De tragische oplichter van Carel Grol

In Zeeuws-Vlaanderen begrijpt niemand wat Henk bezielde. Bijna een halve eeuw had hij een administratiekantoor in Axel. Henk kwam bij mensen thuis, regelde hun belasting, dronk soms een wijntje mee. Toen ging hij ineens zijn klanten belazeren. schrijft Carel Grol in een narratieve reportage voor het FD. Herkennen we hier de tovenaarsleerling van de oude meester Ton van Dijk.?

Henk zat in de trein. Het was 27 februari 2018, het vroor, uit het noordoosten waaide een toendrabries, waardoor de gevoelstemperatuur naar -10 gezakt was. Henk was een autorijder, maar deze dinsdag liet hij zich vervoeren door de NS. Hij maakte een lange reis.

De voorbije jaren was Henk op de vlucht voor zijn omgeving. Weg uit Zeeland. Naar verluidt hield hij zich schuil in Groningen. Er waren ook geruchten dat hij was uitgeweken naar Polen. Want Henk zat diep in de problemen.

En toch ging hij terug, op deze koude dag. Vanaf Bergen op Zoom stopt de trein op dit traject bij elk dorp. Rilland-Bath, Krabbendijke, Kruiningen-Yerseke. Steeds dieper de provincie in.

Henk is een echte Zeeuw. Hij komt, zoals dat heet, ‘van de overkant’. Uit Zeeuws-Vlaanderen.

Daar heeft hij zijn hele leven gewoond. Zeeuws-Vlaanderen is een historische aberratie: mensen voelen zich er vaak meer Belg dan Hollander, hun dialect lijkt meer op Vlaams dan op Nederlands. Terneuzen, havenstad met een ruig imago, is er de grootste plaats. Een kleine tien kilometer zuidelijker ligt Axel.
In dat stadje wonen nog geen tienduizend mensen. Drie kerken, een molen, een watertoren. Een pleintje met een onuitspreekbare naam, vernoemd naar een Poolse generaal die het dorp in september 1944 bevrijdde van de Duitse bezetter. Nog niet eens zo heel lang geleden droegen mensen hier klederdracht. Erpelkappers heten de inwoners.

Henk komt uit Axel. Maar dat wist vast niemand in de trein.

Sowieso is hij geen opvallende man. Hooguit valt zijn geringe lengte op. Voor een Nederlander is Henk vrij kort. Amper een meter zeventig. Beetje gedrongen ook. 71 jaar. Witte haren. Bril. Een buik die met de jaren steeds groter is geworden.

Verder is hij eerder slonzig dan chic. Nooit snelle auto’s gehad of mooie pakken, eerder de bovenste knoopjes van zijn hemd wat ver geopend. Hij spreekt Zeeuws-Vlaams, waarbij de klinkers wat veranderen, soms wat lettergrepen worden ingeslikt en de ‘g’ wordt uitgesproken als ‘h’.

De trein reed verder. Kapelle-Biezelinge. Goes. Buiten bleef het hard vriezen. Eindbestemming: Middelburg. Nog vijf minuten en Henk zou er zijn. In de hoofdstad van zijn provincie. In Zeeland, waar hij al lang niet meer was geweest.

Deze dag werd hij er verwacht.

*****

Riet Mattheijssen heeft kort haar, een bril met modern montuur, en een Zeeuws-Vlaams accent: als ze bij haar kinderen in de Randstad is, wordt haar vaak gevraagd of ze Belg is.

Riet is geboren in Graauw, ook in Zeeuws-Vlaanderen, amper twintig kilometer van Axel. Maar de liefde bracht haar naar dit stadje. Want met haar echtgenoot landde ze in Axel, tientallen jaren geleden alweer, al hield de liefde geen stand.
Riet wilde wel in Axel blijven wonen, dus kocht ze in 1998 alléén een woning. Ze was geen financieel specialist en de enige die ze kende met kennis van bankzaken, dat was Henk. Want Henk, zo wist iedereen in Axel, zat ‘in de financiën’.

In Axel en omgeving wist iedereen: als banken moeilijk doen over een hypotheek, kun je soms nog terecht bij Henk

Riet kende hem via het Waterschap, waarvoor Henk ook werk deed. Hij stond goed bekend. Dus regelde Henk ook de hypotheek en verzekeringen voor Riet. Die verhuisde, in Axel, naar een huis met een tuin.

Ze zag hem verder nooit. Wat moet je ook met een financieel adviseur als je verder niet heel vermogend bent en alles op rolletjes loopt? Als je gewoon jaar in, jaar uit keurig wat geld apart legt, om later – ooit – nog eens te gebruiken? Een polis loopt wel door.

*****

Dat veranderde toen ze stopte met werken.Haar hele leven, uitgezonderd de periode dat haar kinderen klein waren, had ze voor het Waterschap gewerkt. In 2012 ging ze met pensioen, ze had er toen zo’n veertig dienstjaren op zitten.

Alles wat Riet de voorbije decennia had opgebouwd aan pensioenrechten kwam vrij te vallen. Dat waren geen tonnen, maar toch behoorlijke bedragen van iemand met meer dan dertig dienstjaren. Lijfrentes, koopsompolis, noem maar op.

Het geld kwam haar toe, maar wat moest ze daarmee?

Ineens was daar Henk. Hij wist wel wat. Deposito­. Geld vastzetten voor een bepaalde duur, tegen een vast percentage. De rente was toen al hard aan het zakken. Zijn aanbod: 4,8 procent voor een jaar. Het geld werd vastgezet bij verschillende banken en was per jaar opvraagbaar.

Riet dacht erover na. Ze kende Henk al meer dan tien jaar en hij had haar zaken goed geregeld. Waarom niet? Had ze een zorg minder. Ze stemde ermee in. Dus ging ze, op de fiets, naar het administratiekantoor van Henk, een paar straten verderop.

De papieren werden in orde gemaakt. In verschillende overboekingen werd het spaargeld overgeheveld naar het kantoor van Henk.

Riet zag ook wel dat het kantoor nogal versleten was, maar wat zou dat? Het was er niet vies.

*****

Dat Henk in de financiën zat, is voor de mensen in Axel vanzelfsprekend: zijn vader deed het ook al. Henk bezat een administratiekantoor dat ook verzekeringen afsloot, hij regelde hypotheken en had tot negen jaar geleden, voor de crisis, toen de regels nog wat soepeler waren, een bankvergunning. Een alleskunner dus.

Zijn bedrijfspand was gevestigd in de Wilhelminastraat. Een doodgewoon, betegeld straatje in Axel. Een pastorie uit 1925 aan het begin van de straat, twee panden verderop een fietsenwinkel. Huizen met twee verdiepingen van rode baksteen. Woningen kosten hier nauwelijks meer dan een ton.

Op nummer 44 hield hij kantoor. Een grote etalage in een straat met verder bescheiden woonhuizen. De gevel is van steen en hout. Dubbele beglazing. Achter deze grote ruiten hingen advertenties van huizen. Woningen die te koop stonden in Axel en omgeving. Dorpjes met namen als Zaamslag, Koewacht en Vogelwaarde.

Zelf woonde hij iets buiten Axel, in een verbouwde boerderij. Zijn werkgebied was heel Zeeuws-Vlaanderen. Begrensd door water aan de noord- en westzijde, en door België aan de zuid- en oostzijde. Een land in een land. Dat doorkruiste Henk in zijn oude Mercedes, al reed hij de laatste jaren in een Japanner. Een rode.

*****

Patrick Engels leerde Henk kennen via zijn vrouw, Lucie. Beiden, Patrick en Lucie, zijn begin zestig. Patrick: kalend, bril met rond montuur, duidelijke stem, en werkend door het hele land, in de explosieveiligheid in de petrochemische industrie. Lucie: lang haar, rode bril, yogadocent in Zeeuws-Vlaanderen.

Henk hielp Lucie al dertig jaar met de opgave van de btw, die ze als kleine zelfstandige elk kwartaal moet doen. Altijd naar volle tevredenheid.

Lucie kende hem weer via haar oom en tante. Via via, zoals dat gaat, zeker in de tijd dat er nog geen internet bestond, alle banken overal een kantoor hadden en zaken in guldens gingen.

‘‘We zijn weer een week verder. Nog steeds heb ik niets ontvangen. Binnenkort heb ik het geld echt nodig’’

Zo onopvallend als Henk oogde, zo sterk was hij als schaker. Een van de beteren in de regio. Hij speelde simultaantoernooien: in zijn eentje tegen een reeks andere tegenstanders, lopend langs meerdere schaakborden, om op steeds een ander bord een zet te doen.

Om zoiets te doen moet iemand analytisch zeer sterk zijn, en een stevig geheugen hebben. Die eigenschappen vertaalden zich bij Henk ook in zijn kennis van financiële zaken.

Ooit had hij de hypotheek van Lucie geregeld, in het huis in Terneuzen waar ze nog steeds woont. Gewoon, een ruim hoekhuis in een woonwijk. Die hypotheek was niet zo vanzelfsprekend. Lucie was zelfstandig ondernemer.

In Axel en omgeving wist iedereen: als banken moeilijk doen, kun je soms nog terecht bij Henk.

Vier keer per jaar kwam Henk langs, in het hoekhuis in Terneuzen. Hij gaf weleens een tip over belastingconstructies. Omdat hij de regels kende en wilde helpen. En als hij daarna geen andere afspraak had, bleef Henk weleens een halfuurtje hangen bij Patrick en Lucie. Dan dronk hij nog een glaasje wijn, en vertelde hij over zijn kleinkind. Verzot was hij op dat jochie.

Ja, zo’n man die jarenlang eens in de drie maanden bij je aan tafel zit, wordt bijna een vriend. Toen Patrick en Lucie eens rode wijn hadden meegenomen na een vakantie in Frankrijk gaven ze Henk ook een flesje.

*****

‘Beste Patrick,

Ik heb op dit moment een heel aantrekkelijk financieel aanbod.’

Zo begon de mail die Patrick kreeg, op vrijdag 24 april 2015, iets voor halfzes.

‘Ik leg het even in het kort uit. Een poos geleden ben ik meegegaan in een onroerendgoedproject met een geldbedrag. Dat bedrag was van mijzelf, aangevuld met geld van een paar andere partijen. Op 1 mei 2016 komt dit geld weer vrij en hebben we 8% rente verdiend. Nu is het echter zo dat een van de andere partijen graag wil uitstappen. Ze weet dat dat niet kan. (…) Dus als je dit aantrekkelijk vindt en wil instappen, dan zijn er weer veel mensen gelukkig.

Groeten van Henk’

Patrick had gespaard. En nog wat geld gekregen ­ uit een erfenis. En wat kreeg je nou op de bank? Een half procent? Daarbij: wat kon er gebeuren ­ in een jaar? Bij een man die je bovendien al jaren kende en in diezelfde twaalf maanden nog vier keer zou zien. Iemand met bewezen verstand van financiële zaken.

Na een weekend bedenktijd en nog wat gesprekken met Henk, besloot Patrick in te gaan op het aanbod, ook al had hij verder weinig informatie over het vastgoed. Met eigen geld, met geld van Lucie en met geld van zijn moeder. Geld dat bestemd was voor een nieuwe auto. Of om eerder te stoppen met werken. En, in het geval van zijn moeder, om uiteindelijk goede zorg te krijgen.

Het geld werd halverwege mei overgemaakt. Van bank naar bank, van rekening naar rekening. Gewoon een legale transactie.

*****

Terwijl Patrick zijn geld overmaakte, was Riet, in het voorjaar van 2015, al bezig haar geld terug te krijgen van Henk. Want ze dacht: ik heb er zoveel geld naartoe gebracht, ik wil nu weleens iets opnemen.

Dat begon met reguliere verzoeken. Ik heb geld gestort, dat wil ik terug hebben, mailde Riet. Henk deed moeilijk.

Op donderdag 26 maart schreef Riet: ‘Hoelang gaat het nog duren?’

En 2 april: ‘We zijn weer een week verder. Nog steeds heb ik niets ontvangen. Binnenkort heb ik het geld echt nodig.’

Henk antwoordde op 13 april. ‘Ja hoor, die mailtjes heb ik gelezen. Het is nogal druk geweest en rond de paasdagen waren we vier dagen gesloten.’

Repliek van Riet, een dag later: ‘Weer een slapeloze nacht gehad. Krijg ik het geld nog van je terug?’

Na twee maanden mailen en bellen kreeg Riet een deel van haar inleg. Maar ze wilde eigenlijk wel alles terug. Zo snel mogelijk.

Mail van Riet, op donderdag 27 augustus: ‘Wanneer kan ik mijn geld verwachten?’

Antwoord van Henk, op 28 augustus: ‘In het oude systeem duurde het meestal minimaal een maand. (…) Dus het begint eraan te komen. De banken hebben dit veroorzaakt.’

Riet, op 2 september: ‘Ik weet nog niet voldoende. Ik weet nog steeds niet wanneer ik het geld kan verwachten.’

Antwoord van Henk, 9 september: ‘Ik zal het wat minder gecompliceerd uitleggen. Het komt steeds verder in onze richting. Deze maand wordt zeker uitbetaald.’

Het geld kwam niet. Ze ging naar het kantoor aan de Wilhelminastraat. Daar kreeg Riet te horen: als ze zo graag geld wilde, kon ze toch haar hypotheek verhogen?

Ze was verbijsterd. Het was toch haar geld?!

Mail van Riet aan Henk, op 5 oktober: ‘Nu krijg ik niet eens meer fatsoenlijk antwoord van je. De ene keer merk ik dat je de hoorn op de haak gooit, de volgende keer zeg je dat je niet kunt praten omdat je in de auto zit. Je maakt mij niet wijs dat je niet handsfree kunt bellen.’

Riet besprak de situatie met haar zoon. Die was resoluut. Er moest een advocaat bij komen. Riet dacht toen nog: een advocaat hoeft toch niet? Het geld zou vast wel komen, zo was haar overtuiging.

*****

Henk kwam niet opdagen op de afspraak bij Patrick en Lucie. Het was vrijdag 15 april 2016.

Lucie had weleens twijfels gehad. Henk was een keer te laat met het doorgeven van de btw. En afgelopen zomer was er gedoe met een voorschot, dat hij ook pas na veel aandringen wilde uitkeren. Nu miste hij een afspraak.

Op vrijdag 22 april, een week later dan gepland, zat hij weer bij hen in de woonkamer. In Terneuzen, zoals altijd, om de btw af te handelen. Terwijl hij daar zo bij hen aan tafel zat, dacht Lucie nog: hoe kan ik zo achterdochtig zijn? Ze voelde zich er bijna schuldig over. Deze man hielp haar al sinds de jaren tachtig.

Het was die dag een standaardbijeenkomst. Henk aan tafel. Voor komen rijden in een wat sleetse auto. Nietszeggend overhemd. Conversaties in het Zeeuws-Vlaams.

Binnenkort zou het jaardeposito vrijvallen van Patrick en Lucie. Daar konden ze mooi een nieuwe auto van kopen.

*****

Wat ze op dat moment niet wisten, was dat de Autoriteit Financiële Markten (AFM) al een last onder dwangsom had opgelegd aan het assurantiekantoor. In december had de AFM contact opgenomen met Henk, in januari waren mensen van de toezichthouder langsgekomen in de Wilhelminastraat.

Het woord ‘faillissement’ was doorgekrast en met pen vervangen: ‘Kantoor gesloten vanwege oplichting’

Daarna is er nog herhaaldelijk per telefoon en mail contact geweest. De AFM vertrouwde het niet en verzocht om informatie. Die kreeg de toezichthouder niet. Omdat ‘niet meer buiten twijfel staat dat de bedrijfsvoering (…) mogelijk niet beheerst en integer is’, legde de AFM een last onder dwangsom op.

Henk had geld geleend. Van Riet, van Patrick en Lucie, en van nog veel meer mensen in Zeeuws-Vlaanderen. Terwijl het administratiekantoor niet over de benodigde vergunningen beschikte om geld aan te trekken. Alles piepte en kraakte. Het kantoor van Henk stond op omvallen.

De dwangsom van de AFM bedroeg vijfduizend euro per dag, met een maximum van vijftigduizend euro. Op 21 maart 2016 was die last onder dwangsom opgelegd.

Een maand later zat Henk daar gewoon, op vrijdagmiddag, aan tafel in Terneuzen. De btw te doen voor Lucie. Alsof er niets aan de hand was.

*****

Op zaterdag 18 juni 2016, om tien uur ’s avonds, zaten Patrick en Lucie op de bank. Telefoon. De broer van Lucie belde. Ze schrok. Zo laat? Hij was al wat ouder. Er zou toch niets verkeerd zijn gegaan?

Maar nu stelde hij de vraag. Of ze de krant hadden gezien. Het administratiekantoor van Henk is failliet. Het stond op pagina 2 van de PZC, naast het bericht dat FC Twente toch in de eredivisie bleef. Kop boven het verhaal: ‘Axels kantoor laat klanten berooid achter’.

Voor Patrick en Lucie stond de wereld even stil. Die nacht sliepen ze niet.

Acht kilometer zuidelijker beleefde ook Riet die zaterdag een slapeloze nacht.
Ze was net terug van een fietsvakantie in België, met vriendinnen. Direct daarna kreeg ze twee kleinkinderen over de vloer. Op dat moment las ze het bericht over het faillissement. Met twee kinderen die om haar heen dartelden moest ze zich sterk houden. Maar ook haar wereld kwam met een klap tot stilstand.

*****

Na het faillissement kwamen er mensen kijken op nummer 44 in de Wilhelminastraat. Ze waren stomverbaasd. Van boven tot onder stond het pand vol met papieren. Kasten vol. Mappen, polissen, losse papieren. Stapels tot aan het plafond.

Alles stond door elkaar: schadepolissen naast hypotheekdossiers, formulieren, brieven, correspondentie.

Alsof er in al die jaren nooit iets was weggegooid. Dat gold ook voor het pand: daar was ook niets aan gedaan. Volledig verwaarloosd. Bij binnenkomst een balie uit vervlogen tijden. Kapotte computers. Geen flatscreens. Wel lag er ergens in het pand nog een typemachine.

Kort na het bankroet hing er een briefje op het raam. ‘Kantoor gesloten vanwege faillissement’, stond erop geschreven. Iemand had dat laatste woord doorgekrast, en er met pen iets anders bij gezet. ‘Kantoor gesloten vanwege oplichting’, luidde de nieuwe tekst.

*****

Het eerste curatorenverslag komt uit juli 2016, enkele weken na het faillissement. ‘De failliete vennootschap heeft in de afgelopen jaren van diverse­ particulieren geld aangetrokken. Particulieren kregen een rente toegezegd die hoger was dan de door de banken geboden rente. (…) In een groot aantal gevallen is de rente niet betaald.’

Toen diverse partijen hun hoofdsommen of rente opeisten, kon Henk daar niet aan voldoen. Negen partijen hebben het faillissement van de vennootschap aangevraagd. Tot 2009 had Henk een bankagentschap. Daarmee was hij een soort tussenpersoon voor een bank. In een gesprek met de curator claimde Henk dat, toen hij geen bankagent meer was, mensen ‘toch naar hem toe kwamen met de vraag of hij hun geld kon beheren’. Particulieren leenden hem ‘grote bedragen’, aldus het curatorenverslag.

Toen zijn bankagentschap werd ingetrokken, had zijn bedrijf al een negatief eigen vermogen.

Henk is na het bankroet – zowel zijn administratiekantoor als hij als persoon is failliet gegaan – één keer bij de curator geweest. De lezing ­ van Henk: het grootste deel van de geleende bedragen is doorgeleend aan zijn eenmanszaak. Die leed al langere tijd verlies.

Uit het curatorenverslag: ‘De verliezen van de eenmanszaak zouden zijn opgevangen met de geleende gelden. Daarvan is daarom niets meer over. Volgens de bestuurder zijn met de geleende gelden geen activa gekocht of andere investeringen gedaan. Ook is er niet mee belegd.’

Het tweede curatorenverslag komt uit oktober. In de anderhalf jaar voor het faillissement is negentigduizend euro in contanten opgenomen, zo blijkt uit onderzoek van de bankafschriften.

Het derde curatorenverslag verschijnt in januari 2017. De curator nodigde Henk uit voor een tweede gesprek op kantoor. Maar Henk, zo staat in het verslag, ‘gaf aan niet tot de financiële middelen te beschikken om vanuit zijn huidige verblijfplaats naar Middelburg te komen’.

Een enkele reis van Groningen, waar Henk zich naar verluidt schuilhield, naar Middelburg kost zonder korting 25,30 euro. Reistijd met de trein: vier uur en veertig minuten.

*****

De curator sprak in zijn verslag van 73 gedupeerden. Het gros deed geen aangifte. De politie hield het op ‘21 slachtoffers’. Op zijn minst: de politie kan niet uitsluiten dat er nog meer gedupeerden zijn. Uit schaamte zullen veel mensen geen aangifte hebben gedaan.

Een andere verklaring, die bleef rondzingen in Zeeuws-Vlaanderen: er zat ook zwart geld bij Henk. Maar dat zijn geruchten.

Zeker is dat mensen veel geld zijn kwijtgeraakt. Vaak ging het om tienduizenden euro’s, bij een enkeling om een ton of meer.

Henk verdween na het faillissement. Gevlucht. Hij scheidde van zijn vrouw. Of zij nooit iets in de gaten heeft gehad? Hier wordt alles betwijfeld.

Lucie heeft hem na het bankroet nog gebeld. Niet op zondag. Gewoon, op maandagochtend. ‘Hoe kon hij dit doen?’

Henk nam niet op. Lucie sprak in op zijn voicemail.

*****

Het gros van de gedupeerden bestond uit alleenstaande oudere dames. Zoals Riet. Henk had inzicht in hun financiën. Hij wist alles. Een telefoontje of zo’n mail – ‘Ik heb op dit moment een heel aantrekkelijk financieel aanbod’ – kwam dus allerminst toevallig. Henk strooide zijn aas uit. En daar werd in gebeten.

Juist dat, willens en wetens te zijn belazerd door iemand die je jarenlang kent en die zo je vertrouwen heeft geschonden, gaat er na twee jaar nog moeilijk in, hier in Zeeuws-Vlaanderen.

Waarom heeft-ie het zo gedaan? En waar is het geld? Volgens Patrick zijn die twee vragen vrijwel even belangrijk. Hij gelooft er niets van dat het geld allemaal verdwenen is. Maar waar het wel is? Wist hij het maar. Dat zou, hoe gek het ook klinkt, nog enige rust geven.

Kreeg-ie maar een antwoord.

*****

Op 27 februari 2018 rond 13.15 uur reed een intercity het station van Middelburg binnen. Tussen de andere dik ingepakte reizigers die uitstapten in de snijdende kou wandelde ook een kleine man, met wit haar en een behoorlijke buik. Een verdienstelijk schaker, al is dat niet af te zien aan iemands uiterlijk.

Het was Henk. Van ‘de overkant’.

Hij werd verwacht, in Middelburg. Door de politie. Henk had een oproep gekregen dat hij zich moest melden. Henk op de vlucht? Misschien voor de gedupeerden, maar niet voor de politie.

Henk stond gewoon ingeschreven in de gemeente waar hij inmiddels woonde. Hij kreeg een verzoek zich te melden. En Henk kwam, op de afgesproken datum en tijd die op zijn uitnodiging stonden. Hij werd opgewacht op het station, aangehouden en overgebracht naar een politiecellencomplex in Middelburg.

Naar verluidt hield hij zich schuil in Groningen. Er waren ook geruchten dat hij was uitgeweken naar Polen

De recherche had een jaar onderzoek gedaan naar zijn handelingen, en die van zijn administratiekantoor. Er hadden drie man op deze zaak gezeten, al was dat dan niet fulltime.

Op vrijdag 2 maart, om halfvier ’s middags, volgde een persbericht. Er was een ‘grote fraudezaak’, aldus de politie, ‘die de gemoederen in Axel en omgeving flink bezig heeft gehouden’.

Henk was spil in een piramidespel. ‘Slachtoffers hebben te goeder trouw hun spaargeld ingelegd in de hoop hiermee een hogere opbrengst binnen te halen dan bij reguliere banken en beleggingsfondsen’, stond in het politiebericht.

Twee dagen heeft hij vastgezeten voor verhoor. In verzekering gesteld, zoals dat heet in politiejargon. Daarna mocht hij gaan.

‘Te zijner tijd zal de man zich voor de rechter moeten verantwoorden voor zijn daden’, aldus het politiebericht. ‘In afwachting hiervan mag hij de tussenliggende tijd thuis doorbrengen.’

Henk wordt verdacht van een beleggingsfraude van twee miljoen euro.

*****

Riet verhuisde. Ze heeft haar huis in Axel gedwongen moeten verkopen. Ze woont nu in Terneuzen. In een kleiner appartement. Met uitzicht over de Schelde, dat wel.

De meesten van haar vrienden en kennissen wonen nog in Axel. Ze tennist er nog. Dus rijdt ze elke week een keer of drie op een neer naar het stadje waar ze bijna veertig jaar woonde.

Patrick zal langer moeten doorwerken. Er kwam geen nieuwe auto. En, misschien nog wel het moeilijkste, hij moest tegen zijn moeder van in de tachtig zeggen dat het geld weg was. Daar heeft hij nachten van wakker gelegen.

Wilhelminastraat 44 is vorig jaar juni verkocht, samen met nummer 42, dat ook hoorde tot het bedrijfspand. Er was één bieder. Verkoopprijs: zestigduizend euro.

Het pand is opgeknapt. De buitenkant is geschilderd. Voor de ruit van nummer 44 hangt een briefje, met een 06-nummer dat geïnteresseerden kunnen bellen. Het staat nog steeds te huur.

Reconstructie

Verantwoording: Het FD heeft geprobeerd contact op te nemen met Henk. Via de curator kwam geen reactie. Mobiele nummers waren afgesloten, vaste lijnen buiten werking. Henk was directeur van nog een bv. De curatoren die het faillissement afwikkelen, meenden dat er geen noemenswaardige activiteiten of activa in die bv zaten.
Wel stond die bv ingeschreven op een huisje in een vakantiepark in de provincie Groningen. Het huisje was, zo bleek uit het Kadaster, niet zijn eigendom. Bij het vakantiepark werd de telefoon wel opgenomen. Henk had er gezeten. In onderhuur. Ze hadden hem al een tijdje niet meer gezien.

 

Toine Heijmans en de Premierbenen van Rutte

Al drie jaar reist Toine Heijmans door Nederland. Twee keer in de week schrijft hij een column in de Volkskrant., waarin hij actuele kwesties van een andere kant belicht. De beste columns zijn nu gebundeld in ‘Nederland ligt er prima bij’. En hier legt hij, daartoe aangezet door Rik Kuiper, zijn werkwijze bloot.

Mark Rutte is waanzinnig slecht in afscheid nemen. Die gaat niet zomaar weg, dat is een heel proces. Tot ín de lift. Tot áán de dienstwagen. De premiersbenen bungelen nog buiten, vertrokken is hij niet.

‘Tot ziens!’ ‘Leuk!’ ‘Uiteraard!’ ‘Yes!’ ‘Súper!’ ‘O, dan zo! Hé!’

‘Uiteraard!’ ‘Tot kijk allemaal!’ ‘Hoi hoi!’

Het grote tv-verkiezingsdebat laat hij schieten, maar Mark is scherp op tijd voor zijn drie kwartier met lezers van de Gelderlander. Dertig zitten klaar op de Arnhemse redactie, hun vragen uitgeprint. Jöel Hendriks wil weten waarom Mark in snelwegen gelooft en niet in spoorwegen, maar beseft: ‘hij is met vragen niet te grijpen’.

Komt ie aan: ‘Dág!’ ‘Zo, jááá, goed hier te zijn!’

Naast me zit Ton Odijk klaar met een vraag zwaar in zijn handen. Ton is tijdens de crisis vier keer ontslagen als assurantieverkoper, kreeg loonbeslag, is uit de ziektekostenverzekering gegooid, is gemangeld door de trage molens van het uwv maar kwam wonderwel uit zijn schuldpositie en sprokkelt nu veertienhonderd euro in de maand bij elkaar als telemarketeer en artist-manager. Zijn vraag aan Mark: ‘Reken mij eens voor hoe je met z’n tweeën rondkomt van veertienhonderd euro, als je zeshonderd euro huur betaalt?’

Hij moet nog even wachten. Mark zit achter een hoge tafel naast zijn interviewers, overziet het publiek en zoekt kalm naar zijn moment. Dat komt als een meneer achterin roept of het wat harder kan, er is niks van te horen. Mark gaat staan en neemt de show in handen, brengt zijn stem op volle sterkte. Nu is hij de quizmaster des vaderlands, er kan hem niets gebeuren, en hij blijft die meneer achterin maar vragen of het goed gaat zo. Ja, het gaat uitstekend.

Wisten we al dat de ouders van Marks moeder uit Arnhem kwamen? Hij is hier trouwens als premier, campagnetijd of niet. ‘Ik ben premier van alle fractievoorzitters,’ zegt Mark, en even later: ‘Ik ben premier van alle mensen.’

Hij brengt het alsof hij het zelf gelooft, en daarom gelooft niemand het. Hij doet me ineens aan Ron Brandsteder denken. De vragen zijn vooraf niet overlegd, zeggen de interviewers, Rob Berends en Hans Gulpen, het team van Mark hoefde verder niets te weten. Dat is bij andere lijsttrekkers wel anders. Gaan we soepel van het vraagstuk van de krimp naar de verlaging van de bijstand naar het gebrek aan geld voor gehandicapten naar de legalisering van de wiet.

Mark zegt: ‘Ik heb vrienden met kinderen van zeventien, achttien jaar die in de afkick moeten.’

Wil je doorvragen, is Mark al een of ander hazenpaadje ingeslagen.

Dan is Ton aan de beurt. Het is niet eenvoudig je eigen mislukking aan de premier te melden, maar hij durft. ‘Veertienhonderd euro in de maand is geen vetpot,’ zegt Mark terug, ‘maar in Nederland kom je gelukkig nóóit onder de 95 procent van het bestaansminimum.’ Ton zegt: ‘dat klopt niet’ en ‘daar denkt de deurwaarder anders over’, maar Mark begrijpt dat Ton weer werk heeft? ‘Geweldig!’

En dan zijn we alweer bij de inburgeringsplicht, woesj woesj ook opgelost met Jackie Chan-achtige taalbewegingen, en dan is er de kwestie over de tol die ze willen heffen op de A15 terwijl premier Mark zo tégen tol is, dus ‘ik ben niet dol op tol, maar als je de middelen niet hebt om de weg aan te leggen moet je nadenken over hoe je dat doet’. Een dubbele flikflak. Alweer.

Hoe zijn elastieken benen werken, van links naar rechts en straks terug, is prima te begrijpen door Mark te lezen, het boek van Sheila Sitalsing. ‘Rutte past in zijn tijd’, schrijft ze: hij is de ‘procesmanager’ die overblijft nu de oude machtspartijen afbrokkelen. ‘Ruttes antwoord is: haal de ideeënstrijd uit de politiek.’

Dit zou je marksisme kunnen noemen.

‘Er zijn mensen die zo de stoel onder de kont van de premier vandaan kunnen trekken,’ zei journalist Bas Haan, zich verwonderend over de leugens van Mark in de bonnetjesaffaire. Maar dat doen ze niet. En als ze het doen is de kans groot dat Mark gewoon blijft staan. Juist in de bolwerken van de VVD is het mis: veiligheid en justitie, de belastingdienst, het ene na het andere partijkopstuk stort ter aarde. Maar niet Mark. Alles kaatst af op het intergalactisch glas waarachter hij opereert. De wereld is een Showbizzquiz.

‘Hij maakt het je onmogelijk hem niet aardig te vinden,’ zegt Peter Jansen, hoofdredacteur van de Gelderlander. Zelfs Ton geeft hem een hand: ‘handig is ie wel’.
Maar nu gaat Mark écht afscheid nemen, jongens. ‘Jááá!’ ‘Tot ziens!’ ‘Tot snel!’ ‘Ja gewoon goed!’ ‘Ja leuk!’ ‘Zéker!’ ‘Dat moet je zó doen joh!’ ‘Yesss!’ ‘Já!’ ‘Tot kijk allemaal!’

Nee, die is niet zomaar weg.

De demontage van een scoop

Het was een geweldige scoop, het verhaal van Eric Smit en Kim van Keken voor Follow the Money over VVD-voorzitter Henry Keizer. Maar had het een beter verhaal kunnen worden als de twee auteurs narratieve technieken hadden toegepast. Op de conferentie True Stories zet Henk Blanken uiteen wat een goed verhaal beter maakt.

Vrijdag 20 april was ik als spreker op de conferentie verhalende journalistiek in Amsterdam om live een verhaal te demonteren, zoals ik dat met Rik Kuiper geregeld doe op de www.verhalengarage.nl.

Bijzonder aan de sessie was het verhaal: de geweldige scoop van Eric Smit en Kim van Keken van Follow the Money. Zij werden er journalist van het jaar mee. Ook werd het verhaal genomineerd voor de twee meest prestigieuze Nederlandse journalistieke prijzen, de Loep en de Tegel.

Een goed verhaal dus. Maar kon het beter? Wat kon het – zou je het over mogen doen – hebben aan narratieve technieken? Na de inleiding van Eric Smit en moderator Tanja van Bergen leg ik uit dat de beide auteurs nogal wat hebben laten liggen.

Een aquarelletje van A. Hitler

Nee, geld wilde de eigenares er niet voor, ze wilde van dat beladen kunstwerkje af en daarom bood ze het aan het Niod aan. Het instituut wilde het graag hebben. Alleen restte de vraag: was het echt? In de Volkskrant reconstrueerde Rik Kuiper de zoektocht. Voor de Garage ondervroeg NRC-verslaggever Freek Schravesande hem over het verhaal.

Gespannen is Gertjan Dikken eigenlijk nooit als hij mensen ontvangt die een schenking willen doen. Maar op deze dag in maart, nu hij de vrouw met die plastic tas naar boven begeleidde, was dat anders.

Hij voerde haar de statige kamer van de directeur binnen, waar Dikken wel vaker spreekt met mensen die documenten uit de Tweede Wereldoorlog willen overdragen aan het NIOD, het instituut voor oorlogs-, holocaust- en genocidestudies. Daar namen ze plaats aan de ovalen tafel.

De vrouw haalde een pakket uit de plastic tas. Ze verwijderde het krantenpapier en legde een fletse aquarel voor zich neer in een donkerbruine lijst. Repen plakband hielden het hout bij elkaar.

Vanwege die lijst had haar vader dit kunstwerk gekocht, vertelde ze, tientallen jaren geleden, op een postzegel- en muntenmarkt in de buurt van Utrecht. Hij had er 75 cent voor neergelegd en kwam er thuis pas achter wat hij aangeschaft had. Daarna legde hij het ding in de kelder, om er nooit meer naar om te kijken.

De vrouw had het werk al aan twee veilinghuizen aangeboden, maar die waren niet bereid het te verkopen – vermoedelijk omdat ze bang waren hun naam te grabbel te gooien. Daarom was ze nu hier.

Ook een Hitler aan de muur?

Ook een Hitler aan de muur? Regelmatig komen er werken van de Führer beschikbaar. Zo verkocht veilinghuis Weilder in Neurenberg in 2015 bijvoorbeeld veertien schilderijen en aquarellen van Hitler voor een totaalbedrag van 400 duizend euro. Het duurste werk, een afbeelding van Slot Neuschwanstein, ging voor een ton naar een Chinese koper.
Eerder verkocht hetzelfde veilinghuis een aquarel waarop het oude raadhuis van München te zien was voor 130 duizend euro – naar verluidt aan een koper uit het Midden-Oosten. Ook op internet zijn werken van de Führer te vinden. Wie zoekt op de website invaluable.com vindt bijvoorbeeld een aquarel van een straatbeeld in Leopoldstadt, aangeboden door een veilinghuis in Berlijn. Bieden kan vanaf 20 duizend euro.
Er is ook kritiek op de handel in Hitlers. Want is het wel oké om geld te verdienen aan kunstwerken gemaakt door een man die miljoenen mensen heeft laten vermoorden? Veilinghuis Weilder spreekt zich niet over de kwestie uit. Wie daar verhaal komt halen, wordt vriendelijk doorverwezen naar de verkopers van de werken.

Dikken vroeg of ze wel wist dat er de afgelopen jaren op veilingen in het buitenland tienduizenden euro’s voor vergelijkbare kunstwerken was betaald.

Ja, dat wist ze, maar het maakte haar niet uit. Ze hoefde er geen geld voor, ze wilde ervan af.

Dikken bekeek het kunstwerk, een eenvoudig aquarelletje achter gebroken glas. In het midden zag hij een toren met een poort: de Neuthor, zoals het onderschrift vermeldde. Er liep een klinkerstraatje naartoe, waar hoekige schaduwen op vielen.

Nee, een meesterwerk was het niet, dat zag Dikken wel. Dit was een vrij saai stadsgezicht waar weinig leven in zat.

En toch kreeg hij kippenvel.

Want dit was niet zomaar een schenking, dit was de schenking van het jaar! Als het schilderij tenminste gemaakt was door de man die – helaas, mogen we nu wel concluderen – twee keer werd afgewezen bij de kunstacademie in Wenen, de man die zich vervolgens ontpopte als een hardvochtige dictator, de man wiens naam in zeven kleine blokletters rechtsonder in de hoek stond: A. Hitler.

* * *

Een paar weken eerder, op 13 februari 2017, ontving Gertjan Dikken een e-mail waarin deze vrouw liet weten dat ze niet goed wist wat ze met dit ‘beladen’ kunstwerk moest.

‘Nu mijn ouders zijn overleden, zit ik ermee’, schreef ze. ‘Denkt u dat een museum belangstelling voor dit object zou kunnen hebben? Ik zou het in bruikleen willen geven of willen schenken.’

Wow.

Dikken was er even stil van. In de acht jaar die hij nu de acquisitie deed bij het NIOD was er nog nooit iets aangeboden dat… nou ja… van de Führer zelf was geweest, door hem was vervaardigd, misschien zelfs zijn dna zou bevatten.

Hij besefte dat ze snel moesten reageren. Misschien had de vrouw deze mail ook aan andere instellingen gestuurd – aan het Rijksmuseum bijvoorbeeld. Daar zouden ze eveneens interesse hebben.

Andere dictators/kunstenaars

Het ene moment een beestachtige dictator, het volgende moment een gevoelige kunstenaar. Het lijkt een zeldzame combinatie en toch was Adolf Hitler niet de enige. Ook de Spaanse alleenheerser Francesco Franco bleek bijvoorbeeld graag te schilderen – volgens zijn kleinzoon op advies van een lijfarts, die dacht dat El Caudillo op die manier de stress van het regeren zou kunnen verdrijven.
Andere dictators, onder wie Mao en Stalin, schreven poëzie – en volgens sommigen niet eens onverdienstelijk. Saddam Hussein publiceerde een aantal romans, te beginnen met Zabiba en de koning. In Irak werd het boek een bestseller, waarna ook nog een musical volgde.
Daniel Kalder, die in the Guardian een serie schreef over dictatorliteratuur, vermoedt dat Saddam het boek echt zelf schreef: ‘Het is zo slecht opgebouwd en zo saai dat het geurt naar dictatoriale authenticiteit.’ Wat Kalder na afloop bijbleef, was – naast het feit dat de man van Zabiba zo vaak ‘asshole’ werd genoemd in de Engelse vertaling – vooral een passage over bestialiteit:

Even an animal respects a man’s desire, if it wants to copulate with him. Doesn’t a female bear try to please a herdsman when she drags him into the mountains as it happens in the North of Iraq? She drags him into her den, so that he, obeying her desire, would copulate with her?

Ook de Libische leider Muammar Khadaffi kreeg er in the Guardian van langs. Zijn schrijfsels – onder meer een bundel met de titel ‘Escape to hell’ – omschreef Kalder als ‘surrealistisch getier en bizarre bewustzijnsstromen waar overduidelijk geen redacteur aan te pas is gekomen’.
Dat de kunstwerken van dictators bewaard zijn gebleven, heeft in de meeste gevallen dan ook weinig te maken met de kwaliteit, maar alles met de maker. Critici bestempelen de werkjes – als de maker gelukt heeft – hooguit als middelmatig.

Maar hij wist ook dat hij dit niet in zijn eentje kon beslissen. Zo’n prentje van Hitler had toch een ander karakter dan de meeste andere spullen in de collectie, die toch voornamelijk bestaat uit brieven, dagboeken, fotoboeken en ander archiefmateriaal dat de gruwelijkheden van de Tweede Wereldoorlog illustreert. Paste zo’n aquarelletje daar wel bij?

Dikken was naar de directeur collecties gelopen en later ook naar Frank van Vree, de directeur van het instituut. Vrij snel waren ze het eens. Het NIOD kon zo’n aquarel – voor zover ze wisten het enige werk van Hitler in Nederland – er prima bij hebben.

Onder het gebouw aan de Herengracht zit immers een flinke archiefkelder waar de temperatuur en de luchtvochtigheid op orde zijn. Daar liggen wel meer schilderijen, aquarellen en tekeningen, waarop vooral werkkampen en gevangenissen prijken. Zoiets als dit, dadererfgoed zeg maar, zou een mooie aanvulling zijn. Het ging ze niet om het kunstwerk, het draaide om de maker.

En dan speelde er nog iets mee. Als zij dit kunstwerk zouden accepteren, dan was het niet meer beschikbaar op de markt. Dan zou het in ieder geval niet als trofee aan de muur van een neo-nazi terechtkomen. Om diezelfde reden neemt Dikken soms exemplaren van Mein Kampf aan – of andere werken die hij ‘bruine literatuur’ noemt.

‘Bent u in de gelegenheid de aquarel een keer te komen overhandigen?’ typte hij dus. ‘Dan maak ik graag een afspraak met u.’

* * *

Twee zegels op de achterkant van de lijst – daarmee begon het detectivewerk bij het NIOD. Want het bezit van zo’n beladen kunstwerk schepte ook een verplichting : ze moesten achterhalen of het wel echt van de hand van de Führer was. Er zijn immers veel vervalsingen in omloop.

De eerste zegel was een blauwe ovaal waar in witte letters een naam in stond: S. Morgenstern. Daaronder stond dat hij lijstenmaker was aan de ‘Liechtensteinstr. 4’ te Wenen. Een telefoonnummer vermeldde het zegel ook: 15066.

Ik ben zelf een ongeduldige lezer, gauw afgeleid, snel verveeld. Daarom wil ik dat mijn verhalen continu in beweging zijn

Dikken zocht op internet en leerde al snel dat een straatarme Hitler tussen 1908 en 1913 in Wenen had gewoond, waar hij zijn geld verdiende door ansichtkaarten na te schilderen. De jonge Adolf – hij was toen een jaar of twintig – verkocht zijn werk onder meer aan de joodse lijstenmaker Samuel Morgenstern, die de schilderingen in zijn winkel doorverkocht.

Dit zegel, concludeerde Dikken, duidt niet op een vervalsing.

En wat hij ook las was dit. Een kwart eeuw later, toen Oostenrijk zich in 1938 aansloot bij het Derde Rijk van Adolf Hitler, moest Samuel Morgenstern zijn winkel verplicht aan een Ariër overdragen. Tijdens de oorlog deporteerden de nazi’s hem naar Polen, waar hij in 1943 stierf in een getto in Lodz.

De tweede zegel was wit, vierkant en rafelig. Er prijkte een stempel op. ‘Exekutionsgericht Wien’ stond in dikke kapitalen rondom een adelaar met een kroontje. Het aquarel was blijkbaar ooit in beslag genomen door justitie. Zou dat gebeurd zijn toen de winkel van Morgenstern in 1938 werd ‘geariseerd’?

Directeur Frank van Vree, die ook reuze benieuwd was naar de authenticiteit van het werk, stuurde een foto van de zegel naar twee Oostenrijkse rechtshistorici. Al snel kwam er antwoord. Dat stempel was in gebruik tussen 1919 en 1934, schreven ze. En dus moest deze aquarel ergens in die periode in beslag genomen zijn.

Dat was ook een goed teken. Veel valse Hitlers stamden van na 1935, wisten ze. Niets wees erop dat de aquarel niet echt zou zijn.

* * *

Gertjan Dikken bladerde door het boek dat hij uit de bibliotheek van het NIOD had laten komen: ‘Adolf Hitler als Mahler und Zeichner’. Het was samengesteld door de Texaanse multimiljonair Billy F. Price, die uitgebreid onderzoek had laten doen naar Hitlers kunstwerken. Deze catalogus uit 1983 bevatte meer dan achthonderd olieverfschilderijen, aquarellen, tekeningen en architectuurschetsen – allemaal vervaardigd door de Führer, de meeste momenteel in bezit van privéverzamelaars.

Dat aquarelletje van de Neuthor in Wenen, dacht Dikken, zou er ook wel instaan.

Het was juni, het onderzoek naar dit kunstwerk was in een stroomversnelling gekomen. Dikken wilde erover spreken op een internationale bijeenkomst in Washington. Hij moest nu snel een voorstel schrijven. En dus las hij alles wat hij tegenkwam over de Weense jaren van Hitler, over zijn weinig succesvolle schilderscarrière en over de werken die bewaard zijn gebleven.

Kijk, daar op pagina 15 van het boek van Price kwam hij het zegel van Morgenstern al tegen, precies zoals dat ook op ‘hun’ aquarel zat.

Een pagina verder: veertig fotootjes van de verschillende manieren waarop Hitler zijn werk signeerde. In hoofdletters. In zwierig schoonschrift. En daar, midden op de pagina, zijn naam in letters die leken op de letters op de aquarel hier.

Dikken bladerde verder, langs een weidelandschap met een vijver en berken uit 1909, een landschap met een boerderij uit 1907, twee berglandschappen met een hert uit 1908. Sprookjeslandschappen waren het, vervaardigd door de man die zoveel ellende had aangericht.

Veroorloof je jezelf in zulke gevallen vrijheid? En waar ligt in dat geval voor jou de grens?

Maar geen Neuthor.

Verderop: bloemstukken. Daarna klein en in zwartwit: gebouwen.

En nog altijd: geen Neuthor.

Volgende pagina. Verder. Volgende pagina. En toen, jawel, daar zag Dikken dezelfde toren. ‘Alt Wien Neuthor’ stond eronder. Gemaakt tussen 1910 en 1912. Aquarel. Andere stijl, zelfde schaduwen.

Hij kwam nu in de buurt. Maar hoe goed hij ook zocht, een andere prent van deze toren kon hij niet vinden in dit boek van Price, dat gold als de meest uitgebreide catalogus van het werk van Hitler. Als de aquarel in de kluis van het NIOD dus echt door de Führer gemaakt was, dan was het nog onbekend.

* * *

Daar fietste Gertjan Dikken dan, dwars door Amsterdam met een Hitler in de koerierstas op zijn rug. Brug op, brug af, zo naar het Ateliergebouw van de afdeling conservering en restauratie van de Universiteit van Amsterdam.

Dikken was best een beetje zenuwachtig. Papierrestaurator Bas van Velzen had hem uitgenodigd om de aquarel aan een groep studenten voor te leggen en Dikken verwachtte dus een collegezaal met minstens vijftig man aan te treffen. Maar dat viel mee: het bleek een specialistische werkgroep te zijn met vier studenten, die zich na een korte introductie over het kunstwerk bogen.

Ze legden het onder een UV-lamp, en concludeerden dat het papier geen optische witmakers bevatte. Was dat wel het geval geweest, dan moest het papier van na 1942 zijn. Ze zoomden met een microscoop zo ver in op de handtekening dat ze konden zien dat die met een penseel was gezet. Ze plukten een snipper karton van de achterzijde en zagen onder de microscoop korte vezels van katoen en hennep, wat wijst op ouderdom.

Wat vinden jullie er nu van, vroeg Dikken nog aan de studenten, dat jullie hier voor een kunstwerk van Adolf Hitler staan?

Twee van hen zeiden er niets bij te voelen, de twee anderen waren er wel van onder de indruk. Dit papier was aangeraakt door de man die de Jodenvervolging op zijn geweten had. Een gruwelijke dictator had deze gevels geschetst, de dakpannen gelegd, de klinkers gekleurd. Ja, als je daarover nadacht, dan kwam de geschiedenis heel dichtbij.

Na afloop van het college stapte Dikken op de fiets, het kunstwerk weer op zijn rug. Hij was deze middag weer een stuk wijzer geworden. Zowel Bas van Velzen als het hoofd van de afdeling papierrestauratie van het Rijksmuseum – die even kwam binnenvallen – zagen geen reden om te twijfelen aan de authenticiteit van het werk, al moest je altijd een slag om de arm houden. Ze konden nog meer doen, ze konden nog een monster nemen van de verf, om het pigment te dateren. Dat zou nog meer zekerheid geven.

Maar nu niet. Nu moest Dikken doortrappen, opschieten, bruggetje op, bruggetje af, dwars door Amsterdam. Het liep immers tegen half zes. Nog even en het gebouw van het NIOD zou sluiten. En om Hitler nou mee naar huis te nemen? Nee, dat vond hij toch niet zo’n prettig idee.

Deze reconstructie kwam tot stand na gesprekken met Gertjan Dikken, Frank van Vree en Bas van Velzen. De vrouw die de aquarel aan het NIOD schonk wil anoniem blijven.

 

 

Freek Schravesande over Ria, een verhaal van 18295 woorden

NRC-verslaggever Freek Schravesande vulde een hele Oud&Nieuw-bijlage met het verhaal over Ria (Lees het hier), de moeder van drie kinderen die in 1971 zomaar verdween. Hoe een zoektocht een familiegeschiedenis werd. Het lange, lange verhaal is definitief terug in de krant.

Natuurlijk wist Freek Schravesande wel dat zijn krant de laatste tijd meer experimenteert met journalistieke vormen. Maar dat het zó uit de hand mocht lopen. Man, wat een feest. Al ruim een jaar werkte hij aan ‘Ria’, een vrouw, moeder van drie koters, die op een dag in 1971 zo maar verdween. Niemand had nog iets gelezen. Toen belde de chef van NRC Weekend. Of Freek inderdaad… en hoeveel woorden dan… twintigduizend… de Oud&Nieuw bijlage had nog wel ruimte.

Lees het hele verhaal bij NRC Handelsblad

Freek Schravesande, verslaggever bij NRC Handelsblad, ooit bekroond met De Tegel voor journalistiek talent en verknocht aan vertellen, aan ‘een goed verhaal’, had toen nog anderhalve maand. Aan het verhaal over Ria had hij tot dan toe vooral tussen de bedrijven door gewerkt, op verloren middagen. Nu moest alles aan de kant. Een lange, lange longread. Op papier! Een hele bijlage. Dat het kón.

hoeveel woorden dan… twintigduizend… de Oud&Nieuw bijlage had nog wel ruimte

Wie herinnert zich nog zo’n stuk? Gerard van Westerloo deed het ruim tien jaar geleden in NRC-magazine. Nog iets langer geleden schreven Pieter Broertjes en Jan Tromp een Volkskrant-bijlage vol met het postume prins Bernhard-interview. Er zullen er meer zijn geweest, maar tot voor kort zochten kranten hun internetstrategie toch vooral bij ‘kort’, ‘snel’ en ‘clickable’. Wie besteedt er nou nog een vol uur aan één verhaal?

‘Ria is weg’ – 18295 woorden, leestijd: een uur – laat zien dat verhalende journalistiek, het genre dat ook al mocht uitbotten bij de Volkskrant en De Groene, nu tot het vaste palet van kranten behoort. Freek Schravesande koos zijn moment goed – en goddank kan hij vertellen.

Het begon, herinnert hij zich, alledaags. Een stille middag. En zin in iets nieuws. Hij zat wat te neuzen in rapporten en kwam terecht in een recent document over langdurige vermissingen. Wat zou, vroeg hij zich af, de meest onwaarschijnlijke verdwijning zijn? Veel zaken gingen over vermiste asielzoekers of psychiatrisch patiënten. Ria was anders: een moeder van drie kinderen die na een ruzie uit het echtelijk huis zomaar vertrok.

Hij werd nieuwsgierig, Freek. En wat ook hielp: na die vermissing in 1971 was er nauwelijks over Ria geschreven.

Op de redactie wist lange tijd vrijwel niemand dat ik ermee bezig was

‘Toen ik aan de research begon, dacht ik aan de lengte van een gewoon artikel. Totdat bleek dat het verhaal die lengte zou moeten ontstijgen om het helemaal te kunnen vertellen – daar kwam ik pas gaandeweg achter. Op de redactie wist lange tijd vrijwel niemand dat ik ermee bezig was. Ik deed mijn onderzoek en interviews tussen het reguliere werk door en dacht: ik zie wel waar het op uitkomt, het kan altijd op internet in een longread. Als het daarbij was gebleven had ik het ook prima gevonden.’

Je onderzoek liep een jaar. Ik kreeg de indruk dat het niet toevallig parallel liep aan het onderzoek van Piet Noorlander, de rechercheur die op zijn oude dag in de vermiste personen dook.

‘Nadat ik in dat rapport over Ria had gelezen kwam er weer van alles tussendoor. De zaak bleef in m’n hoofd zitten en uiteindelijk dacht ik – op weer zo’n loze middag op de redactie – laat ik eens bellen met één van de dochters van Ria. Die moesten nu bijna vijftig zijn. Ik vond één van hen op internet en sprak met haar af in Haarlem. Toen zei ze: ‘Wat toevallig, bijna 46 jaar lang heeft niemand hierin interesse gehad, en nu ben je de tweede in één week’. Een paar dagen ervoor bleek een rechercheur haar dus ook te hebben gebeld. Het klinkt absurd, maar toeval bestaat.’

Hoeveel tijd heb je eraan besteed? Ging dat zonder gemor van collega’s? De krant moet immers ook altijd vol.

‘Ik heb het geluk dat er bij ons op de krant veel vrijheid is, zeker op een grote redactie zoals die van Binnenland. Er werken bovendien genoeg mensen om niet een permanente productiemachine te hoeven zijn. Dat is echt een voordeel van zo’n grote krant die goed draait. Dat geeft ruimte, je wordt niet voortdurend overvraagd. Er werd niet op me gelet. En natuurlijk maakte ik tussendoor ook allerlei korte en lange artikelen. Maar ik werk graag op verschillende snelheden – met dat verhaal van Ria op z’n allertraagst. Soms deed ik maanden niets, en dan weer was ik er een week intensief mee bezig. En vooral richting het einde – het schrijven kostte zeker een maand – was ik er wel echt bijna fulltime mee bezig.’

Heb je ondersteuning gehad tijdens de research en het schrijven?

‘Het voordeel van werken bij een krant als NRC is dat er veel professionals zijn met ieder eigen skills, in onderzoek, schrijven, interview etc. En sommigen werken er al dertig jaar, die zijn één bonk ervaring. Bij zo’n verhaal als over Ria passeerden een paar keer specifieke twijfels en vragen en daarvoor raadpleegde ik dan collega’s. Zo sprak ik halverwege een aantal keer met Jannetje Koelewijn – zij heeft veel ervaring met familiegeschiedenissen – en op het einde ook met Wubby Luyendijk – goed in relatiebeheer.

Specifieke twijfels, zeg je. Welke?

‘Halverwege het proces kwam ik voor de vraag te staan of ik ook in het dorp moest gaan roeren waar Ria verdwenen was. Als journalist heb je snel die neiging. Maar voor sommigen binnen de familie blijft het een pijnlijke geschiedenis en niet iedereen had zin in hernieuwde roddel en achterklap binnen de dorpsgemeenschap. Soms moet je juist iets níét doen, was een van de adviezen die ik kreeg.’

‘Het schrijven ging gelukkig makkelijker dan verwacht, ik wilde het niemand laten lezen voordat het helemaal af was. Daarna heb ik het aan de familie gestuurd en aan de Peter Zantingh, die zich opwierp als eindredacteur. Daar was ik blij mee, want hij heeft het echt nog beter gemaakt. Vooral op detailniveau, de opbouw bleef intact, op het begin na.’
Had je voordat je met de research begon een idee van waar je zou uitkomen?

‘Aanvankelijk had ik in mijn hoofd om alleen de drie dochters van Ria te spreken. Ik wilde weten hoe het voor hen was om te leven met zo’n groot vraagteken. Al snel bleek dat de verdwijning effect had gehad op de hele familie en op hun onderlinge banden en dat het verhaal dus niet alleen kon gaan over de dochters. Langzaam werd duidelijk dat elk familielid een eigen stem moest krijgen en dat daarvoor ook echt de ruimte nodig was. Op hoeveel woorden het uit zou komen wist ik pas toen ik de laatste letter op papier gezet had.’

Wat waren de grootste tegenslagen tijdens de research? En de belangrijkste meevallers?

‘De grootste tegenslag was natuurlijk dat Ria niet is gevonden. Al was dat ook niet de intentie van mijn research, want die ging over de gevolgen van een vermissing. Maar stilaan hoop je toch dat er iets meer duidelijkheid komt, vooral voor de betrokkenen zelf. Een gelukje was dat Piet Noorlander parallel aan mijn research het echte onderzoek naar de verdwijning deed. Wat kon er die nacht van de verdwijning gebeurd zijn? Daar hoefde ik mij dus minder op te focussen, ook omdat we elkaar in het begin hebben ontmoet en afspraken dat hij na voltooiing van zijn onderzoek daarover zou rapporteren – als dat tenminste ethisch mogelijk was.

‘Voor mij was het dus ook een kwestie van wachten tot hij klaar was, en dat duurde bijna een jaar. Dat hij erover kón vertellen was uiteindelijk een geluk. Ik denk dat het misschien niet had gekund als bepaalde scenario’s vrijwel zeker geloofwaardiger waren dan anderen. Stel dat alle verdenkingen hadden gewezen in de richting van Jan, de echtgenoot, zonder dat je het zéker weet. Dan had de rechercheur die informatie misschien niet willen delen en had ik het verhaal niet op deze manier kunnen opschrijven. Misschien zou ik dan karaktermoord hebben gepleegd terwijl de vraag was gebleven of dat terecht was of niet. Maar de conclusie van de rechercheur was uiteindelijk: we weten het écht niet.

‘Grootste tegenvaller was uiteindelijk de dimensie ‘tijd’. Ik had op voorhand graag een reconstructie gemaakt van de verdwijning van 46 jaar geleden, maar dat is zó lang geleden… Herinneringen vervagen en verbleken en veranderen en iedereen heeft eigen, soms tegengestelde gedachten over hoe een gebeurtenis verliep, wie waar wanneer precies was, hoe mensen eruit zagen, hoe de omgeving was, welke kleur het tapijt, etc. Dat maakte een exacte reconstructie onmogelijk.’

zelfs geen compleet dna-spoor meer van Ria, alsof ze nooit heeft bestaan

Ooit gedacht dat je het raadsel zou kunnen ophelderen?

‘Ik had gehoopt dat het zou worden opgelost, en nog steeds, maar mijn verwachtingen waren niet heel hooggespannen omdat al snel duidelijk was dat er vrijwel geen sporen meer zijn. Een teleurstelling in dat opzicht, ook voor de rechercheur, was dat het politiedossier uit die tijd niet meer te vinden was. En zelfs geen compleet dna-spoor meer van Ria. Alsof ze nooit heeft bestaan.

‘Doel van mijn verhaal was om lezers te laten voelen hoe het is om iets níét te weten, hoe tegennatuurlijk het is om níét te kunnen verklaren en duiden. Even heb ik gedacht het verhaal ergens halverwege een zin gewoon op te laten houden, zodat het bij de lezer begint te knagen, dat die gefrustreerd raakt. Misschien was het wat flauw geweest, maar zoiets zou de lezer misschien een klein beetje doen voelen wat de achterblijvers voelen. Namelijk dat er gebeurtenissen zijn, verhalen bestaan, die niet ‘rond’ en ‘af’ zijn.’

Op welk moment ben je gaan schrijven?

‘Toen ik al het materiaal had verzameld, aantekeningen vooral, heb ik ze achter elkaar op papier gezet en dat meegenomen op vakantie in Frankrijk. Een van de laatste vakantiedagen heb ik het allemaal nog eens gelezen en toen zat het in m’n hoofd. Na terugkomst ben ik het gaan schrijven, tussen de studenten in de universiteitsbibliotheek. Dat beviel goed.’

Hoe heb je het verhaal gecomponeerd? Een outline gemaakt?

‘Ik heb geen compositie of outline vooraf gemaakt. Ik ben achter het scherm gaan zitten en begonnen. Telkens hoofdstukjes van zo’n 1.500 woorden, dat bleek het beste te werken, en na elk hoofdstuk bedenken wat nu een logisch volgende zou zijn. Dat liep tot m’n eigen verrassing eigenlijk meteen vrij gemakkelijk. Alle elementen bleken logisch in elkaar te passen. Alleen de scene van de verdwijning zelf, die stond wat verderop in het verhaal, en die heb ik later op aanraden van de eindredacteur verplaatst naar het begin.’

Het verhaal over Ria begint ab ovo, bij het begin van alles, de vermissing van Ria. Alle betrokkenen hebben daar anderen herinneringen aan. Dat blijkt later de rode draad te zijn.

‘Dat is zo, maar wist ik nog niet zo duidelijk toen ik begon met schrijven. Daarom was het een goed idee van de eindredacteur, Peter Zantingh, om die scene naar het begin te halen. En daarmee dus ook in de eerste zin van het verhaal mee te beginnen. Het voelde wel even rigoureus om m’n eigen eerste zin te schrappen, maar daar was ik tevoren zelf toch ook nog niet helemaal tevreden mee.’

Wat was jouw eerste zin?

‘De achterkamer is donker, alleen vanuit een klein hoog raampje valt een lichtstraal op de muur. De gordijnstok hangt schuin, in het plafond zit een gat en op de kale tegelvloer ligt een dikke laag stof. Het is duidelijk, glurend door de vitrage van een afgebladderde voordeur, ooit groen. Dit huis is onbewoond.
Ria! Ze zou hier wonen. Misschien. Aan een pleintje in het centrum van het Italiaanse stadje Intra aan het Lago Maggiore, omsloten door bergtoppen die in de verte reiken tot in de wolken. Het is midden op de dag, de zon brandt op de straatstenen, een zwaluw duikt laag over de appartementen en op het pleintje, te midden van een doolhof aan nauwe straatjes, vicolos, is het stil. Iedereen heeft zijn luiken dicht. Roepen heeft geeft zin.
Ria Daanen, bijnaam ‘Puck’, verdween op 11 december 1971 en kwam nooit meer terug…. etc.

Doordat je in die nieuwe eerste scene zoveel betrokkenen noemt, introduceer je de personages heel beknopt, maar maak je het de lezer niet eenvoudig in het verhaal te komen.

‘Dat was wel de grote twijfel die Peter en ik allebei hadden toen we besloten die scene naar voren te halen. Ik had ’m eigenlijk iets later gepland, zoals gezegd, waardoor je al iets meer wist. Nu werd de lezer direct in het diepe gegooid. Dat is de sterkte én zwakte, denk ik.

Met een knipoog: ‘Uiteindelijk konden we gewoon niet iets beters verzinnen dan dit. Pech voor de lezer.’

Dat verhaalprobleem, de complexiteit van die twee grote gezinnen, is na de introductie weg. Je laat ze een voor een, en af en toe samen, vertellen.

‘Er waren zóveel betrokken die allemaal een stem in het verhaal moesten krijgen. En soms vond ik het belangrijk om ze gebeurtenissen samen te laten vertellen. Vooral als het over gedeelde herinneringen ging. Bij de tegenstelling trok ik ze juist uit elkaar.’

In het eerste hoofdstuk geef je ook meteen de achtergronden en de grote getallen over vermiste personen, zoals je dat ook zou doen in een gewone reportage. Die uitweiding houdt ook een beetje op. Heb je overwogen die zakelijke informatie in een kader te zetten?

‘Ik vond het toch wel belangrijk om zulke informatie onderdeel te maken van het verhaal. Juist om de relevantie van deze casus te benadrukken. Maar in een boek zou je dat misschien niet doen. Het blijft natuurlijk een verhaal in een krant. En misschien, nu je het zegt, had het ook niet echt gehoeven. Ik weet het niet.’

Door het hele verhaal heen spelen twee suggesties die de spanning erin houden. Jan zou Ria hebben vermoord. En Ria zou een psychiatrische patiënt zijn geweest. Beide vragen blijven onbeantwoord. Heb je buiten de bronnen in het verhaal nog anderen gesproken hierover? Kon Noorlander niets vinden over Ria?

‘Noorlander is niet verder gekomen dan wat in het artikel beschreven staat. Over een eventueel psychiatrisch verleden van Ria is niets bekend. Zelf heb ik ook nog twee klinieken benaderd, maar beiden beriepen zich op het wettelijk beroepsgeheim, ook na zoveel jaren. Ze mogen niet zeggen of iemand wel of niet in een kliniek verbleven heeft, ook niet na overlijden.’

Dat spanningslijntje mocht niet te lang duren, want het was wel érg dun

In hoofdstuk 13 eindig je met een geheide cliffhanger. Je laat Noorlander zeggen: Er is nog één onderzoekslijntje. Verrek, dacht ik even, zou hij het mysterie dan toch oplossen. Maar zodra we op dat terras aan het Lago Maggiore zitten is die spanning weg…

‘Dat spanningslijntje mocht niet te lang duren, vond ik, want het lijntje was wel érg dun. Vanaf het begin wilde ik de lezer al niet te veel de suggestie geven dat er misschien toch nog van alles opgelost zou worden. Een beetje hopen mocht de lezer wel, zoals ook de achterblijvers die hoop hebben, maar zeker niet te veel. Dat zou flauw zijn en onrecht doen aan het verhaal.

‘Naar Italië ben ik geweest op de laatste dag van hun reis. Toen zaten Leo en Agnes er al een week en hebben ze op een terras verteld wat ze er hadden meegemaakt. Zij vertrokken de volgende ochtend en toen ben ik nog een dagje gebleven om zelf in alle rust te ervaren wat zij er hadden meegemaakt.’

Een narratief verhaal zonder bevredigende ontknoping is altijd lastig. Lezers en collega’s kunnen zich bekocht voelen.

‘Ik vond het in dit geval wel kunnen, omdat het verhaal nu eenmaal gaat over het onbevredigende lot. Juist die onbevredigde behoefte aan feiten leidt bij de achterblijvers tot emoties en verstoorde familieverhoudingen, dat ís het verhaal. Het is in die zin juist te hopen dat lezers zich een beetje bekocht voelen als ze het uit hebben. Dat het onbevredigend blijft. Dan heeft het verhaal doel getroffen.’

De kracht van het verhaal is denk ik dat het meer is dan een verhaal over een vermissing. Het is een familiegeschiedenis die laat zien hoe een traumatische gebeurtenis de levens van die mensen ingrijpend heeft beïnvloed. Is dat ook je uiteindelijke doel geworden?

‘Dat werd het uiteindelijke doel, maar daar kwam ik pas vrij laat achter. Pas toen ik alle betrokkenen had gesproken werd me dat duidelijk. En ook veel van de betrokkenen zelf kregen pas laat door dat dít hun verhaal was. Bij één familielid viel het kwartje pas toen die het verhaal een tweede keer las. Ze hebben allemaal 46 jaar geleefd met verstoorde familieverhoudingen, met spanningen en onuitgesproken gevoelens en gedachten, zonder te beseffen dat de verdwijning daarvan de oorzaak was.’

Ben je tevreden over het resultaat?

‘Uiteindelijk vond ik het belangrijk dat de drie dochters, en toch ook de andere familieleden, blij waren met het verhaal. Toen ik ermee bezig was, wist ik ook nog niet goed hoe ze het zouden vinden, en of de familie er wel oké mee was. Ik, als buitenstaander, hield de familie een spiegel voor. Ik had ze in een storm gebracht en de vraag was of het schip daardoor niet zinken zou. Dat was spannend, ook voor hun allemaal.

‘Ze werden geconfronteerd met elkaar en met zichzelf. Iedereen stond er ‘anders’ in. Het grootste geluk was dat alle familieleden, ondanks dat ze verschillend dachten, van elkaar accepteerden dát ze anders dachten. Dat heeft in het proces wel tot spanningen geleid, zoals dat in elke familie zou gebeuren. Maar gelukkig zijn het allemaal intelligente mensen en hebben ze van elkaar geaccepteerd dat ze anders denken. En konden ze ook nog eens allemaal heel mooi vertellen – dat helpt ook. Van de drie dochters weet ik dat ze blij zijn met het resultaat. Dat ze eindelijk het gevoel hebben dat hun verhaal verteld mág worden. En dat het een onbevredigend verhaal is, ja dat is dan zo. Maar dát is hun verhaal. Misschien dat het hen een beetje helpt.’

Laatste vraag: Waar is Ria?

‘Alle tips zijn welkom.’

 

Het al te heftige leven van Michel Maas

Met de rauwe roman Commandant Konijn schreef Michel Maas het beste boek van 2017 op de grens van literatuur en journalistiek. Hoe een onnozele Limburger verslaafd raakt aan oorlogen en daar bijna aan onderdoor gaat. Een interview over feit en fictie en de flauwekul van een standupper. En een stuk uit de roman.

Hoe kan het dat een ogenschijnlijk wat bedeesde katholieke ex-misdienaar uit – godbetert – Swalmen door Thaise militairen op een haar na wordt doodgeschoten? Michel Maas deed er in 2010 op Radio 1 live – ‘Auw, I’m hit’ – verslag van. Dat verslag klonk absurd, hilarisch bijna, te surrealistisch om waar te kunnen zijn, net als het boek dat de Azië-correspondent van de Volkskrant en de NOS daarna besloot te schrijven.

Commandant Konijn is het beste, meest rauwe en openhartige boek dat het afgelopen jaar verscheen op het grensvlak van literatuur en journalistiek. Een autobiografische roman over een man die in het Kosovo van de late jaren negentig verslaafd raakt aan oorlogsverslaggeving, huis en haard en vrouw en kinderen in de steek laat, een heftige liefdesaffaire beleeft met een collega – ze is net zo hooked als hij – en pas bij zinnen komt als hij op straat in Bangkok wordt geraakt door – Auw, auw, I’m hit – de kogel die, zoals dat heet, al jaren op hem lag te wachten.

Michel Maas noemt Commandant Konijn een roman, geen journalistieke non-fictie. Maar tot in de kleinste details wekt hij de indruk dat het verhaal samenvalt met de werkelijkheid. In het boek loopt een journalist die Michel Maas heet door de oorlog van Kosovo. Onnozel eerst, een naïeve Limburger die door de wereldgeschiedenis dwaalt als een dreumes door een pretpark. Later de oorlogsverslaggever die, door de wol geverfd, cynisch relativeert maar blijft kijken, en blijft schrijven – zoals hem dat ook in werkelijkheid allemaal overkwam.

Je hebt gezegd dat de romanvorm je meer vrijheid gaf. Welke vrijheid bedoel je precies?

De vrijheid om te schrijven zoals ik het wilde. De gebeurtenissen zijn inderdaad bij vlagen behoorlijk werkelijkheidsgetrouw, maar ik had de vrijheid nodig om gebeurtenissen samen te voegen, sfeer te creëren, emoties weer te geven zonder dat iemand mij naderhand met jaartallen en plaatsnamen om de oren zou kunnen slaan en roepen: ‘Fout, dat was in werkelijkheid heel anders’. Ik wilde een verhaal vertellen, niet het verhaal van Kosovo, niet het verhaal van Bangkok, maar het verhaal van een journalist die verzeild raakte in die verhalen, losraakte van zijn leven ‘vóór de oorlog’ en uiteindelijk helemaal dreigde te verdrinken.

Tien dagen had ik rondgelopen tussen de doden

Zou je dit soort verhalen – op het grensvlak van autobiografie en journalistiek – niet ook gewoon in een krant of opinietijdschrift kunnen afdrukken? Twintig jaar geleden was dat ondenkbaar, maar de journalistiek is veranderd, een stuk persoonlijker geworden. En een enkele keer deed je het al. Je verhaal in VK Magazine over de tsunami, bijvoorbeeld. Of sommige stukken die je op de Filipijnen maakte na de orkaan.

Mijn verhaal na de tsunami, in het VK Magazine, was een reddingsboei. Tien dagen had ik rondgelopen tussen de doden. Ze lagen aan de kant van de weg, de handen samengebonden, klaar om te worden opgehaald, ze lagen in de modder die de zee had achtergelaten, ze zaten geplet tussen het puin. Tienduizenden. Ze waren overal, en overal stonk het naar de dood. Je kon er niet aan ontkomen. Dit was het ergste wat ik ooit had gezien.

Na tien dagen riep de krant mij terug naar Amsterdam. Er waren correspondentendagen, die mocht ik niet missen. Ik ging terug, maar de doden lieten mijn hoofd natuurlijk niet met rust. Ik stond op een redactiefeest met een biertje in mijn hand, mensen groetten me, ‘goh, dat was niet niks he?’, en ik glimlachte en dacht: je moest verdomme eens weten. Je hebt geen idee. Op dinsdagochtend stapte ik uit mijn hotel aan de Prinsengracht. Ik schrok me te pletter. Overal lagen grijze plastic zakken. Lijkzakken. Het was natuurlijk gewoon vuilnisdag, maar ik begreep dat het niet goed met me ging. Ik ben naar de krant gegaan, en ben gaan tikken. Drie uur later was het af. Alle doden, alle stank, alle huiver, alle tranen en alle lijkzakken heb ik in dat verhaal gestopt. Ik gaf het verhaal een plaats. De krant drukte het af, en ik ging terug naar Atjeh.

Dit artikel ’temde’ mijn emoties van het moment. Het boek is een ander verhaal: een verhaal dat een hele oorlog omspant en de nasleep ervan. Dat verhaal had ik nooit zo kunnen schrijven op het moment dat het me overkwam. Daar was afstand voor nodig, overzicht, en een inzicht dat ik toen nog niet bezat.

Je zou stukjes en beetjes uit het boek in de krant hebben kunnen zetten. De stukken die ik destijds publiceerde hadden vaak al een vrij persoonlijke tint. Mijn Kosovo-verhalen zijn gebundeld en voorzien van een heel persoonlijk extra hoofdstuk dat het boek al aankondigt. De kernzin was: ‘Mijn god waar begonnen we aan.’

Een onnozele journalist, die nog weinig heeft gezien van de wereld

Maar er was een boek nodig om alle emoties, alle menselijke ellende van de oorlogsjournalistiek een plek te kunnen geven. Ik wil de lezer meetrekken in een verhaal dat ogenschijnlijk heel onschuldig begint. Een onnozele journalist, die nog weinig heeft gezien van de wereld en die per ongeluk in een oorlog belandt. Hij kijkt zijn ogen uit, heeft een naïeve bewondering voor de ‘echte’ oorlogsjongens, wil zijn zoals zij, en wordt ten slotte erger dan zij: een wrak. Dat past allemaal niet in een enkel krantenverhaal.

Hoe ver ga je bij het dramatiseren van je journalistieke werk? Dringt de fictie ook de werkelijkheid binnen, andersom dus? Mag je – denk aan Oscar Garschagen – personages samenstellen, locaties en tijden iets aanpassen, louter vanwege het verhaal?

Dat mag nooit het geval zijn. Journalistiek is journalistiek en fictie is fictie.

Ik gebruik altijd sfeer in mijn verhalen. Ik benadruk details, waarnemingen, kleine toevalligheden soms en ik pas ze in, waardoor ze een betekenis krijgen, een gevoel versterken, of de spanning opvoeren. Het verhaal moet gelezen worden, en om dat voor elkaar te krijgen gebruik je alle stijlmiddelen, kneepjes, verteltrucs en esthetische kunstjes die je tot je beschikking hebt. En zoveel mogelijk sfeer.

Sfeer is, ook in de journalistiek, minstens zo belangrijk als de naakte feiten, want die naakte feiten zijn het saaiste wat er is. Pas als zij worden ingebed in een goed verhaal komen ze tot leven, wekken ze verbazing, belangstelling, afgrijzen, medelijden. Daar doe je het voor. Als journalist is het je plicht de mensen niet alleen te informeren, maar ze ook te raken. Een reportage moet ze iets doen. Zuidoost Azië is ver weg. Als je de sfeer weglaat heb je op zo’n afstand niets te vertellen.

Karel Appel was woedend op mij

Al die dingen doe ik dus omwille van het verhaal, maar er is een heldere, vlijmscherpe grens bij al mijn journalistieke werk: ik verzin er nooit iets bij. Ik gebruik alles wat ik aantref aan indrukken, beelden, mensen en citaten. Ik groepeer ze, maar ik voeg er niks aan toe. Beelden zijn beelden, citaten zijn citaten. Daar mag je niet mee knoeien.

Soms trouwens tot ergernis van de spreker. Karel Appel was woedend op mij omdat ik zijn plat Amsterdamse manier van praten letterlijk op papier had gezet. Ik vond dat wel authentiek, maar hij vond dat ik daar ‘mooi Nederlands’ van had moeten maken. Dat had wel gekund. Zelfs als ik dat had gedaan zou ik aan de betekenis van zijn citaten niets hebben veranderd. Ik zou het naar eer en geweten hebben vertaald van plat Amsterdams in Volkskrant-Nederlands.

Voor het verzinnen van personages geldt natuurlijk hetzelfde. Je verzint geen mensen. Als je drie boeren interviewt die allemaal Ahmed heten heb je een aantal keuzes. Je noemt ze Ahmed 1, 2 en 3 en zet hun citaten in een context, of je parafraseert ze en staaft je verhaal met het best passende citaat van een van de Ahmeds. Er is altijd een mouw aan te passen. Als je moet gaan liegen is er iets mis met de waarheid die je wil vertellen.

Ik herinner me jou bij de Volkskrant vooral als eindredacteur. Bij uitstek een man die altijd binnen zat. Die Michel Maas is een heel andere dan de overdonderende stilist die midden jaren negentig De vleugels van Lieu Hanh – bekroond met de Lubberhuizenprijs voor het beste debuut – bleek te kunnen schrijven. Was die tegenstelling zo groot, of keken we (keek ik) gewoon niet goed? Of is dat contrast tussen Maas als dertiger en Maas als oorlogsverslaggever en thrillseeker door iets anders te verklaren?

Ik reed langs de overstroming en genoot. Die thrillseeker was er dus al.

Haha, ja, ik was inderdaad een stille eindredacteur. Maar voordat ik bij de Volkskrant kwam schreef ik al reportages. Bij De Limburger bijvoorbeeld, toen de Maas overstroomde. Ik werd erop uitgestuurd met de opdracht: ‘doe maar wat’. Ik vond het heerlijk. Ik reed langs de overstroming en genoot. Die thrillseeker was er dus al. Eindredacteur werd ik omdat dat de vacature was waarop ze me aannamen, maar ook omdat de eindredactie vaste werktijden had. Ik studeerde naast mijn werk filosofie aan de UvA, en die studie betekende veel voor mij. Dank zij dat vaste ritme kon ik colleges lopen en mijn studie afmaken.

Toen die studie af was ging ik los, zeg maar. Het eerste fijne verhaal wat ik mij herinner was een reisverhaal over Yosemite Park (dat waren de jaren dat kranten budgetten hadden voor dat soort zaken). Ik buitelde door de Amerikaanse ‘wilderness’, liep op het John Muir Trail, en vergat de obese vetzakken niet die beneden in het dal hun pizza’s naar binnen werkten. Ik heb daarna jaren voor de kunstredactie gewerkt, de meest vrije redactie van de krant, als het op schrijven aankomt. De laatste drie jaar was ik daar ‘literair redacteur’: de op een na fijnste baan van de wereld. Ik interviewde Hermans, Claus, Vroman, Seamus Heaney en Derek Walcott, en mocht naar het Boekenbal.

De vleugels van Lieu Hanh waren een uitvloeisel van een tussendoortje: een korte serie reisverhalen over Vietnam. (Een van die verhalen sprak nogal tot de verbeelding van collega’s: het verhaal waarin ik een bezoek aan een Vietnamese hoer beschrijf. Wat daarvan bleef hangen was de grote vraag: ‘Heb je het met haar gedaan?’). Die verhalen trokken de aandacht van de Bezige Bij, die mij aanzette tot het schrijven van een boek.

Ik heb schrijven altijd heerlijk gevonden, maar het schrijven van een boek bleek een nog veel groter genot. Halverwege het schrijven had ik zo’n moment van grote helderheid. Een moment waarop je even moet opstaan en rondlopen omdat je het op je stoel niet meer uithoudt. Ineens besefte ik, dat ik daar, achter dat laptopje, alles kon laten gebeuren wat ik maar wilde. Dat gevoel van een bijna goddelijke vrijheid, dat heb ik willen vasthouden, en willen terugbrengen in ‘Commandant Konijn’. Ik moest het een roman noemen om dat te kunnen doen.

In Commandant Konijn leg je uit hoe het schrijven van dat boek ontstond uit de gebeurtenissen op 19 mei 2010. Je werd in Bangkok door Thaise militairen in je rug geschoten en had genoeg geluk om het te overleven. Ik kreeg het gevoel dat jouw al te heftige leven daar ophield, zoals dat ‘echte leven’ pas begon in 1996, in Kosovo.

Het duurde even voordat ik mij goed realiseerde wat er op 19 mei 2010 gebeurde, en vooral: wat er had kunnen gebeuren. Die laatste gedachte had ik altijd weggewimpeld. Ik leefde nog en dat was alles wat telde. ‘It’s only a flesh wound.’ Omdat ik moest (en wilde) getuigen in de zaak rond de dood van de fotograaf Fabio Polenghi ben ik een paar keer terug geweest. Een paar keer bracht politie mij naar de plek waar het ongeveer gebeurde, en deden wij een ‘reconstructie’ op een plek waar nu de files stonden. Maar een paar jaar na dato, bij de laatste reconstructie, was ik in gezelschap van een agent die daar was geweest, op 19 mei 2010. Hij had alle lijken gezien. Hij wees me de plekken aan, wees me de kogelgaten in de verkeersborden, en samen vonden we het boompje waarachter ik had staan schuilen, en die andere boom, waar een dode tegenaan had gezeten, in elkaar gezakt. Dat was twee meter van de plek waar ik was geraakt.

Toen pas, ik denk dat het 2013 was, kreeg ik kippenvel, en als ik het radiofragmentje hoor waarop ik roep: ‘I’m hit’, of nu ik dit zo schrijf, krijg ik het nog.

Ik zag een oude vrouw en een kind als beesten vechten om een hulppakket
Het al te heftige leven is er nog steeds wel. Als ik Myanmar of Bangladesh alleen maar illegaal binnen kan, op een toeristenvisum, dan zal ik dat niet laten. Ik kom ook nog steeds in trieste omstandigheden. Je noemde de orkaan Haiyan in de Filipijnen. Of de 600.000 Rohingya die in Bangladesh in de modder zitten. Daar had ik weer even zo’n Tsunami-moment. Ik zag een oude vrouw en een kind als beesten vechten om een hulppakket. Het was een gevecht op leven en dood. Ik kreeg er tranen van in mijn ogen.

Ik doe mezelf dat allemaal nog altijd aan. Het enige verschil is, dat ik er nu niet meer blindelings in ren. Ik ben me meer bewust van de gevaren, van de kracht van de gebeurtenissen waarin ik mij begeef, en van mijn eigen emoties. Ik weet wanneer het tijd is om naar het hotel te gaan, een douche te nemen en te gaan schrijven.

Het boek is het relaas van een junkie. Je was verslaafd aan de kick. Wist je dat ook al toen je er middenin zat?

Natuurlijk wist ik dat, maar zoals elke junkie ontkende ik het met grote hardnekkigheid. Ik was de sigarettenverslaafde die zichzelf altijd voorhoudt dat hij best zonder kan. Om dat te bewijzen stopt hij vaak. Een uurtje, een dag. En dan begint hij weer. Het geeft niet. Hij kan immers altijd weer stoppen.

Wat is er eigenlijk zo verslavend aan oorlogsverslaggeving? Iemand moet het doen, zeg je. De wereld moet dit weten. Maar ondertussen is het link werk. En gaat dat werk vaak knullig, lees ik in de roman. Je jaagt achter het geluid van schoten aan en belt Hilversum om ze even de oorlog te laten horen, zonder te weten wat die schoten betekenen voor de loop van de geschiedenis. Het moest groots en meeslepend zijn, maar blijkt in werkelijkheid nogal lullig. En dan zeurt je hoofdredacteur ook nog over je declaratie.

Precies. In werkelijkheid is het vaak nogal lullig. Ik zie het nog elke dag op tv. De BBC heeft een intro waarin je de ene na de andere BBC-verslaggever met kogelvrij vest en helm door een oorlog ziet schuiven. Daar is er een bij die achter de soldaten aan Raqqa is binnengegaan. De soldaten staan voor een muur, en hij staat erachter. Hij bukt, kijkt in de camera en zegt: ‘er zijn nog steeds sluipschutters actief.’ Er klinkt inderdaad ergens een schot. ‘Welkom in Raqqa.’ Dan kan ik alleen maar lachen. Mijn god wat een nep-spanning. Dat gaat niet over het verhaal. Dat gaat over de journalist die dat verhaal vertelt.

Mijn boek gaat natuurlijk over niks anders dan de journalist, al is het op een ander niveau, maar in mijn verslaggeving heb ik dat altijd proberen te vermijden. Luister maar terug wat ik op de radio sta te vertellen over Thailand, terwijl de kogels mij om de oren vliegen en luttele minuten voordat ikzelf (nog steeds aan de telefoon) geraakt zal worden. Ik praat over Thaksin, over politiek, over hoe dit verder zal gaan.

Commandant Konijn is het verslag van mijn ondergang, bewerkstelligd door het verblijf in die oorlog, zei je in Trouw. Waarom moest je juist dat verslag schrijven? Het is nogal openhartig. Je komt er niet meteen uit naar voren als de zachtmoedige Limburger uit Swalmen die men dacht te kennen. De Maas in dat boek is een narcist, een ongeleid projectiel. Heb je dat, omdat het tenslotte kon in een roman, uitvergroot en aangedikt?

Ja. Een zachtmoedige man uit Swalmen zou het einde van het boek niet hebben gehaald.

Je had om die kogel in Bangkok gevraagd, zei je in het ziekenhuis. You had it  coming. Wist je meteen al, in dat ziekenhuisbed bedoel ik, dat je daar een roman aan zou ophangen?

In de roman is dat het keerpunt. En dat was het ook. Alleen het besef dat dat een keerpunt was kwam later, toen ik met die agent naar de kogelgaten stond te kijken. Toen vormde zich ook het idee voor dit boek, omdat ik zag hoe Kosovo en Thailand en Michel Maas bij elkaar kwamen.

Waar haalde je na al die jaren het materiaal voor het boek vandaan? Een geweldig geheugen? Eerdere roman-aanzetten? Bewaarde notitieboekjes?

Ik bewaar al mijn notitieboekjes. Wat ik in de krant heb geschreven is ook een geheugensteun. Maar het meest heb ik aan foto’s. Ik heb een belabberd geheugen voor jaartallen en namen, maar een enorm geheugen voor sfeer en gebeurtenissen. Foto’s houden de sfeer vast, zelfs de lulligste portretten van groepjes rebellen. Foto’s zijn triggers, zij openen een deel van het geheugen dat op normale dagen gesloten is. Ook losse woorden in mijn notitieboekjes doen dat, maar zelfs bepaalde geuren. Als ik mintthee ruik ben ik terug in een verhaal dat ik schreef over Tanger, bijvoorbeeld, en met ’terug’ bedoel ik precies wat ik zeg. Ik kom aan met de boot, word lastiggevallen door ‘gidsen’, word de medina in geleid en bijna beroofd. Alles is er. Behalve het jaartal en de namen.

Jeroen Vullings schreef in Vrij Nederland een prachtige recensie, met één vileine uithaal. ‘Elk hoofdstuk wordt voorafgegaan door korte, cursief gedrukte, filosofisch bedoelde passages, die wat mij betreft niets toevoegen behalve toenemende ergernis bij de lezer die deze wezenloosheid allengs beu wordt. Maas moet het meer van zijn ogen hebben dan van zijn hersens.’ Heeft Vullings een punt?

Dat zal ik natuurlijk tot mijn dood ontkennen. Het stoorde hem niet zo erg, geloof ik, want Commandant Konijn was zijn ‘Boek van de week’. Maar mijn ogen zijn inderdaad ontzettend belangrijk. Ik zie altijd alles. Dat bedoel ik niet arrogant, het is een eigenschap, en het is er eentje die mij als journalist altijd goed van pas komt. Mijn ooghoeken vangen details die later, tijdens het schrijven veelzeggend zullen blijken te zijn. Dat heeft kennelijk niet iedereen, want vaak als ik onderweg ben, met mijn cameraman, een tolk, of gewoon met mijn zoontje en ik zeg: ‘zag je dat?’ blijk ik bijna altijd de enige te zijn geweest.

Er zaten pakweg twintig jaar tussen je Vietnam-boek en Konijn. Je was gewoon te druk om boeken te schrijven, heb je gezegd. Had je achteraf niet de keuze hebben willen maken voor het schrijverschap, zoals bijvoorbeeld Frank Westerman heeft gedaan?

Als ik een jaar of twee langer in Amsterdam was gebleven had ik dat misschien ook wel gedaan. Maar toen ik de keus kreeg om correspondent in Oost-Europa te worden dacht ik maar één ding: gaan. Ik kon permanent naar de overstromingen van de Maas. Ik kon doen wat ik wilde, schrijven waarover ik wilde. Het correspondentschap was voor mij het walhalla van de journalistiek, en dat is het nog. Het genot van het boekenschrijven was op dat moment iets van later zorg. Ik dacht er niet zo over na, al zou dat heel snel veranderen.

De wereld wist al snel dat ik naar Boedapest zou gaan, en Margriet de Moor probeerde me ervan af te brengen. Zij vroeg mij of het waar was, en toen ik dat bevestigde zei ze maar één zinnetje: ‘Maar jongen, dat wordt het einde van je schrijverschap.’ Dat zinnetje klinkt, tot de dag van vandaag nog door. Het is mijn mene tekel.

Traangas

Het voorjaar sluipt stiekem voorbij. Het sleept de laatste resten van de oorlog achter zich aan. Ik zou hem al haast vergeten zijn als het volk niet in opstand was gekomen, schrijft Michel Maas in zijn roman Commandant Konijn.

Het voorjaar sluipt stiekem voorbij. Het sleept de laatste resten van de oorlog achter zich aan. Ik zou hem al haast vergeten zijn als het volk niet in opstand was gekomen. De opstand is zijn laatste ademtocht.

Traangas geeft je een voorproefje van de dood. Je stikt niet echt en je kotst je ingewanden net niet uit, maar veel scheelt het niet. Half dood, hoestend en klauwend ren ik vooruit, weg van de verstikkende rook, maar ik kan niet rennen, ik struikel, mijn adem schuurt. Mijn longen weigeren nog meer van dat brandende spul naar binnen te zuigen, zij willen niet meer, ik kan niet meer. Ik buitel voorover, krabbel overeind en blijf rennen, vallend, strompelend, want ik wil leven. Met alle kracht zuig ik mijn longen vol want tussen de verstikkende rook zit toch de zuurstof die ik nodig hebt, nu meer dan ooit. Mijn lijf probeert die twee wanhopig te scheiden. Mijn maag wil uitspugen wat ik heb ingeademd, mijn ogen persen het in tranen naar buiten, mijn hele lijf roept: ‘ik wil dit niet’, maar het gas blijft maar komen en ik blijf maar sterven. Dat doet traangas met je. Je sterft en sterft en sterft maar je wil maar niet dood, ook al denk je zelf voortdurend dat het zover is. Ik wil het opgeven en denk: ‘nou laat het dan maar’, maar net als ik op de grond wil gaan liggen om te gaan wachten op het einde doemt in de mist de kerk van de Heilige Markus op.

De stad spreidt nog steeds haar wonden tentoon. Stukken van gebouwen ontbreken, andere stukken steken zwartgeblakerd in de lucht als bewijs dat de kruisraketten hier waren, die stille sluipmoordenaars, zoekhonden die zich met de neus vooruit op hun doel storten. ‘Zoek! Pak!’, een druk op de knop: ‘ENTER’, en daar gaan ze, hoog door het vijandelijke luchtruim. Boven de stad snuffelen zij nog even rond voordat zij hun explosieve snuffert begraven in het doel dat ze is ingeprent.

Het woord ‘precisie’ is vaak gevallen maar voor de stedelingen was het lang niet precies genoeg. Zij leefden in angst omdat zij natuurlijk geen idee hadden waar en wanneer de volgende zou neerkomen, en omdat zij dat niet wisten voelden zij zich allemaal het volgende doelwit. Dat maakte ze wanhopig en boos tegelijk. Gefrustreerd schilderden zij schietschijven op hun T-shirts en riepen: ‘schiet mij dan dood, schiet mij dan dood’ tegen de altijd aanwezige camera’s, in de hoop dat de vijand televisie zou kijken.

Het schietschijfgevoel vrat aan de mensen en het zeurde door tot de mensen er ten slotte depressief en levensmoe van begonnen te worden. In dit deel van de wereld is dat niet uitzonderlijk. De Hongaren, die maar een stukje stroomopwaarts aan dezelfde Donau wonen, staan erom bekend. Maar dat zijn Hongaren. Voor Serviërs was een depressie iets nieuws. Het was een gewaarwording waar zij maar niet aan konden wennen. Het benam ze de lust in oorlog, het maakte ze verbitterd, en dat maakte ze uiteindelijk opstandig. Zij gingen de straat op en begonnen lawaai te maken. ‘Het is genoeg geweest’, riepen zij en sloegen met deksels op pannen, bliezen op scheidsrechtersfluitjes, ratelden met ratels en schreeuwden hun kelen schor. Omdat er geen oorlog meer was, richtten zij hun woede op de man die ze in deze toestand had gebracht: Slobodan Milosevic.

‘Maak dat je wegkomt!’ riepen zij, maar Milosevic wilde niet weg, en verschanste zich in zijn ommuurde villa. Van daaruit dirigeerde hij zijn politie naar buiten, maar ook die had steeds minder zin in oorlog. De agenten aarzelden en hielden zich in, maar voordat zij het definitief voor gezien hielden moest ik nog even door een wolk van hun traangas.

Op de trappen van de kerk zak ik in elkaar. Ik kijk omhoog naar de honderden benen die aan mij voorbijlopen op weg naar de poort van de kerk, waar zij binnengaan in de hoop dat daar de lucht wat beter zal zijn. Tussen dat woud van klimmende benen zie ik een vrouw gebukt de trap op gaan, een onmiskenbaar silhouet.

‘J.!’ Ik probeer haar te roepen maar er komt geen geluid uit mijn scheurende longen. De menigte slokt haar op. Ik hijs mij overeind en beklim de laatste trappen, snakkend naar lucht en zoekend naar haar. Binnen zak ik tegen de koele muur op de grond. Mijn longen blaffen en trekken tussen het gehoest met grote tegenzin de traangaslucht naar binnen.

In de kerk is het gas inderdaad wat dunner en gaat het ademen iets makkelijker dan buiten. Ik sluit mijn ogen, beneveld door gebrek aan zuurstof. Mijn hersens werken maar op halve kracht en dat maakt dat ik moeite heb onderscheid te maken tussen wat echt is en wat niet.

Het volk voelt Milosevic’ einde naderen. Uit het hele land zijn de mensen naar de stad gekomen om getuige te zijn van zijn val. Lawaai maken zij nauwelijks meer. Eigenlijk lopen zij alleen nog maar wat rond en wachten totdat hij vertrekt. In de tussentijd bezetten zij her en der wat overheidsgebouwen.

Ik sta buiten op het glooiende gras van Pionirski Park bij een van die gebouwen. Ik sta daar gewoon net als ieder ander, een beetje nieuwsgierig, een beetje moe van het gedemonstreer en een beetje dorstig. Samen kijken wij toe hoe mensen proberen het gebouw binnen te dringen. Er wordt geschreeuwd, er klinkt glasgerinkel en ander rumoer van brekend spul. Dan klinkt er ineens een schot. Uit het gebouw komt een kogel gevlogen. Sommige mensen draaien zich om en proberen haastig weg te komen. Ik kijk opzij, en zie hoe vijf meter van mij vandaan iemand geluidloos in elkaar zakt. Opnieuw klinken er knallen en vliegen er kogels. Ditmaal slaat rechts van mij iemand tegen de grond.

Dat is het moment waarop je hoort te gaan rennen, maar ik loop naar de man die daar nu in het gras ligt, want ik wil weten of hij echt is geraakt en waardoor. Iemand knielt naast hem neer, en kijkt in ongeloof omhoog naar de omstanders. Iemand tilt het hoofd van de man op, sjort aan een arm en kijkt dan naar het gebouw, alsof dat er iets aan kan doen.

Ik kijk omlaag en bedenk dat het belachelijk is om je nu nog te laten doodschieten. Dit slaat werkelijk nergens op. Ik vind dat de man weer op moet staan, bewegen, een handgebaar maken dat aangeeft dat het niet zo erg is als het lijkt, maar hij blijft liggen. Zijn ogen breken geluidloos, zijn kaak zakt onderuit en de laatste lucht loopt zuchtend uit zijn borst.

Dan komt het traangas. Eerst komt het van ver, een vleugje maar, dat net genoeg is om mijn neus aan het lopen te krijgen, maar het komt snel dichterbij tot het aan alle kanten om mij heen hangt en ik moet rennen om het te ontlopen. Op de tast beweeg ik mij de richting van de heilige Markus, die ik zojuist nog duidelijk kon zien maar die nu is verdwenen in de mist.

Nu zit ik hier op de marmeren vloer en leun met mijn rug tegen de koele stenen muur. Om mijn heen staan, hurken, leunen en zitten mensen, amechtig hoestend en vechtend voor een beetje adem. Mensen deppen hun ogen met hun handen, hun mouwen en wat zij verder voorhanden hebben.  Ik bekijk ze een voor een, deze overlevenden, deze verslagen troep en vind ons ineens helemaal niet meer belachelijk. Wij zijn niet dood, maar het heeft weinig gescheeld.

Ik sluit mijn ogen en hoor een stem.

‘Are you OK?’

In plaats van te antwoorden barst ik los in een hoestbui, moet overgeven, spuug bloed.

‘I’m fine’, zeg ik even later. Of ik denk dat ik het zeg. Dat is hetzelfde nu.

Als ik opkijk is er niemand, en ik weet met onmiddellijke zekerheid dat er vanaf vandaag ook nooit meer iemand zal zijn.

 

Het verdriet van Zwarte Piet

De VN-kritiek, de felle debatten, de demonstraties. Gerard Bloemink (70), Zwarte Piet van het eerste uur, heeft het allemaal met stijgende verbazing aangezien. Nu staat zijn eigen rol ter discussie. Voor het AD schreef Eefje Oomen zijn persoonlijke verhaal op. Rik Kuiper demonteerde het voor de Verhalengarage.

 

De junimaandis net voorbij – de warmste ooit, zeggen ze – als Gerard Bloeminkeen bericht van de ‘pico’, de pietencoördinator, in zijn mailbox vindt.Niks geks, de pico mailt hem altijd midden in de zomer of hij weer Zwarte Piet wil zijn bij de Utrechtse intocht. Maar dit mailtje: Gerard snapt er geen snars van.
De pico mailt hem altijd midden in de zomer

Het gaat over ‘de gemixte bevolking van Utrecht’, over ‘het maatschappelijk debat’ en dat de leden van het intochtcomité ‘de overstap’ naar roetveegpieten maken. Dan volgt de conclusie dat ze graag zien dat iedereen mee blijft doen, dus mensen die ‘zich er niet lekker bij voelen’ moeten zich vooral melden.

Hè? Ze weten toch dat hij geen roetvegen wil? Dat het voor hem Zwarte Piet is en anders niks? Ook Gerards vrouw Gerda snapt de mail niet. Op 5 juli 2017 stuurt Gerard een bericht terug om duidelijkheid te krijgen, maar hoe vaak hij zijn inbox ook checkt: niks. Zelfs na zijn vakantie, twee weken in de caravan in het Belgische Mol: nul. Mag hij nou nog zwart zijn of niet?

Diepe stem

Het begint voor Gerard zo’n 29 jaar terug in het Catharijneconvent, het Utrechtse museum waar hij beheerder en klusjesman is. Daar krijgt hij op een dag de vraag of hij bij de stadsintocht Zwarte Piet wil zijn. En óf hij dat wil. Hij is in zijn eigen straat, de Nicolaasweg, wel vaker piet of Sinterklaas voor de buurt en vindt dat heerlijk. Sinterklaas is fijn vanwege die mooie diepe stem en piet is nóg leuker. Die is atletisch en grappig en dat past hem wel.

Hij is zelf ook een fitte kerel. Hij loopt marathons en was een lenige linksbenige voetballer bij KDS. En hij houdt van een lolletje. Snel op de zetel van de goedheiligman ploffen als die even niet kijkt – tot de kinderen hem wegtrekken: ‘Die stoel is voor Sinterklaas hoor!’

in prachtige gehuurde pakken, voor dag en dauw geschminkt

Die eerste intocht, in 1988: geweldig. Hij met zo’n 60 andere mannen, in prachtige gehuurde pakken, voor dag en dauw geschminkt, hup, de sloepen buiten Utrecht in, en voorwaarts, over de Vecht naar de binnenstad. Daar staan de kades volgepakt. ,,En we zingen en we springen en we zijn zo blij.”

Rotgeintje

Na die eerste keer doet Gerard elk jaar mee, hoewel de intochtomstandigheden af en toe bar zijn. Slagregen, hagel, sneeuw. Gelukkig draagt hij een zwarte maillot. Eén keer worden ze met eieren bekogeld: jochies die vanaf de bruggen een rotgeintje uithalen.

Natuurlijk verandert er in de loop der jaren van alles. Nieuwe routes. Meer meisjespieten. En de intochtzaterdag wordt een intochtzondag. Een paar dingen blijven: boten, pepernoten, liedjes, Sinterklaas, Zwarte Piet.

Ook bij de intocht van 2012, een droge, milde novemberdag, lijkt alles nog bij het oude. Maar wat Gerard niet weet – en bijna niemand – is dat er vanuit de Surinaamse gemeenschap een stille maar krachtige beweging op gang is gekomen om Zwarte Piet weg te krijgen. De knecht met zijn dikke lippen en oorbellen is een overblijfsel van de duistere koloniale tijd, oordeelt onder andere het Landelijk Platform Slavernij.

Zeurpiet

De beweging krijgt maar weinig aandacht, tot contact wordt gelegd met een VN-werkgroep die racisme tegen zwarte mensen bestrijdt. In die groep zit ene Verene Shepherd en die gooit op 22 oktober 2013 in tv-programma EenVandaag de knuppel in het hoenderhok. Natúúrlijk is Zwarte Piet ‘een terugkeer naar de slavernij’, zegt ze. Als zo’n beetje half Nederland over deze ‘zeurpiet’ heen valt en honderdduizenden de ‘Pietitie’ op Facebook ondertekenen, is het pietendebat een feit.

Een deel vindt het onzin – wat nou, slavernij?

Al het rumoer leidt ook bij het Utrechtse intochtcomité tot discussie. Een deel vindt het onzin – wat nou, slavernij? – een ander deel vindt dat Utrecht open moet staan voor kritiek. Ze besluiten zonder ruchtbaarheid toch iets aan de bekritiseerde ‘slavenkenmerken’ te doen; de Utrechtse pieten hebben tijdens de intocht van 17 november 2013 geen dikke rode lippen meer, en geen gouden oorbellen in.

Gerard merkt de veranderingen dat jaar wel even op, maar lang denkt hij er niet over na. Die rode lippen waren toch al niet mooi, te clownachtig. En de oorbellen kunnen op andere plekken waar hij piet is nog steeds in, bijvoorbeeld op basisschool Puntenburg. Hij laat zich die ochtend gewoon pikzwart schminken, een ritueel waar hij altijd van geniet.

Zwaarbewapende commando’s

Grappig, toch, hoe je met wat verf, een pruik en een velours pak opeens iemand anders kan zijn? Iemand die kinderen vrolijk maakt en soms een beetje bang. Hij kan een bangerd inmiddels in een oogwenk geruststellen: even diep door de knieën, een knikje en dan iets zeggen als: ‘Hé, was jij er vorig jaar ook niet bij?’.

Het blijft in 2013 kalm in Utrecht, net als in Groningen, waar de landelijke intocht is. Pas later vertelt Erik van Muiswinkel, hoofdpiet in het Sinterklaasjournaal, dat er dat jaar in Groningen acht zwaarbewapende commando’s meeliepen.

Gerards hoop dat het hele pietendebat snel overwaait, blijkt in 2014 een illusie. De Amsterdamse rechtbank veroordeelt Zwarte Piet, en ook het College voor de Rechten van de Mens komt met kritiek. En minister Asscher begint een ‘rondetafelconferentie’ voor tegen- en voorstanders.

hij kent zat zwarte mensen die er niks op tegen hebben

Gerard vindt het maar gebazel. Zwarte Piet is niks meer of minder dan een fantasiefiguur en zijn kleur heeft niks te maken met zwarte mensen. Sterker: hij kent zat zwarte mensen die er niks op tegen hebben. Waarom kunnen mensen niet accepteren dat het een kinderfeest is en zeker geen racisme?

Kritiek

In het Utrechtse intochtbestuur groeit intussen het begrip voor de tegenstanders – vooral door gesprekken met Ans van Hoof, bestuurder van kinderopvanginstelling Ludens. Van Hoof hoort al in de jaren 80 dat leidsters en ouders met een donkere kleur last hebben van piet: een van de ouders krijgt in de stadsbus zelfs pepernoten in het gezicht gesmeten.

Het bestuur start samen met Van Hoof zorgvuldig georganiseerde ‘dialoogavonden’: pro- en antipieten kunnen er, onder begeleiding van een heuse dialoogbegeleider ‘ervaringen met elkaar delen’. Ruziën is uit den boze. Op de eerste avond, op 7 juli 2014, houdt Quinsy Gario, de bekendste anti-pietactivist, een inleiding. Gerard wordt als nestor ook voor zo’n avond uitgenodigd, maar heeft het snel gezien. Hij ziet nauwelijks bekenden en de heren achter de paneltafel spuien vooral kritiek. Gerard haalt liever herinneringen aan de goede oude tijd op.

Hoe hij in het ouderlijk huis in de Vaartscherijnstraat zijn schoen nog bij de ouderwetse kolenkachel zette. En hoe ’s ochtends alle stoelen dan omgekeerd in de huiskamer lagen. ‘Rommelpieten’ zei zijn vader. Die heerlijke spanning. Maken zijn achterkleinkinderen dat nog mee?

In oktober 2014 – de maand dat heel Nederland over de kleur van de Pieten in het Sinterklaasjournaal speculeert – besluit het Utrechtse bestuur in alle stilte vijftien ‘confettipieten’ en vijf gekleurde tourpieten in te voeren: een verwijzing naar de Tourstart in Utrecht in 2015.

In de ban

Gerard ziet de nieuwe Pieten voor het eerst bij de intocht van 16 november. Geen gezicht, vindt hij. Wat komt er nog achteraan? Oranjepieten na een WK? Het verzoek niet-kwetsende liedjes te zingen, slaat hij in de wind. Niemand die het verschil hoort tussen ‘Sinterklaasje, kom maar binnen met je knecht’, of ‘Sinterklaasje, kom maar binnen met je piet’.

De dag ervoor is de intocht in Gouda behoorlijk verpest: 90 activisten zijn opgepakt. In Utrecht krijgen Gerard en de andere pieten instructies – goed op elkaar letten, niet in discussie gaan. Het blijft rustig.

Dit jaar: 50 procent roetveegpieten

Zo’n driekwart jaar later, in september 2015, neemt het Utrechtse intochtbestuur een rigoureus besluit: Zwarte Piet wordt stapje voor stapje afgeschaft. Dit jaar: 50 procent roetveegpieten. In 2016: 75 procent. In 2017: 100 procent. Er wordt niet over gecommuniceerd: heibel is er al genoeg. Bij de Utrechtse openbare scholen bijvoorbeeld. Die besluiten Zwarte Piet in één keer in de ban te doen. Daar dansen Minions en Panda’s rond – tot woede van sommige ouders. Ook ODBS Puntenburg, waar Gerard wel eens optreedt, schaft piet af.

Beslist niet

Gerard krijgt dat jaar wel weer een uitnodiging voor de officiële intocht. Met een nieuw invulformulier. ,,Ben je bereid om ook als niet-traditionele piet mee te doen?” Opties: Ja, graag zelfs!; Ja, eventueel wel; Nee, liever niet; Nee, beslist niet!; Weet ik (nog) niet. Gerard kiest vier, vanzelfsprekend.

Natuurlijk vraagt hij zichzelf soms af of hij niet te star is. Gerda zegt wel eens: ‘Jij kan niet goed tegen verandering, je vindt het zelfs vervelend als ik de eettafel een stuk naar links schuif’. Maar sommige dingen zijn toch goed zoals ze zijn? Andijvie met een bal gehakt: nog altijd lekker. Zijn Samsung van tien jaar oud: nog altijd prima. Gerda: na vijftig jaar nog altijd zijn vrouw.

Tijdens het schminken voor de intocht van 15 november 2015, een winderige zondag, krabbelen sommige roetveegpieten terug: ze willen toch liever helemaal zwart, maar de pietencoördinatoren houden voet bij stuk. De Utrechtse intocht verloopt gemoedelijker dan de landelijke in Meppel. Daar zingen voor- en tegenstanders keihard tegen elkaar in.

In 2016 – het jaar waarin minister Van der Steur erkent dat de traditie in het buitenland ‘lastig uit te leggen is’ – vertelt het Utrechtse bestuur de pietencoördinatoren voor het eerst openlijk dat de knecht in hun stad historie is. De pico’s begrijpen het: om het gezellig te houden moet er iets nieuws komen.

Jonkie

De pieten krijgen een brief met de mededeling dat elke nieuweling het nieuwe uiterlijk moet accepteren. Gerard voelt zich niet aangesproken: hij is geen jonkie. Sterker, hij hoopt in 2018 als langstzittende piet zijn 30-jarige jubileum te vieren en er dan mee uit te scheiden. Dan is het mooi geweest.

Dat er tijdens de intocht van 2016 nog maar 25 procent Zwarte Pieten zijn: Gerard merkt er weinig van. Hij is op een ‘zwart’ bootje ingedeeld. Op het Domplein danst hij naast een activiste met een bord ‘Neem stelling tegen Zwarte Piet’ en oogst applaus.

De zomervakantie van 2017 is voorbij en Gerard heeft nog steeds geen antwoord op dat verwarrende picomailtje. Op 11 september krijgt hij eindelijk respons. Van intochtvoorzitter Bert Buizert. Met excuses. Buizert vertelt hem dat Zwarte Piet passé is, maar dat het intochtbestuur dit jaar nog met de hand over het hart strijkt. Gerard en zijn kleinzoon Dylan mogen nog één keer Zwarte Piet zijn: de allerlaatsten van Utrecht. Hij doet het wel. Nog één keer. Maar dat 30-jarig jubileum is ‘m dus mooi door de neus geboord.

Mr Big, de politieman die criminelen verwent en ze dan pakt

Alles haalde Freek Schravesande voor Mr. Big uit dossierstukken toen hij beschreef hoe de politie een bijzondere methode gebruikte om een moordenaar te vinden. Voor deze demontage vroeg Rik Kuiper hem naar zijn eigen methodes.

De sfeer in de loods in Veghel is al niet uitmuntend. De drie mannen hadden Chinees gehaald en daarna PSV zien verliezen van Bayern München.

Ze zijn zenuwachtig voor de grote xtc-deal die na weken voorbereiding de volgende dag zal plaatsvinden en nu komt Nico, de baas, ook nog eens binnen met een chagrijnig hoofd.

„Slecht nieuws pik”, zegt hij tegen Souris R., het hulpje in de loods.

„Nou…”

„Er loopt een moordonderzoek en jij bent de hoofdverdachte… die Posbankmoord.” „Hoofdverdachte? Dat meen je toch niet.” Souris, een Brabantse kruimelcrimineel, had er eens twee uur voor op het politiebureau gezeten, als getuige. Maar dat was al dertien jaar geleden.

„Ja dat meen ik wel”, zegt Nico. Hij vertelt dat hij een ‘plat’ contact heeft bij de politie. Die liet hem weten dat DNA is gevonden op een muts vlak bij de uitgebrande auto waarin in 2003 het lichaam van Alex Wiegmink werd gevonden. Twee onbekenden zouden Wiegmink, een toevallige passant, hebben omgebracht in een bos. De daders werden nooit gevonden maar nu is dat DNA toegeschreven aan Souris R.

„Ik heb er niets mee te maken weet je wel… ik hoofdverdachte.”

„He pik eh… ik snap het, weet je”, zegt Nico geruststellend.

„What the fuck, ik ben daar nog nooit geweest man.”

Maar nu verandert Nico’s toon. „Wat denk je van mij dan pik. Er ligt me daar een fucking godsvermogen aan pillen in die auto, wat denk je nou. Ik moet het wel weten.”

„Zitten we hier nog wel clean?” vraagt Nico’s maatje Carlo zich hardop af. Misschien heeft de politie vanwege dit nieuws de loods al in het vizier, nét nu die pillendeal bijna rond is. 250.000 stuks.

de ‘canadian mix’: gewoon ‘boem’ halverwege wisselen

Wat Souris niet weet: Nico ís de politie. Agent A3955. Net als zijn maatjes Carlo, Rob, Danny en Jesse maakt hij deel uit van de politie-eenheid Werken Onder Dekmantel (WOD). De agenten worden ingezet in zaken waarin justitie het bewijs moeilijk rond krijgt. Ze kunnen infiltreren in een crimineel netwerk of, zoals in dit geval, zélf een crimineel netwerk inclusief pillendeal fingeren om middels een geraffineerd psychologisch spel een verdachte te verleiden tot de bekentenis van een eerder gepleegd misdrijf.

Woensdag heeft de rechter Souris R. veroordeeld tot een gevangenisstraf van zestien jaar wegens doodslag op Alex Wiegmink. Vanwege een DNA-spoor, een verklaring van de medeverdachte en informatie die is verkregen door deze undercoveroperatie. Een mededader, die zichzelf na een uitzending van Opsporing Verzocht aangaf bij de politie, kreeg veertien jaar celstraf opgelegd.

bekent hij ter plekke, dan kan de baas wellicht wat voor hem regelen
De gebruikte undercovermethode is een variant van de internationaal bekende ‘Mr Big-methode’. In deze variant wordt een verdachte een fictieve criminele organisatie ingetrokken waarna de ‘grote baas’ met lijntjes bij de politie hoort over een misdrijf waarbij de verdachte zou zijn betrokken. Dit nieuws is, zeker in het vooruitzicht van een grote opdracht, een probleem voor de hele organisatie en hij legt de verdachte het dilemma voor: bekent hij ter plekke, dan kan de baas wellicht wat voor hem regelen. Zo niet, dan kan de verdachte, een risico voor de organisatie, beter vertrekken.

Bedoeling van methode is om iemand in de waan te brengen dat hij zich in een veilige omgeving van gelijkgestemden bevindt. Een omgeving waarin hij uit vrije wil kan besluiten om bepaalde informatie te delen. Maar hoe vrij is die wil in de praktijk?

De Mr Big-methode is omstreden. De methode is effectief, vele verdachten bekennen. Maar deskundigen twijfelen over de waarde van die bekentenissen. Ton Derksen, hoogleraar wetenschapsfilosofie en schrijver over justitiële dwalingen, noemt Mr Big een „smerige” methode. „Ze creëren een situatie waarin het gevaarloos en zelfs aantrekkelijk is om iets te bekennen. Mensen in financiële nood, met een ethisch zwakker fundament, gaan overstag. Maar zulk bewijs zegt helemaal niets.” Mr Big kan onder omstandigheden een situatie creëren waarin óók voor een onschuldige het belang om een bepaald misdrijf te bekennen groter is dan om te ontkennen. In Canada, waar de methode al jaren wordt toegepast, zijn daarvan al enkele gevallen aan het licht gekomen. De hoogste rechter heeft daarop in 2014 de regels ervoor aangescherpt.

In de VS, Duitsland, Engeland en Frankrijk wordt de methode niet gebruikt. Maar in Nederland lijkt justitie Mr Big juist recentelijk te hebben ontdekt. In verschillende varianten dook hij het afgelopen jaar op. Verdachten werden door agenten die zich voordeden als criminelen meegenomen naar luxueuze Spaanse villa’s, ze werden rondgereden in mooie auto’s, getrakteerd op een bordeelbezoek, één was getuige van een (nep)gijzeling in een vakantiehuisje, een ander voelde zich door de ‘criminelen’ zo geïntimideerd dat hij aangifte deed bij de politie.

Waarborgen die gelden bij een officieel verhoor, zoals het recht om te zwijgen en het verbod om druk uit te oefenen op een verdachte, gelden niet in de context van een undercoveroperatie. Middels ‘enige’ druk een verdachte tot praten bewegen, is volgens de weinige jurisprudentie hierover toegestaan. „Juridisch zal het allemaal wel mogen”, zegt rechtspsycholoog Peter van Koppen over Mr Big. „Maar het gaat om de vraag: is het verstandig? Want wat bereik je ermee? Een bekentenis waarvan je geen idéé hebt wat die betekent.”

„Braddaa!! Alles coolll?” sms’t Souris in september 2016 aan Nico. De twee zijn vrienden geworden. Ze hebben elkaar via via leren kennen. In juni kreeg de 43-jarige Souris, een kleine, alcoholverslaafde drugsdealer, van iemand 100 euro om een mobiele telefoon naar een zakenrelatie te brengen. Die zakenrelatie bleek Nico. Ze spraken af op een terras en hadden het over auto’s, voetbal, vrouwen, de onderwereld en over honden. Nico leende Souris 50 euro om beltegoed van te kopen en vertelde over zijn criminele contacten. Nico was van plan in een loods in Veghel een pillendeal voor te bereiden en kon de hulp van Souris goed gebruiken. Ze spraken een dagvergoeding af van 100 euro voor klusjes in de loods. Geld dat Souris met zijn uitkering en drankverslaving goed kon gebruiken.

En inmiddels heeft Souris behalve een cd van André Hazes ook 560 euro van Nico geleend, voor een openstaande boete. Souris mag het terugbetalen met klusjes in de loods: hij pakt voor Nico’s organisatie xtc-pillen in en stopt ze in zelfgeconstrueerde kisten. Er staat een tv en een koelkast met biertjes voor hem klaar.

Souris merkt al snel dat Nico en zijn maten ‘serieuze’ jongens zijn. Hij ziet hoe Nico eens de auto verlaat met een vuurwapen om met een stel kampers te praten over een conflict. Een andere keer komen Danny (agent A3981) en Jesse (A3982) bij de loods aan met een auto die onder het bloed zit vanwege een steekpartij. Souris mag helpen meedenken hoe ze de sporen wegmoffelen. Op een parkeerplaats in Nijmegen steken ze later gezamenlijk de auto in brand.

Souris klimt op tot ‘loodsbaas’. Hij krijgt de sleutel en mag van Nico blijven slapen in de loods. Souris, die tot dan bij een vriend inwoont, neemt meteen een tafelkleedje mee en installeert zich ’s avonds geregeld met een biertje en een jointje op de bank voor de tv. Hij heeft het, met andere woorden, voor elkaar. Totdat hij op 2 november rond 00.00 uur wordt geconfronteerd met de Posbankmoord.

„Ik wil niet lullig doen pik. Maar ik geloof je niet”, zegt Nico na de zoveelste ontkenning van Souris. „Die smeris liegt niet tegen mij.”

Dan oppert Nico’s maatje Carlo om een paspoort voor Souris te regelen. „Ja natuurlijk kan ik een paspoort regelen”, zegt Nico. „Weet je dat is het probleem niet. Maar als hij het niet gedaan heb, dan ga ik niet eh… tig rootjes uitgeven als-ie het niet gedaan heb.” En daarna: „Als je het gedaan heb dan wil ik wel wat voor je regelen.” Met een vals paspoort kan Souris misschien naar een kennis van Nico in Spanje. „Maar als je het niet gedaan hebt, hé prima, dan zou je misschien daar buiten je verhaal moeten doen”, zegt Nico. „Als je het echt niet gedaan hebt.”

„Ik heb echt niets gedaan.”

„Als je niks gedaan hebt moet je morgen gewoon naar huis gaan.”

„En dan…” vraagt Souris.

„Dan moet je gewoon gaan zitten wachten tot ze je komen halen. Want als je niks gedaan hebt heb je ook niets te vrezen.”

„Fucking hell”, zegt Souris. En even later: „Ik heb geen zin om op het politiebureau nou te zitten man.”

„Je moet damage control denken nou vriend”, zegt Nico. „Als er iets is, dan moet je het gewoon zeggen. Dan kunnen we kijken wat we kunnen doen. Ga er maar van uit dat ze je gaan komen halen vandaag of morgen.” En dan, als Nico op het punt staat de loods de verlaten, komt Souris naar hem toe. „Ik weet er wel meer van ja, dat wel.” Souris bekent zijn betrokkenheid bij de dood van Alex Wiegmink en vertelt hoe het zover kwam.
De gebruikte methode heeft de verklaringsvrijheid van de verdachte aangetast, betoogde Wieteke Drummen, advocaat van Souris R. Ze vindt dat door uitgeoefende druk zijn uitlatingen niet betrouwbaar zijn. Haar cliënt deed aan grootspraak en stoerdoenerij en bekende om zijn criminele status en bijbehorende financiële voordelen te behouden. Maar de rechter gaat daarin niet mee: Souris klampte zelf de undercoveragent aan. Van een overschrijding van toelaatbare druk is geen sprake geweest.

De citaten van Souris en Nico zijn afkomstig uit het strafdossier dat NRC heeft ingezien.

‘Ik heb me zijn moordenaar gevoeld’

Als arts zal Kea Fogelberg geen diep demente man doden die niet meer snapt wat er gebeurt. Maar toen haar man Hans dement werd, en dood wilde, móest ze hem wel helpen. Henk Blanken en zijn dochter Nina Blanken over het moeizame structureren van een verhaal dat bijna te mooi was.

Als Kea Fogelberg die ochtend na kerstmis 2015 wakker wordt, ligt Hans niet naast haar.

Ze staat op uit hun hoge bed met wieltjes en vindt haar man op de bank in de woonkamer. Hij heeft geen oog dichtgedaan.

‘Het is zover, Kea,’ zegt hij. ‘Ik stap eruit.’

Haar man lijkt vastbesloten. Als hij het echt zeker weet, zegt ze, moet hij nu opschrijven waarom hij wil sterven. Dat kan niemand voor hem doen. Dan kijkt ze toe, hoort alleen het tikken van de tweehonderd jaar oude klok en het verbeten krassen van zijn pen als Hans ineengekrompen, zijn hand een stijf klauwtje, aan de eettafel zwoegt boven een geruit a-viertje.

het verbeten krassen van zijn pen, zijn hand een stijf klauwtje

 

‘Ik vind het…’, leest ze anderhalf uur later, ‘… heel moeilijk om mijn gedachten op papier te zetten, deels door dat ik…’ – er is iets weggekrast – ‘…moeizaam de woorden kan vinden die ik wil gebruiken en het op te schrijven.’

‘De laatste tijd,’ staat er, ‘moet ik steeds meer rekening houden met het verlies van tijd.’

Zijn weerspannige handschrift, de ternauwernood gevonden woorden. En dan, bijna zonder krassen, dat hij geen oude man wil zijn, afhankelijk van zijn kinderen of van haar. ‘Daarom wil ik dood en dat ik zo onhandig geworden ben, heb ik hulp nodig.’

Hoe vertel je het je kinderen, vraagt Kea.

Dat is moeilijk, geeft Hans toe, ‘want ze gaan zo erg huilen’. Zijn vermoeden klopt, maar uiteindelijk begrijpen ze hun vader wel.

Het zijn vooral buitenstaanders die vragen waarom Hans weg wil. Hij loopt toch nog, hij eet toch nog? En dacht Kea ook niet dat haar man, 75 jaar nu, nog wel vijf, zes of zeven jaar meekon?

Hans wil niets liever dan leven, weet Kea. Hij wil alleen niet dít leven. Zijn wens te sterven is onmiskenbaar, zegt een vriendin, die net als Kea huisarts is. Maar bijna drie weken na kerst slaat de twijfel toe, als Hans, ineens radeloos, zegt dat-ie iets vergeten is.

Kea schrikt. Is hij gek aan het worden? Haar man praat over zichzelf als over een ander. ‘Hans de Zeeuw gaat dood en wordt begraven,’ hoort ze hem zeggen. ‘Dan komt er iemand anders en die speelt voor Hans de Zeeuw. Dat heeft praktische consequenties.’

Als ik in de kist lig, waar moet ik dan slapen

Consequenties? Wat bedoelt hij nou?

‘Als ik in de kist lig,’ vraagt Hans, ‘waar moet ik dan slapen?’

Later zit ze uren op een bankje in de polder, het weidegebied achter hun woning. Hun huisarts heeft beloofd dat hij Hans zal helpen, en Kea vertrouwt hem, maar zonder haar vergeet Hans ook nog dat hij steeds dementer wordt, en dat hij daarom wilde sterven. De chaos in zijn hoofd, de waangedachten… hoe hij plotseling piekert over de dood en wat daarna komt.

Kea moet zijn sterven regelen, niet als arts maar als partner, zoals ze ook zijn afspraak bij de tandarts plant. Toch twijfelt ze, als de arts die ze óók is. Wil Hans het wel echt? Wil hij toch niet liever blijven leven?

Wat is ze aan het doen? Alles weet ze van het lijden en de dood, nou ja, meer toch dan veel andere artsen, maar dit is zo hartverscheurend moeilijk… je man naar zijn dood helpen… want nooit weet je het zeker.

In haar 33 jaar als huisarts heeft ze 21 patiënten doen sterven, ook toen het nog niet mocht, soms op de ouderwetse manier, dat laatste duwtje, met wat extra medicatie. Vier keer vulde ze op de overlijdensverklaring in dat de man of vrouw een ‘natuurlijke dood’ was gestorven, terwijl het dat niet was. Een arts moet in de eerste plaats hélpen, vindt ze al een leven lang. Zij deed wat nodig was, en als ze daarvoor in de gevangenis kwam, dan moest dat maar.

Een andere tijd was het, die ook eenzaam was en naar. De familie mocht niemand vertellen dat oma euthanasie had gekregen. En als Kea het euthanaticum ’s avonds afhaalde bij de apotheek, voelde ze zich een misdadiger. Ze is blij met de euthanasiewet, maar er is een keerzijde. Aan het sterfbed is de familie tegenwoordig zo druk met die euthanasie dat ze vergeten afscheid te nemen. En dokters zijn alleen nog bezig met wat mag en niet mag. Niemand vraagt wat nodig is, wat écht moet.

Ze herinnert zich die oude dame. De vrouw wist niets meer. Alleen dat ze niet naar dat huis met al die vreemde mensen wilde. ‘Zoals Annie,’ wilde ze, ‘maar nu nog niet’. Toen de oude dame toch naar het verpleeghuis moest, zei ze: ‘Nu wil ik als Annie.’

Toen had de huisarts van de familie Kea gebeld. De oude vrouw was natuurlijk hartstikke dement, vond Kea, die als scen-arts – de afkorting voor steun en consultatie bij euthanasie – een second opinion gaf over het euthanasieverzoek. Kea wist wat de oude dame vroeg, ook al vroeg ze het cryptisch. Ze mocht sterven.

Nu vraagt haar man hetzelfde. Ze moet helpen, maar waarom voelt dat alsof ze Hans vermoordt?

***

Op een zomerdag in 2013 wandelt Kea Fogelberg langs de klippen bij Täktom, een gehucht aan de Finse zuidkust, terug naar het zomerhuis waar ze als kind van Zweeds-Finse ouders al elke vakantie doorbracht. Ze groeide op in Nederland, maar twee zomers in deze streek, met zijn wirwar van rotsplateaus, strand en bossen, hebben haar gevormd. Als vijfjarige verdronk ze hier bijna, een jaar later kreeg ze in Finland tuberculose. Daarom is ze arts geworden (‘dan geef ik later prikken die geen pijn doen’). Als huisarts vond ze al dat sterven net zoveel aandacht moest krijgen als het begin van het leven. Als docent palliatieve zorg wilde ze dat overdragen op beginnende dokters. En ja, een tijdlang dacht ze na haar pensionering te promoveren op ‘het lijden’, al was het maar omdat dokters daar zo weinig aandacht voor hebben – ze repareren wat stuk is, terwijl ze ook moeten troosten.

Nog elke zomer trekt ze met Hans naar Finland. Ook nu. Ze wandelt het laatste stukje naar het zomerhuis. Dan ziet ze Hans, ontredderd. Geschaafde knieën, pijnlijke arm. Hij is naar het dorp gefietst om de NRC te downloaden op de iPad.

‘Man, je weet toch dat je niet meer kan fietsen,’ gooit ze eruit. Hans fietst al tien jaar niet meer, sinds bij hem parkinson werd vastgesteld.

‘Helemaal vergeten,’ mompelt hij bedremmeld.

Als arts weet Kea best dat je met parkinson een groter risico loopt. Ze ziet dat Hans z’n hoofd, zoals een vriend het formuleerde, niet meer weet wat zijn hoofd niet kan. Maar hoevéél haar man nu kwijt is, zal ze zichzelf pas durven toegeven als de neuropsycholoog vraagt hoe de koningin heet, en Hans ‘Juliana’ antwoordt.

Wat krijgen we nou?

‘Betekent dit,’ zegt Hans, ‘dat ik dement ben?’

***

Hans is een uitvinder, creatief, nieuwsgierig. Totdat hij op zijn 52ste werd afgekeurd, na een fietsongeval waarbij hij hersenschade opliep, ontwierp hij satellieten bij ruimtevaartorganisatie ESTEC. Nu schuifelt hij elke dag naar het Klokhuis. In dat tuinhuis, volgestouwd met wat hij overal vandaan bijeen gescharreld heeft, priegelt hij aan heel oude klokken en aan zijn meesterwerk, het uurwerk dat hij zelf bouwde, met twee slingers. Krankzinnig nauwkeurig. Omdat hij niet kan opstaan uit hun lage bed, schroeft Hans een handvat aan de muur. Als de badrand te hoog is, doucht hij in het Klokhuis. Kea kan zijn gestuntel niet langer aanzien en suggereert hun woning te verbouwen. Hans wil er eerst niet aan, het huis is toch goed zo, maar geeft ten slotte toe.

Kea regelt de verbouwing. Een jaar lang schuifelt Hans achter loodgieters en timmerlieden aan, die dingen doen waar hij verstand van heeft. Hij mag meedenken – niet meer dan dat – maar als het werk in de zomer van 2015 gedaan is, de laatste technische uitdaging weg, ontdekt Hans hoe leeg zijn leven is.

‘Als hier iets moet gebeuren, Kea vragen.’

‘Kea,’ zegt hij, ‘ik wil niet meer.’

‘Alsjeblieft niet zeg,’ reageert ze. De verbouwing is nog maar net achter de rug. Ze kan het niet aan. En Hans gaat niet zo snel achteruit dat hij haast moet maken met doodgaan; zijn wil is nog niet aangetast.

Kea hangt briefjes in de meterkast: ‘Als hier iets moet gebeuren, Kea vragen.’


Ze koopt een slimme telefoon, die Hans uit elkaar haalt omdat het ding ‘kapot is’. En maakt zij voor hem een afspraak, dan vraagt hij zes weken lang elke ochtend hoe laat hij bij de tandarts moet zijn.

Hans verliest zijn besef van tijd, zijn zelfvertrouwen, zijn vrijheid. Zelf aan iets beginnen lukt niet meer, Kea wordt zijn ‘startmotor’. Elke ochtend mediteren ze in het Klokhuis. Dan vraagt ze hem wat er écht toe doet. Zijn klokkenvrienden, zegt hij, zeven oudere mannen met wie hij zijn passie deelt, en zijn klokken. Maar wanneer Hans zijn meesterwerk molt, het precisie-uurwerk met twee slingers, anderhalve meter hoog in een glazen kast, tot op de miljoenste seconde nauwkeurig, bekent hij zijn beste vriend dat zijn hersenen een gatenkaas zijn geworden.

Twee dagen voor kerst 2015 verkoopt Hans zijn klassieke, groenmetalen Schaublin, de Rolls Royce onder de draaibanken. Twee uur lang sjorren de kopers aan het apparaat. Twee uur lang huilt Kea.

***

En dan, die januaridag in 2016, bijna drie weken nadat Hans zijn besluit op een a-viertje schreef, is hij iets vergeten. Maar wat? Kea ziet zijn vertwijfeling als hij wil begrijpen wat er nog is als ‘Hans de Zeeuw’ er niet meer is. Ze kan hem amper volgen als hij uitlegt wat er gebeurt als je doodgaat, waar je ziel dan blijft. Ze noteert het in haar dagboek. Hoe je volgens Hans wordt opgenomen ‘in het veld van leven, als onderdeel van het grote, de totale massa’. ‘Tot je aan de beurt bent, dan ga je weer een stukje leven bestuderen.’

Uren zit Kea in de polder, bang dat Hans gek wordt, dat hij – zoals dat bij dementie maar al te vaak gebeurt – de controle kwijt zal raken, zijn besluit zal vergeten. Ze is bang dat hij wilsonbekwaam wordt en niet meer dood kan gaan zoals hij dat zelf graag wilde

Vier dagen voordat Hans zal sterven, raakt hij in een trance. Onbereikbaar murmelt hij over de tijd die stilstaat voor ‘het dode lijk’. Kea is bang dat hij psychotisch wordt. De huisarts stelt haar gerust: dit is de hoogste vorm van concentratie, zegt hij, wacht maar af.

Kea weet dat ze haar man moet helpen, niet als arts maar als partner. Toch aarzelt ze. Ze voelt zich rot. Telkens als ze hem aan zijn wens herinnert, voelt het alsof ze hem vermoordt. Totdat een vriendin uitlegt dat Kea voor Hans is wat een blindengeleidehond is voor een blinde. De hond helpt en beschermt, de blinde heeft de regie.

Dit zal ze niet vergeten.

Dit is wat de dood van Hans haar leert. Een euthanasiearts begint bij dementie niets als de partner niet helpt. Maar dokters durven het daar niet over te hebben. Ze snapt dat wel. Hoe vraag je een vrouw of die haar man langzaam maar nadrukkelijk naar zijn sterven wil duwen? Dat kún je bijna niet vragen. Maar het moet wel.

Drie uur nadat Hans in trance raakte, is hij weer helder: ‘Ik begrijp dat ik geen antwoord zal vinden. Dank je wel.’

Hans heeft nog altijd de controle, maar wat, vraagt Kea zich af, als hij op het allerlaatste moment toch nog wegzakt in zijn dementie?

Ooit vertelde haar vader dat soldaten op het slagveld daar hun laatste kogel voor bewaren. Een barmhartige dood. Zoals in die film, Amour. Een vrouw laat haar man plechtig beloven dat ze niet naar een verpleeghuis hoeft. Hij drukt een kussen op haar hoofd terwijl ze spartelt. Veel mensen vonden dat gruwelijk. Kea vond het gruwelijk én invoelbaar.

Ze zou Hans helpen, ze zou hem desnoods zelf laten sterven. Niet als arts, maar als partner die haar geliefde al 27 jaar kent. Een intieme daad tussen hen beide zou het zijn, met de moed van liefde.

***

Op de laatste avond komen de kinderen. Ze blijven slapen. Kea en Hans eten boerenkool met worst en spekjes. Nadat een verpleegster een infuusnaald is komen zetten voor het geval er de volgende ochtend iets misgaat, ligt ze met Hans op bed stil uit te buiken. Kea dommelt in, totdat ze Hans hoort zeggen: ‘Jij denkt zeker dat ik slaap hè?’

‘Nee.’

‘Want ik slaap nog steeds niet.’

‘Wat bedoel je?’

‘De zuster is toch geweest?’

Och god. Hij denkt dat hij al dood moet zijn.

De volgende ochtend, het is 4 maart 2016. Hans zit op de stoel het dichtst bij het raam, Kea in het midden, de huisarts ernaast en de vijf volwassen kinderen ertegenover.

Ze praten over zeilen. De klok in de woonkamer slaat.

Jezus, denkt Kea, Hans heeft een startmotor nodig. Ze kan toch niet botweg zeggen dat hij nu naar de slaapkamer moet gaan? Ze slaat op z’n been: ‘Zo kapitein, hoe staat het ermee?’

‘Marcel heeft z’n koffie nog niet op.’

Als de huisarts zijn laatste slok neemt, staat Hans op en loopt naar de slaapkamer, naar hun hoge bed op wieltjes. Kea en de huisarts gaan mee.
Ze geven elkaar een kus. Hij drinkt zijn drankje. Zegt nog: ‘Die smaak valt mee.’


Kea roept de kinderen, eentje treuzelt. ‘Kom nou,’ roept een ander, ‘papa slaapt al bijna.’ Hans zucht twee keer diep, en is weg. De dood die na zestien minuten intreedt, voelt voor Kea Fogelberg niet als euthanasie, maar als een natuurlijke dood, die past bij Hans. Mooi, waardig. Maar het is niet vanzelf gegaan, je komt niet zomaar voorbij de dood.

***

Tien maanden na de dood van Hans ondertekent Kea Fogelberg samen met een dertigtal artsen een brief in de Volkskrant. In deze brief stellen de artsen dat er een morele grens is: dood geen weerloze, demente mensen die niet meer begrijpen wat er gebeurt.

Aanleiding voor de brief is het verhaal in de Volkskrant over een man die ooit een wilsverklaring tekende, maar nu wilsonbekwaam was. Zijn arts gaf hem appelmoes met een middel waarvan hij in slaap viel, waarna de euthanasie volgde.

Het euthanasie-debat is te zwartwit

Het had nooit zover mogen komen, vindt Kea Fogelberg. Die man leed, lag schreeuwend en spartelend op de grond in zijn poep.

Het euthanasiedebat is te zwartwit, hebben Kea’s ervaringen als arts en als mens haar geleerd. Het ene grote gelijk tegenover het andere, terwijl de werkelijkheid vol complexe grijstinten zit, zeker als de persoon die dood wil lijdt aan dementie.

Als arts kan zij een diep demente man niet doodspuiten. Maar stervenshulp, iemand bijstaan in die laatste fase, is iets anders. De timing is cruciaal. Die man… als Kea zijn huisarts was geweest, had ze hem eerder geholpen. Ze weet dat het hoogmoedig klinkt, maar ze had een relatie met hem kunnen opbouwen, met geduld, empathie, door zijn cryptische communicatie te gaan verstaan.

Toch lukt het niet zonder de hulp van een naaste. Hoe verschrikkelijk moeilijk het ook is, je moet als arts die partner om hulp durven vragen, vindt ze nu. ‘Door de dood van Hans durf ik dat advies nu te geven.’