Alles voor een goed verhaal? Toch maar niet

Mag een journalist personages samenvoegen, omdat het verhaal dan lekkerder loopt? Natuurlijk niet, betoogt Rik Kuiper. Waarom zou de waarheid in goede handen zijn bij iemand die bestaande mensen omsmelt tot een fictieve hoofdpersoon? Waarom zou je een journalist verdedigen die de boel besodemietert?

Mag een journalist personages samenvoegen, omdat het verhaal dan lekkerder loopt? Natuurlijk niet, betoogt Rik Kuiper.

er waren vogels gestolen in vogelpark Avifauna, Carolina Lo Galbo besloot er dit voorjaar een verhaal voor de Volkskrant over te schrijven en ik mocht haar begeleiden. Aanvankelijk liep het uitstekend. Carolina sprak de belangrijkste betrokkenen en had binnen de kortste keren een geschikte hoofdpersoon gevonden: Simon, de verzorger die elke ochtend liefdevol groente en fruit stond te snijden voor de vogels.

Mooi personage, vond ik dat. Hij voelde iets voor die dieren, hij was er kapot van dat die vogels verdwenen waren en hij deed zijn best om ze terug te vinden. Carolina had goud in handen.

Ze schreef het verhaal en liet dit nalezen aan de betrokkenen. Prima, zeiden ze bij Avifauna, al was er iets wat Carolina niet goed begrepen had. Simon bleek namelijk toch niet de verzorger die in het spannendste deel van het verhaal een van de gestolen vogels terugvond. Dat was een collega geweest. Simon was op dat moment druk met iets anders.

Wat moet je nou met een hoofdpersoon die het op een cruciaal moment laat afweten

 

Carolina baalde – en geef haar eens ongelijk. Wat moet je nou met een hoofdpersoon die het op een cruciaal moment laat afweten, terwijl je je hele verhaal om zijn ervaringen heen hebt geboetseerd?

Sommige schrijvers hadden het wel geweten. Simon had daar net zo goed wel aanwezig kunnen zijn, zouden zij zeggen. Dus ach, dan voeg je die twee verzorgers toch samen tot één personage? Doe of Simon daar was. Niemand die het merkt, behalve de betrokkenen. En het verhaal fleurt ervan op, want je hoeft de lezer niet lastig te vallen met nóg een personage.

BALANCEREN
‘Wat ik in mijn werk soms doe is personages, die dezelfde mening weergeven, samenvoegen tot één’, zei Lieve Joris, schrijfster van talloze non-fictieboeken, in 1992 tegen NRC Handelsblad. ‘Als schrijver balanceer je altijd een beetje tussen fictie en non-fictie.’

Ook Joris Luyendijk smolt bestaande personages om tot nieuwe. Tijdens een interview voor het boek Meer dan de feiten zei hij ‘dat je de waarheid een beetje geweld mag aandoen, mits je daardoor de strekking van die waarheid beter eer kunt aandoen’.

Vervolgens vertelde hij dat twee vrienden die hij opvoert in zijn eerste boek Een goede man slaat soms zijn vrouw helemaal niet bestaan. ‘Ze zijn samenvoegingen van verschillende mensen wier ervaringen sterk op elkaar leken.’ Het was een concessie aan de lezer, zei hij.

Bij NRC mag het dus niet, de waarheid een beetje mooier liegen

En wat te denken van Oscar Garschagen, voormalig China-correspondent voor NRC Handelsblad? Die kreeg onlangs zijn congé wegens ‘journalistieke fouten’. Zo had hij in een verhaal over de Zuid-Chinese zee verschillende personen samengebald tot een niet bestaand personage. Uit het onderzoeksrapport:

‘Feng Ruibo is geen bestaand persoon, maar een samenvoeging van verschillende vissers en kapiteins die allemaal tot de familie Feng behoren. (…) Hij heeft hun verhalen samengevoegd in het verhaal van ‘Feng Ruibo’, ter wille van de ‘leesbaarheid’ en om hun identiteit te beschermen, want tijdens de gesprekken werden ze uiteengedreven door de politie en vervolgens voortdurend gevolgd.’

Bij NRC mag het dus niet, de waarheid een beetje mooier liegen. En dat deed de wenkbrauwen van sommigen fronsen. Zo spreekt journalist Raymond van den Boogaard op zijn blog over een showproces tegen Garschagen, die zich hooguit schuldig had gemaakt aan ‘pekelzonden’.

In Villamedia stelt journalist Marc De Koninck ook dat NRC te hard oordeelt over Garschagen. Het samenvoegen van personage omwille van de verhaallijn doet hij af als een kleine overtreding, maar dat betekent niet dat ‘de waarheid bij Garschagen niet in goede handen was’.

Pardon?

VERTROUWEN
Waarom zou de waarheid in goede handen zijn bij iemand die bestaande mensen omsmelt tot een fictieve hoofdpersoon? Waarom zou je een journalist verdedigen die de boel besodemietert?

Wie dat wel doet, vergeet dat de journalistieke motor draait op vertrouwen. Wij zijn de ogen en de oren van onze lezers. Wij gaan naar plekken waar zij niet zijn en brengen daarvan verslag uit. Dat schept verplichtingen, zeker nu de betrouwbaarheid van onze beroepsgroep continu in twijfel getrokken wordt, zelfs door presidenten van democratische landen.

Roy Peter Clark, een Amerikaanse goeroe van de verhalende journalistiek, noemt in deze discussie twee gouden regels: ‘Do not add. Do not deceive.’ In de bundel Telling True Stories zegt hij:

‘The use of composite characters, where the purpose is to deceive the reader into believing that several characters are one, is a technique of fiction that has no place in journalism or other works that purport to be nonfiction. (…) There should be a firm line, not a fuzzy one, between fiction and nonfiction.’

De lezer moet er dus van op aan kunnen dat wat wij schrijven ook is wat er gebeurd is. Zo niet, dan verspelen we zijn vertrouwen.

BANKIERS
Ik ervaar dat zelf ook. Neem Dit kan niet waar zijn, het ontluisterende portret dat Joris Luyendijk schilderde van de bankenwereld. In het boek voert hij allerhande anonieme bankiers op, die vertellen wat voor werk ze doen. Toen ik dat enkele jaren geleden las, herinnerde ik me de uitspraken van Luyendijk in dat ene interview. En op een zeker moment dacht ik: bestáán al deze bankiers die eigenlijk wel?

Ik dacht van wel, ik hoopte van wel, maar ik kon het als argeloze lezer niet controleren. Wie zei me dat Luyendijk hier niet weer personages had samengevoegd, omwille van de leesbaarheid? Helemaal vertrouwen kon ik hem niet meer.

Helemaal vertrouwen kon ik hem niet meer

Inmiddels weet ik beter, omdat ik het Luyendijk voor dit artikel om een reactie heb gevraagd. Hij voegde in Dit kan niet waar zijn geen personages samen, mailt hij me. Dat doet hij sinds zijn eerste boek nooit meer.

Toen leek het echter onvermijdelijk. Er liepen in dat eerste boek zo veel mensen rond dat zijn meelezers – onder wie Lieve Joris – na het lezen van het manuscript verzuchtten dat het wel een Russische roman leek. En daarom voegde hij dus mensen met vrijwel dezelfde achtergrond samen.

‘Het is niet iets waar ik me voor schaam’, zegt hij daar nu over. ‘Wat ik wel echt anders zou doen nu, is zo’n ingreep direct achterin aangeven. Transparantie is essentieel, maar zover was ik nog niet in 1996.’ In latere edities van het boek staat het overigens wel.

EERLIJK
Hoe loste Carolina Lo Galbo het uiteindelijk op, in haar verhaal over de gestolen vogels van Avifauna? Simpel: door eerlijk te zijn. Ze verschoof het perspectief voor heel even naar de andere verzorger:

Simon heeft een drukke dag en dus stapt zijn collega Dennis in een busje en rijdt naar Den Bosch, in de laadbak een tupperwarebak met stukjes appel en een kooi met daarin het roodsnavelvrouwtje dat met haar jongen was achtergebleven. In de achtertuin aangekomen tuurt hij naar boven. De tok zit hoog in een denneboom.

Niet zo charmant misschien, maar zo hoort het natuurlijk wel. Want journalisten moeten de waarheid trouw blijven. Altijd. Ook al doen ze daarmee concessies aan het verhaal.

 

Met dank aan Renzo Verwer, die deze vraag bij de Verhalengarage aandroeg en op zijn blog verwijst naar een aantal relevante bronnen, waar ik dankbaar gebruik van maakte.

Update: op 17 november is de reactie van Joris Luyendijk aan het artikel toegevoegd.

Gay Talese en het beste verhaal ooit

Wat is de mooiste zin ooit door een journalist geschreven. Dat is een onmogelijke vraag. Maar we kunnen in de buurt komen van de waarheid als we geloven dat die topzin in het Amerikaanse Esquire moet hebben gestaan. Het blad vindt het profiel dat Gay Talese schreef over Frank Sinatra het beste verhaal dat het ooit afdrukte. En de beste zin in dat legendarische verhaal is wel aan te wijzen.

Misschien is het wel het beste verhaal ooit verteld. Gay Talese schreef het voor Esquire. Over Frank Sinatra en zijn verkoudheid. Met de prachige openingszin – twee verlepte blondine aan de bar – en de geweldige evocatie van Sinatra’s muziek:

… it was music to make love by, and doubtless much love had been made by it all over America at night in cars, while the batteries burned down, in cottages by the lake, on beaches during balmy summer evenings, in secluded parks and exclusive penthouses and furnished rooms, in cabin cruisers and cabs and cabanas—in all places where Sinatra’s songs could be heard were these words that warmed women, wooed and won them, snipped the final thread of inhibition and gratified the male egos of ungrateful lovers; two generations of men had been the beneficiaries of such ballads, for which they were eternally in his debt, for which they may eternally hate him.

Vrij vertaald:

… het was muziek voor de liefde, en reken maar dat de liefde werd bedreven, ‘s avonds laat in auto’s waarvan de lichten langzaam doofden, op het zwoele zomerstrand, in stille parken en prijzige penthouses, op jachten, in taxi’s, onder lakens en luifels, overal waar je Sinatra kon horen, vielen vrouwen voor die liedjes, lieten zich verleiden, hun laatste verzet gebroken; en zo beloonden zijn ballades de ondankbare mannen die voor altijd bij hem in het krijt zouden staan, hem tot het eind der tijden zouden haten…

Oh, shit, en dit is ook nog waargebeurd

Dwars door de journalistiek loopt een rare scheidslijn. Aan de ene kant pronkt de harde onderzoeksjournalistiek met matig geschreven onthullingen. Aan de andere kant tooien storytellers zich met al te vlot bij elkaar geharkte, zij het prachtig geformuleerde verhalen waarvan de urgentie helaas kwestieus is. Tegelijkertijd ziet de een de ander niet voor vol aan.

Cliché? Akkoord. Flauw? Mwah. Achterhaald? Nog lang niet. Nederland kent twee clubs die godlof al jaren hun best doen de journalistiek te redden, de Vlaams-Nederlandse Vereniging van Onderzoeksjournalisten (VVOJ) en de Stichting Verhalende Journalistiek. De eerste is van de onthullingen. De tweede van de indringende scène die in een roman niet zou misstaan.

De twee organisaties – beide geleid door vrouwen, trouwens – kunnen uitstekend met elkaar overweg. De onuitgesproken animositeit zit bij hun achterbannen. Plat gezegd: de onderzoekers vinden dat narratieve journalistiek ‘nergens over gaat’. De verhalenvertellers zijn van oordeel dat die feitenfreaks met hun CAR-databases niet kunnen schrijven.

Helaas zijn beide meer waar dan niet waar.

Verhalende journalistiek deinst te vaak terug voor Grote Onderwerpen – Jeroen Smit was met De Prooi een notoire uitzondering toen hij van uitputtend onderzoek een goed verhaal wist te maken. Liever dan te schrijven over de gewone levens van ongewone mensen – de ene helft van de opdracht die de Amerikaanse grootmeester Gay Talese zichzelf gaf – schrijven ze over het ongewone bestaan van gewone mensen.

Dat moet natuurlijk óók gebeuren. Het levert geweldige verhalen op. Maar er blijft iets liggen. Verhalende journalisten kunnen leren van hardcore onderzoeksjournalisten (Wat? Lees Mark Lee Hunter en Luuk Sengers. Hoe je je research zo inricht dat het effectief is en het niettemin een leesbaar verhaal oplevert, bijvoorbeeld.

Omgekeerd hebben die trouwe VVOJ’ers iets te halen bij de conferentie over Verhalende Journalistiek, 15 en 16 mei in Amsterdam. De kunst van het schrappen bijvoorbeeld. Of de charme van onvolledigheid. Of de magie van een dialoog.

Al jaren beweer ik dat journalisten betere verhalen moeten vertellen, en die beter moeten vertellen. Ze moeten onderzoek doen en met nieuws komen dat de lezer ondanks 101, tweets en Facebook nog niet kent – en nooit gekend zou hebben als zij het niet hadden uitgezocht. En ze moeten die verhalen dwingend opschrijven, onontkoombaar, met de verbeelding van fictie – terwijl de lezer weet: o, shit, en dit is ook nog waargebeurd.