Lola, het laatste verhaal van Alex Tizon

Pulitzerprijswinnaar Alex Tizon was de modelimmigrant. Prachtige loopbaan in Seattle, een gezin, een huis in de suburbs. The American Dream. En toen erfde hij Lola, de vrouw die hem opvoedde. Nu had Tizon ook een slaaf. Lees zijn verhaal in The Atlantic, een verbijsterende ik-reportage. En zijn laatste reportage.

Pulitzerprijswinnaar Alex Tizon vocht een leven lang om het verhaal te kunnen vertellen over Lola, de vrouw die hem op de Philipijnen opvoedde en die mee verhuisde toen het gezin Tizon emigreerde naar de VS. ‘After my mother died of leukemia, in 1999, Lola came to live with me in a small town north of Seattle. I had a family, a career, a house in the suburbs—the American dream. And then I had a slave.’

Alex Tizon in 1991. Foto Betty Udesen / The Seattle Times

Het verbijsterende verhaal over de vrouw die al die jaren, ook in de VS, een slaaf was, die het huishouden deed, drie maaltijden per dag bereidde en werd afgesnauwd door Tizons ouders, werd zijn laatste reportage voor The Atlantic. Tizon overleed op 24 maart, thuis in Oregon, in zijn slaap. Hij wist niet dat het magazine diezelfde dag zou besluiten het stuk op de cover te zetten.

Her name was Eudocia Tomas Pulido. We called her Lola. She was 4 foot 11, with mocha-brown skin and almond eyes that I can still see looking into mine—my first memory. She was 18 years old when my grandfather gave her to my mother as a gift, and when my family moved to the United States, we brought her with us. ()
My parents never paid her, and they scolded her constantly. She wasn’t kept in leg irons, but she might as well have been. So many nights, on my way to the bathroom, I’d spot her sleeping in a corner, slumped against a mound of laundry, her fingers clutching a garment she was in the middle of folding.

Volgens zijn redacteur bij The Atlantic, Jeffrey Goldberg, schreef Alex Tizon over gewone mensen, mensen in de marge. Hij won in 1997 een Pulitzer als redacteur van The Seattle Times en was later chef de bureau in die stad voor The Los Angeles Times. Goldberg:

‘He was also a well-reviewed author; his 2014 memoir, Big Little Man: In Search of My Asian Self, was a self-lacerating examination of the complexities, humiliations, and small victories of Asian men trying to adjust to life in America.’

De kippenmoord – het verhaal van Anja, Manja en Tanja

Achtendertig dagen nadat Anja, Manja en Tanja als gouden kuikentjes uit het ei zijn gekropen, snijdt een volautomatisch mes hun kelen door. Ze zijn inmiddels vetgemest tot twee kilo en hebben geen daglicht gezien. Uiteindelijk belanden ze als fileetjes in de schappen van de supermarkt. Gerard van Westerloo volgde Anja, Manja en Tanja door de hele Nederlandse kippenketen. Van broederij, via mesterij en slachterij tot vleesverwerkings- en verpakkingsindustrie. 

Vraag het de Nederlanders en ze zeggen dat hun kippen een beter leven verdienen. Maar in de winkel blijven ze kiezen voor de allergoedkoopste aanbiedingen. ‘Theoretisch zitten er aan de Nederlandse kip te veel poten.’

Een officiële roepnaam kregen ze niet. We noemen ze Anja, Manja en Tanja.

Hun borstfiletstukjes zijn inmiddels bij Albert Heijn uit het schap gevlogen. Het vlees van hun poten is in de buik van een Duitser of een Rus beland. Hun vel is in de worst verdwenen. Hun staartstukjes zijn naar Afrika geëxporteerd waar ze voor een delicatesse doorgaan. En het karkas waar hun vlees omheen zat is vermalen tot diervoeding.

de drie vleeskippetjes Anja, Manja en Tanja leefden precies achtendertig dagen

Voor ze in een dier- of mensenmaag belandden, hadden de drie vleeskippetjes Anja, Manja en Tanja precies achtendertig dagen geleefd. In de nacht van donderdag 21 op vrijdag 22 september tikten ze zich te Groenlo in de Achterhoek los uit hun eischaal. Een goede maand later, in de nacht van zondag 29 oktober op maandag 30 oktober, werden ze te Dirskland op Overflakkee opgehaald uit hun meststal. Daar hadden ze zich, in die achtendertig levensdagen van ze, van een veertiggrams donzig kuikentje volgegeten tot een vleesklomp in verenpak van bijna twee kilo.

In de vroege ochtend van die 30ste oktober sneed een mes te Dedemsvaart in de kop van Overijssel machinaal hun halsslagader door. Anderhalve minuut later waren Anja, Tanja en Manja leeggebloed. En dood.

de biografie van drie doorsnee Hollandse vleeskippen

Dit verhaal is het verhaal van hun korte leven. Dat hebben ze, van begin tot eind, gedeeld met een massa identieke soortgenoten. In de stal waar hun vaderhaan hun moederhen bevruchtte, rollen om de week zeventigduizend broedeieren op de lopende eierband. In de broedfabriek waar ze uit het ei kropen, kruipen elke week een miljoen zevenhonderdduizend kuikens uit hun ei. De stal waarin ze gemest werden, deelden ze met tweeëntwintigduizend precies dezelfde kuikens. En in de slachterij waar ze stierven, sterven elke week zevenhonderdvijfentwintigduizend van zulke vleeskippen.

Behalve van Anja, Manja en Tanja is dit ook het verhaal van de mensen met wie ze tijdens hun leven in aanraking kwamen. Van de fokker die hun voorouders net zo lang gekruist heeft tot Anja, Manja en Tanja als vrijwel identieke borstvlees kwekende halfzusjes ter wereld konden komen. Van het boerenechtpaar dat hun directe ouders tot geslachtelijke omgang en tot de productie van zoveel mogelijk bevruchte eieren stimuleerde. Van de directeur van de broedfabriek, praktiserend Zen-mediteerder, die ze na achttien warme dagen als eendagskuiken ter wereld bracht. Van de vingervlugge dames die ze, vlak na hun geboorte, langs een lopende band op gebreken controleerden en ze, als die er waren, bij het afval deponeerden. Van de vrachtwagenchauffeur die de gezonde exemplaren van Groenlo naar Dirksland reed. Van de boerenbroers bij wie ze volgemest werden. Van de dierenarts die ze tegen pseudovogelpest inentte.Van de zeven mannen uit Friesland, die in een busje uit Harkema naar Overflakkee reden om Anja, Tanja en Manja midden in de nacht bij hun poten te pakken en in containers te proppen. Van de chauffeur die ze naar de slachterij reed. Van de mannen aan de slachtlijn die toekeken of het mes wel goed gesneden had. En van de lopende bandwerkers die Anja, Tanja en Manja kort na hun dood in delen uiteensneden.

In dit verhaal komen ze allemaal aan het woord. Ze zeiden het allemaal op hun eigen manier. Dat ze er ‘geen moeite’ mee hebben. Want dat ze er ‘niet bij stil’ staan. En dat ze zelf best ‘een kippetje lusten’. Maar als het gesprek wat langer duurde, zeiden ze vaak ook iets anders. Dat je ‘er niet bij na moet denken’. Want als je er wél bij nadenkt ‘kan je dit werk niet doen’.

Er schijnen in Nederland jongvolwassenen rond te lopen die op de vraag waar de kip vandaan komt antwoorden: uit het derde schap, tweede plank van onderen bij de Albert Heijn of de Jumbo. Uit onderzoek blijkt dat de Nederlander graag kip eet, maar dan het liefst kip die er zo weinig mogelijk als kip uitziet. En dat hij er geen idee van heeft hoe zijn satéstukjes, zijn kipblokjes, zijn halve gebraden haan en zijn drumsticks hun dagen bij leven en welzijn hebben doorgebracht.

Dit verhaal vertelt u hoe: de biografie van drie doorsnee Hollandse vleeskippen.

.

Woensdag 16 augustus

[dropcap]O[/dropcap]p het zomerse terras van café Riche in Boxmeer ontmoet ik Paul van Boekholt, vleeskuikenfokker. Van Anja, Tanja en Manja valt, zonder kennis van hun voorouders, niet veel te begrijpen.

Paul van Boekholt vertelt met het hem eigen fokkersenthousiasme dat er op de hele wereld nog maar vier vleeskuikenfokkers over zijn. Een kleinere, Hybro, is Nederlands, de andere drie, Ross (Brits), Cobb (Amerikaans) en Hubbard (Frans/Amerikaans) zijn samen goed voor 85% van de wereldproductie aan vleeskuikens. Van Boekholt werkt zelf voor Hubbard.

Dat vindt de consument geen smakelijk gezicht

Hij noemt het moderne vleeskuiken ‘een soort Ferrari’. Dankzij uitgekiende foktechnieken, kruisingen tussen vier zuivere kippenlijnen, zijn de hybride nakomelingen begiftigd met het vermogen om binnen enkele weken schoon aan de haak net zo veel te wegen als een ‘normale’ kip na enkele maanden.

Het zou nog beter kunnen, denkt Paul van Boekholt. Sinds ruim een jaar is het hele erfelijke materiaal van de kip volledig in kaart gebracht. Technisch zou het nu al mogelijk zijn om nóg vleziger vleeskippen te produceren via genmutaties. Maar dat zal voorlopig nog niet gebeuren. Dat ligt bij het publiek te gevoelig.

Nu moet het nog van klassieke fokmethodes komen. Die zorgen er bijvoorbeeld voor dat bijna alle vleeskippen wit zijn. Waarom? Omdat bruine kippen donkere puntjes op het vlees maken bij de vleugelpennen. Dat vindt de consument geen smakelijk gezicht.

Een paar dagen later maak ik kennis met de ouders van Anja, Tanja en Manja. Ze wonen achter Delden en ze zijn, blijkt dan, geen Hubbards maar Rossen. Ergens ver weg in Schotland wordt het vleeskuikentype Ross 308 gefokt. Dat geldt over de hele wereld als het ideale vleeskuikentje. De Nederlandse vertegenwoordiger van de firma verzekert dat een doorsnee Ross 308, om een kilo vlees rond de botten te vormen, niet meer dan 1,65 kilo voedsel nodig heeft. En dat het betreffende kuiken desondanks een kwart tot dertig procent méér borstfilet aankweekt dan welk concurrerend typetje ook. Bij de kippen van Hubbard, voegt hij daar vilein aan toe, ligt het percentage borstvlees nóg lager.

Maandag 29 augustus 2006

Aan de keukentafel van hun boerderij achter Delden in Overijssel, zitten Henny en Marianne Koebrugge, kuikenvermeerderaars, aan de koffie en de koek. Over een half uurtje, zeggen ze, is het zover. Dan gaan ze de ochtendeieren rapen, waar ik er drie van uit mag zoeken om er een A voor Anja, een M voor Manja en een T voor Tanja op te zetten. Henny en Marianne hebben vier stallen waarin bij elkaar twintigduizend hennen en tweeduizend hanen op natuurlijke wijze en in de vorm van broedeieren voor zo’n zeventigduizend nakomelingen per week zorgen. De ouders van Anja, Manja en Tanja blijven net geen jaar bij de Koebrugges aan de leg (de vrouwtjes) of aan het bespringen (de mannetjes). Zodra ze voor het eerst in de rui gaan, verdwijnen de vrouwtjes in de soep en de mannetjes naar Frankrijk waar ze dol zijn op taaie hanen. Kort daarop worden de hennen en de hanen achter Delden vervangen door verse ouderdieren.

Henny zegt dat het werk van een kuikenvermeerderaar topsport is. ‘Ja’, beaamt Marianne. ‘Je probeert het optimale uit die dieren te halen. Als je het zo’n dier niet naar de zin maakt, trekt het zijn gaatje dicht en dan houdt het op’.

Een half uur later zet Henny de lopende band aan die de zojuist gelegde eieren uit zijn vier stallen naar een centrale ruimte transporteert waar ze in kratten gelegd en opgestapeld worden.

Die doet niets meer. Die moet ik de nek omdraaien

De eieren van Anja, Manja en Tanja komen uit stal drie, een daglichtloze ruimte waarin circa vijfduizend vader- en moederdieren wonen.

Henny gaat me voor naar die stal. De meeste hennen staan, lopen of zitten op een verhoogd rooster. Daarboven hangen de voerbakken met spleten waar de kop van een haan niet doorheen kan. De meeste hanen lopen op de grond van stro daarnaast. Ze pikken net voldoende voer op uit hun eigen bakken om in leven te blijven, maar niet voldoende om een aanhoudend gevoel van trek te onderdrukken. Een hongerige haan ’treedt’ – het vakwoord voor bespringt – een hen een stuk potenter.

Henny vangt een haan en onderzoekt de streek rond het geslachtsdeeltje. ‘Mooi rood’, zegt hij. ‘Actief beestje’. Het kruis van de volgende haan die hij onder de vleugels optilt ziet er bleek en droog uit. ‘Die doet niets meer. Die moet ik de nek omdraaien.’

Henny kijkt er wat hulpeloos bij. ‘De natuur zelf is ook bikkelhard’, zegt hij. ‘Wat niet goed is wordt anders wel door de anderen uitgeschakeld’.

Een beetje haan, zegt Henny bewonderend, kan overdag ‘heel veel treden’. Met name tussen vier uur en zes uur in de middag. Dan kan je als hennetje je kuisheid wel vergeten.

De eieren van Anja, Tanja en Manja zijn in stal drie door een onbekende vader bevrucht bij een onbekende moeder die haar eieren in een donkere nis legt waaronder de lopende band schuil gaat. ‘Vergis je niet hoor’, zegt Henny als ik sommige van zijn hennetjes voddenbaaltjes noem wier verenpak er nogal uitgewoond bijhangt. ‘Mijn mooiste dieren presteren het minste’.

Terug in de woonkeuken spreekt Marianne Koebrugge de zin uit die ik door de hele keten heen als overtuigend bewijs van diervriendelijkheid zal horen. ‘Als onze dieren’, zegt ze, ‘het optimale aantal eieren leggen, dan kan het niet anders of ze verkeren onder optimale omstandigheden in een optimale gezondheid’.

Het is de redenering die door de hele bedrijfstak heen wordt aangehangen. Zolang het met de productie goed zit, zit het met de dieren zelf ook goed. Boerbelang is kipbelang en kipbelang is boerbelang.

Of gaat het hier om een cirkelredenering?

Zoals Nederland ooit groot geworden is door het wijs bestuur van onafhankelijke waterschappen die begrepen dat ze elkaar nodig hadden, zo floreert de vleeskuikenindustrie hier als een keten van zelfstandige bedrijven die niet zonder elkaar kunnen. In vleeskuikenmolochen als Amerika en Brazilië verzorgen enorme geïntegreerde grootbedrijven de integrale productie van ei tot boutje. In Nederland gaat het zo niet. Hier is sprake van een aaneenschakeling van bedrijven en bedrijfjes waarin elke boer, elke fokker, elke broeder en elke slachter zijn eigen baas is. En toch vormt ook hier die hele keten een soort van integratie. Onderweg valt de herkomst van elk kuiken nauwgezet te traceren. Op de eischaal staat het stempel van de boer bij wie het ei gelegd werd. Al die eieren van die ene boer worden in de broederij in dezelfde broedkamers bij elkaar gelegd. Samen ondernemen ze, als eendagskuiken, de verre tocht naar de boer die ze vet mest. Samen reizen ze vandaar naar de slachterij die ze onthalst. En als ze op een filetbakje bij een filiaal van Albert Heijn op het schap liggen, weet de winkelier precies waar het vlees vandaan komt dat hij in de kuip heeft.

Nederlandse kuikenkwekers kijken neer op de Amerikaanse of Braziliaanse grootbedrijven. ‘Als ik in dienst van zo’n gigant moest werken’, is het adagium van de mestboeren, ‘dan was ik geen pluimveehouder, maar babysitter’.

Op alle plaatsen waar ik in de stal, in de broedkamer of naar de slachthaken mocht kijken stond één aspect centraal: de vrees dat hún kip ú ziek maakt. Ik geloof niet dat ik ooit, in zo weinig weken, zo vaak onder een fabrieksdouche gestaan heb, mijn schoenen moest ontsmetten, witte kapjes over mijn hoofdhaar diende te plooien, rubberen klosschoenen over schone sokken aan heb getrokken en beide handen met sterk desinfecterende zeep heb gewassen.

De hele productie van Nederlandse vleeskuikens is, kortom, gericht op de gezondheid van de kippeneter. En in de hele keten is het geloofsartikel nummer een dat een vleeskip die voor ú gezond is, zichzelf dus ook senang voelt.

Donderdag 31 augustus

[dropcap]D[/dropcap]e zon is net boven de horizon uitgekomen. Over de velden achter Delden hangt een deken van dauw. Op het erf voor de stallen staat een deugdelijk verwarmde en geventileerde vrachtwagen klaar om Anja, Manja en Tanja in eivorm naar hun broedkamer onder de rook van Groenlo te brengen. Ze maken de reis met ruim tweeëntwintigduizend collega-kippenembryootjes, onder wie honderdtwintig tweelingen.

Op de vrachtwagen staat in geel en rood dat een ei van Cobroed altijd beter uitkomt. En naast de vrachtwagen staat Roel, de zoon van Henny en Marianne Koebrugge, die op de broedfabriek in Groenlo werkt als schouwmeester. Ook is hij parttime vrachtwagenchauffeur. Hij laadt de eieren in en vertrekt. Onderweg vertelt hij dat hij geregeld naar Duitsland rijdt, tot tegen de Poolse grens aan, om eieren op te halen of om eendagskuikens af te leveren. En dat het maar goed is dat van de vaderhanen het kleine teentje afgehakt en de snavel bewerkt wordt, want dat de hanen anders tijdens het bespringen de nek van de hennen tot bloedens toe stuk zouden pikken en snijden.

Om tien voor half negen die ochtend staat hij met zijn eieren voor de ingang van de broederij. Niet lang daarna rijden mannen in ontsmette kledij Anja, Tanja en Manja naar de computergestuurd verwarmde, geventileerde en bevochtigde voorbroedkast 422. Ze hangen aan de deur een kaartje waarop vermeld staat dat de eieren tot 19 september in voorbroedkast 422 moeten blijven. Daar liggen ze op rekken die om de zoveel tijd omhoog en omlaag bewegen, zodat de ongeboren vruchten het overal even warm hebben.

Zo liggen te Groenlo, in tal van voorbroedkasten langs eindeloos lange gangen, samen met Anja, Manja en Tanja, nog eens vijfeneenhalf miljoen vleeskuikentjes op het uur van hun geboorte te wachten.

Paul van Boekholt, de fokker van Hubbard wiens vleeskuikentjes volgens de fokker van Ross een kwart minder borstfilet aankweken, praat bevlogen over het project van ‘de Boerenkip’. Zijn fokkerij is dat, samen met de universiteit van Wageningen, een aantal supermarkten, waaronder Jumbo, Albert Heijn en Jan Linders, samen met de dierenbescherming bezig op te zetten. Die zogenaamde boerenkuikens leven geen 38 dagen zoals de industriekippetjes Anja, Tanja en Manja, maar 56 dagen. En ze zitten niet in een stal zonder daglicht. Hun behuizing heeft een opening naar buiten waar het licht doorheen valt. Als ze willen kunnen ze op een overdekte veranda van dat daglicht genieten.

Wageningen heeft onderzocht of het boerenbelang inderdaad overeenkomt met het kippenbelang. Als vleeskuikens er 56 dagen over mogen doen om twee kilo zwaar te worden, zijn ze dan ziekelijker, net zo gezond of gezonder als beesten die dat in 38 dagen moeten klaarspelen?

De resultaten van dat onderzoek, neergelegd in een dikke bundel Perspectieven voor een alternatieve kuikenvleesketen, laten weinig ruimte voor een vrolijke kijk op het snelgroeiend vleeskippetje. Het blijkt wetenschappelijk aantoonbaar dat die van 38 dagen in een donkere stal, vergeleken met hun langzamer groeiende broertjes en zusjes in een stal met daglicht, veel vaker (2,09 tegen 0,36%) acuut dood neervallen omdat hun hartje het begeeft. En dat ze bijzonder veel vaker (43,4% tegen 13,1%) moeite hebben met lopen. Ook hebben ze extreem veel meer (92,8% tegen 12,5%) te lijden van lichte tot matige irritaties aan hun voetzolen. En ze komen veel vaker (5,58% tegen 1,49%) tijdens de mestperiode, door welke oorzaak dan ook, voortijdig te overlijden.

Dinsdag 19 september

‘Ik heb geen verstand van kippen hoor’.

Cobroedmedewerker Sjoerd loopt in straf tempo richting broedkast 422, opent de deur en rolt het rek met de eieren van Anja, Tanja en Manja erop naar buiten.

Een vervaarlijk stinkend gasei ploft op de vloer voor onze voeten uiteen.

‘Lik maar op’, grapt Sjoerd.

De eieren van kast 422 hebben daar achttien dagen liggen broeden. Nu moeten ze ‘de schouw’ in. Op een lopende band sukkelen ze langs een elektronisch oog dat meedogenloos vaststelt of ze wel bevrucht zijn. Zo niet, dan tillen zuignapjes ze als loze eieren uit het rek om hun inhoud uit te kotsen in een vergaarbak, waarvan de inhoud naar de shampoo gaat.

Op het rek van mijn drie verhoopte borelingen liggen 150 eieren. Als de zuignapjes hun werk gedaan hebben zijn dat er nog 120.

Ik haal opgelucht adem. De eieren met de A, de M en de T erop zijn op het rek blijven liggen.

Sjoerd rolt de kuikens naar kast 48, hun verloskamer. Als alles goed gaat zullen Anja, Manja en Tanja daar over twee dagen het levenslicht aanschouwen.

In een rijkbelommerde Wageningse laan waaraan de landbouw- en de veeteeltprofessoren wonen, houdt Peter van Horne kantoor in een kast van een wetenschapsgebouw. Hij is de vleeskuikenexpert van het Landbouw Economisch Instituut, het lei.

Het staat nu wel vast, zegt hij, dat de dieren beter af zijn als ze er wat langer over mogen doen om op gewicht te komen. ‘Ik zal niet zeggen dat zo’n snelgroeier niet kan lopen. Maar een boerenkip loopt beter. En een biologische kip kan rennen.’

Het probleem, legt van Horne uit, is dat de Nederlander geen hele kip meer koopt en ook bijna geen poten meer, maar het liefst alleen filet. ‘Economisch gezien hebben we in Nederland te veel poten aan een kip.’

Zo wordt de waarde van de kip bepaald door de prijs van de borstfiletjes. En die gooien de supermarkten graag in de aanbieding., zodat de kip, in de beleving van de koper, voor goedkoop doorgaat.

Er is een hoop onderzoek naar gedaan, met telkens dezelfde uitkomst. De kippeneter wil maar een heel klein beetje méér voor zijn filetjes te betalen, als hij de dieren daarmee een beter leven kan bezorgen. In feite interesseert het de Nederlander geen klap hoe de kip die hij op tafel zet geleefd heeft.

Het liefste zou Peter van Horne de hele kippenteelt in Nederland op zijn Amerikaans concentreren in een paar grote ondernemingen met alles van fokkerij tot mesterij onder één dak. ‘Wat je dan aan transportkosten bespaart is gigantisch.’ Hij weet ook wel dat zijn ideeën geen schijn van kans maken. Nederlandse kippenboeren willen dolgraag de schijn ophouden dat ze zelfstandige ondernemers zijn. Maar dat zijn ze volgens van Horne toch al nauwelijks meer. Bijna elke mester zit met handen en voeten contractueel gebonden aan een broederij, een slachterij of een voedingsleverancier. ‘De kippenboer in Nederland’, zegt hij, ‘zit strak vast aan een touwtje’.

Vrijdag 22 september, vroeg in de morgen

Om zes minuten voor zeven gaat de deur van verloskamer 48 open. Even later voel ik, door hun geeldonzen vachtje heen, de hartjes van Anja, Manja en Tanja heftig kloppen. Ik zet de drie kuikentjes terug in de groene krat die ze met een zwerm soortgenoten en de zojuist gebroken eierschalen delen. Ze verdringen elkaar met hun gitzwarte kraaloogjes voor de openingen. Sommige steken er een pootje doorheen. Een enkeling raakt licht bekneld met het zojuist geboren hoofdje. In de krat van Anja, Manja en Tanja vind ik twee dode kuikentjes. Dan brengt een hefapparaat ze naar de ruimte waar drie vrouwen en twee mannen de kuikentjes van de eierschalen scheiden en de beestjes op een lopende band tillen. In één greep kunnen ze met beide handen vijftien of twintig kuikentjes aan. Die glijden vervolgens, nog steeds op de band, langs een controleur, wiens taak het is om de al te schriele diertjes tussen de gezonde uit te halen. Kuikens met open buikjes, lamme pootjes of van onvoldragen groei verdwijnen, samen met de eierschalen, tussen de scherpe messen van de destructor. De goeie kuikens mogen door en glijden een razendsnelle band op die ze eerst telt en daarna met tachtig tegelijk via een steile roetsjbaan in gereedstaande rode kratten laat tuimelen.

Sylvia en Karen werken allebei als kuikenpakster part time bij de broedfabriek van Cobroed. Meestal beginnen ze om zes uur in de ochtend. Ze houden met werken op als alle kuikens van die dag uit het ei gekropen, op hun levensvatbaarheid beoordeeld en in kratten verpakt zijn. Op hoogtijdagen zien ze een half miljoen kuikens langs zich heen komen.

Als het werk gedaan is en als Karen en Sylvia hun salmonellavrije witte werkkleding verruild hebben voor hun eigen spijkerbroek en T-shirt, schuiven ze in de koffiekamer aan voor een korte evaluatie.

‘Kuikens die niet helemaal goed zijn hebben vaak iets verlegens’, zegt Karen.

‘Je ziet het aan hun oogies’, zegt Sylvia.

‘Als je twijfelt gooi je ze niet weg’.

‘Alleen als ze echt niet goed zijn, moeten ze bij het afval.’

‘Ik heb er geen moeite mee’.

‘Ze zijn niet zwaar. Je pakt ze gewoon.’

‘Gevoel heb ik er niet bij.”

‘Over zes weken liggen ze bij de slager.’

‘Niet bij stil staan!’

‘Eigenlijk moeten ze klein blijven’.

‘Ik heb dat ik niet verder denk.’

‘Nog even en ze zijn echt niet mooi meer.’

‘Dan hoef ik ze niet meer te zien.’

‘Ja. In de diepvries’.

‘Wij zien alleen nummers. Er staan geen namen bij.’

‘Daarom. Daarom doet het ons weinig.’

Dan drinken ze hun koffie en gaan ze naar huis om de kinderen van school te halen.

Jan van Harn is als vleeskuikenspecialist verbonden aan de Universiteit van Wageningen, dependance Lelystad. Ook hij is betrokken bij het project ‘Boerenkip’. Een tijdje terug is hij daarvoor, samen met twaalf andere vleeskuikenspecialisten, in Frankrijk geweest, waar de mensen hun geld wel graag uitgeven aan een doorleefde kip. In Engeland ook. Sinds de gekke koeienziekte smaakt het industriekippetje de Brit veel minder.

In Frankrijk lieten Jan van Harn en zijn medespecialisten een erkende kippenkok drie boutjes en filetjes op exact dezelfde manier klaarmaken. Een van een industriekuiken. Een van een kip die 56 dagen geleefd heeft. En een van een waarachtig biologisch vleeskippetje. Ze moesten zeggen welke portie ze het lekkerst vonden. ‘De scheiding’, zegt Jan van Harn, lag bij veertig jaar.’ Iedereen die ouder was vond het doorleefde kippetje het lekkerste. En iedereen die jonger was gaf de voorkeur aan het industriële kuikentje. Ze moesten ook vertellen waarom. De jongeren zeiden dat het vlees van hun industriekippetje veel malser en zachter was. En dat ze er met hun mond ‘niet zo hard op hoefden te werken’.

Vrijdag 22 september, halverwege de middag

[dropcap]A[/dropcap]ls we Dirksland naderen neemt Gerrit Tuten, de eendagskuikenschauffeur, mobiel contact op met de gebroeders van der Baan, kippenboeren op Overflakkee. Hij komt graag bij de van der Banen, zegt hij. Vriendelijke mensen. Je krijgt er altijd koffie.

Jan van der Baan antwoordt mobiel dat hij de kuikens tegemoet komt rijden. Rond Dirksland zijn de wegen een ramp. De hoofdweg is al weken afgesloten.

Gerrit Tuten stuurt zijn kuikens, warm gehouden op 38 graden, behendig over smalle weggetjes die dwars door de uitgestrekte aardappel- en bietenvelden lopen. Met de kippenboer als voorrrijder bereiken we gezond en wel zijn erf. Twee groene voedersilo’s verraden de aanwezigheid van een vleeskippenstal. De enige, zegt Jan van der Baan trots, op het hele eiland. De vloer van de stal is bedekt met vers en mooi droog stro.

Samen met zijn broer en compagnon Lou en met enkele helpers kiept Jan de kuikentjes uit de kratten op de grond. Anja, Tanja en Manja krijgen een plekje achteraan in de stal, links tegen de muur aan. Daar zullen ze de komende 38 dagen, verdwenen in de massa, nauwelijks meer vandaan komen.

De beide broers laten de voederbakken, pannen zeggen ze zelf, naar beneden zakken zodat de kuikentjes erbij kunnen. De vlugsten springen door de tralies heen begerig af op hun eerste vaste maaltijd. Vers water komt uit nippels, die de kuikens met gestrekte nek en gesperde snavel open duwen.

Tweeënvijftig kuikens hebben de rit van Groenlo naar hier niet overleefd. De overige Rossjes 308 zouden bij wijze van spreken ook het vliegtuig naar Abu Dhabi, Manilla of Sao Paulo hebben kunnen nemen. In hun dooierzak zit voldoende leeftocht voor drie dagen. Daar teren ze op als ze niet naar Dirksland gaan, maar naar ergens achteraan in Duitsland.

Als alle kuikens binnen zijn, is het stro bedekt met een gele donsgloed. Achter in de stal slaan de helpers met stokken op een stuk hout, in de hoop dat de kuikens erop afkomen en zich zo door de hele stal heen verspreiden. Jan zet de verwarming op 38 graden. Lou doet de staldeur dicht.

In het halve uur van hun binnenkomst hebben Anja, Tanja en Manja het enige daglicht gezien dat ze in hun levensdagen zullen opvangen.

Jan van Harn, kuikenonderzoeker te Lelystad, heeft uitgerekend dat er in Nederland nog 750 kippenmesters over zijn van de 1800 die er in 1980 praktijk aan huis hielden. Van die 750 bedrijven werken er circa tien op biologische grondslag. ‘Je kan gerust zeggen dat het Nederlandse vleeskuiken, op een enkele uitzondering na, een geboren bodybuilder is.’

Vrijdag 29 september

Anja, Tanja en Manja, een week oud inmiddels, zien er nog steeds geeldonzig uit, maar ze hebben al kleine vleugelpennen met witte veertjes eraan. In hun eerste week zijn ze een ons gegroeid.

Honderdzestig andere kuikens hebben de eerste week niet overleefd. ‘Niks om je zorgen over te maken’, zegt Jan van der Baan terwijl hij zijn laarzen aantrekt om de stal door te lopen. Honderd dooien op de eerste dag is normaal. Bij duizend dooien belt hij naar de broederij in Groenlo. Die zegt dan, sorry Jan. Dat vergoeden wij je. Hij is al zestien jaar klant bij de broederij van Cobroed.

In de hoek van Anja, Manja en Tanja liggen de kuikens op hun buik in het stro dat inmiddels vermengd is met hun eigen uitwerpseltjes. Tot nu toe hebben ze dag en nacht in kunstlicht geleefd. Vanaf vandaag zorgt een tijdklok ervoor dat ze afwisselend drie kwartier schemer krijgen en een kwartier kunstlicht. In dat kwartier staan ze op en gaan ze eten. ‘Wakker dier’, zegt Jan van der Baan wat hulpeloos, ‘wil dat we ze een normaal dag- en nachtritme geven.’ Maar dan krijgt hij ze nooit op tijd op twee kilo.

In hun woonkeuken heeft Anneke van der Baan, de vrouw van boer Jan, de koffie en de koekjes al klaargezet. Jan draait zijn zoveelste halfzware van Nelle. Hij heeft, zegt hij, wel kuikens gekweekt waarvan zeven procent de afhaaldatum niet levend haalde. Gemiddeld komt hij uit op vier procent voortijdige dooien. Je hebt er kuikens bij, zegt hij, die lopen op je af, springen omhoog en vallen dood neer op hun rug. Altijd op hun rug. Maar dat heb je bij mensen ook, dat ze pats, boem in één keer weg zijn. Het gaat altijd om de wat zwaardere beesten, de doodgroeiers. Hun hartje kan het groeitempo niet aan. Als hij veel doodgroeiers heeft zet hij de stal wat donkerder. Dan gaan ze eerder rusten en dan groeien ze minder hard. Een paar doodgroeiers moet je er altijd wel tussen hebben. Die wijzen op een goed gemiddelde.

Het zijn, zegt de kippenboer, natuurlijk geen normale beestjes. ‘Als je ze buiten in een regenbuitje zet, blijft er niet veel van ze over.’

U vindt het normale kippen? ‘Wat is normaal?’

Aan de balie van zijn praktijk te Oude Tongen staat dokter Schilder, dierenarts, mij ijzerenheinig op te wachten. Duidelijk geen man die het afgesproken persbezoek als het vrolijke hoogtepunt van zijn dag ziet. Mijn vragen beantwoordt hij zo eenlettergrepig als hij kan. Ja inderdaad, twee keer per jaar controleert hij de stal van Van der Baan op de aanwezigheid van salmonella’s en campylobacters. En een keer per mestronde bespuit hij uit een bus op zijn rug de kuikens met entstof tegen de pseudovogelpest. Zelf doet de boer er nog twee entingen bij. Een tegen gumboro. En een tegen bronchitis.

Heeft het dierenwelzijn, vraag ik hem, te lijden onder de eisen van voedselveiligheid?

‘Nee, juist niet.’

Biologische kippen, zegt hij, hebben veel meer uitval – het vakwoord voor doden. Hij vraagt zich af of de biologische kippenboer wel goed bezig is met zijn vak.

Vindt u dat zulke snelgroeiende kippen een acceptabel leven hebben?

‘Jazeker. Want anders konden ze nooit zo snel zo zwaar worden.’

U vindt het normale kippen?

‘Wat is normaal?’

Dokter Schilder zegt dat hij niet één dierenarts kent die vegetariër is.

En dat de kuikens geen dag- en nachtritme kennen?

‘Zie ik geen probleem in.’

U ziet helemaal geen bezwaar in deze vorm van vleeskuikenkwekerij?

‘Nee’, zegt hij. ‘Het dier moet zijn nut hebben.’

Vrijdag 6 oktober

[dropcap]T[/dropcap]wee weken oud wegen Anja, Manja en Tanja al 450 gram, ruim tien keer zoveel als toen ze de stal in Dirksland binnenkwamen. Het dodental staat inmiddels op driehonderd.

Jan van der Baan laat me een penstukje aan een vleugel voelen. Als je dat eraf haalt, zegt hij, kunnen ze nooit meer vliegen. Maar dat doen ze toch al niet.

Ik vraag hem naar het verschil tussen de hennen en de hanen. Dat is er eigenlijk niet. Of ze nu van het mannelijke geslacht zijn of van het vrouwelijke, allemaal hangen ze aan de slachthaak voordat hun hormonen op beginnen te spelen. De hanen groeien iets sneller, dat vaak wel. ‘Je moet het zo zien’, zegt Jan van der Baan, ‘het is hier toch een soort vleesfabriek. Raar gezegd misschien, maar het is wel zo.’

Dit keer heeft Anneke de koffie in hun woonkamer klaargezet. Mijn oog valt op een stevig gebonden boek dat De geïllustreerde kippenencyclopedie heet en geschreven is door Esther Verhoef en Aad Rijs. Op de titelpagina staat een opdracht. Voor Jan en Anneke, van Marja en Ma, 16-03-03. ‘Hebben we gekregen voor onze 25ste trouwdag’, zegt Anneke. ‘Dat boek, daar zit Jan de hele avond in te lezen. Dat kent hij uit zijn hoofd.’

‘Ach’, zegt Jan. ‘Het is een hobby.’

Hij neemt me mee naar de andere kant van zijn erf, naar achter het woonhuis, waar hij een paar mooie hokken met gaas ervoor heeft. Daar wandelen zijn sierkippen in rond. ‘Wyandottes’, zegt hij trots. ‘In allerlei kleuren’. In het boek staat dat ze rozenkammig, simpel handtam te krijgen en vol bevederd zijn.

Voor een van de hokken wandelt een jonge fazant rond. Die heeft Jan als ei gevonden en dat ei heeft een van zijn Wyandottes uitgebroed. Het fazantje slaapt in een bloembak die tegen de stal met zijn Wyandottes aan hangt. ‘Die krijgen zo nu en dan een slablaadje’, zegt Jan van der Baan. ‘Dat krijgen mijn mestkippen natuurlijk niet.’

Terug in huis vraag ik hem naar het verschil.

‘Je moet voor al je kippen goed zorgen’, antwoordt hij.

Hij heeft een buurman die nertsen fokt. Dat zou hij niet willen. Als je tegen zo’n beestje zegt, kom eens hier vriend, dan heb je een hap te pakken. Maar het is waar, zegt hij. Vleeskippen mest je. Sierkippen houd je. En daar houdt hij van.

Als er iets mis is met zijn kuikens belt Jan van der Baan naar het bedrijf Agrifirm dat hem zijn kippenvoer levert. En dan komt Evert van den Brink, kuikenconsulent, langs om te kijken of hij er iets aan kan doen. Hem tref ik op een doorweekte herfstavond thuis in Dronten. Hij legt uit dat Anja, Tanja en Manja tijdens hun leven vier soorten voer krijgen. Ze beginnen met babyvoeding, fijn van structuur en vol sojaschroot en ze eindigen met meer oliën en vetten. Dat voer is een stuk goedkoper. Bij mensen is een potje Olvarit ook duurder dan een tarwebroodje.

Evert van den Brink houdt ervan om het dier in vergelijkende mensentermen te beschrijven.

De ventilatie in de stal is erg belangrijk, net als in kantoren. Zijn bezoekjes aan Dirksland hoeven maar kort te duren, gezonde baby’s zijn ook zo weer weg bij het consultatiebureau. En ja, ze groeien erg snel, maar dat heb je bij schaatsers ook, die rijden ook rondjes 32 waar ze vroeger rondjes 40 reden.

Vindt u vier procent dode dieren acceptabel?

‘Ja, want mensen lopen ook eerder kans om dood te gaan tijdens de zwangerschap of in hun eerste levensjaren.’

Dinsdag 17 oktober

Op het erf van Jan van der Baan ligt een onafzienbare berg bieten op vervoer te wachten. Behalve in kippen doen hij en zijn broer ook nog in aardappelen en tarwe, in suikerbieten en cichorei.

Uit zijn stal heeft de kippenboer inmiddels 579 dooien geborgen.

Anja, Tanja, Manja en al hun soortgenoten zijn nu bedekt met een dun wit verenpak. Alleen hun borstjes zijn nog bloot. Daar zie je de filets danig groeien. Ze wegen nu een kilo en vijfentwintig gram. Rond deze tijd kweken ze er een halve ons per dag bij.

En dan zie ik het voor mijn ogen gebeuren.

Uit de hoek van Anja, Manja en Tanja loopt een kuiken op ons af. Het volgende moment schiet hij de lucht in en valt hij morsdood terug op de grond. Jan van der Baan raapt hem op. ‘Flinke borstgroei’, zegt hij. ‘Daar was het om begonnen.’

In Nederland miegelt het van de onderzoekers die in opdracht van het landbouwministerie of van de kippenindustrie en doorgaans in wetenschappelijk groepsverband, uitvogelen wat er over het vleeskuiken maar uit te vogelen valt. Wat het effect is van de eischaaltemperatuur op de vleeskuikenprestaties (Wageningen 2000). Of het kappen van de achterste teen bij hanen, bij hennen leidt tot meer of minder veerbeschadingen op rug en dijbeen (Wageningen 2002). En of er deugdelijke alternatieven zijn voor het toedienen van antimicrobiële voerbespaarders aan het kippenmenu (Wageningen, 2004). Het is niet aannemelijk dat er ook maar iets omtrent de stalventilatie, de vloerdroogte, de tarwetoediening, de ammoniakuitstoot en de drinkwatersystemen aan de aandacht van de Nederlandse doctorandus kippenkweek ontsnapt.

Zo hebben ze ook uitgevonden dat Nederlanders in meerderheid vinden dat het ‘matig’ tot ‘slecht’ gesteld is met het dierenwelzijn in hun land. Maar dat vinden ze alleen als het bureau Marketresponse ze erom vraagt. Dan vinden ze ook dat de kippen meer ruimte moeten hebben (72%) en dat ze buiten moeten kunnen lopen (38%). Maar zodra de consument in de winkel voor het schap staat, is hij zijn bezwaren vergeten en stapt hij de winkeldeur uit met het goedkoopste bakje filet dat hij kan vinden. Bij een doorsnee Albert Heijn, voor de prijzenoorlog de ecologische koploper in Nederland, liggen 250 biologische producten op de planken, tegen 1100 bij een coop in Zwitserland, 1000 bij een Tesco in Brittannië en 532 bij een Karstadt in Duitsland. Albert Heijn liet aan de onderzoekers weten dat hij weinig vertrouwen meer heeft in de toekomst van het diervriendelijk gekweekte vleeskippetje.

Vrijdag 27 oktober

[dropcap]A[/dropcap]nja, Manja en Tanja naderen hun streefgewicht van twee kilo. Nog twee dagen en anderhalf ons en dan is het zover. De stal is inmiddels veranderd in een witte zee van fladderende veren. Op elke vierkante meter wonen 23, nu haast volgroeide kippen. Dat is ruim onder de norm die Europa aanvaardbaar vindt.

Voor de staldeur in Dirksland staat een auto met aanhangwagentje, waar Jan van der Baan een paar kratten met levende hanen op zet. Een particulier uit Ouddorp heeft ze voor twee euro per stuk gekocht. Hij is van plan om ze te mesten tot ze vier kilo wegen, en ze rond Kerst eigenhandig te slachten. Dat mag eigenlijk niet, zegt Jan. Maar ach, er mag zoveel niet.

Jan van der Baan is niet helemaal tevreden. Er lopen er naar zijn smaak teveel rond die te klein zijn gebleven. Die zal, vreest hij, de slachterij er wel tussen uit halen, wat hem zijn centen kost. Voor het eerst zie ik hanen die een begin van een kam op hun kop hebben en die boos op elkaar afvliegen. ‘De hormonen beginnen op te spelen’, zegt Jan. ‘Het wordt tijd dat ze weggaan’.

Zaterdag 28 oktober

De hele ochtend is het op het erf van de Van der Baans een komen en gaan van Overflakkeese eilandbewoners. Als de ochtend voorbij is zijn er duizend hanen (hebben de mensen liever dan hennen) naar een particulier hok in de buurt verhuisd. Op Eerste Kerstdag zullen die als hoofdgerecht op de christelijke feesttafel belanden.

Zondag 29 oktober, tegen middernacht

In de huiskamer schuift de oudste zoon van Jan en Anneke van der Baan het gordijn opzij. ‘Daar heb je ze.’ Een grote vrachtwagen waarop met koeienletters ‘Van der Veen Pluimveevangbedrijf ‘ staat rolt het erf op, gevolgd door een personenbusje. Uit de vrachtwagen rolt een krachtige shovel te voorschijn en uit het personenbusje stappen zeven sterke mannen. Ze komen allemaal uit Friesland. En ze zijn van beroep kippenvanger.

Jan en Lou van der Baan gaan ze voor naar de stal, waar de Friezen zich omkleden in blauwe trainingspakken. Op hun hoofd zetten ze een muts met de naam van hun baas erop. Ondertussen rijden er drie enorme trucks met oplegger en aanhanger voor, die de kippen, sinds vijf uur die middag verstoken van voer, naar een slachterij in het Belgische Maasmechelen (13.336 stuks) respectievelijk naar een slachterij in het Overijsselse

Dedemsvaart (6.480 stuks) zullen brengen.

En dan gaat het los. De shovel rijdt op volle snelheid vooruit de stal in met lege kratten en op volle snelheid achteruit de stal uit met kratten die door de jongens uit Friesland elk met 42 kippen volgestopt zijn. De Friezen pakken met beide handen zes of acht kippen tegelijk bij een van de poten en ze werpen hun vangst met een boogje in de krat. Als die voor de helft gevuld is duwen ze de inhoud stevig aan, om ruimte te maken voor weer een handvol fladderaars. In de duistere stal, slechts verlicht door zwakke blauwe lampen, liggen de kippen doodstil op hun buik hun beurt af te wachten. Door het blauwe licht zien ze weinig of niets van wat er om hen heen gebeurt.

Nog voor Anja, Manja en Tanja, met de andere kippen in hun hoek, aan de beurt zijn neemt een der vangers, die door de anderen snelle Jelle genoemd wordt, mij terzijde. Hij vangt al zestien jaar kippen. ‘Het is maar goed’, zegt hij, ‘dat de dierenbescherming er niet bij is. Erg diervriendelijk gaat het er niet aan toe. Maar ja.’

Tegen kwart over een die nacht verdwijnen ook Anja, Manja en Tanja in een krat, die door de shovel op de vrachtwagen voor Dedemsvaart wordt geladen. Om precies elf over half twee is de stal leeg. Een kop koffie, een plastic glaasje Fanta en een botercakeplak later zijn de jongens onderweg terug naar Friesland en de kippen op weg naar de slachthaken.

‘Pas op’, grapt Jan van der Baan tegen de vrachtwagenchauffeurs. ‘Ze willen allemaal aan het raampje zitten.’

Als de kuikens vroeg in de ochtend te Maasmechelen of te Dedemsvaart arriveren, zal blijken dat 22 van hen de reis niet overleefd hebben. Bij 2349 kuikens worden bloeduitstortingen aan vleugels of poten geconstateerd.

Maandag 30 oktober, in de nacht

In de bochten onderweg naar Dedemsvaart mindert Rene Harbers zoveel vaart dat zijn lading kippen er niet van gaat schuiven. Je moet ze, vindt hij, wel een beetje mooi afleveren. Hij rijdt sinds zeven jaar met kippen, daarvoor was hij slager. Als kind is hij opgegroeid met het vleeskuiken. Zijn vader had er zestigduizend op stal staan. Toen was het allemaal nog een hoop gemoedelijker. Elke keer als je kippen op kwam halen kreeg je als chauffeur een gehaktbal of een karbonade. Als je nu in Duitsland komt krijg je niet eens koffie. In Nederland nog wel. In Nederland krijg je sowieso koffie.

We komen te spreken over de kip achter de vleeskip. ‘Moeilijke vraag’, zegt hij. ‘Dat vind ik nou echt een moeilijke vraag. Of ik vind dat die kippen een beetje redelijk leven gehad hebben? Moeilijk. Ik weet het niet. Ik vind dat een moeilijke vraag. Zielig dat ze geslacht worden? Moeilijk hoor. Moeilijke vraag. Ik denk het niet. Nee, ik vind het niet zielig. Ik vind het mooi als er bij de mensen thuis een lekker stukje vlees op het bord komt. Maar of ik een kip leuk vind? Moeilijke vraag. Als ze klein zijn vind ik ze wel leuk. Zoals vroeger bij mijn vader. Als ik dan in de stal op mijn rug ging liggen en ik ging een liedje zingen, dan kwamen al die gele kuikentje over me heen lopen. Maar als ze wat groter zijn, nee. Dan vind ik het moeilijk worden. Dan heb ik eigenlijk niets meer met de kip.’

Om vijf voor zes staan we voor de poort van de slachterij. ‘Maar ik eet ze wel graag’, zegt hij. ‘Die dochters van mij ook. Die zijn dol op kip.’

Maandag 30 oktober, rond zeven uur in de ochtend

[dropcap]E[/dropcap]en heftruck tilt de kratten met Anja, Manja, Tanja en de kippen uit hun hoek van de vrachtwagen af en rijdt ze de met blauw licht stressbestendig verlichte voorhal van de Plukon-slachterij in. Dan gaat het snel. De kratten worden op een lopende band getild die ze voortschuift naar een trechter, het kiepstation. Als hun krat aan de beurt is worden Anja, Tanja en Manja, samen met driehonderd soortgenootjes, in die trechter omgekieperd. Ze vallen op een tweede lopende band die ze door een gat in de muur vervoert naar de slachtruimte. Daar vallen ze in een langzaam ronddraaiende carrousel, waar ze zich angstig tegen de wand aandrukken. Zeven mannen tillen de kippen onder hun vleugels op en klemmen hun pootjes vast in ronddraaiende haken. Zo zweven ze, met de kop naar beneden, richting het machinale slachtmes. Eerst maken de haken waar ze aan hangen nog een duik naar beneden, waardoor Anja, Manja en Tanja ondersteboven door een elektrisch geladen waterbad heengaan, waar ze verdoofd uit naar boven komen.

Dertig seconden later zijn Anja, Tanja en Manja uitgebloed

Dan snijdt het mes, berekend op 148 kippen per minuut, ze schuin en scherp de halsslagader door.

In een dun straaltje loopt het bloed ze langs de hals en uit de mond. Ze maken een bocht door wat ‘de bloedgoot’ genoemd wordt en passeren een man die kijkt of de snee in hun hals diep genoeg is. Zo niet, dan geeft een man ze met een vlijmscherp mesje de genadehaal. In de bloedgoot stolt het rode vocht razendsnel, de dikke aangekoekte plak ziet er uit als een olievlek op het strand. Een enkel kippetje fladdert nog wat na met de vleugels.

Het is zeven uur en twaalf minuten. Dertig seconden later zijn Anja, Tanja en Manja uitgebloed.

En dood.

Gert Riemer is de man die ze aan de haken hing. Hij hangt al 25 jaar kippen aan de haken. Thuis heeft hij krielkippen. Een hond slachten? Daar moet hij niet aan denken. Maar kippen? Kippen zijn dom, daar merk je niets van. Met kippen krijg je geen binding. En zielig? Ja, voor zijn krielkippen. Want die zijn dit jaar door de vossen opgegeten.

Bertus Nomden is de man van de genadehaal. Hij noemt zich dierenvriend. Katten en honden, daar houdt hij van. Thuis heeft hij goudvissen. Maar kippen? Die ziet hij niet als dieren. Die ziet hij als producten die stomtoevallig levend zijn.

Maandagmorgen 30 oktober, rond acht uur in de morgen

Zodra ze dood zijn gaan Anja, Manja en Tanja, nog altijd aan hun haken, in een stoombad dat hun veren losweekt. Even later wordt hun kop van hun romp gescheiden. Dan snijden scherpe messen hun looppoten onder de knie af, een ander mes haalt de cloaca eruit, in hun onderlijf wordt een gaatje gemaakt, zodat lepels aan ronde zuigerstangen in een keer de darmen en alle organen uit de buik- en borstholte kunnen omhoogtrekken. Binnen de kortste keren belanden levertjes, magen en hartjes volautomatisch in gereedstaande aparte bakken. Een mensenhand is nergens aan te pas gekomen. Dan gaan de dode kippen door de neksnijder en de longzuiger en als het zover is verdwijnen ze, panklaar, in de koeling. Daar cirkelen ze twee uur lang en rijkelijk met water besprenkeld rond aan een ketting van drie kilometer lengte. Daarna is hun vlees stevig genoeg om verderop in het bedrijf in bruikbare delen uiteengenomen te worden.

Zoals er nog maar weinig tweeverdieners zijn die een bloemkool of een boerenkool uit het schap halen als die niet in roosjes of in repen gesneden onder plastic verpakt zitten, zo maakten Anja, Tanja en Manja ook weinig kans om als hele kip een plaatsje in het rek te bemachtigen. De moderne Hollandse afkeer van de hele kip heeft de slachterij van Plukon niet onberoerd gelaten. Enkele jaren terug stond het er met de verse kipverkoop niet best meer voor. Nu gaat het weer goed met Plukon, omdat de slachterij op tijd de weg van de bloem- en de boerenkool heeft gekozen: de kip kant en klaar in het schap leggen. Of zoals ze het bij Plukon zelf uitdrukken: aan de kip een stuk onkluifbare toegevoegde waarde toekennen.

Vandaar dat Anja, Manja en Tanja, inmiddels in delen uiteengenomen, een dag na hun overlijden de reis naar Wezep ondernemen. Daar stond vroeger een slachterij van Plukon. En daar staat nu, in hetzelfde gebouw, een kant en klare kipmaaltijdenfabriek. Dat de kipfiletjes er van hun karkasje gesneden en op gele bakjes gelegd worden is nog tamelijk klassiek. Vernieuwend was het om van een onafzienbare hoeveelheid Anja’s, Manja’s en Tanja’s succesproducten te gaan maken als daar zijn de stoommaaltijd met kipblokjes, de kipsparerib en het pingoworstje.

In de kantine te Wezep trakteert de bedrijfsleiding mij op een, uit eigen voorraad vervaardigde, warme lunch van Provençaalse kip in braadzak, kant en klare coq au vin, kipfilet met rozemarijn en kip in groen curry. ‘Wij doen hier de leuke dingen’, zeggen ze. De topkok heeft diverse stoommaaltijden op tafel uitgestald, waar mijn tafelgenoten bijzonder enthousiast over zijn. De vraag die hen in de herfst van 2006 bezig houdt: wat gaat de Nederlander in de zomer van 2007 op zijn barbecue leggen?

Na de lunch leidt de productieleider mij, ruimschoots ontsmet, rond door de bedrijfshallen waarin enorme mengmachines de filets gemarineerd en wel naar hun bakjes persen. Een uur later heb ik kennisgemaakt met een ondenkbaar gevarieerd aanbod kipsoorten waaronder kruidige kipreepjes met groenten, kip massala, dunne kipworstjes, dikke kipworstjes, kip met soepgroenten, kip in Turkse kruiden, kipschnitzels, kipreepjes voor de bami of de nasi, kipcordonbleus, kiptournedootjes, kipsaté aan stokjes en voor de kinderen, om kip te leren eten, kiplollies of kipstukjes in de vorm van krokodillen, neushoorns en ander gevaarlijk wild. Het enige lichaamsdeel van Anja, Tanja en Manja waar niets mee gebeurt, aldus mijn rondleider, is de mest die er mogelijk nog in hun buik zit.

Woensdag 1 november

Jan van der Baan heeft alle stro en mest uit zijn stal geschept. Morgen gaat hij duchtig met de formaline in de weer. En nu zit hij in de huiskamer op kousenvoeten te relaxen naast de kooi met het parkietje dat onlangs verdwaald is komen aanvliegen. Hij bladert door de rekeningen die hij aan de broederij en de voederleverancier moet voldoen en door de slachtrapporten die hij zojuist uit Maasmechelen en uit Dedemsvaart heeft gekregen.

Anja, Manja en Tanja hebben, in de dagen dat ze bij hem waren, elk voor 72 eurocent aan voer opgeschrokt. Ook hebben ze voor 11 cent water gedronken, elektra verbruikt en inentingen gekregen.

Toen hij ze als kuikentje in Groenlo kocht, moest hij 28,5 eurocent voor ze neertellen. En toen hij ze als vleeskip naar Dedemsvaart liet gaan, leverden ze hem, btw incluis, honderdveertig eurocent op. Hij telt op, trekt af, houdt rekening met rente en diverse posten diversen. Hij mag blij zijn, zegt hij, als hij aan Anja, aan Manja en aan Tanja een kwartje per stuk over zal houden.

Nog zes dagen. En dan komen er 21.000 verse eendagskuikentjes naar zijn stal in Dirksland.

Bij Van der Valk aan de rand van Arnhem ontmoet ik Hans van der Vleuten, praktiserend Zen-mediteerder en algemeen directeur van de broederij waar Anja, Manja en Tanja uit hun ei kropen. Later die middag heeft hij hier een zakelijke bespreking.

Onder het genot van een garnalencocktail met een glaasje wit bejubelt hij de zelfstandigheid in verbondenheid, die de Nederlandse vleeskuikenboer kenmerkt. Ik juich met hem mee over de bacterievrije productie van het Hollandse kippenvlees. Daar mag je niet op rekenen bij de diepgevroren bulkimporten kip die uit Thailand en Brazilië hierheen komen vliegen als grondstof voor het opwarmsateetje of de frituurnugget.

Hans van der Vleuten denkt dat veel mensen zichzelf opgesplitst hebben in een deel burger en een deel consument. Het deel burger ziet de kip het liefste scharrelen in een boomgaard. Maar het deel consument wil het vlees graag voor minder dan drie euro de kilo uit het schap halen.

Dan komen we te spreken over het diervriendelijke en het dieronvriendelijke in de bedrijfstak. Ik zeg dat Zen-aanhangers voor zover ik weet een tedere omgang met dieren voorstaan. Hans van der Vleuten beaamt dat. ‘Als ik één fase in de keten niet mooi vindt’, zegt hij, ‘dan is dat het doden en in stukken snijden van de dieren. Voor mij is het geboorteproces, waar ik me mee bezig houd, veel mooier.’

Dat loopt binnen de kortste keren uit op het slachthuis, zeg ik.

‘Misschien verdring ik dat wel, persoonlijk.’

De maatschappij, zegt hij, bepaalt nu eenmaal de economische kaders waarbinnen hij met veel plezier aan zijn broederij leiding geeft.

Uw kuikens, houd ik aan, mogen, als ze bij u weg zijn, geen nacht doorslapen.

‘Verdringing is onbewust. Als ik er bewust over nadenk zeg ik: nee. Dan zie ik geen bezwaren.’

Ook al groeien ze zichzelf soms dood?

 

Ton van Dijk: De dood van een cowboy

Good old Ton van Dijk is een van de beste vertellers in de Nederlandse journalistiek. En zijn ‘cowboy’ is een onvergetelijke reportage, vindt Henk Blanken. Hij liet Ton van Dijk per mail aan het woord.

OOoit was het land daar slechts polderland, nu rijst aan de noordelijke kim het pijpen- en buizenwoud van de Botlek. Als de wind verkeerd staat wordt de was aan de lijn sneller zwart dan tijdens het dragen en ruik je de fabrieken van verre.

Mooie dorpjes zijn het, Geervliet en Heenvliet op het Zuidhollandse eiland Putten, tweelingdorpen verbonden door een smalle, kronkelende slaperdijk. De dorpskernen liggen hoger dan het omringende land. In de polder zijn nieuwe wijken gebouwd voor mensen die Rotterdam wilden ontvluchten of naar de Rijnmond kwamen voor werk. Van oudsher behoorden de bewoners tot het zwarte volk, streng gelovig, de zondag werd geheiligd, de weekdagen waren er voor hard en zwaar werk op het land van zeeklei. De import bracht frivoliteit en lawaai, barbecue en kratten pils in zomeravondse tuinen. De eertijds zo stille markt in Heenvliet, met zijn keurig gerangschikte keitjes, kreeg een disco annex snackbar.

Open hier het interview

HB: Zo’n lange, gedragen inleiding zouden we nu niet meer doen, geloof ik. Of wel? Het is prachtig en sfeervol, maar het duurt wel even voor het verhaal met wat handeling op gang komt.

TvD: Ik doe dat vaak. De beschrijving van, zoals dat in politietaal heet, de pd, plaats delict, in dit geval de omgeving. Ik schrijf in blokken die wisselen van plaats, in tijd of van standpunt. Als ik begin met bijvoorbeeld de schoten van een misdaad, komt daarna de omschrijving waar, dus zeg maar als tweede blok. Doch meestal al in het begin, om de lezer met zachte hand het verhaal binnen te voeren. Nu ook nog. Voor Trouw schreef ik (dik 7000 woorden) vorig jaar een stuk over de domineemoord in Ubbergen, ook weer volgens dat procedé, eerst de beschrijving van het huis en de straat waar de ene dominee de ander met een bijl de hersenen insloeg.

De Vissersdijk begint bij de markt, het eerste gebouw aan de rechterkant is een houten, donker geteerde schuur. Na een stuk tuin volgt het eerste woonhuis met een krullerig uithangbord: ‘DEN GLAZE GRAVEUR. OPEN ATELIER WHAT’S IN A NAME’. Sinds vrijdagavond 4 maart staat het huis leeg. Aan de straatkant zijn de gordijnen dichtgetrokken, alleen een lege fles Old Smugglers-whisky is op de vensterbank achtergebleven.

Bij Jan Spruit, de glasgraveur van dat eerste huis op de Vissersdijk, leek het soms ook wel een disco. Tot diep in de nacht waren mensen er welkom en als het weer het toeliet zaten ze in de tuin. Een gekke tuin van die gekke Jan Spruit met zijn wapperende, blonde lange haren, zijn snor, dat puntsikje en die eeuwige cowboyhoed. Hij hield van drama, van overdrijven. Hij was een cowboy, de laatste echte cowboy, hij zei dat hij als cowboy vóór zijn veertigste wilde sterven.

Open hier het interview

HB: Van meet af aan kies je de positie van de alwetende verteller. De verslaggever is zelf vrijwel helemaal afwezig (op de uitzondering kom ik nog). Hoe zorg je ervoor dat de lezer je geloofwaardig vindt?

TvD: Door veel te weten kun je zo schrijven dat de lezer niet twijfelt aan het waarheidsgehalte.

In de laatste weken van februari en begin maart kwamen de geluiden uit het huis niet van gezelligheid. Jan had een nieuwe vaste vriendin, Marlène, achttien jaar en het spontane hart op de tong. Voor ze officieel zouden trouwen moest de verbouwing klaar zijn. Marlènes moeder, haar stiefvader John, en Marlène en Jan zelf klusten al weken in het huis. De oude zolderbalken waren schoongeschraapt en die vrijdagavond hadden ze schrootjes tussen de balken gezet. Ze namen nog een pijpje bier, het was bijna gedaan en de klok was 23.00 uur voorbij toen Jan zei: ‘Ik klap bijna, godverdomme, ik moet effe zeiken.’ Jan ging de achterdeur uit.

Buiten was het aardedonker. Door de beslagen ruiten viel wel licht op het plaatsje, maar vanuit de kamer kon je in de tuin niets zien. Er klonken vier knallen, kort na elkaar. Binnen dachten ze dat Jan een geintje uithaalde. Hij had wat met vuurwerk en stak natuurlijk, blij dat het karwei bijna geklaard was, een paar rotjes af. Lacherig liep John naar het raam, hij veegde een plek schoon en probeerde naar buiten te kijken. Hij hoorde Jan niet en kon van licht naar donker niets onderscheiden.

Hij stapte de deur naar het plaatsje uit. Jan lag voorover op de tegels. Jan? Jan! Wat is er, wat doe je? De anderen kwamen aanlopen. Toen John zich over het lichaam van Jan boog, stond er ineens een zwarte kruin naast hem, een wachtmeester van de rijkspolitie. Waar kwam die zo ineens vandaan? De politieman keek naar Jan en voelde aan hem. Vuurwerk, rotjes? Er was op Jan geschoten en ze moesten onmiddellijk naar binnen en binnen blijven ‘in het belang van het onderzoek’. De maat van de wachtmeester was al naar de surveillancewagen om assistentie te vragen. Toen Jan naar buiten kwam vormde hij een goed doelwit tegen het licht van de ramen. Vier kogels hadden hem in borst en buik getroffen, ‘de dood trad vrijwel onmiddellijk in’. Jan Spruit was zesendertig jaar geworden.

Open hier het interview

HB: Hier vallen twee dingen op. Je geeft citaten nu weer zonder aanhalingstekens (Jan! Wat is er, wat doe je?). Ben je minder zeker van zo’n citaat dan de quote van Jan Spruit een alinea eerder (‘Ik klap bijna…’)? En je geeft weer wel tussen aanhalingstekens de formele taal van de politie weer (‘de dood trad…’). Dat geeft de verteller wat gezag, neem ik aan?

TvD: Ik heb uiteraard Marlène en haar ouders gesproken. Zij schrokken toen ze Jan zagen liggen. Ze wisten natuurlijk niet meer precies wie wat op dat moment riep. Door geen aanhalingstekens te gebruiken schetste ik de algemene consternatie. Die proces verbaal gebruik ik inderdaad om het geheel een officieel aanzien te geven. De afwisseling in de verteltrant en dat soort taal vind ik mooi en die quotes zijn trouwens ook echt.

Tegen het ochtendgloren meldde een ontredderde Hans V., rechercheur bij de Rotterdamse gemeentepolitie in de rang van hoofdagent, zich bij het wegenwachtstation van Rhoon, een heel eind verderop. Zijn herinneringen waren glazig en versuft. ‘U zegt mij dat ik vier kogels heb afgevuurd op Jan Spruit. Het zal wel zo zijn, ik kan het mij niet herinneren.’

Een maand na de dood van Jan ziet zijn tuin aan de Vissersdijk er verwaarloosd uit, de lente broeit in de grond, vals gras en distels steken op en de paardebloemen willen vroeg bloeien. Op de zachtglooiende driehoek grond zijn hier en daar stukjes geëffend en ommuurd met een rand stenen om zitjes te maken. In het verste punt van de tuin staat een driepoot, daarin hangt een fors stuk boomstam, op de ronde kant zijn cirkels getekend als van een schietschijf. Jan gooide met tomahawks. Hij was er handig in, zowat alles wat scherp was, kreeg hij in het hout: bijlen, messen, speren.

Jan was altijd met die tuin bezig, een zitje hier, een randje stenen daar. Z’n vrienden zeiden wel eens dat Jan leefde bij de seizoenen. Wanneer de blaadjes vielen, kreeg hij het in de kop en wanneer de blaadjes kwamen óók, maar dan was het meestal uitbundiger. Vorig jaar met de lente wilde hij een kanon in de tuin zetten, de loop had­ie al, de halve zool. Hij moest alleen nog een affuit hebben, wanneer de gek dat gevonden zou hebben, was er op een tuinfeest zeker met losse flodders geschoten.

Het was Dirk van de houthandel in Geervliet die Jan in contact bracht met Hans. Jan had moeilijkheden met zijn boekhouder, hij verdacht de man ervan hem op te lichten. Dirk wist dat Hans, zijn buurman, rechercheur was en vroeg hem eens mee te gaan naar Jan in Heenvliet om wat advies te geven. Dirk kende Jan al jaren, Jan hielp hem af en toe met een klusje en hij was ook nog een goeie klant van Dirks Houthal in het centrum van Geervliet. Bij de cowboy van Heenvliet kon iedereen naar binnen stappen: dokter, pooier, bedelaar, notaris of politieagent zoals Hans, het maakte Jan niets uit. Hij zei altijd: ‘Als je een hart in je donder hebt en je kan lullen, dan ben je bij mij welkom. Het bier staat daar, je pakt als je dorst hebt.’

Trix, de vrouw van Hans, ging ook ‘ns mee, ze vond het gezellig. Hans en Trix kwamen meer bij Jan, zeker op de tuinfeesten die Jan gaf, zoals met het jaarlijkse dorpsfeest, de paardenmarkt. Jan en Helma wisten altijd sfeer en gezelligheid te scheppen en vaak werd het een dolle boel. Jan en Helma, Hans en Truc, ze bevielen elkaar wel, die vier. Hans en Trix bleven komen, ze werden huisvrienden.

In 1971 kwam Hans van de opleidingsschool voor gemeentepolitie. In september begon hij als aspirant-­agent bij de uniformdienst in Rotterdam­-Zuid. Hans werd in de groep waar hij werkte als een goede collega beschouwd. Henny werkte bij dezelfde ploeg, Hans werd zijn vaste maat. Het klikte tussen die twee, ze draaiden dezelfde diensten, ze hadden dezelfde mentor en ze reden samen op de surveillancewagen. Henny kon uitstekend met Hans overweg, z’n maat was beheerst, niet agressief en hij had humor. Ze voetbalden samen in een amateurteam van Overmaas, Hans was geen groot talent maar wel een echte sportjongen; door zijn inzet, mentaliteit en onverwoestbare conditie was hij een bruikbare rechtsachter: Hans’ eigenlijke hobby was het lange­afstandlopen. Hij liep bijna dagelijks tien, vijftien kilometer, begon aan de halve marathon, liep later de landelijke politiemarathon in Assen binnen drie uur en was daarmee de beste Rotterdammer. Hij had karakter en kon afzien.

Hans werd volgens schema bevorderd tot hoofdagent en ging de recherchecursus doen. Zonder problemen haalde hij net als zijn maat de eindstreep. Zijn beoordelingen waren zonder meer goed, uitstekend kun je wel zeggen. Niets leek zijn glad en soepel lopende carrière bij de Rotterdamse politie in de weg te staan.

Open hier het interview

HB: Hierboven gebruik je voor het eerst in dit stuk de jij-vorm als vertellerstruc (‘uitstekend kun je wel zeggen’). Dat doe je later vaker. Het is een mooi, beetje vaag midden tussen de eerste persoon (jij als verslaggever – maar dat wil je vermijden) en het noemen van nog meer bronnen. Hoe bewust doe je dat, of is het, zoals bijna alle verslaggevers zeggen, een kwestie van intuïtie?

TvD: Het is denk ik wel bewust. Wanneer je dit soort karakterbeschrijvingen in quotes zou opschrijven, jan zei dat, Piet dit, kost dat veel ruimte en het maakt een en ander ook lastiger lezen door al die verschillende bronnen. Dus dan parafraseer ik. Ik heb genoeg mensen gesproken om dat soort onderdelen van een portret te componeren.

Jan kwam uit een groot gezin. Toen zijn vader nog op de wilde vaart zat, werd er na elke reis van een jaar, anderhalf jaar soms, wel een kind gemaakt, acht in totaal. Toen vader aan de wal ging werken, verhuisde het gezin van Schiedam naar het noorden, vader kreeg een baan daar.

Moeder was scherp, vlijmscherp. Als ze zei dat iets blauw was, dan kon je dat maar beter niet tegenspreken. Nu nog, drieënzeventig jaar oud, is haar wil een wet.
Jan was anders dan de anderen, een moeilijk kind, altijd tegen de draad in. Toen­ie elf, twaalf was werd­ie een tijdje naar een opvoedingsgesticht in Zeist gestuurd. Ook daar flikte Jan van alles, hij spande touwtjes op de trap om de pastoor te laten vallen. Op zijn veertiende verjaardag kreeg hij van moeder een paspoort, een monsterboekje en een plunjezak. ‘Ga jij maar varen, iets anders ben je niet nut,’ zei ze en Jan ging. Jan en moeder, dat akkordeerde niet en het is nooit veel beter geworden.

Nadat Jan het huis uit was, hadden moeder en hij niet veel contact meer. Een hoogst enkele keer belde Jan eens op, de gesprekken waren kort en koel. Moeder hield niet van Jans manier van leven en zeker niet van hoe hij eruitzag, altijd die rare cowboykleren, die grote hoed en dat háár. Zo’n voorbeeld had haar man z’n kinderen niet gegeven. Moeder zou nooit willen erkennen dat Jan wel iets had van de bon vivant die vader was. In z’n goede tijden was Jan bij iedereen gezien, zeker bij het zwakke geslacht. Zijn blonde haar en die sprekende bruine ogen trokken vrouwen aan en hij kon ook zo’n vrije, makkelijke en vrolijke indruk maken. Voor buitenstaanders was Jan omringd met de geur van romantiek en avontuur, hij droeg het aureool van de vagebond die dingen deed waar anderen alleen maar van droomden.

Hans was serieus in z’n werk, ambitieus. Hij trouwde met Trix, een lieve, schuchtere meid van het Brabantse land, ze kochten in de nieuwbouwwijk van Geervliet een keurig hoekhuis. De ramen aan de straatkant werden opgesierd met planten en handgeweven en ­geknoopte versieringen, om de tuin kwam een schutting van manshoog houten vlechtwerk. Hans en Trix kregen twee kinderen, de oudste, John, is nu vijf, een leuk rossig meidje kwam als tweede de ‘rijkeluiswens’ vervullen. De ramen van de kinderkamers aan de achterkant kregen kleurige zelfgemaakte poppen en beesten op de vensterbanken.

Trix was niet sterk, aan de eerste, zware bevalling hield ze rugklachten over. Dat, en die twee kleine handenbindertjes de hele dag over de vloer, maakten haar leven als moeder, huisvrouw en echtgenote zwaar, zwaarder dan ze gedacht had. Er waren tijden dat ze er nauwelijks tegenop kon. Voor haar rug liep ze bij een specialist, na een operatie en zes weken ziekenhuis hield ze klachten. Gelukkig maar dat ze aan Hans zo’n goeie man had, hij probeerde niet veeleisend te zijn en haar met alles zoveel mogelijk te helpen. Zijn huwelijk en zijn gezin waren Hans heel wat waard.

Hans had het naar z’n zin bij de Rotterdamse gemeentepolitie, in het huis in Geervliet woonde hij prettig. Hans vond het leuk met Jan en Helma uit Heenvliet kennis te hebben gemaakt, je kon er inlopen wanneer je wilde en je leerde bij Jan allerhande types uit de omgeving kennen. Na z’n avonddiensten en soms zelfs na z’n nachtdiensten was er bij Jan nog wel eens bedrijvigheid en volk over de vloer. Jan accepteerde hem als politieman, Hans kon daar iemand zijn, zich even ontspannen. Als Hans overdag vrij was, hielp hij Jan wel eens met klusjes in zijn atelier, zo leek de relatie in evenwicht.

Nadat Jan een paar jaar gevaren had, hield hij het voor gezien, aan de wal was het leuker. Zijn broer Piet had het monsterboekje er ook aan gegeven en woonde in de Rotterdamse Afrikaanderwijk, een oude volksbuurt in Zuid. Jan trok bij zijn broer in, samen pakten ze alles aan, meestal via koppelbazen, die betaalden het best. Scheepswerven, laden en lossen, voor goed betaald werk stonden hun handen niet verkeerd.

Jan kreeg steeds meer dat wilde uiterlijk, een hippie leek hij wel. Moeilijk was hij nog, agressief ook, hij kon zo driftig worden. Hij ging af en toe met z’n broer Bas stappen en dan sloegen ze mekaar aan het einde van de avond de koppen in om niks. Bas heeft aan een van die avondjes een stifttand overgehouden. Jan blufte vaak dat hij alles durfde. Je kon hem beter niet uitdagen want dan deed hij het ook. Als het om gezelligheid ging, liepen alle broers en zussen met Jan weg, een bruiloft of familiefeest was geen echt feest als Jan verstek liet gaan. Jan was de gangmaker, al danste hij maar met een stoel in het rond, dan lag de familie plat. Op een oudjaarsavond had Jan zich helemaal als vrouw verkleed. Hoge hakken, nylonkousen, twee sinaasappelen in z’n beha. Ze gingen om twaalf uur de straat op en Jan had de rotjes als een patroongordel in z’n kouseband gestopt. Af en toe tilde Jan zijn rok op en trok hij een rotje uit de kouseband, je had de mensen moeten zien kijken. Om dat soort dingen kon zijn broer Piet lachen, maar als je Jan dag in dag uit met dat wisselende humeur en zijn driftbuien over de vloer had, werd het je wel eens te veel. Piet zei tegen zijn vrouw dat het voor Jan beter zou zijn als hij trouwde. Het werd tijd dat Jan zijn benen eens onder zijn eigen tafel kon steken, dan zou het wel gedaan zijn met die malle fratsen.

Open hier het interview

HB: Ook dit is een stilistische truc die je vaker gebruikt: het taalgebruik van je bronnen weergeven zodat hun stemmen klinken, terwijl je ze niet direct citeert (‘zijn benen eens onder zijn eigen tafel kon steken’ en verderop bijvoorbeeld ‘Buiten kreeg hij knokken’). Het zijn de quotes die je meteen noteert, neem ik aan?

TvD: Absoluut. Ik ben erg gespitst op het exacte taalgebruik van de geïnterviewden. Ik werk heel vaak met de cassetterecorder. Veel uittikwerk, maar het loont de moeite.

Jan kwam Helma tegen, een leuke meid. Ze moesten trouwen en ze gingen bij Piet om de hoek in de Parelstraat wonen.

Vanaf het begin van hun huwelijk had Helma het niet makkelijk met Jan. Toen zij in mei 1968 thuis van hun eerste kind beviel, belde Jan z’n moeder op: ‘Moe, ik heb een dochter.’ Moeder zei: ‘Gelukkig, dan heeft Helma tenminste wat, want aan jou heeft ze toch niks.’ Na zoiets werd­ie gek en dan moest Helma het ontgelden: ‘Was jij maar in de kraam gestorven!’ Schelden, schreeuwen, een stuk lawaai, hij had een stem om cokes mee te kloppen, de hele buurt luisterde met de ruzies mee. Wanneer het zo toeging, stonden mensen voor de buitendeur te luisteren maar ze dorsten niet naar boven te komen. Het huwelijk van Jan en Helma werd een golfbeweging met steeds diepere dalen en steeds minder toppen. Het tweede kind kwam twee jaar later, weer een dochtertje, ze waren er blij mee, maar het betekende niet dat Jans zucht naar het avontuur, naar cafés, de straat en belevenissen minder werd. Helma hoopte op een normaal leven. Jan kon dat niet beloven. Dat was wel eerlijk, maar met dat soort eerlijkheid schoot je weinig op. Altijd was er wel wat. Die verhalen over hoe ’n leuke vent Jan wel niet was en hoe gezellig het was om met hem om te gaan, waren voor Helma geen nieuws meer. Niemand heeft met Jan geleefd zoals zij.

Open hier het interview

HB: De laatste zin hierboven staat in de voltooid tegenwoordige tijd, terwijl de rest in de verleden tijd geschreven is. Je doet het nog een paar keer. Waarom?

TvD: Dat is een soort intuïtie, een gevoel, niet gebaseerd op regels. Ik betrap mezelf erop dat ik daar af en toe mee rommel, maar soms gebruik ik ook TT na VT om weer vaart in de tekst te krijgen.

Toen ze pas getrouwd waren voelde Helma zich een sulletje, ze zei overal ja en amen op, ze dacht dat het beter was de lieve vrede te bewaren. Dat hielp niet, er was evengoed ruzie, maar bovendien vond Helma dat het leven niet alleen maar bestond uit ja­zeggen, ééns moest ze paal en perk gaan stellen, het ja­knikken had niets opgeleverd. Er waren grenzen, zoals toen ze op kerstavond naar het buurtcafé De Maas waren gegaan. Helma wist dat Jan altijd achter de vrouwen aan zat, ze had het min of meer geaccepteerd, moeten accepteren, hoewel je zoiets niet echt makkelijk kunt verkroppen. In het café raakte Jan aan de praat met een ander echtpaar. Het ging over partnerruil. Zoiets zag Helma helemaal niet zitten. Toen Jan er tegen haar over begon, zei ze dat direct. Jan moest zelf maar weten wat hij deed, maar als hij die mensen mee naar huis wilde nemen, dan ging zij de Margriet wel lezen. Punt uit. In het café bleef Jan nog rustig maar eenmaal thuis begon hij opnieuw en kreeg hij het op z’n heupen. Hij trok een hartsvanger uit het hout van de schoorsteen, toen al was hij gek op wapens, en wilde Helma te lijf. Helma vluchtte naar de zolder en kroop door een gat in de berging. Het gat was zo nauw dat ze zich achteraf afvroeg hoe ze daar in godsnaam was doorgekomen, maar ja, als je maar genoeg angst hebt, dan is een muizenhol misschien nog groot genoeg.

Jan kon Helma niet vinden en rende de straat op om haar te zoeken. Buiten kreeg hij knokken met een stel buitenlanders. Ze stonden fietsen en keien naar elkaar te gooien. Hij kwam naar boven rennen om zijn dubbelloops jachtgeweer te halen.

Door de ruzie binnen, waren de ballen van de kerstboom gevlogen. De straat stond zwart van de mensen. Toen Jan met z’n geweer naar buiten liep waarschuwden ze dat de politie eraan kwam. Jan holde terug naar boven, trok z’n kleren uit en ging in bed liggen. Toen de politie aanbelde, schreeuwde hij woedend naar beneden hoe ze ’t in derlui stomme harses kregen om iemand midden in de nacht uit z’n bed te halen. Hij gooide ze het geweer naar de koppen en hij wilde ze met een speer te lijf. De agenten kwamen met getrokken pistolen de trap op. Ze wilden Jan fouilleren, terwijl hij alleen maar z’n onderbroek aanhad. Jan trok z’n onderbroek uit en begon te vechten. Het werd een kloppartij in het kleine huis, pas toen één agent hem op z’n blote voeten stampte en een ander hem een stomp in de maag verkocht, kregen ze hem in de boeien. Hij werd in z’n blote kont naar beneden gebracht en in de bus gezet.

Als er weer trammelant geweest was, gedroeg Jan zich de dagen erna als een mak lam. Dan huilde hij een potje en dan dacht Jan dat alles weer goed was. Marjolein en Karel waren in de Parelstraat goeie vrienden van Jan en Helma. Ze hebben wat keren geprobeerd de ruzies te beslechten, ze stonden zowat elke week op de stoep als het weer eens uit de hand dreigde te lopen. Wanneer Marjolein en Karel er waren, huilde Jan dikke tranen en beloofde hij dat hij het nooit meer zou doen. Maar Jan kon geen normaal leven leiden, hij probeerde het wel een tijdje, lang duurde het nooit. Het had niet eens zozeer met drank te maken, Jan zoop bier met sloten, maar hij kon ook ineens stoppen en een half jaar Spa en Seven­Up drinken zonder dat hij er rustiger van ging leven. Helma begreep dat het met Jan nooit beter zou worden. Ze had af en toe heel gezellige tijden met hem gehad, dat was echt zo, maar de nadelen werden groter dan de voordelen. Zij hakte de knoop door, ze moesten maar gaan scheiden.

In het begin deed Jan er overdreven optimistisch over. Het was prima, die scheiding, eindelijk zou hij zijn vrijheid terugkrijgen. Hij voelde zich een hele bink, riep tegen iedereen die het maar horen wilde dat hij weer een vrij jongen werd en liet de datum van de scheiding alvast op zijn arm tatoeëren. Die datum was nog fout ook, de officiële uitspraak was een paar weken later. Jan ging bij kennissen buiten Rotterdam in een caravan op hun erf wonen, Helma bleef met haar dochters Astrid en Sylvia in de Parelstraat.

Hans kwam na de recherchecursus bij de recherche. Ook daar ging het werk hem goed af. Eind jaren zeventig kwam er een plaats vrij bij de CID, de Criminele Inlichtingen Dienst. Hoogwaardig, specialistisch werk, ze wilden er in het korps alleen de besten voor hebben. Zijn oude maat Henny werkte daar al, de CID bestond uit een ploeg van zes rechercheurs die zich enkel bezighield met informatie verzamelen. Vroeger werden ze caférechercheurs genoemd omdat het voornaamste deel van hun taak eruit bestond zich in de clubs en kroegen onder de jongens van de vlakte te mengen. Een leuke maar moeilijke baan binnen het korps, er was veel belangstelling voor, je werd het niet zomaar.

Het werk stelde hoge eisen. Je ging om met hasjboeren, pooiers, dealers, inbrekers en containerboeren, je zat tot diep in de nacht met zware criminelen aan de bar. In dat werk zijn de verleidingen soms groot. De penoze probeert je uit, ze kijken tot hoever ze met je kunnen gaan en of je plat te maken bent. Als je niet tegen vrouwen en drank kunt, moet je er maar liever helemaal niet aan beginnen. Je moet ook goed met mensen om kunnen gaan, rustig en met zelfvertrouwen. Bluffers, opscheppers en grootsprekers vallen gauw door de mand. Als ze geen waardering voor je kunnen opbrengen omdat je als politieman niet staat voor je werk dan pruimen ze je niet meer. Je moet in het pulletje vallen, anders hoor je en zie je niks. De politie is een noodzakelijk kwaad en alleen als je stevig in je schoenen staat en respect verdient, wil men je nog wel eens in vertrouwen nemen. Als CID­-rechercheur sta je zelfs onder druk van je eigen collega’s. De jongens van de uniformdienst rijden in de pitwagen en zien jou op de hoek van de straat joviaal kletsen met een zware crimineel. Klap op de schouder, je schuift een café binnen, de conclusie dat je wel plat zal zijn is gauw getrokken. Roddels en verhalen zijn er snel, wat is er nou leuker dan een smeris in de luren leggen. Meiden die vertellen dat ze met je op stap zijn geweest en een gezellig wipje hebben gemaakt. Je moet ertegen kunnen en je voor je bazen kunnen verantwoorden, want die reageren met het boek in de hand soms zo verdomd rechtlijnig.

De voorkeur van de leiding gaat uit naar iets oudere rechercheurs, maar ook jongeren maken een kans, vooral als ze zulke grandioze beoordelingen hebben als Hans had. Je moet naar de post solliciteren, maar de collega’s bij het CID hebben een zware stem in het kapittel als het om een nieuwe jongen in de ploeg gaat: Ze kennen de rechercheurs van het korps wel en ze willen niet het risico lopen dat ze er iemand bij krijgen die zich niet kan aanpassen. Hans solliciteerde, Theo Buis, de oudste rechercheur van het team had hem gevraagd dat te doen.

Jan had van jongs af aan een artistieke tik, hij knutselde altijd en kon uit ouwe troep de mooiste dingen maken. Het begon met houtsnijwerk, hij maakte van balkjes dolken en zwaarden, heft en schede bewerkt met paardefiguren. Jan had een natuurtalent voor tekenen, snel en trefzeker zetten zijn handen op papier wat zijn ogen zagen. Hij had geen vrede met het werken voor koppelbazen. Hij wilde meer en zocht daar altijd naar. Hij was een tijdje helper van de motor­stuntrijder Jan Vos, samen zijn ze nog eens bij Willem Duys op de televisie geweest. Jan Vos reed zich later dood bij een stunt.

Jan begon met leerbewerken. En hij ontdekte het glasgraveren. Dat werd zijn beroep, met tekenen alleen kon je moeilijk je brood verdienen, maar tekeningen gegraveerd op ruiten, spiegels en glazen deden het goed. Zijn interesse voor wapens, ook antieke, kwam hem goed van pas. Zijn series van ridders en soldaten in volle wapenrustingen werden met zwier gegraveerd. Glasgraveurs telde Nederland niet veel, Jan werd bekend en hij schaarde zich bij het handjevol vakbroeders dat met graveren de kost kon verdienen. Het kunstenaarsachtige beviel Jan wel, je eigen tijd indelen en niks met bazen te maken hebben. Het vergde wel veel van zijn zelfdiscipline. Jan had het huis in Heenvliet gekocht en achter het kleine winkeltje begon hij zijn eerste atelier. Maar hij greep elk excuus aan om niet te hoeven werken en excuses waren er genoeg zolang er maar volk aan de deur kwam. Hij ging lesgeven aan de volksuniversiteit, cursussen leerbewerken en glasgraveren. Een kolfje naar zijn hand, er kwamen op die cursussen vooral veel vrouwen af die een hobby wilden hebben om hun dagen in de nieuwbouwwijken door te komen. Jans lessen waren populair en buiten de lesuren onderhield Jan af en toe innige contacten met leerlingen.

Met Karel reisde hij van Sneek tot Middelburg het land af om op braderieën en markten te werken en leren spullen en gegraveerd glaswerk te verkopen. Ze deden goede zaken, hoewel Jan een rare was. Hij flapte er van alles uit. Hij zei rustig tegen mensen die voor zijn kraam stonden: ‘Loop jij maar door, je porem staat me niet aan.’ Maar hij vroeg ook de pet van een agent en graveerde voor hem en diens collega het embleem op twee bierglazen. ‘Hier, neem mee voor thuis, jullie lopen hier de hele dag ook voor ons.’ Als Jan het op z’n heupen had, trok hij altijd volk naar de kraam en dan werd er goed verkocht. Z’n oog moest alleen met op een leuke meid vallen die wel wat wilde, want dan was Jan de hele dag verdwenen, of lag hij achter het zeil van de kraam of in de auto met zo’n meid te rommelen en als Karel dan dekking moest geven, kwam er van de handel niet veel terecht.

Niet lang na de scheiding besefte Jan dat hij niet buiten Helma kon. Hij begon zich in de gekste bochten te wringen om Helma terug te krijgen. Toen het met gewoon bellen en vragen niet lukte, zette hij zelfmoordpogingen op touw. Hij belde Helma op dat hij doodging omdat hij vergiftigde planten had gegeten. Helma waarschuwde de dokter en kwam uit Rotterdam naar Heenvliet. Jan had de bladeren van een dieffenbachia opgegeten. De dokter zei dat Jan er wel een dagje beroerd van zou zijn, maar dat hij niet dood zou gaan, hij zal hoogstens kotsmisselijk worden.

In die jaren moest Jan af en toe een paar dagen naar de psychiatrische afdeling van het Delta ziekenhuis. Na een van de eerste keren moesten Jan en Helma bij een psycholoog komen die gesprekken met ze wilde hebben om te zien of er wat aan hun relatie te doen was. Helma wilde niet terug, zelfs de psycholoog zei dat Helma groot gelijk had, maar Jan werd steeds gekker. In het lege huis in Heenvliet kwijnde hij weg. Hij had vriendinnetjes genoeg en al zette hij om de haverklap nog huwelijksadvertenties óók, Jan kon niet buiten Helma. Hij slikte pillen. Hij ging een keer in de tuin zitten met een geladen ouderwets kruitpistool tegen z’n hoofd. Als Helma niet terugkwam, zou hij zich van kant maken. De politie moest er weer aan te pas komen. Dat soort chantagemiddelen gebruikte hij wel, maar de reeks gesprekken met de psycholoog afmaken, deed hij niet.

Uiteindelijk zwichtte Helma, haar medelijden kreeg weer eens de overhand. Ze ging terug en liet Jan beloven dat hij zou proberen een normaal gezinsleven met haar en hun dochters te hebben. In het begin had ze het moeilijk. De overgang van de stad naar zo’n stil dorp was groot en met Jan was het, ze had het kunnen weten, al na korte tijd opnieuw mis gegaan. Toen ze nog niet zo lang terug was, hadden ze een logéetje over de vloer, een meisje van vijftien jaar, ze was stevig uit de kluiten gewassen. Het was ’s avonds laat geworden en er was behoorlijk wat bier doorgegaan. Midden in de nacht wilde Jan bij dat kind kruipen. Helma hield hem tegen en mokkend ging Jan mee naar bed. Na een tijdje schrok Helma wakker, Jan lag niet meer naast haar, hij had het toch in z’n dronken kop gehaald om naar dat kind te gaan. Helma vloog uit bed, Jan stond in de logeerkamer, dat kind was zich natuurlijk kapot geschrokken.

Het werd de zoveelste vreselijke ruzie, Helma kreeg slaag. Tot drie keer toe kneep Jan Helma’s keel dicht. Hij zou haar wurgen als ze het waagde om hem in de weg te staan. Helma riep: ‘Doe het maar!’ dat was misschien nog het beste. Helma heeft nooit begrepen hoe iemand zoiets kon doen, in z’n eigen huis waar zijn eigen vrouw bij was. Eerst had hij zo gebeden en gesmeekt of ze terug wilde komen en dan zoiets. De vader en moeder van het logéetje kwamen de andere dag naar Heenvliet om verhaal te halen. De vader bleef buiten lopen, gelukkig maar, anders was het een. veldslag geworden. De moeder was furieus , maar het gekke was dat, hoewel Helma de moeder in haar hart volkomen gelijk gaf, ze in dat soort situaties toch weer partij trok voor ‘haar’ Jan, ze kreeg op zulke momenten medelijden met hem, het was eigenlijk zo’n zielig persoon. Ze had zoveel meegemaakt dat ze eigenlijk steeds meer accepteerde. Dingen waar een andere vrouw niet over geprakkiseerd zou hebben ze toe te laten, vond zij al bijna normaal. Ze ging met Jan eens ’n keer mee naar een van zijn leerbewerkingscursussen, had je die vrouwen daar moeten meemaken. Ze keken Helma zowat de deur uit, ze was een sta-in-­de-weg. Helma kwam uiteindelijk nog wel op voor vriendinnen van Jan, ze trok zich aan hen op en verdedigde hen tegenover Jan als hij weer eens een vriendinnetje als oud vuil aan de kant gezet had. Ze was nog eens mee geweest naar een vriendin van Jan. Toen zaten ze daar met z’n drieën stommetje te spelen tot Helma zei: ‘Nou Jan, doe je mond eens open, wie wil je nu eigenlijk, haar of mij.’ Met al z’n bravoure was Jan soms net een groot kind. Helma zou eens een weekje weggaan, bij kennissen logeren. Jan bracht haar weg, hij zei nog dat het zo leuk voor haar was, er eens even helemaal uit. De volgende dag belde hij op. Waar ze bleef, godverdomme dit, godverdomme dat, ze moest meteen naar huis komen, hij had honderd glazen voor een opdracht gegraveerd en die stonden kriskras door het huis om afgewassen en ingepakt te worden. Toen Helma thuiskwam, vroeg ze kwaad of een van z’n vriendinnetjes dat karweitje niet even op had kunnen knappen.

Hans was nog jong, maar veelbelovend. Hij werd de maat van Theo, de door de wol geverfde oudgediende. Ze werkten als CID-rechercheurs altijd met z’n tweeën. In het normale schema draaide je elke week een nachtdienst, van negen uur ’s avonds tot ’s ochtends vroeg, een avonddienst van vier uur ’s middags tot twaalf, één uur. De rest deed je in dagdienst, dan had je besprekingen, je werkte de administratie af en je ging natuurlijk ook op pad. Criminelen zijn op alle tijden wakker. Extra overwerk is er niet veel, je verdient meer omdat je een vaste toeslag hebt voor hoge onregelmatigheid, je moet rekenen dat ook op vrije dagen je telefoon rinkelt. Bij Theo thuis kent z’n dochter meer criminelen bij naam en toenaam dan collega’s.

Hans nam zo’n dikke tweeduizend gulden schoon per maand mee naar huis. Je kon gelukkig wel je onkosten declareren, in de nacht kost een spaatje gauw drie gulden en als je informant Franse cognac slikt, dan kom je er niet met een tientje. Theo dronk niet, en Hans evenmin. Theo heeft nooit van alcohol gehouden, hoogstens een glaasje wijn bij een diner en Hans was een sportjongen. Hij nam af en toe een pilsje, maar niet tijdens het werk, daar hield Theo niet van. In de cafés maakte het niet uit. Het zou de barkeeper worst wezen of je voor zevenenhalve scheer Spa dronk of bier, zolang de kassa maar rinkelde.

Hans en Trix bleven regelmatige gasten bij Jan en Helma. In het begin merkten ze wel dat er vaak spanningen waren, maar daar bemoeide Hans zich pas mee toen Helma hem om raad ging vragen. Hans mocht Helma graag, hij sprak met Trix over het leven dat zij, met twee opgroeiende dochters, had bij Jan.

Hans praatte er ook met z’n maat Theo over. Die waarschuwde hem, je moest altijd uitkijken dat je je niet in een wespennest stak. Theo had meer met het bijltje gehakt, hoe vaak niet criminelen hun vrouw en kinderen in een ruzie op straat schopten … Of zo’n vrouwtje nam zelf de benen en het enige idee dat ze dan hadden om hulp te zoeken, was bij die politieman die ze kenden. Je zult het zien, zoiets gebeurt altijd op een moment dat je het ’t minst verwacht, op kerstavond of zo, als alle hulpverleners op hun bandapparaat hebben staan dat ze de volgende week tijdens kantooruren te bereiken zijn. Theo had Hans een lijstje met telefoonnummers gegeven van instellingen waar Hans Helma naar toe zou kunnen sturen als de bom nog eens zou barsten. Het Bliif­-van-­m’n-­liif­huis stond bovenaan.

Helma zag het steeds minder zitten, ze had er spijt van dat ze terug was gegaan naar Jan. Hij was geen zier veranderd, eerder leek het erger te worden. Hij had een atelier in een schuur bij kennissen in Geervliet, zogenaamd om beter te kunnen werken, maar het bleef thuis een kermis. Jan bleef ook een rokkenjager. Als Helma er wat van zei dan riep Jan dat zij toch ook haar gang kon gaan. Ja, haar gang gaan, zoals Jan dat wilde, ze mocht gerust vreemdgaan, maar o wee als het een verhouding leek te worden, dan was het huis te klein. Helma kon niet zomaar van het ene bed in het andere stappen, bij haar was vreemdgaan synoniem met een verhouding. Die had ze wel eens en dat kon Jan niet zetten. Hij zei altijd: ‘Je mag best met mijn poppetje spelen, maar je mag haar niet meenemen.’ De buitenwereld zag Jan er niet voor aan dat hij Helma sloeg, en het was ook niet zo dat z’n handen de hele dag loszaten, maar Helma had genoeg meegemaakt om angst te hebben voor z’n woede-uitbarstingen. Jan was zo’n dubbel mens. Hij kon zo aardig zijn, een meester in het vleien. Aan de andere kant was hij een asbak, hij kon je de grond instampen. Wanneer je ruzie met Jan had, was-­ie niet te vertrouwen, hij kon niet tegen zijn verlies. Als het hem slecht ging, begon hij als een waanzinnige te zwemmen en keihard om zich heen te slaan om drijvend te blijven. Het had natuurlijk met zijn jeugd te maken, maar voor die wetenschap kocht Helma weinig. In zijn jeugd had Jan niet veel liefde gehad, daarom was hij misschien als een bezetene op zoek naar aandacht en liefde.

In 1972, bij de rassenrellen in de Afrikaanderwijk, de buurtbewoners hadden onder leiding van Jan een paar Turkse pensions uitgeruimd, had Jan de smaak van roem en aandacht geproefd. Hij wilde dat telkens weer. Op een balk in de woonkamer stond geschreven ‘I am the King’ en daarnaast had hij allemaal foto’s en kranteknipsels van zichzelf gehangen. Een ander zou zich schamen zo vaak door de politie te zijn opgehaald, Jan vond het prachtig. Hij wilde altijd weten wat je van hem vond, en als je hem goed vond, was je de beste vriend die er bestond. Dat was de buitenkant. Als Jan echt liefde en aandacht kreeg, dan kon hij daarop moeilijk antwoorden, dat benauwde hem en dan vluchtte hij in uiterlijk vertoon, in feestvieren en malligheid.

Bij de schietvereniging De Geuzen in Brielle mochten ze hem graag. Op de jaarlijkse cowboy­dag in Horst in Limburg, in clubs en thuis, als er mensen waren, was Jan de gangmaker en de vrolijke bink, wanneer de mensen weg waren, moest Helma het ontgelden. Dan kwam hij ’s ochtends van bed af met een fles bier in z’n hand en als het werk of wat dan ook hem tegenzat kon hij uit elkaar barsten van woede en wilde hij het liefst alles kort en klein slaan. Het leek wel of Jan zijn schuldgevoel steeds meer verborg door juist te ruziën in plaats van te proberen het Helma naar de zin te maken.

Helma zag dat het niet ging. Weer rijpte in haar het besluit weg te gaan. Ze sprak er steeds meer over. Ze overwoog nog één mogelijkheid. Als Jan zo graag wilde dat zij bleef, moest hij het bewijs leveren haar waard te zijn. Ze ging bij een vriendin in Heenvliet wonen, vlak bij Jan, zodat ze contact konden houden en de kinderen hun vader nog in de buurt hadden. Wanneer het Jan ernst was, zou ze misschien terug willen komen.

Het plan werkte niet, Jan kwam bij de vriendin nog meer ruzie maken dan thuis al het geval was.

Helma hakte opnieuw de knoop door, ze vertrok. Hans bracht haar naar het eerste adres van het lijstje, het Blijf-­van-­m’n-­lijf­huis in Rotterdam, de zomer van 1982 stond voor de deur.

De laatste tijd trokken Hans en Trix meer naar Helma dan naar Jan, Helma zocht steun en Jan was allang weer met andere dingen bezig. Hans voelde zich ’n beetje geroepen om Helma te helpen, ze was niet alleen een aardige vrouw maar ook best aantrekkelijk, als politieman heb je ook iets van een welzijnswerker in je.

Jan zag dat anders. Hij had verloren. Hij was ‘zijn’ Helma kwijt. Al waren ze gescheiden en al was Helma in feite vrij om te gaan en te staan waar en met wie ze wilde, daar had Jan niets mee te maken. Helma was van hem afgepakt en Hans was de schuldige, hij had haar geholpen uit het huis in Heenvliet weg te gaan.

Het ging steeds slechter met Jan, van werken kwam helemaal niets meer. Hij kon niet tegen zijn verlies, hij zon op wraak, hij moest kost wat kost Helma weer terugkrijgen.

Jan versomberde meer en meer, verteerd door jaloezie. Z’n oude vrienden probeerden hem op te beuren en praatten hem de zelfmoordpogingen en wraakacties zo goed en zo kwaad als het ging uit z’n hoofd. Het hielp niet veel, Jan zette zijn oude vrienden aan de kant en zocht nieuwe, die de voorgeschiedenis niet goed kenden en hem gelijk gaven. Vaak, te vaak, werd er ’s avonds gebroed op plannen om Hans en Trix het leven zuur te maken. Het begon met stenen. De eerste steen ging in Geervliet bij Hans door de ruiten. In de avonden begon Jan te bellen, met Helma zelf, met iedereen die iets met Helma te maken had, maar vooral met Hans of met diens vrouw. Hij dreigde, hij zou Hans kapotmaken en zijn vrouw en kinderen van de dijk rijden als hij ze zag lopen. Jan begon te schrijven. Briefkaarten. ‘Hans neukt met die, en met die’. De briefkaarten werden naar Geervliet verstuurd, maar ook naar de ouders en familie van Trix in Brabant.

Open hier het interview

HB: Dit is een passage waarbij ik aarzelde over de bronnen. De lezer begrijpt inmiddels wel dat het portret van Jan, met al zijn gedachten, door ‘de anderen’ wordt geschetst, en dat het hun kant van het verhaal is. Maar had je niet de behoefte een iets meer neutrale positie in te nemen als verslaggever?

TvD: Nee, in het geheel niet. Die briefkaarten heb ik gelezen, Trix en de ouders indertijd gesproken. Dat waren dus gewoon gegevens. Ik heb toen ook het hele dossier gelezen, maar kon en mocht dat niet expliciet vermelden van advocaat Jan Verhoef van Hans, omdat hij daarmee dacht over de schreef te gaan. Het was in die tijd minder gebruikelijk om te ‘lekken’ naar de pers in het belang van cliënt en meerdere eer en glorie van de advocaat. Ik heb Verhoef daartoe met moeite kunnen bewegen. Ik kende hem, hij deed meer zaken van agenten, gevraagd door de vakbond en daar had ik hem weleens informatie voor kunnen geven. Dus het was een beetje voor wat hoort wat. (Het motto van Robert Scheer Bribe, seduce,lie, steal: anything to get the story, is ook mijn motto)

Jan ging op een avond woedend naar Rotterdam, kon Helma niet vinden en sloeg de auto van Helma’s zwager met een bijl aan diggelen. Aangiften bij de politie hielpen niet.

Jan hoorde dat Helma een woninkje had gekregen in Rotterdam­-Zuid. Ze woonde er met haar jongste dochter Sylvia. Astrid kwam af en toe naar haar moeder, maar zij woonde meer bij Jan. Helma had de woning net op orde, een beetje geïmproviseerd, weinig opdringerig interieur. Ribfluwelen banken en een tegeltje aan de wand: ‘Een blij gezicht opent elk hart’. Toen stond Jan ineens op de stoep met een jachtgeweer en een bijl. Helma vluchtte met Sylvia. Jan ging op het balkon staan. Het geweer krijgslustig in de aanslag. Hij zou gaan schieten als hij zijn vrouw en dochter niet te spreken kreeg, vooral zijn dochter wilde hij zien. De opschudding in de straat was groot, drommen politie en pers, de foto van Jan met het geweer was goed voor een prijs in de wedstrijd om de Zilveren Camera. De wijkagent uit de Afrikaanderbuurt die hem nog van vroeger kende, wist Jan om te praten, het geweer bleek ongeladen. Jan werd maar weer eens voor een paar dagen naar het Delta ziekenhuis gestuurd en zijn wapenvergunning was hij, eindelijk, kwijt. Toen Jan uit Delta kwam, begonnen de telefonades weer en opnieuw vlogen er stenen door de ruiten, dezelfde IJsselsteentjes waar Jan in z’n tuin altijd mee metselde, maar niemand zag ooit wie het deed. Een pot afbijtmiddel werd over Hans’ auto gegooid en er kwamen anonieme brieven dat er rattengif in de tuin gestrooid zou worden en, voor de kinderen, vergiftigde lolly’s. Bij de baas van Hans vielen de eerste brieven in de bus. Hans handelde in heroïne, wapens, gestolen sieraden. Hij beraamde overvallen. Hij gaf vertrouwelijke informatie door aan onbevoegden. Kortom, hij deed alles wat zeker voor een agent van politie verboden was. Trix wist dat haar huwelijk geen gevaar liep, hoewel Hans Helma geholpen had. Er was geen sprake van een intieme relatie, zei Hans, al roddelde Jan daarover tegen iedereen. Helma wilde dat graag bevestigen en Trix wilde het geloven. De dreiging kwam uit een heel andere hoek, Trix kon de spanning nauwelijks verdragen, ze had al zo veel ziekenhuizen van binnen gezien en nu dit. Elk moment kon er weer een steen door de ruiten vliegen. De eerste keer waren de scherven in hun gezicht gesprongen, ze gingen voortaan zo ver mogelijk bij de ramen vandaan zitten. Die telefoontjes, Hans was er vaak niet en Trix was dan heel bang, alleen met de kinderen, wat moest ze doen als er wat gebeurde? De PTT werd ingeschakeld en er werd een ‘vang’ op de telefoon van Jan gezet. Het bleek dat de telefoontjes van hem kwamen en na ingrijpen van de PTT werd dat minder, dat kon dus bewezen worden, maar dat schelden door de telefoon boezemde nog het minste angst in.

Hans nam eerst vrije dagen op om te posten achter de donkere ramen boven, of in de tuin, om te zien of hij een stenengooier kon betrappen, maar telkens als hij de hele nacht thuis was, gebeurde er niets ­ Heenvliet en Geervliet zijn kleine gemeenschappen en Jan had overal z’n vrienden.

Jan kon er niet van loskomen dat zijn acties ogenschijnlijk zo weinig succes opleverden. Helma kwam niet met hangende pootjes terug, integendeel, ze gooide steeds vaker de hoorn op de haak of ze nam helemaal niet meer op en Hans liet zich ogenschijnlijk niet intimideren. Jans oude vrienden bleven weg, zelfs Karel en Marjolein kwamen niet meer. Marjolein had hem die zomer nog geholpen met de winkel, dat leek goed te gaan, ze kende Jan goed genoeg om hem op tijd met een schop onder z’n kont aan het werk te zetten, maar toen Marjolein terugkwam van vakantie had Jan ook dat verpest, hij had geroepen dat Marjolein haar zakken vulde met zijn werk. Ze ging weg en bleef weg. Nu kwamen alleen nog de mensen die door zijn oude kennissen ‘opvreters’ en ‘opzuipers’ genoemd werden. Zij wilden Jan maar al te graag stijven in zijn haat, dat gaf sensatie en als er sensatie was, trok Jan extra veel bier open. Van werken was nauwelijks meer sprake, Jan raakte in een faillissementsprocedure, het leek hem weinig te interesseren, alleen Helma en Hans hielden hem bezig.

De dag na Jans gijzelingsactie moest Hans voor de eerste keer bij zijn baas komen om iets te horen over de aanklachten die Jan tegen hem had ingediend. Hij ging lachend naar de afspraak met commissaris De Winter en hoofdinspecteur Van der Giessen. De foto van Jan met het geweer stond immers in alle kranten. Hans dacht dat de conclusies uit de verhalen die door zo’n overspannen type aangekaart waren, voor de hand lagen.

Na het gesprek kwam Hans lijkbleek de kamer uit. Officieel was hem aangezegd dat de rijksrecherche een onderzoek zou instellen naar de beschuldigingen. Dat hoorde zo en dat had Hans ook verwacht. Maar toen zei de commissaris dat Hans verdacht werd van drie misdrijven en dat hij als CID­-rechercheur niet meer te handhaven was. Hij zou worden overgeplaatst naar de verhoorkamer van Groot IJsselmonde, op dat bureau moest hij parkeerboetes administratief gaan afhandelen. De korpsleiding wilde hem niet zeggen waar hij nu precies van verdacht werd, welke misdrijven hij gepleegd zou hebben. De rijksrecherche was bezig en de uitslag van dat onderzoek moest eerst maar afgewacht worden. Hans vroeg waarom hij dan niet geschorst werd, hangende het onderzoek. Nee, dat kon niet.

De korpsleiding leek met boter en suiker op de beschuldigingen van Jan ingestapt. Hans begreep het niet. Jan was na de gijzeling naar het Delta gebracht. Zijn collega’s hadden geen proces­verbaal tegen Jan opgemaakt omdat hij in hun ogen toch gek was. Maar hij vond wel geloof voor zijn k1achten tegen Hans.

Hans ging die middag naar huis en meldde zich ziek.

De molens van de rijksrecherche maalden langzaam, de speurders gingen niet over één nacht ijs en verhoorden alle mensen die Jan als getuigen had genoemd; vriendjes, autohandelaren van besproken gedrag, schimmige types die Jan eens geholpen hadden zijn auto te laten ‘stelen’ voor de verzekering. Volgens Hans had Jan hen opgestookt, of zelfs onder druk gezet omdat Jan wat van hen wist en niet te beroerd was om dat tegen hen te gebruiken. Hans kon niet geloven dat de rijksrecherche iets in zijn nadeel zou vinden. Theo, zijn maat, had Hans gevraagd ­ heel serieus, onder vier ogen ­ of hij werkelijk wat geflikt had of niet. Theo wilde niet voor verrassingen komen te staan als hij het voor zijn jongere collega opnam. Hans had met de hand op zijn hart ontkend en Theo geloofde hem. Hans had nog nooit een bakkie gehad en bovendien, je werkte zo nauw samen dat als er wat was, hij er wel iets van had moeten merken.

De beschuldigingen waren ook allemaal zo raar, niet bij Hans passend, vonden zijn collega’s. Hij zou met dikke pakken vals geld hebben rondgelopen en mensen hebben gevraagd of ze dat wilden proberen uit te geven en dan sam­sam te delen. Nou, ze kwamen in het werk natuurlijk wel eens een valse meier of rug tegen en die liet je dan misschien aan een kennis zien om te vergelijken hoe zo’n vervalsing eruitzag. Maar dikke pakken? Dat was hun werk niet.

Wapens verkopen aan Jan? Waarom, die Jan had een wapenvergunning, ten eerste krijg je die alleen maar als je van onbesproken gedrag bent, hoe kwam die Jan er dan in godsnaam aan, vraag je je af, en als je zo’n vergunning hebt, mag je officieel in de winkel kopen, dan hoef je je niet met gesnuffeld ijzer in te laten. Ja, en dan zou Hans in gestolen juwelen en klokjes gehandeld hebben. Nou, dat was zo opgelost. Theo en Hans kenden een juwelier goed. Wanneer een collega in het korps of een goeie vriend een Seiko, een Rolex of een gouden armband wilde hebben, dan moesten ze precies het typenummer opgeven en dan leverde die juwelier dat met een fikse korting. Daar werd niks aan verdiend, dat waren vriendendiensten, en het ging officieel, met bon. Dacht je dat ze voor een paar scheren hun vingers wilden branden? Het enige dat ze Hans konden verwijten was dat hij voor Jan een foto uit het politiearchief had meegenomen uit de tijd van de rellen in de Afrikaanderbuurt. Jan had erom gevraagd en Hans kon de foto nog net redden voor de termijn van tien jaar bewaren voorbij was. Oké, het mocht niet, maar als dat niet mocht dan moest het halve korps op het matje komen. Wat dacht je, als er een vreemd type naast de broer van de commissaris kwam wonen, of z’n dochter had een nieuw vriendje, dat dan niet even de antecedenten gelicht werden?

Hans werd niet in staat van beschuldiging gesteld, hij werd niet geschorst, de vakbond kreeg niets te horen en zijn collega’s evenmin. De leiding zweeg in alle talen en Hans leefde weken in onzekerheid. Hij en Trix hadden het er steeds over, dag, avond en nacht. Wat zou er toch kunnen wezen, hoe lang zou het duren voor ze wat weten? Hans voelde zich als politieman gediscrimineerd door zijn eigen chefs. De eerste de beste patser kreeg meteen te horen waarvoor de dienders hem kwamen halen. Hans moest wekenlang raden waarvan hij verdacht werd.

Hans wilde ontslag nemen. Zijn collega’s praatten het hem uit zijn hoofd. Hij zou wel gek zijn, de korpsleiding zou in z’n vuistje lachen, een moeilijk geval dat zelf de kuierlatten nam, dat was nog eens goedkoop en makkelijk. De vakbond vocht de overplaatsing naar de verhoorkamer van Grijs [bureau Groot-IJsselmonde] aan en startte een procedure voor het ambtenarengerecht.

Hans rekte zijn ziekteverlof, hij durfde Trix en de kinderen niet alleen te laten. Het najaar ging voorbij en tegen Sint­-Nicolaas vloog er een steen de tuin in met een brief vol dreigementen, ondertekend met ‘de Maffia’. Hans schreef een brief terug:

Spruitje, (de beste benaming voor een onbenullig mannetje),
De ene kwajongensstreek volgt de andere op. De held van de Afrikaanderbuurt onwaardig. Bespeur ik hier enige angst bij ons Spruitje omdat hij een paar kwajongens moet inhuren daar hij zelf het lef niet heeft?
Je begint je steeds meer als de dorpsgek te gedragen sinds de hele wereld in de krant heeft gelezen dat je gestoord bent. Wees gerust, ik voel me te intelligent om direct op dit soort kattekwaad te reageren, maar alle betrokkenen krijgen hun portie. Straffen doe je jezelf momenteel al genoeg. (Failliet, verzekeringsfraude, gevangenisstraf te goed, Helma kwijt, je meeste vrienden kwijt en ga zo maar door.) [ … ]
Verder kan ik je in zoverre geruststellen dat mocht ik besluiten om iets terug te doen, ik dat direct tegen jouw persoontje zal doen, dus niet volgens jouw methode indirect via je gezin. […]
Wat betreft het verbouwen van mijn bek wil ik het nog meemaken dat je jouw ‘vrienden’ ook zo gek weet te krijgen om hun leven voor jou te wagen. Ze beseffen niet waarmee ze bezig zijn. Ik heb geen plannen om je ‘penvriend’ te worden, maar ik wilde je deze reactie op jouw St.­Nicolaascadeau toch niet onthouden.
Hans

Uit de brief zou durf moeten spreken, het zelfvertrouwen van Hans dat de pesterijen en dreigementen van Jan hem niet deerden. Jan werd er alleen maar kwaaier van en Hans was niet het ‘ijskonijn’, zoals hij zich in zijn brief voordeed. Hij veranderde met de dag. Vroeger kon je met hem over alles en nog wat een boom opzetten, nu beheerste de affaire met Jan zijn hele leven. Hij werd steeds gespannener, alle andere interesses zakten weg, hij sportte niet meer en hij was bang om ook maar een minuut van huis te gaan. Hans bleef zich ziek melden en politiearts Doorenbos riep hem bij zich. Hans had een paar lange gesprekken met de arts, deze scheen zijn moeilijkheden te begrijpen en liet hem thuis. Maar de korpsleiding zinde dat niet. De zachte aanpak van Doorenbos moest plaatsmaken voor die van zijn chef, dokter Cremers. Cremers staat in het korps bekend als een botterik, zelf zegt hij: ‘Ik houd van een stevige aanpak, realistisch. Ik ben niet het type dat houdt van over het bolletje strijken.’

Hans had er al weinig zin in het hele verhaal opnieuw te moeten vertellen toen hij bij Cremers werd geroepen. Toen hij binnenkwam zei Cremers dat hij vijf minuten had. Het eerste gesprek liep snel uit op ruzie. Hans hoopte begrip te vinden, Cremers had de oplossing al voorhanden. Zo snel mogelijk aan het werk. Met die Jan was toch niks te beginnen, wanneer het zo bleef moest Hans maar in Maastricht solliciteren, emigreren desnoods, maar nu eerst de handen uit de mouwen, dan werd er niet zo gepiekerd.

Hans wilde Trix niet alleen laten. Ook in de kerstnacht was er gedreigd en hij had zowat de hele nacht in de tuin gepost. De visie van Cremers, de arts die van mening was dat zijn grote interesse voor de psyche van de mens meer waarde had dan een speciale opleiding daarvoor, die visie werd in een dienstbevel vervat. Hans moest beginnen op de verhoorkamer, mensen bellen met de vraag of zij op die of die datum hun voertuig inderdaad op deze of gene plaats verkeerd geparkeerd hadden. Een mooi baantje vond Cremers het, rustig, zo had Hans wat omhanden en kon hij op zijn gemak het onderzoek afwachten. Hans zag dat anders. Hij, de jongen die altijd het eerste en het beste wilde zijn, die commando was geweest in dienst en trots de groene baret had gekregen, die in het korps al jong een verantwoordelijke post bij de CID had gekregen, moest, bevel is bevel, telefonisch foutparkeerders gaan verbaliseren.

Zijn collega’s keken hem meewarig aan en vroegen zich achter z’n rug af of er toch niet wat meer aan de knikker was geweest. Zijn vrouw zat thuis, doodsbang, als het even kon ging ze naar familie in Brabant, ze had zelfs al eens bij de huisarts thuis geslapen. Terwijl Hans mensen moest bellen om bekentenissen los te wringen die een paar tientjes waard waren, dacht hij aan zijn mogelijkheden. Hij hield van vissen, het idee was bij hem opgekomen een forellenkwekerij te beginnen, hij had informatie bij het ministerie in Den Haag gevraagd. Maar hij was bang, wist eigenlijk zeker dat als Jan erachter zou komen, een handvol gif in de vijvers hem echt kapot zou maken. Hij dacht aan Jan, de hele dag. Zijn carrière was naar de knoppen, zijn huiselijk leven stond onder zware druk en niets of niemand leek hem te kunnen helpen. Jan zou hem blijven achtervolgen, dat wist hij zeker.

Die vrijdagavond 4 maart zat Hans thuis na weer een dag parkeerbonnen. Thuis werd nog steeds, al maandenlang over vrijwel niets anders gesproken dan over Jan en hoe het toch in godsnaam zo gekomen was en hoe het verder zou moeten. Hans nam zijn derde of vierde jenever met Seven­Up, het kwam harder aan dan het enkele biertje dat hij vroeger dronk, maar het leek wat beter te gaan met drank.

Hij stond op, gaf Trix de sleutels van zijn auto en zei: ‘Die zijn voor jou, ik ga weg.’ Hij was snel de deur, de straat uit.

Trix werd heel bang. Ze belde naar Hans’ oude maat Theo, die was niet thuis, ze belde naar Hans’ baas, commissaris De Winter. Had Hans zijn dienstwapen meegenomen? Trix dacht van wel. De vrouw van Theo Buis liet haar man oproepen en stuurde hem naar Trix. Commissaris De Winter belde met de meldkamer van de rijkspolitie die de controle over Heen-­ en Geervliet heeft. De dienstdoende wachtmeester Westerkamp kende de zaak niet. Op de band die op de meldkamer meeloopt met alle telefoongesprekken, zei De Winter: ‘Hoofdagent V. die heeft hier een lange tijd bij de CID gewerkt en die heeft moeilijkheden gehad met een zekere meneer Spruit. Dat heeft geleid tot zijn overplaatsing en daar is­-ie uiteraard niet over te spreken. Maar het is wel zo dat­-ie kennelijk vanavond bijzonder van slag is geraakt. Hij heeft zijn vrouw achtergelaten, afscheid genomen en zijn pistool meegenomen. Het is in Geervliet of in Heenvliet. Een van zijn naaste collega’s, brigadier Buis uit Rotterdam, die nogal met hem bevriend is, die is enige tijd geleden al naar hem toegestuurd, omdat­-ie inderdaad wat kolderig wordt.’

Theo Buis dacht eerst dat er wat met Trix was. In Geervliet hoorde hij dat Hans weg was. Hij reed als een speer naar Heenvliet en vond snel het huis van Jan. Door het raam aan de straatkant zag hij mensen en het peenhaar van Jan, daar was dus nog niets aan de hand. Twee wachtmeesters van de rijkspolitie stonden verderop te posten. Hij vroeg de wachtmeesters naar de kroegjes van Heen-­ en Geervliet, hij ging Hans zoeken want hij dacht eerder dat Hans zichzelf wat wilde aandoen dan aan een schietpartij met Jan.

Hans, die elke graspol in de omgeving kende, moet toen allang in de tuin van de Vissersdijk gestaan hebben. De wachtenden en zoekenden namen aan dat Hans over de weg zou komen, maar Hans was achter de schuur om direct achter het huis gekomen en had in het donker gewacht, het FN-politiepistool doorgeladen in de hand.

Toen Jan naar buiten kwam vormde hij een goed doelwit tegen het licht van de ramen. Vier kogels troffen hem in borst en buik, de dood moet vrijwel onmiddellijk zijn ingetreden.

Open hier het interview

HB: Hieronder begint de afronding van het verhaal. Jan is dood, de moord heeft voor de tweede keer in het verhaal plaatsgevonden, maar nu vanuit het perspectief van Hans. De rest is afwikkeling. Vandaar ook de tegenwoordige tijd?

TvD: Ja.

De vrienden zijn het erover eens, Jan een rotzak, een gek? Nee, over de doden niets dan goeds, het ging de laatste tijd juist weer zo goed met hem. Een nieuwe verloofde, Jan had er zin in en hij zou die Hans op den duur echt wel met rust hebben gelaten.

De mensen die Jan anders kenden, zeggen dat Jan het niet zou hebben opgegeven. Hans was hem niet kwijtgeraakt, nooit. Dat die Hans het nog zo lang heeft volgehouden! Als het hen gebeurd was hadden ze Jan allang een kunstje geflikt om het af te leren.

Bij de rijkspolitie, waar de aanklachten van Hans tegen Jans stenen en dreigementen binnenkwamen, spijt het officieren en wachtmeesters dat het zo gelopen is. Als, ja, as is verbrande turf … Misschien hadden ze Jan toch moeten waarschuwen na de melding. Maar wie verwacht zoiets, in Rotterdam wisten ze van de hoed en de rand, waarom heeft de korpsleiding daar de signalen niet serieus genomen?

De chefs van Hans, commissarissen Blaauw en De Winter, zwijgen. De zaak was tot nu toe onder de rechter, u begrijpt. In het algemeen is de begeleiding binnen het korps prima, Blaauw mag graag even met een bak koffie in de recherchewacht vertoeven en de stijve De Winter groet het personeel ’s morgens allerhartelijkst. Ze willen nergens op ingaan.

De collega’s in het korps spreken er schande van. Als Cremers zegt dat het ook achteraf gezien nauwelijks anders gekund had, dan is dat onzin. Wanneer Hans meer ziekteverlof had gekregen en zijn dienstpistool had moeten inleveren, was het dan ook gebeurd? De dokter kan mooi zeggen dat het met een broodmes of een gekocht wapen ook had gekund, maar zoiets verandert een zaak toch. En als de dokter dan zegt dat de maatschappij schuld is omdat Jan toch niet opgesloten kon worden, naar een inrichting gestuurd of wat dan ook, wanneer hij zo zeker weet dat er wat dat betreft geen oplossing was, had hij dan niet beter Hans’ kant kunnen kiezen?

Open hier het interview

HB: Ik mis iets van de afloop: hoe is het met dat onderzoek van de rijksrecherche afgelopen? Dat was op moment van schrijven niet bekend, neem ik aan. Heb je ooit nog contact gehad met Hans?

TvD: Nee, dat was op dat moment niet bekend. Ook de uitspraak niet. Ik heb altijd nog wel eens contact met Hans willen hebben, zelfs nu nog. Maar dan is weer mijn luiheid of mijn gerichtheid op een nieuw stuk waardoor het uitgesteld wordt en weer uitgesteld. Ik hoorde na enkele jaren wel dat Hans, natuurlijk niet terug in het korps, de andere kant was opgegaan en zich in het criminele milieu bewoog. Des te meer reden om eens contact proberen te zoeken, maar het is er dus nog steeds niet van gekomen.

Jan is zesendertig geworden. Hans is drieëndertig, z’n kinderen zijn vijf en drie. Jans dochters Astrid en Sylvia zijn vijftien en dertien. Astrid logeert nog steeds bij een zuster van Jan in het noorden. Ze heeft als oudste zó tussen de ruzies van Jan en Helma geleefd, ze heeft zó geprobeerd om hen te verzoenen en Jans rare zelfmoordplannen uit z’n hoofd gepraat dat ze niet kon kiezen tussen de twee. Na de dood van haar vader heeft ze opgeschreven wat ze zich herinnerde: ‘Hoe het allemaal begon’ en ‘Dagboek van de moord op mijn vader’. Soms voelde ze zich door haar moeder in de steek gelaten, maar wist ook niet wat ze met haar vader aan moest: ‘Ik wil niet zeggen dat mijn vader een lieverdje was, maar de mensen om hem heen hebben hem zo gemaakt.’ De crematie vond ze het ‘allerergst’. ‘De mensen die nog een paar woorden zeiden, mijn oom en een vriend van mijn vader, stelden me gerust. Mijn vader hield van muziek zoals die van Janis Joplin, die dus ook werd gedraaid, die liederen deden me weer verdriet. Maar mijn vader zei altijd: “Als ik doodga wil ik niet dat jullie lang verdriet blijven houden om mij, word maar weer gelukkig.'”

Z’n broer Piet wilde Jan zien voor de kist zou zakken. Eerst mocht dat niet, maar dan hadden ze aan hem een kwaaie gehad, dan had de ME erbij moeten komen anders had Piet zelf de kist opengebroken. Ze hadden z’n broer ook al tot tien uur ’s ochtends in de tuin laten liggen, ‘in het be­lang van het onderzoek’, ja, ze konden hem wat. Toen hij Jan zag maakte z’n hart een mispikker. Z’n baard was eraf, als je dat malle sikkie zo kon noemen, en ze hadden z’n haar geknipt. Die begrafeniskraaien moeten er een hoop werk aan hebben gehad, Jan had een dikke pens gehad, maar je zag er niks meer van. Was-­ie soms met dumdum­kogels neergeschoten? Het leek wel een hoofd op een bezemsteel, misschien hadden ze bij de lijkschouwing wel van alles weggehaald voor onderdelen.

Helma is niet naar de crematie geweest, dat zou ze huichelen hebben gevonden. Niet dat ze Jan dit toegewenst had, dat doe je niemand, maar het is wel net of er een loden last van haar schouders is gevallen. Ze durft eindelijk weer gewoon open te doen en familie en vrienden hoeven niet meer eerst in code de telefoon te laten rinkelen voor ze opneemt. Er waren mensen die haar feliciteerden in plaats van condoleerden.

De psychiaters die Hans voor het proces van dinsdag 7 juni onderzochten, rapporteerden eensluidend dat Hans op het moment van zijn daad ontoerekeningsvatbaar was. Volgens mr Jan Verhoef, de advocaat van Hans, zou de officier van Justitie daarmee akkoord gaan en afzien van strafvervolging, begreep Trix. Ze was het hele weekeinde voor het proces zo zenuwachtig. Als alles goed ging, kwam Hans snel thuis. En de mensen van de politiebond hadden gezegd dat Hans’ zaak dan heel sterk zou staan en dat hij niet zomaar ontslagen kon worden. Het gaf haar hoop dat die ellendige tijd gauw voorbij zou zijn. Ze hadden nog een heel leven voor zich.

De cowboy van Ton van Dijk

Ton van Dijk is de grand old man – of tenminste één van die legendarische helden – van de onderzoeksjournalistiek, en daarbij een groot verteller. Een van zijn beste verhalen is De Dood van een Cowboy, vindt Henk Blanken, die hem per mail over die 10000 woorden lange reportage interviewde. Ton van Dijk had niet de tijd om het kort te houden.

Ton van Dijk moet een van de allerbeste onderzoeksjournalisten in het Nederlands taalgebied zijn. Een pen die alles kan, een trukendoos waar menig verslaggever een leven lang wanhopig naar op zoek kan zijn, en een staat van dienst om diep ontzag voor te hebben.

Hij moet rond de veertig zijn geweest toen ik, zelf even in de twintig en werkzaam bij mijn eerste krant, in de Haagse Post een verhaal van ’m las dat elke twijfel wegnam over wat ik met de rest van mijn leven moest doen. De dood van een cowboy, tienduizend woorden proza, had op mij net zo’n verpletterende invloed als de beste stukken van Gay Talese of Truman Capote.

Mijn hemel, wat kon die man vertellen, en dan ook nog een reportage uit mijn achtertuin.

‘De cowboy van Ton van Dijk’, zoals ik het verhaal zou blijven noemen, speelt in twee Zuid-Hollandse dorpen, Heenvliet en Geervliet, waar ik als Rotterdammer op de fiets doorheen reed op weg naar het strand van Oostvoorne. Die paardenmarkt kende ik sinds ik er met mijn eerste vriendinnetje – een lief, blond paardenmeisje van Zuid – op een ochtend heen was wezen kijken.

Hieronder een vraaggesprek per email. Ton van Dijk had niet de tijd, schreef hij, om het kort te houden. Verderop ook ‘de hele cowboy’, voorzien van vragen en antwoorden.