de jaarlijkse cowboy­dag in Horst in Limburg, in clubs en thuis, als er mensen waren, was Jan de gangmaker en de vrolijke bink, wanneer de mensen weg waren, moest Helma het ontgelden. Dan kwam hij ’s ochtends van bed af met een fles bier in z’n hand en als het werk of wat dan ook hem tegenzat kon hij uit elkaar barsten van woede en wilde hij het liefst alles kort en klein slaan. Het leek wel of Jan zijn schuldgevoel steeds meer verborg door juist te ruziën in plaats van te proberen het Helma naar de zin te maken.

Helma zag dat het niet ging. Weer rijpte in haar het besluit weg te gaan. Ze sprak er steeds meer over. Ze overwoog nog één mogelijkheid. Als Jan zo graag wilde dat zij bleef, moest hij het bewijs leveren haar waard te zijn. Ze ging bij een vriendin in Heenvliet wonen, vlak bij Jan, zodat ze contact konden houden en de kinderen hun vader nog in de buurt hadden. Wanneer het Jan ernst was, zou ze misschien terug willen komen.

Het plan werkte niet, Jan kwam bij de vriendin nog meer ruzie maken dan thuis al het geval was.

Helma hakte opnieuw de knoop door, ze vertrok. Hans bracht haar naar het eerste adres van het lijstje, het Blijf-­van-­m’n-­lijf­huis in Rotterdam, de zomer van 1982 stond voor de deur.

De laatste tijd trokken Hans en Trix meer naar Helma dan naar Jan, Helma zocht steun en Jan was allang weer met andere dingen bezig. Hans voelde zich ’n beetje geroepen om Helma te helpen, ze was niet alleen een aardige vrouw maar ook best aantrekkelijk, als politieman heb je ook iets van een welzijnswerker in je.

Jan zag dat anders. Hij had verloren. Hij was ‘zijn’ Helma kwijt. Al waren ze gescheiden en al was Helma in feite vrij om te gaan en te staan waar en met wie ze wilde, daar had Jan niets mee te maken. Helma was van hem afgepakt en Hans was de schuldige, hij had haar geholpen uit het huis in Heenvliet weg te gaan.

Het ging steeds slechter met Jan, van werken kwam helemaal niets meer. Hij kon niet tegen zijn verlies, hij zon op wraak, hij moest kost wat kost Helma weer terugkrijgen.

Jan versomberde meer en meer, verteerd door jaloezie. Z’n oude vrienden probeerden hem op te beuren en praatten hem de zelfmoordpogingen en wraakacties zo goed en zo kwaad als het ging uit z’n hoofd. Het hielp niet veel, Jan zette zijn oude vrienden aan de kant en zocht nieuwe, die de voorgeschiedenis niet goed kenden en hem gelijk gaven. Vaak, te vaak, werd er ’s avonds gebroed op plannen om Hans en Trix het leven zuur te maken. Het begon met stenen. De eerste steen ging in Geervliet bij Hans door de ruiten. In de avonden begon Jan te bellen, met Helma zelf, met iedereen die iets met Helma te maken had, maar vooral met Hans of met diens vrouw. Hij dreigde, hij zou Hans kapotmaken en zijn vrouw en kinderen van de dijk rijden als hij ze zag lopen. Jan begon te schrijven. Briefkaarten. ‘Hans neukt met die, en met die’. De briefkaarten werden naar Geervliet verstuurd, maar ook naar de ouders en familie van Trix in Brabant.

Open hier het interview

HB: Dit is een passage waarbij ik aarzelde over de bronnen. De lezer begrijpt inmiddels wel dat het portret van Jan, met al zijn gedachten, door ‘de anderen’ wordt geschetst, en dat het hun kant van het verhaal is. Maar had je niet de behoefte een iets meer neutrale positie in te nemen als verslaggever?

TvD: Nee, in het geheel niet. Die briefkaarten heb ik gelezen, Trix en de ouders indertijd gesproken. Dat waren dus gewoon gegevens. Ik heb toen ook het hele dossier gelezen, maar kon en mocht dat niet expliciet vermelden van advocaat Jan Verhoef van Hans, omdat hij daarmee dacht over de schreef te gaan. Het was in die tijd minder gebruikelijk om te ‘lekken’ naar de pers in het belang van cliënt en meerdere eer en glorie van de advocaat. Ik heb Verhoef daartoe met moeite kunnen bewegen. Ik kende hem, hij deed meer zaken van agenten, gevraagd door de vakbond en daar had ik hem weleens informatie voor kunnen geven. Dus het was een beetje voor wat hoort wat. (Het motto van Robert Scheer Bribe, seduce,lie, steal: anything to get the story, is ook mijn motto)

Jan ging op een avond woedend naar Rotterdam, kon Helma niet vinden en sloeg de auto van Helma’s zwager met een bijl aan diggelen. Aangiften bij de politie hielpen niet.

Jan hoorde dat Helma een woninkje had gekregen in Rotterdam­-Zuid. Ze woonde er met haar jongste dochter Sylvia. Astrid kwam af en toe naar haar moeder, maar zij woonde meer bij Jan. Helma had de woning net op orde, een beetje geïmproviseerd, weinig opdringerig interieur. Ribfluwelen banken en een tegeltje aan de wand: ‘Een blij gezicht opent elk hart’. Toen stond Jan ineens op de stoep met een jachtgeweer en een bijl. Helma vluchtte met Sylvia. Jan ging op het balkon staan. Het geweer krijgslustig in de aanslag. Hij zou gaan schieten als hij zijn vrouw en dochter niet te spreken kreeg, vooral zijn dochter wilde hij zien. De opschudding in de straat was groot, drommen politie en pers, de foto van Jan met het geweer was goed voor een prijs in de wedstrijd om de Zilveren Camera. De wijkagent uit de Afrikaanderbuurt die hem nog van vroeger kende, wist Jan om te praten, het geweer bleek ongeladen. Jan werd maar weer eens voor een paar dagen naar het Delta ziekenhuis gestuurd en zijn wapenvergunning was hij, eindelijk, kwijt. Toen Jan uit Delta kwam, begonnen de telefonades weer en opnieuw vlogen er stenen door de ruiten, dezelfde IJsselsteentjes waar Jan in z’n tuin altijd mee metselde, maar niemand zag ooit wie het deed. Een pot afbijtmiddel werd over Hans’ auto gegooid en er kwamen anonieme brieven dat er rattengif in de tuin gestrooid zou worden en, voor de kinderen, vergiftigde lolly’s. Bij de baas van Hans vielen de eerste brieven in de bus. Hans handelde in heroïne, wapens, gestolen sieraden. Hij beraamde overvallen. Hij gaf vertrouwelijke informatie door aan onbevoegden. Kortom, hij deed alles wat zeker voor een agent van politie verboden was. Trix wist dat haar huwelijk geen gevaar liep, hoewel Hans Helma geholpen had. Er was geen sprake van een intieme relatie, zei Hans, al roddelde Jan daarover tegen iedereen. Helma wilde dat graag bevestigen en Trix wilde het geloven. De dreiging kwam uit een heel andere hoek, Trix kon de spanning nauwelijks verdragen, ze had al zo veel ziekenhuizen van binnen gezien en nu dit. Elk moment kon er weer een steen door de ruiten vliegen. De eerste keer waren de scherven in hun gezicht gesprongen, ze gingen voortaan zo ver mogelijk bij de ramen vandaan zitten. Die telefoontjes, Hans was er vaak niet en Trix was dan heel bang, alleen met de kinderen, wat moest ze doen als er wat gebeurde? De PTT werd ingeschakeld en er werd een ‘vang’ op de telefoon van Jan gezet. Het bleek dat de telefoontjes van hem kwamen en na ingrijpen van de PTT werd dat minder, dat kon dus bewezen worden, maar dat schelden door de telefoon boezemde nog het minste angst in.

Hans nam eerst vrije dagen op om te posten achter de donkere ramen boven, of in de tuin, om te zien of hij een stenengooier kon betrappen, maar telkens als hij de hele nacht thuis was, gebeurde er niets ­ Heenvliet en Geervliet zijn kleine gemeenschappen en Jan had overal z’n vrienden.

Jan kon er niet van loskomen dat zijn acties ogenschijnlijk zo weinig succes opleverden. Helma kwam niet met hangende pootjes terug, integendeel, ze gooide steeds vaker de hoorn op de haak of ze nam helemaal niet meer op en Hans liet zich ogenschijnlijk niet intimideren. Jans oude vrienden bleven weg, zelfs Karel en Marjolein kwamen niet meer. Marjolein had hem die zomer nog geholpen met de winkel, dat leek goed te gaan, ze kende Jan goed genoeg om hem op tijd met een schop onder z’n kont aan het werk te zetten, maar toen Marjolein terugkwam van vakantie had Jan ook dat verpest, hij had geroepen dat Marjolein haar zakken vulde met zijn werk. Ze ging weg en bleef weg. Nu kwamen alleen nog de mensen die door zijn oude kennissen ‘opvreters’ en ‘opzuipers’ genoemd werden. Zij wilden Jan maar al te graag stijven in zijn haat, dat gaf sensatie en als er sensatie was, trok Jan extra veel bier open. Van werken was nauwelijks meer sprake, Jan raakte in een faillissementsprocedure, het leek hem weinig te interesseren, alleen Helma en Hans hielden hem bezig.

De dag na Jans gijzelingsactie moest Hans voor de eerste keer bij zijn baas komen om iets te horen over de aanklachten die Jan tegen hem had ingediend. Hij ging lachend naar de afspraak met commissaris De Winter en hoofdinspecteur Van der Giessen. De foto van Jan met het geweer stond immers in alle kranten. Hans dacht dat de conclusies uit de verhalen die door zo’n overspannen type aangekaart waren, voor de hand lagen.

Na het gesprek kwam Hans lijkbleek de kamer uit. Officieel was hem aangezegd dat de rijksrecherche een onderzoek zou instellen naar de beschuldigingen. Dat hoorde zo en dat had Hans ook verwacht. Maar toen zei de commissaris dat Hans verdacht werd van drie misdrijven en dat hij als CID­-rechercheur niet meer te handhaven was. Hij zou worden overgeplaatst naar de verhoorkamer van Groot IJsselmonde, op dat bureau moest hij parkeerboetes administratief gaan afhandelen. De korpsleiding wilde hem niet zeggen waar hij nu precies van verdacht werd, welke misdrijven hij gepleegd zou hebben. De rijksrecherche was bezig en de uitslag van dat onderzoek moest eerst maar afgewacht worden. Hans vroeg waarom hij dan niet geschorst werd, hangende het onderzoek. Nee, dat kon niet.

De korpsleiding leek met boter en suiker op de beschuldigingen van Jan ingestapt. Hans begreep het niet. Jan was na de gijzeling naar het Delta gebracht. Zijn collega’s hadden geen proces­verbaal tegen Jan opgemaakt omdat hij in hun ogen toch gek was. Maar hij vond wel geloof voor zijn k1achten tegen Hans.

Hans ging die middag naar huis en meldde zich ziek.

De molens van de rijksrecherche maalden langzaam, de speurders gingen niet over één nacht ijs en verhoorden alle mensen die Jan als getuigen had genoemd; vriendjes, autohandelaren van besproken gedrag, schimmige types die Jan eens geholpen hadden zijn auto te laten ‘stelen’ voor de verzekering. Volgens Hans had Jan hen opgestookt, of zelfs onder druk gezet omdat Jan wat van hen wist en niet te beroerd was om dat tegen hen te gebruiken. Hans kon niet geloven dat de rijksrecherche iets in zijn nadeel zou vinden. Theo, zijn maat, had Hans gevraagd ­ heel serieus, onder vier ogen ­ of hij werkelijk wat geflikt had of niet. Theo wilde niet voor verrassingen komen te staan als hij het voor zijn jongere collega opnam. Hans had met de hand op zijn hart ontkend en Theo geloofde hem. Hans had nog nooit een bakkie gehad en bovendien, je werkte zo nauw samen dat als er wat was, hij er wel iets van had moeten merken.

De beschuldigingen waren ook allemaal zo raar, niet bij Hans passend, vonden zijn collega’s. Hij zou met dikke pakken vals geld hebben rondgelopen en mensen hebben gevraagd of ze dat wilden proberen uit te geven en dan sam­sam te delen. Nou, ze kwamen in het werk natuurlijk wel eens een valse meier of rug tegen en die liet je dan misschien aan een kennis zien om te vergelijken hoe zo’n vervalsing eruitzag. Maar dikke pakken? Dat was hun werk niet.

Wapens verkopen aan Jan? Waarom, die Jan had een wapenvergunning, ten eerste krijg je die alleen maar als je van onbesproken gedrag bent, hoe kwam die Jan er dan in godsnaam aan, vraag je je af, en als je zo’n vergunning hebt, mag je officieel in de winkel kopen, dan hoef je je niet met gesnuffeld ijzer in te laten. Ja, en dan zou Hans in gestolen juwelen en klokjes gehandeld hebben. Nou, dat was zo opgelost. Theo en Hans kenden een juwelier goed. Wanneer een collega in het korps of een goeie vriend een Seiko, een Rolex of een gouden armband wilde hebben, dan moesten ze precies het typenummer opgeven en dan leverde die juwelier dat met een fikse korting. Daar werd niks aan verdiend, dat waren vriendendiensten, en het ging officieel, met bon. Dacht je dat ze voor een paar scheren hun vingers wilden branden? Het enige dat ze Hans konden verwijten was dat hij voor Jan een foto uit het politiearchief had meegenomen uit de tijd van de rellen in de Afrikaanderbuurt. Jan had erom gevraagd en Hans kon de foto nog net redden voor de termijn van tien jaar bewaren voorbij was. Oké, het mocht niet, maar als dat niet mocht dan moest het halve korps op het matje komen. Wat dacht je, als er een vreemd type naast de broer van de commissaris kwam wonen, of z’n dochter had een nieuw vriendje, dat dan niet even de antecedenten gelicht werden?

Hans werd niet in staat van beschuldiging gesteld, hij werd niet geschorst, de vakbond kreeg niets te horen en zijn collega’s evenmin. De leiding zweeg in alle talen en Hans leefde weken in onzekerheid. Hij en Trix hadden het er steeds over, dag, avond en nacht. Wat zou er toch kunnen wezen, hoe lang zou het duren voor ze wat weten? Hans voelde zich als politieman gediscrimineerd door zijn eigen chefs. De eerste de beste patser kreeg meteen te horen waarvoor de dienders hem kwamen halen. Hans moest wekenlang raden waarvan hij verdacht werd.

Hans wilde ontslag nemen. Zijn collega’s praatten het hem uit zijn hoofd. Hij zou wel gek zijn, de korpsleiding zou in z’n vuistje lachen, een moeilijk geval dat zelf de kuierlatten nam, dat was nog eens goedkoop en makkelijk. De vakbond vocht de overplaatsing naar de verhoorkamer van Grijs [bureau Groot-IJsselmonde] aan en startte een procedure voor het ambtenarengerecht.

Hans rekte zijn ziekteverlof, hij durfde Trix en de kinderen niet alleen te laten. Het najaar ging voorbij en tegen Sint­-Nicolaas vloog er een steen de tuin in met een brief vol dreigementen, ondertekend met ‘de Maffia’. Hans schreef een brief terug:

Spruitje, (de beste benaming voor een onbenullig mannetje),
De ene kwajongensstreek volgt de andere op. De held van de Afrikaanderbuurt onwaardig. Bespeur ik hier enige angst bij ons Spruitje omdat hij een paar kwajongens moet inhuren daar hij zelf het lef niet heeft?
Je begint je steeds meer als de dorpsgek te gedragen sinds de hele wereld in de krant heeft gelezen dat je gestoord bent. Wees gerust, ik voel me te intelligent om direct op dit soort kattekwaad te reageren, maar alle betrokkenen krijgen hun portie. Straffen doe je jezelf momenteel al genoeg. (Failliet, verzekeringsfraude, gevangenisstraf te goed, Helma kwijt, je meeste vrienden kwijt en ga zo maar door.) [ … ]
Verder kan ik je in zoverre geruststellen dat mocht ik besluiten om iets terug te doen, ik dat direct tegen jouw persoontje zal doen, dus niet volgens jouw methode indirect via je gezin. […]
Wat betreft het verbouwen van mijn bek wil ik het nog meemaken dat je jouw ‘vrienden’ ook zo gek weet te krijgen om hun leven voor jou te wagen. Ze beseffen niet waarmee ze bezig zijn. Ik heb geen plannen om je ‘penvriend’ te worden, maar ik wilde je deze reactie op jouw St.­Nicolaascadeau toch niet onthouden.
Hans

Uit de brief zou durf moeten spreken, het zelfvertrouwen van Hans dat de pesterijen en dreigementen van Jan hem niet deerden. Jan werd er alleen maar kwaaier van en Hans was niet het ‘ijskonijn’, zoals hij zich in zijn brief voordeed. Hij veranderde met de dag. Vroeger kon je met hem over alles en nog wat een boom opzetten, nu beheerste de affaire met Jan zijn hele leven. Hij werd steeds gespannener, alle andere interesses zakten weg, hij sportte niet meer en hij was bang om ook maar een minuut van huis te gaan. Hans bleef zich ziek melden en politiearts Doorenbos riep hem bij zich. Hans had een paar lange gesprekken met de arts, deze scheen zijn moeilijkheden te begrijpen en liet hem thuis. Maar de korpsleiding zinde dat niet. De zachte aanpak van Doorenbos moest plaatsmaken voor die van zijn chef, dokter Cremers. Cremers staat in het korps bekend als een botterik, zelf zegt hij: ‘Ik houd van een stevige aanpak, realistisch. Ik ben niet het type dat houdt van over het bolletje strijken.’

Hans had er al weinig zin in het hele verhaal opnieuw te moeten vertellen toen hij bij Cremers werd geroepen. Toen hij binnenkwam zei Cremers dat hij vijf minuten had. Het eerste gesprek liep snel uit op ruzie. Hans hoopte begrip te vinden, Cremers had de oplossing al voorhanden. Zo snel mogelijk aan het werk. Met die Jan was toch niks te beginnen, wanneer het zo bleef moest Hans maar in Maastricht solliciteren, emigreren desnoods, maar nu eerst de handen uit de mouwen, dan werd er niet zo gepiekerd.

Hans wilde Trix niet alleen laten. Ook in de kerstnacht was er gedreigd en hij had zowat de hele nacht in de tuin gepost. De visie van Cremers, de arts die van mening was dat zijn grote interesse voor de psyche van de mens meer waarde had dan een speciale opleiding daarvoor, die visie werd in een dienstbevel vervat. Hans moest beginnen op de verhoorkamer, mensen bellen met de vraag of zij op die of die datum hun voertuig inderdaad op deze of gene plaats verkeerd geparkeerd hadden. Een mooi baantje vond Cremers het, rustig, zo had Hans wat omhanden en kon hij op zijn gemak het onderzoek afwachten. Hans zag dat anders. Hij, de jongen die altijd het eerste en het beste wilde zijn, die commando was geweest in dienst en trots de groene baret had gekregen, die in het korps al jong een verantwoordelijke post bij de CID had gekregen, moest, bevel is bevel, telefonisch foutparkeerders gaan verbaliseren.

Zijn collega’s keken hem meewarig aan en vroegen zich achter z’n rug af of er toch niet wat meer aan de knikker was geweest. Zijn vrouw zat thuis, doodsbang, als het even kon ging ze naar familie in Brabant, ze had zelfs al eens bij de huisarts thuis geslapen. Terwijl Hans mensen moest bellen om bekentenissen los te wringen die een paar tientjes waard waren, dacht hij aan zijn mogelijkheden. Hij hield van vissen, het idee was bij hem opgekomen een forellenkwekerij te beginnen, hij had informatie bij het ministerie in Den Haag gevraagd. Maar hij was bang, wist eigenlijk zeker dat als Jan erachter zou komen, een handvol gif in de vijvers hem echt kapot zou maken. Hij dacht aan Jan, de hele dag. Zijn carrière was naar de knoppen, zijn huiselijk leven stond onder zware druk en niets of niemand leek hem te kunnen helpen. Jan zou hem blijven achtervolgen, dat wist hij zeker.

Die vrijdagavond 4 maart zat Hans thuis na weer een dag parkeerbonnen. Thuis werd nog steeds, al maandenlang over vrijwel niets anders gesproken dan over Jan en hoe het toch in godsnaam zo gekomen was en hoe het verder zou moeten. Hans nam zijn derde of vierde jenever met Seven­Up, het kwam harder aan dan het enkele biertje dat hij vroeger dronk, maar het leek wat beter te gaan met drank.

Hij stond op, gaf Trix de sleutels van zijn auto en zei: ‘Die zijn voor jou, ik ga weg.’ Hij was snel de deur, de straat uit.

Trix werd heel bang. Ze belde naar Hans’ oude maat Theo, die was niet thuis, ze belde naar Hans’ baas, commissaris De Winter. Had Hans zijn dienstwapen meegenomen? Trix dacht van wel. De vrouw van Theo Buis liet haar man oproepen en stuurde hem naar Trix. Commissaris De Winter belde met de meldkamer van de rijkspolitie die de controle over Heen-­ en Geervliet heeft. De dienstdoende wachtmeester Westerkamp kende de zaak niet. Op de band die op de meldkamer meeloopt met alle telefoongesprekken, zei De Winter: ‘Hoofdagent V. die heeft hier een lange tijd bij de CID gewerkt en die heeft moeilijkheden gehad met een zekere meneer Spruit. Dat heeft geleid tot zijn overplaatsing en daar is­-ie uiteraard niet over te spreken. Maar het is wel zo dat­-ie kennelijk vanavond bijzonder van slag is geraakt. Hij heeft zijn vrouw achtergelaten, afscheid genomen en zijn pistool meegenomen. Het is in Geervliet of in Heenvliet. Een van zijn naaste collega’s, brigadier Buis uit Rotterdam, die nogal met hem bevriend is, die is enige tijd geleden al naar hem toegestuurd, omdat­-ie inderdaad wat kolderig wordt.’

Theo Buis dacht eerst dat er wat met Trix was. In Geervliet hoorde hij dat Hans weg was. Hij reed als een speer naar Heenvliet en vond snel het huis van Jan. Door het raam aan de straatkant zag hij mensen en het peenhaar van Jan, daar was dus nog niets aan de hand. Twee wachtmeesters van de rijkspolitie stonden verderop te posten. Hij vroeg de wachtmeesters naar de kroegjes van Heen-­ en Geervliet, hij ging Hans zoeken want hij dacht eerder dat Hans zichzelf wat wilde aandoen dan aan een schietpartij met Jan.

Hans, die elke graspol in de omgeving kende, moet toen allang in de tuin van de Vissersdijk gestaan hebben. De wachtenden en zoekenden namen aan dat Hans over de weg zou komen, maar Hans was achter de schuur om direct achter het huis gekomen en had in het donker gewacht, het FN-politiepistool doorgeladen in de hand.

Toen Jan naar buiten kwam vormde hij een goed doelwit tegen het licht van de ramen. Vier kogels troffen hem in borst en buik, de dood moet vrijwel onmiddellijk zijn ingetreden.

Open hier het interview

HB: Hieronder begint de afronding van het verhaal. Jan is dood, de moord heeft voor de tweede keer in het verhaal plaatsgevonden, maar nu vanuit het perspectief van Hans. De rest is afwikkeling. Vandaar ook de tegenwoordige tijd?

TvD: Ja.

De vrienden zijn het erover eens, Jan een rotzak, een gek? Nee, over de doden niets dan goeds, het ging de laatste tijd juist weer zo goed met hem. Een nieuwe verloofde, Jan had er zin in en hij zou die Hans op den duur echt wel met rust hebben gelaten.

De mensen die Jan anders kenden, zeggen dat Jan het niet zou hebben opgegeven. Hans was hem niet kwijtgeraakt, nooit. Dat die Hans het nog zo lang heeft volgehouden! Als het hen gebeurd was hadden ze Jan allang een kunstje geflikt om het af te leren.

Bij de rijkspolitie, waar de aanklachten van Hans tegen Jans stenen en dreigementen binnenkwamen, spijt het officieren en wachtmeesters dat het zo gelopen is. Als, ja, as is verbrande turf … Misschien hadden ze Jan toch moeten waarschuwen na de melding. Maar wie verwacht zoiets, in Rotterdam wisten ze van de hoed en de rand, waarom heeft de korpsleiding daar de signalen niet serieus genomen?

De chefs van Hans, commissarissen Blaauw en De Winter, zwijgen. De zaak was tot nu toe onder de rechter, u begrijpt. In het algemeen is de begeleiding binnen het korps prima, Blaauw mag graag even met een bak koffie in de recherchewacht vertoeven en de stijve De Winter groet het personeel ’s morgens allerhartelijkst. Ze willen nergens op ingaan.

De collega’s in het korps spreken er schande van. Als Cremers zegt dat het ook achteraf gezien nauwelijks anders gekund had, dan is dat onzin. Wanneer Hans meer ziekteverlof had gekregen en zijn dienstpistool had moeten inleveren, was het dan ook gebeurd? De dokter kan mooi zeggen dat het met een broodmes of een gekocht wapen ook had gekund, maar zoiets verandert een zaak toch. En als de dokter dan zegt dat de maatschappij schuld is omdat Jan toch niet opgesloten kon worden, naar een inrichting gestuurd of wat dan ook, wanneer hij zo zeker weet dat er wat dat betreft geen oplossing was, had hij dan niet beter Hans’ kant kunnen kiezen?

Open hier het interview

HB: Ik mis iets van de afloop: hoe is het met dat onderzoek van de rijksrecherche afgelopen? Dat was op moment van schrijven niet bekend, neem ik aan. Heb je ooit nog contact gehad met Hans?

TvD: Nee, dat was op dat moment niet bekend. Ook de uitspraak niet. Ik heb altijd nog wel eens contact met Hans willen hebben, zelfs nu nog. Maar dan is weer mijn luiheid of mijn gerichtheid op een nieuw stuk waardoor het uitgesteld wordt en weer uitgesteld. Ik hoorde na enkele jaren wel dat Hans, natuurlijk niet terug in het korps, de andere kant was opgegaan en zich in het criminele milieu bewoog. Des te meer reden om eens contact proberen te zoeken, maar het is er dus nog steeds niet van gekomen.

Jan is zesendertig geworden. Hans is drieëndertig, z’n kinderen zijn vijf en drie. Jans dochters Astrid en Sylvia zijn vijftien en dertien. Astrid logeert nog steeds bij een zuster van Jan in het noorden. Ze heeft als oudste zó tussen de ruzies van Jan en Helma geleefd, ze heeft zó geprobeerd om hen te verzoenen en Jans rare zelfmoordplannen uit z’n hoofd gepraat dat ze niet kon kiezen tussen de twee. Na de dood van haar vader heeft ze opgeschreven wat ze zich herinnerde: ‘Hoe het allemaal begon’ en ‘Dagboek van de moord op mijn vader’. Soms voelde ze zich door haar moeder in de steek gelaten, maar wist ook niet wat ze met haar vader aan moest: ‘Ik wil niet zeggen dat mijn vader een lieverdje was, maar de mensen om hem heen hebben hem zo gemaakt.’ De crematie vond ze het ‘allerergst’. ‘De mensen die nog een paar woorden zeiden, mijn oom en een vriend van mijn vader, stelden me gerust. Mijn vader hield van muziek zoals die van Janis Joplin, die dus ook werd gedraaid, die liederen deden me weer verdriet. Maar mijn vader zei altijd: “Als ik doodga wil ik niet dat jullie lang verdriet blijven houden om mij, word maar weer gelukkig.'”

Z’n broer Piet wilde Jan zien voor de kist zou zakken. Eerst mocht dat niet, maar dan hadden ze aan hem een kwaaie gehad, dan had de ME erbij moeten komen anders had Piet zelf de kist opengebroken. Ze hadden z’n broer ook al tot tien uur ’s ochtends in de tuin laten liggen, ‘in het be­lang van het onderzoek’, ja, ze konden hem wat. Toen hij Jan zag maakte z’n hart een mispikker. Z’n baard was eraf, als je dat malle sikkie zo kon noemen, en ze hadden z’n haar geknipt. Die begrafeniskraaien moeten er een hoop werk aan hebben gehad, Jan had een dikke pens gehad, maar je zag er niks meer van. Was-­ie soms met dumdum­kogels neergeschoten? Het leek wel een hoofd op een bezemsteel, misschien hadden ze bij de lijkschouwing wel van alles weggehaald voor onderdelen.

Helma is niet naar de crematie geweest, dat zou ze huichelen hebben gevonden. Niet dat ze Jan dit toegewenst had, dat doe je niemand, maar het is wel net of er een loden last van haar schouders is gevallen. Ze durft eindelijk weer gewoon open te doen en familie en vrienden hoeven niet meer eerst in code de telefoon te laten rinkelen voor ze opneemt. Er waren mensen die haar feliciteerden in plaats van condoleerden.

De psychiaters die Hans voor het proces van dinsdag 7 juni onderzochten, rapporteerden eensluidend dat Hans op het moment van zijn daad ontoerekeningsvatbaar was. Volgens mr Jan Verhoef, de advocaat van Hans, zou de officier van Justitie daarmee akkoord gaan en afzien van strafvervolging, begreep Trix. Ze was het hele weekeinde voor het proces zo zenuwachtig. Als alles goed ging, kwam Hans snel thuis. En de mensen van de politiebond hadden gezegd dat Hans’ zaak dan heel sterk zou staan en dat hij niet zomaar ontslagen kon worden. Het gaf haar hoop dat die ellendige tijd gauw voorbij zou zijn. Ze hadden nog een heel leven voor zich.

In het klooster: waar wil je dat ik begin?

Wat doet handeling voor een verhaal? Wat is de kracht van een scherpe dialoog? Hoe wissel je tempo af? Aan de hand van een hoofdstuk uit zijn non-fictie roman Pistoolvinger denkt Henk Blanken daar over na.

Toen de pauwen op de cour hem scharrelend tegemoetkwamen, sloot de eigenaar van het voormalige nonnenklooster de hoge witte deur naar de hal af. ‘Ik wil niet dat ze binnen schijten,’ zei hij.
Het was zijn eerste regel. De pauwen schijten buiten. De tweede regel betrof de laarzen. Ze stonden in de kleine hal bij de zijingang, achter de deur naar de binnenplaats die hij zojuist had afgesloten. Gevoerde laarzen, regenlaarzen, lieslaarzen. Ze waren daar achtergelaten nadat hij er op een dag zijn eigen laarzen had neergezet. Op een kloosterkastje lagen beduimelde geschriften over theater en fotografie. Ook om die boeken had niemand gevraagd.
Ik was in het klooster om te schrijven. Per e-mail had ik gevraagd of dat mocht.
‘Je bent welkom,’ liet hij weten.

Toen hij zeven jaar geleden dit kolossale convent in de Noord-Franse heuvels kocht, was hij al toneelregisseur en uitgever geweest. Een man van in de zestig, bijna kaal, maar nog gezegend met het afgetrainde lijf van een danser. Ooit was zijn klooster een opvanghuis voor ongehuwde moeders, later een welvarende meisjesschool, en nog weer later het duistere oord waar een extreemrechtse katholieke priester een sekte vestigde; toen een vrouw overleed na een illegale acupunctuurbehandeling werd dat een nationaal schandaal. De sekte werd opgedoekt. Een Canadese ijshockeyfotograaf had het klooster gekocht. Hij was van plan er zesendertig appartementen in te vestigen; na één modelwoning was zijn geld op.

Nu kreeg ik de regels uitgelegd van een kunstenaarskolonie. We zaten in de binnentuin achter het hoofdgebouw, tussen de kapel met glas-in-loodramen en de vleugel waar hij de modelwoning van de fotograaf had betrokken.

‘Je komt om te schrijven,’ stelde hij vast.

‘Ja.’

‘Hoe lang blijf je?’

‘Een week.’

‘Wat schrijf je?’

‘Een roman die nooit afkomt.’

Hij knikte welwillend.

Hij had het wel gekker meegemaakt.

 

Toen ik voor een week naar het klooster ging, kwam ik aan met een manuscript van tachtig pagina’s en zou ik al na drie dagen vertrekken met één zin. Al vijftien jaar werkte ik bij vlagen aan een roman. Honderden pagina’s had ik geschreven, tientallen versies die ik telkens had uitgebeend en ten slotte maar had weggegooid. Sinds ik ziek was, ging het beter. Nog niet eerder had ik zoveel tekst als nu, scènes waarvan ik vermoedde dat ze deugden, personages die tegen mij leken te praten, een intrige die me uit mijn slaap hield, over een onderwerp dat me al lang fascineerde: de grens tussen waarheid en leugen, tussen schijn en werkelijkheid, echt en onecht, feit en fictie.

In de roman gaat mijn aan lager wal geraakte journalist in de Zuid-Franse kustplaats Antibes op zoek naar een stokoude kunstschilder. Hij heeft gehoord dat die schilder in zijn jongere jaren, kort na de Tweede Wereldoorlog, een doek van Johannes Vermeer heeft vervalst. Het is de laatste Vermeer die niet in een museum hangt, maar nog in handen is van een particuliere verzamelaar. Het bedrog is nooit uitgekomen.

Als de hoogbejaarde schilder zijn vervalsing opbiecht, heeft mijn journalist een scoop.

Hij kan het bedrog ook voor zich houden.

Dan behoudt het doek zijn waarde.

De kunstschilder had ik van nabij gekend. Mijn schoonvader had zijn atelier aan een singel in Rotterdam, op de zolder van een laat negentiende-eeuws pand. Toen ik Sandra net kende had ze mij laten zien hoe het licht daar binnenviel op Nico’s ezels, zijn linnen, de potloden en penselen, het palet en de mesjes, de blankhouten latten voor lijsten die hij zelf timmerde, de affiches van tentoonstellingen waar zijn werk geëxposeerd was, de portretten en stillevens.

Nico was al jaren dood.

Door zijn levensloop aan te lengen met die van beroemde meestervervalsers had ik postuum een oplichter van hem gemaakt. Ik had biografieën verzameld, krantenknipsels, films en documentaires en ordners vol publicaties uit vaktijdschriften. Er waren meer meestervervalsers geweest dan ik voor mogelijk had gehouden: de Nederlander die in Frankrijk was gearresteerd nadat hij een valse gouache van Karel Appel had verkocht, de Brit die werken van Rubens en Van Dyck namaakte totdat iemand hem op straat in Rome de hersens insloeg, en niet te vergeten de geweldenaar Elmyr de Hory, die – zo wil de mythe – voor het ontbijt een Picasso kon maken.

De verlopen journalist kon ik modelleren naar een fabulerende verslaggever die een tijdje voor mijn krant had gewerkt, tot aan zijn ontmaskering. In de roman liet ik zo de ene vervalser een verhaal maken over de andere. De vraag was welke waarheid dat aan het licht zou brengen.

Ik had een kwart van een roman, misschien een derde.

Sinds ik ziek was verdorde het boek niet als ik het wat langer liet liggen. Maar pas sinds enkele weken begreep ik dat ik niet verder zou komen als die roman niet óók over een man zou gaan die verstrikt raakt in een verhaal, zijn kleren afwerpt en zijn hele hebben en houwen toevertrouwt aan een goeroe in een oranje jurk.

Ik had er een personage bij, maar een personage zonder rol. In het klooster wilde ik Axel in het boek schrijven.

 

Bij mijn aankomst, het was een uur of twee ’s middags, had de eigenaar van het convent mij een kamer gewezen. Boven aan de trap op de eerste verdieping rechtsaf, eerste deur op de donkere gang. Aan het eind van die gang was zijn eigen appartement. Zijn deur stond altijd open. Ik had nog niet door dat die opmerking geen beleefd cliché was, maar een filosofisch credo.

Tijdens mijn verblijf mocht ik gebruikmaken van een met marmer betegelde badkamer die nog door de ijshockeyfotograaf was aangelegd. Verder moest ik het doen met een uitgewoond bed, een harde houten keukenstoel en een tafeltje onder een onwrikbaar schuifraam met uitzicht op een dubbele rij platanen. Op de vloer in mijn kamer lag zeil noch tapijt. In een hoek stond een kast waarin ik aan een knaapje een gestreken overhemd had opgehangen.

Ik had mijn laptop opengeklapt en keek naar buiten.

Het miezerde.

Ik schrijf niet graag als het regent.

Toen de hemel opklaarde, nam ik mijn laptop mee naar de court. Ik sloot de deur achter mij om te voorkomen dat de pauwen binnen zouden schijten.

Buiten trof ik hem weer. Hij vroeg wat ik van zijn klooster vond.

‘De badkamer is indrukwekkend.’

‘En we hebben overal WIFI,’ zei hij.

Ik aarzelde.

‘Mijn kamer,’ zei ik, ‘is wat spartaans.’

‘Het was een jungle,’ begon hij.

Het klooster was een krot zo groot als een kasteel. Verweesde gangen, tweeënvijftig kamers, vijftien zalen, de kapel met kansel, Maria-met-kind, kerkbanken. Terwijl hij er rondliep met de makelaar zag hij niet het verval maar juist de mogelijkheden. ‘Als ik meer geduld had gehad… Ik heb te veel betaald. Er zaten veertig lekken in het dak. En een vervelende zwam. Ik kocht verlies.’

‘Waarom deed je het dan?’ vroeg ik.

Zeven jaar had hij over die vraag kunnen nadenken. Koppigheid, misschien. Niet willen toegeven aan zijn scepsis. ‘Want dan durf je niet meer,’ zei hij. ‘Als de koningin van Engeland met je wil trouwen, moet je niet denken: ik kan het Verenigd Koninkrijk niet regeren.’

Het klooster was een kunstenaarskolonie geworden, per ongeluk bijna, niet omdat hij dat per se wilde. ‘Ik zocht het niet,’ zei hij. ‘Ik ben geen mensenmens. Ik ben een mensenháter, een misantroop. En juist daarom heb ik het gekocht, als een soort therapie. Je moet alle obstakels uit de weg ruimen waarmee je jezelf gevangen houdt.’

 

De municipalité St. Erme, Outre et Ramecourt telt nog geen tweeduizend zielen, verspreid over drie dorpen, zuidelijk van de E17, van Brussel naar Reims. Ramecourt ligt vlak bij de afslag, langs de snelweg en de spoorlijn. Outre wat zuidelijker. St. Erme kruipt een stukje hoger tegen een donkergroene helling op. Het omvat niet veel meer dan een handvol straten, honderd huizen misschien, een kroeg en een kerk.

En dat klooster.

Het leek me de gepaste plek om over Axel na te denken. Hij had al zíjn obstakels in elk geval aan de kant gedaan – ik was er één van. Twee jaar nadat ik hem voor het laatst had gesproken – ‘als je bij zinnen komt, kun je altijd bij me terecht’ – zag ik hem terug, in een documentaire op televisie. Axel tijdens een eredienst van zijn geloofsgemeenschap, de armen ten hemel, euforisch zingend, de man die zijn geluk gevonden had en de Heer prees als de onuitputtelijke bron van inspiratie voor zijn composities en teksten.

Dat kende ik van hem. Pielen op zijn gitaar. Liedjes over een antiheld die hij Herman noemde. Samen met Peter hadden we de teksten galmend gezongen, tollend van de rum.

‘Composities’ had Axel ze vroeger nooit genoemd.

Ik moest slikken toen ik naar de beelden keek.

De ochtend nadat ik was aangekomen, stak ik de rue de Haute over. Ik zocht een plek waar ik het hele convent kon overzien, en niet alleen de lange grauwe muur langs de weg bij nummer 15, of de nauwe doorgang naar de binnenplaats met de platanen. Ik wandelde omhoog, een stukje achter het klooster langs, maar de bocht was te krap voor een uitzicht. Toen keerde ik om, de heuvel weer af, de paar honderd meter tot aan de driesprong in het dorp. Gesloten luiken. Geen hond op straat. Nooit zag ik meer dan fragmenten – grijs, hoekig, schilferig, armetierig, kolossaal – die soms niet eens bij elkaar leken te horen.

Later die ochtend van de tweede dag schonk ik mij in de keuken van het klooster zwarte koffie in, nadat een vrouw met lang zilvergrijs haar mij in het Engels had gezegd dat ik kon nemen wat er op tafel stond. ‘Iedereen pakt wat hij nodig heeft. En laat achter wat hij kan missen.’

Ze was fotografe, zei de vrouw. Ik had haar al in de binnentuin gezien, aan een verweerde tafel lezend in een boek.

‘Ik schrijf,’ zei ik, om iets terug te zeggen.

Ze vroeg niet verder.

Met de mok hete koffie zette ik mij aan de eettafel. Toen de Britse de keuken verlaten had, probeerde ik haar in een aantekenboekje te beschrijven: een oudere, enigszins rijzige vrouw, de tongval van de upper middle class, verlegen, hautain misschien, gesteld op haar privacy, in elk geval weinig mededeelzaam.

Veel later zou ik tot mijn verbazing ontdekken dat daar, in die buitensporig ruime keuken, ook mijn korte dagboeknotities onleesbaar werden. Gekriebel. Ik schreef en had niet door dat het laatste restje handschrift al verdwenen was.

Meestal waren de kamers van het klooster beter bezet, spotgoedkoop als het verblijf in de kunstenaarskolonie was. Toneelmakers verbleven er, beeldend kunstenaars en componisten, dansers en choreografen, vertalers en schrijvers die zich hier terugtrokken, een paar dagen, weken of maanden desnoods. Ze betaalden een schijntje voor hun verblijf, maar het klooster had dan ook geen balie en geen restaurant. Ik had zelf mijn ongestreken beddengoed uit de voorraadkamer gehaald en bakte mijn eigen omelet.

Het was hem ook maar overkomen, had de eigenaar mij verteld. Toen hij op latere leeftijd besloten had dat hij wilde dansen, zocht hij een plek waar hij andere dansers kon ontmoeten. Dat was de praktische kant. De andere was filosofischer. Al zijn bezit, het klooster, zijn spullen, zijn appartement, deelde hij. Hij was weliswaar de eigenaar, maar vertikte het zich te omringen met, zoals hij het noemde, ‘een begraafplaats van dode objecten die verrotten omdat je ze niet gebruikt’.

‘Als je laat zien,’ zei hij, ‘dat mensen alles mogen gebruiken, je stoel, je computer, je laarzen, als je laat zien dat delen vanzelf kan gaan, doen anderen dat ook.’

‘Het lijkt een commune,’ zei ik. Ik dacht aan Axel en zijn geloofsgemeenschap.

Dat was het nou net niet.

‘In een commune moet iedereen beslissen. Ik ben hier de eigenaar. Ik doe veel, ik beslis veel. Daarom hebben we drie regels. Laat geen sporen na; ook geen artistieke sporen. Maak het mogelijk voor anderen: laat een film zien, of een repetitie, of maak een gang schoon. En wie doet, besluit.’

De pauwen en die laarzen in de hal. Regel één en twee, leek me.

‘Het klinkt vooral praktisch,’ zei ik.

Zijn blik sprak boekdelen. Ik begreep er nog altijd weinig van.
Hij wilde voorkomen dat het simpel werd. Zijn regels gaven geen richting, ze spraken elkaar juist tegen. ‘Je moet elke keer opnieuw beslissen. Als je de deur van je kamer achter je dichtdoet, besluit je wel, maar je maakt niets mogelijk voor anderen. Want je sluit ruimten af, in plaats van ze te openen. Je moet er steeds opnieuw over nadenken. Je kunt niet op ons vertrouwen. Je ruikt in het klooster nog dat het een rijke congregatie was, maar het is ook totaal arm, sober, brocante. Ik breng soms dure zeep mee, omdat ik niet het idee wil laten ontstaan dat dit alleen maar een arme kunstenaarseconomie is. Het is ook rijk.’

‘Je vindt het prettig te ontregelen.’

‘Niks ligt vast. Ik ben vriendelijk en ik ben een klootzak. Je komt het nooit te weten. Veel kunstenaars zijn egoïsten, maar hier… ze zijn veel zachter. Hier moet je heel hard werken om een lul te zijn.’

Uit de kloosterkapel klonk gezang. Religieuze liederen. Ik zat op de binnenplaats, aan een van de tafels van verveloos, kromgetrokken hout. De pauwen scharrelden bij de deur naar de hal. Het was de ochtend van de derde dag.

Een jonge vrouw in zwarte jeans vroeg of ze me gezelschap mocht houden. Ze sprak Frans. Ik antwoordde in het Engels.
Of ik nog koffie wilde, vroeg ze. Dan haalde ze twee koppen.
Toen ze even later twee dampende bekers cappuccino op tafel had gezet, en ik mij voorstelde, verslikte ze zich proestend in de hete koffie.

Mwarrah, verstond ik.

Magda, zei ze nog eens.

Ze kwam uit Toronto. Was beeldend kunstenaar, of op weg dat te worden. Hoe lang ze zou blijven? Enkele weken, zolang als ze het kon betalen. Ze liet me door een schetsboek met pentekeningen bladeren, stuk voor stuk details van wat ze hier had gezien. Een meter kloostermuur, een bordestrap, een kunststof kozijn, een Mariabeeld, een bord met eten. Geen mensen, zei Magda. En ook geen dieren. ‘Maar misschien probeer ik een pauw.’

Magda vroeg wat ik hier deed.

‘Ik schrijf,’ zei ik.

‘Dat was me al opgevallen.’

‘Een roman.’

‘Die nooit afkomt,’ zei ze.

Toen ik haar verbluft aankeek, biechtte ze op dat de kloostereigenaar had geopperd dat ik vanavond mee zou eten.

‘Ik kook,’ zei Magda.

Ik voelde me schuldig. De vorige avond had ik in een dorp in de omgeving een te zoute pizza met tonijn en ansjovis gegeten. Geen zin in mensen om mij heen, regels van het huis of niet.

Toen vroeg Magda waar het over ging, dat boek waaraan ik werkte.

‘Over een schilder,’ zei ik.

‘Geen leuke mensen, schilders. Zelfingenomen, ijdele, egocentrische autisten die nauwelijks uit hun woorden komen en toch denken dat ze de waarheid in pacht hebben. Ik kan het weten. Ik ben er zelf een.’

‘Mijn schilder heeft de leugen in pacht,’ zei ik, nog niet van plan haar tegen te spreken. ‘Hij is een vervalser.’

‘Is niet alle kunst vals?’ vroeg ze toen. ‘Is niet elke afbeelding van de werkelijkheid een leugen?’

‘Misschien. Maar een vervalsing van die afbeelding is dan een leugen in het kwadraat. En bedrog. Jouw tekeningen doen zich niet anders voor dan ze zijn. Een kopie van Chagall doet alsof ze door Chagall gemaakt is, alleen om het geld.’

Ik vertelde over Elmyr de Hory, de Hongaar die kort na de oorlog in Parijs schilderijen ‘in de stijl van’ Picasso maakte. Geen kopieën, maar ‘nieuwe’ Picasso’s. Ze werden grif gekocht.

‘Hoeveel heeft die Hongaar er vervalst?’ vroeg Magda.

‘Duizenden, zegt men. Er moeten nog altijd verzamelaars zijn die ten onrechte denken dat ze een echte Picasso aan de muur hebben.’

‘Misschien is het beter als ze dat blijven geloven,’ zei Magda.

 

Die middag had ik Axel er aan zijn haren bij gesleept.

Op een terras aan de Côte d’Azur liet ik hem schaken met Herman Maling, mijn aan lager wal geraakte journalist. Ik had nog geen idee wat Axel in mijn plot kwam doen, wie hij eigenlijk was, of hoe ze elkaar tegen het lijf waren gelopen.

Ze zitten aan een tafeltje onder een rij platanen. Maling heeft een fles wijn laten aanrukken. Axels rechterhand twijfelt boven een bakje groene olijven. Ze spelen nog geen tien minuten of Axel stelt vast dat het leven achter een schaakbord een stuk draaglijker is. De orde van vierenzestig velden, terwijl het toch ook… die lome bewegingen, je schouders wat naar voren, een elleboog leunend op de tafelrand… hoe alles dan betekenis krijgt, elke opgetrokken wenkbrauw, elk kuchje, hoe al het andere wegvalt, het gesputter van een brommer op de boulevard, de geur van tijm en zeebaars en witte Bourgogne.
Ik bedacht dat Axel nu met een ironisch glimlachje zijn glas moest heffen.

‘En dan,’ zegt hij, ‘verstar je – als op datzelfde moment stukken blindelings worden verschoven en uitgeruild als oude beloften, waarna je beduusd opkijkt, een loper aan de rand de vrije ruimte zoekt, en een korte rokade de stelling doet kantelen, en alles opnieuw begint, de uitwisseling van vermoedens, herinneringen, hypotheses en hoop.’

‘Net seks,’ grijnst Maling. ‘Je kunt alle kanten op, toch? De mogelijkheden zijn oneindig.’

‘Wie dat denkt,’ reageert Axel, ‘heeft niets van het spel begrepen, en nog minder van de oneindigheid. Dat wíj er met ons verstand niet bij kunnen, betekent niet dat het spel geen limiet kent. Oneindigheid is iets anders.’

Maling veinst belangstelling. Die Axel is een zelfvoldane kwast, maar misschien heeft hij hem nog nodig.

Hij schreef er een boek over, zegt Axel. Over de nul. De nul als gedachte. Als filosofisch dogma. Als poortwachter van de oneindigheid.

Nu wordt het Maling te dol. Hoezo de nul? Die nul is toch juist het tegenovergestelde van het oneindige?

‘Dat had je gedacht,’ zegt Axel. ‘Dankzij de nul hebben we het oneindige leren kennen. Hij komt uit India, de nul, waar “niets” en “leegte” al duizenden jaren vertrouwde concepten zijn. Wij wilden daar lang niet aan omdat onze almachtige God onmogelijk ook het niets kon hebben geschapen. En we waren er te praktisch voor. De middeleeuwer die zijn schapen telde, begon bij één schaap. Als hij geen schapen had, telde hij niet.’

‘De nul is de nul,’ zegt Maling schouderophalend. ‘Sinds de schepping niet veranderd. Mooi rond gebleven. Niets meer aan doen, zou ik zeggen.’

‘Was het maar waar,’ verzucht Axel. ‘Die oude Indiërs bedachten hoe je met de nul moest rekenen. Dat nul gedeeld door twee weer nul was. Maar ze stelden ook dat twee gedeeld door nul op nul uitkwam. Dat is onzin. Delen door nul kan niet. Het levert niets op. Toen we dat begrepen, was het hek van de dam. We spraken af dat iets kon náderen tot nul, dat je eindeloos kon delen zonder “niets” over te houden. Zo hebben we het oneindige ingelijfd… om de wiskunde en een handvol natuurkundige wetten kloppend te maken.’

‘Wat is daar nou mis mee?’ vraagt Maling.

‘De onttovering,’ zegt Axel dromerig. ‘Ze zeggen dat delen door nul niet kan omdat je anders alles zou kunnen bewijzen; dat ik een chimpansee ben en deze schimmelkaas een boeddhistische monnik is. Maar het is een truc, zoals we ook willen geloven in de magiër die het meisje in de stalen kooi laat verdwijnen, of een konijn uit een briefkaartenvelop tevoorschijn haalt. Dat iets kan neigen naar nul is een hersenspinsel. Een mythe. We doen het ermee bij gebrek aan beter. Zo houden we ons bestaan een beetje draaglijk.’

Axel verplaatst een witte pion naar A7.

‘Mathematische precisie,’ zegt Axel, ‘een gotspe is het. De nul is niet meer of minder dan een leugentje om bestwil.’

 

Magda vroeg of ik de kipfilets, twee kilo van de Carrefour-supermarkt, in stukjes wilde snijden. Ik zei maar niet dat ik bij dat soort klusjes soms kwijlde.

In de keuken van het klooster hielp ik haar met een ovenschotel. Ik sneed de kip en zocht de pruimen die ik had ingeslagen.

‘Ben jij gelovig?’ vroeg Magda.

‘Ik geloof het niet,’ zei ik.

Ze pelde tenen knoflook.

‘Mijn vader was dominee,’ zei Magda. ‘Toen ik zestien werd, besloot ik dat ik niet naar de hemel wou. De hemel is saai. Je komt iedereen weer tegen die je al hebt gekend. En ze hebben er vast geen WIFI.’

‘Dat moet pijnlijk zijn geweest. Voor je vader.’

‘Welnee. Hij maakt al tien jaar een podcast van zijn preken. Kan geen uur zonder internet.’

‘Jij gaat niet meer naar de kerk?’

‘Niet meer sinds ik thuis weg ben.’

‘En God is dood.’

Magda nam de kip uit mijn handen. ‘Dat nou ook weer niet.’

In een buitenmaatse ovenschaal goot ze azijn en wijn over de kip en de gedroogde pruimen. Ze voegde groene olijven toe en kappertjes, bruine suiker, zout en peper, en een onrustbarend grote kom hele tenen knoflook.

That will keep the devil away,’ zei Magda.

Nadat ze de kip in de voorverwarmde oven had gezet, waren we aan de lange tafel gaan zitten. Genoeg ruimte voor twintig eters, meer dan er deze week gasten in het klooster waren.
We dronken ons eerste glas rode wijn.

‘Dus jij vindt dat alleen het effect van kunst telt?’

De man die ’s avonds naast mij zat, een Oostenrijker, had geluisterd naar wat Magda over ons gesprek van die middag had verteld. Ik had niet veel gezegd, meer rode wijn gedronken dan verstandig was en me gedwee geschikt naar de mores van het klooster. We hadden een maaltijd mogelijk gemaakt. We zouden de rommel opruimen. En ik had besloten dat ik hier best een avond gezeglijk kon zijn.

‘Het gaat er bij kunst om wat het met je doet,’ zei ik.

‘Dat is een proletarisch jaren-zeventig-idee,’ zei de Oostenrijker. ‘Als ik weet dat een schilderij vals is, doet het me minder.’

‘Als deze kip geen kip was maar gesneden mus, en je wist het niet… zou het je dan minder smaken?’

‘Dat is geen antwoord, maar een vraag.’

Ik nam een slok. En knikte. Ik wist niet zeker of Spatz het juiste Duits voor mus was. Het klonk te vrolijk. ‘Misschien,’ zei ik, ‘is het niet de vraag of alleen het effect telt, maar wélk effect, en voor wie.’ Dat was, vond ik, diepzinnig genoeg.

Om ervan af te zijn, vroeg ik de Oostenrijker wat hij die dag had gedaan. Het moest belangstellend klinken. Experimenteel bewegingstheater, zei hij. Met een groep uit Graz. Ze kwamen hier elk jaar een paar weken. Ik knikte, hield mijn hoofd schuin alsof ik aandachtig luisterde, legde mijn vork en mes neer om te laten merken dat ik werkelijk een en al oor was, en schonk hem nog een bodempje wijn in. Toen iemand ergens vandaan nieuwe flessen op tafel zette en de Oostenrijker stilviel, stelde ik dezelfde vraag aan de twee gasten, een man en een vrouw, met wie Magda aan de overzijde van de tafel al de hele avond in gesprek was. Ook zij begonnen te vertellen: waar ze vandaan kwamen, hoe lang ze bleven en wat hun stiel was – details die ik onmiddellijk vergat. Het leek een spel, een kringgesprek, waarbij ik als vanzelf in de rol van interviewer gleed.

‘Je danst, dat zei je al. Maar wat heb je vandáág gedaan? Waar was je om pakweg halftwee vanmiddag? En met wie?’

Toen begon het de anderen aan tafel – we waren uiteindelijk met dertien personen – op te vallen wat ik deed. Alle gesprekken vielen stil, behalve dit: mijn vragen, hun antwoorden. Omdat iedereen luisterde, ging ik de tafel langs. And how was your day?

Toen ik bij haar was aanbeland, schoof de Britse fotografe haar bord met couscous en kip verontwaardigd naar het midden van de tafel. Ze vond mijn vragen kennelijk impertinent, opdringerig of respectloos. ‘It’s actually none of your business.

Good point,’ reageerde Magda, voordat ik iets kon zeggen.

You’re quite right,’ zei ik lachend. Het ging mij inderdaad niets aan. ‘Maar het leek mij mooi als we onze verhalen konden delen.’

Toen schoof de Britse haar stoel naar achteren. Ze stond op en liep weg zonder een woord.

 

Of ik die laatste nacht in het klooster goed geslapen heb, kan ik mij nu niet meer herinneren. Met een klein groepje – Magda, de Oostenrijker die meer belangstelling voor haar tekeningen opbracht dan ik, en twee jonge Fransen die ik niet kon verstaan – was ik in een zijkamer tussen de hal en de kapel terechtgekomen. In de kamer lag geen vloer – die zwam, nam ik aan, zat niet alleen op zolder. Je keek een halve meter diep in de kruipruimte. Dit was kennelijk de kamer waar gerookt mocht worden. We dronken restjes wijn terwijl een joint rond ging.
Ik was veruit de oudste en moet als eerste zijn afgehaakt.
Katerig werd ik wakker. Eieren. Gebakken spek. Koffie. Dat zou me door de ochtend helpen.

De espressomachine in de keuken, waar iemand – ik niet – de rommel van de avond tevoren had opgeruimd, sputterde koffie toen de Britse fotografe binnenkwam. Ze keek mij lijkbleek aan. Ik wilde ‘good morning’ zeggen, maar mijn mond was te stroef, mijn tong plakte aan mijn gehemelte. ‘You are a prick,’ zei de vrouw toen.

Excuse me?’ bracht ik uit.

How could you be so patronizing?

Ik moet iets gestameld hebben. Dat het toch een mooie avond was. Dat ik haar niet voor de hele groep ter verantwoording had willen roepen. Dat ik het niet verkeerd bedoelde.

Asshole.

Ik heb de koffie meegenomen naar mijn kamer. Ik heb mijn laptop opengeklapt. Het regende. Ik zette me aan de roman die nooit afkwam. En deed wat ik al zo vaak had gedaan: ik begon te schrappen. Omdat ik eindelijk begreep dat ik Axel de les had gelezen toen ik moest luisteren, dat ik nog schmierde toen het hem bittere ernst werd – zo moeilijk was het niet een lul te zijn.

Mijn geheugen is brak, een wad met af en toe een zandplaat. Precies zo helder, gedetailleerd en compleet waren Axels herinneringen. Soms denk ik dat we daardoor van elkaar vervreemd zijn. Wat mij door de vingers glipte, wat ik had moeten onthouden en koesteren maar vergat, zeulde hij mee. En als je zo verschillend met het verleden omspringt, deel je na verloop van tijd geen verleden meer.

Eerst schrapte ik de passages aan de Zuid-Franse kust.

Onder die platanen had ik Axel niet tevoorschijn gehaald, maar hooguit de man die ik zelf was, en niet wilde zijn. Ik begreep nog altijd niets van Axels fictie, maar had geen betere repliek dan de nul, het niets dat de oneindigheid inlijft, de leegte en het toeval.

Ik wiste, van achteren naar voren, de rest. Ik klapte mijn laptop dicht, propte al mijn spullen in mijn reistas en bedacht dat ik dat ene overhemd niet moest vergeten, toen in mijn deuropening de Britse vrouw verscheen. ‘Je vertrekt,’ constateerde ze. Haar stem trilde.

‘Ik ben er klaar mee,’ moet ik in onhandig Engels hebben gezegd.

I’m sorry. Je hoeft niet weg te gaan.’

Sure I do.

In de auto terug, op de E17 richting Brussel, vroeg ik mij af hoe het verder moest.

Ik had één zin laten staan.

Daar zat alles in. Het begin van een ander boek. Geen fictie. Dit.
Ik had Axel nog iets uit te leggen.

‘Waar wil je dat ik begin?’