Toine Heijmans: ‘Ik kom later wel terug’

Een ‘gesprek’ moest het worden, geen interview. Hoe je dat doet? Zet twee aan schrijven verslingerde journalisten – Toine Heijmans en Henk Blanken – op een zonnig terras aan de Lek, en ze praten uren. Over vertellen en hoe dat moet.

Toine Heijmans zou eerst naar Haren komen. Hij zag wel ‘een stukkie’ in de man die na tien jaar parkinson ook zijn laatste freelancebaan als journalist, correspondent ‘dood en aftakeling’ bij De Correspondent, eraan gaf. Door corona kwam het er niet van.
Toen verscheen Heijmans’ derde roman, Zuurstofschuld, het verhaal over twee klimvrienden die hun dromen najagen op ‘achtduizenders’, de ijzingwekkende toppen in de Himalaya. Een verpletterend boek van een meesterlijke stilist.
Voorbeeld.
Het slothoofdstuk, waarin de protagonist Walter tijdens zijn laatste klim in een tentje storm en kou trotseert, begint met dit zinnetje: ‘Een wekker gaat af.’
Niet: Dé wekker gaat af.
‘Een’ wekker werkt bevreemdend, alsof Walter een heel nest eierwekkers met zich meezeult. Toch wordt Walters desoriëntatie, waar ben ik, wat doe ik hier, voelbaar van dat ene woord.
Toine Heijmans, lyrisch: ‘Lidwoorden! Man! Daar kun je zoveel mee doen.’
Bijna taalverliefd benoemt Toine Heijmans – die in zijn studententijd ook klom, maar nooit hoger kwam dan zesduizend meter – de attributen van dat geklauter: opgewreven ijsbijlen en ijsboren, karabiners, nuts en cams en snargs, klimtouwen. Om dan weer met een karig elliptisch zinnetje Walters angsten op te roepen: ‘Hierboven blijven. Een tent opzetten, sneeuw smelten, de rest van mijn leven afwachten.’
HB: ‘En wat ook goed werkt: je herhalingen. Walter en Lenny laat je We mountain roepen, de strijdkreet waarmee ze elkaar oppeppen. Wat eerst nog overmoedig klinkt – wat kan ons nou gebeuren, we mountain – wordt tegen het einde om te janken zo tragisch.’
TH: ‘Dat is een literaire techniek, maar het werkt ook goed in de krant. Ik ben afgestudeerd op propagandatechnieken in dagbladen van 1903. Herhaling was een van de belangrijkste technieken om het er bij de lezers in te hameren.’
HB: ‘In de journalistiek is het taboe.’
TH: ‘Omdat het snel te veel wordt.’
HB: ‘Als ik een boek schrijf, zoek ik telkens naar elementen die ik kan herhalen, of waarop ik kan variëren. Van die motieven wordt je verhaal hechter, het trekt de compositie samen, alsof je een broekriem aanhaalt.’
TH: ‘Zo moet het. En alle bijvoeglijke naamwoorden moeten eruit.’
HB: ‘En ‘erg’. En ‘veel’. En ‘heel’.’
TH: ‘Kunnen allemaal weg.’

Toine Heijmans (Nijmegen, 1969) studeerde geschiedenis, ging ‘mijlen maken’ bij de Arnhemse Courant (‘ik schreef een zomer lang elke dag drie of vier stukken’), en kwam in 1995 naar de Volkskrant. Na vier jaar eindredactie schreef hij als verslaggever vooral over immigratie en asielzoekers en deed hij vijf jaar het plaatsvervangend chefschap erbij.
2007: chef reizen.
2010: terug naar de verslaggeverij.
Sinds 2015 schrijft hij twee keer in de week de ‘verslaggeverscolumn’ (net als Ariejan Korteweg en Margriet Oostveen). Rijdt er het hele land voor door, die column, vijftigduizend kilometer per jaar – en bij elke grote beurt voor zijn lease-auto telt hij zijn zegeningen.
‘Wie krijgt er nou zoveel tijd en ruimte? Voor twee stukken in de week? Toch blijft het een worsteling. Een stuk dat zichzelf schrijft? Ik haat die uitspraak. Het gaat nooit vanzelf. De eerste versie is altijd 1200 woorden. Dat moet terug naar 720. Maar ik moet niet klagen. Kan zelf bepalen waarover ik schrijf, meestal onderwerpen die anderen laten liggen – die vrijheid is heel lekker.’
HB: ‘Kom je niet te veel uit bij de marges van het nieuws?’
TH: ‘Daar heb ik me altijd prettig bij gevoeld. Ik wil niet in Den Haag werken. Interessant hoor, al dat gedoe, en iedereen heeft het erover. Maar…
HB: ‘… jij houdt niet van dat kluitjesvoetbal.’
TH: ‘Ik vind het leuker na drie weken bij de boeren op de koffie te gaan die bij Rob Jetten voor de deur stonden. Ik kom later wel terug.’

In NRC vertelde Toine Heijmans dat hij aan Zuurstofschuld begon omdat hij in een depressie zat. Drie kinderen, een vrouw met een baan als arts, zelf columnist bij de Volkskrant, bestseller geschreven (zijn debuutroman Op zee, in Frankrijk bekroond met de prestigieuze Prix Médicis Etranger), een huis in Amsterdam-IJburg met een bootje ervoor, en je toch afvragen of je wel de goede keuzes hebt gemaakt, of je überhaupt wel keuzes hebt gemaakt. ‘Ik denk dat veel mensen van mijn leeftijd dat voelen, je kijkt ineens meer achterom dan vooruit. En altijd maar doorgaan helpt ook niet echt.’
HB: ‘Zuurstofschuld werd een boek over vriendschap en hoe die zin geeft aan het bestaan. Heeft dat geholpen tegen de depressie en de angst?’
TH: ‘Het schrijven van dat boek hielp niet. Walter was eerst een hele boze vervelende man. Ik kon er mooi mijn frustraties in kwijt, maar uiteindelijk werkt dat niet en ging hij gelukkig toch een eigen leven leiden. Wat wel hielp: een goede psycholoog en twee beste vrienden. En ja, het boek gaat over schuld, maar vooral ook over het schuldgevoel naar jezelf. Dat je het anders had moeten doen in je leven.’
HB: ‘Dat ik die roman lees als een verhaal over schuld zegt misschien meer over mij. Altijd haast, altijd maar achter de muziek en het nieuws aan. Ik had dat anders moeten doen, maar kon en wilde dat niet. Hoe doe jij dat? Hoe combineer jij een drukke baan en een gezin met drie pubers, met het schrijven van fictie?’
TH: ‘Door ultraflexibel te zijn, dat leer je wel als verslaggever, een dag is nooit zoals ik me die had voorgesteld. En door niet meer alle tijd in de krant te steken maar ook in andere dingen. Is ook beter voor de krant. Het is lastig. Af en toe weggaan om te schrijven is ook heel heilzaam, gelukkig vindt mijn gezin dat prima. Je moet dag en nacht bezig kunnen zijn met een boek, erover dromen, dat werkt het efficiëntste.’
HB: ‘Nu ik ermee gestopt ben, vraag ik me af waarom ik ooit journalist geworden ben. Niet omdat ik de wereld wilde verbeteren, zo diep doordacht was mijn linkse engagement niet. Eigenlijk kon ik maar één ding: een stuk schrijven dat lekker liep.’
TH: ‘Wanneer vertrok je bij de Volkskrant?
HB: ‘In 2003. Om adjunct-hoofdredacteur te worden bij Dagblad van het Noorden. Acht jaar spijt van gehad. Ik was niet zo’n goeie adjunct. Niet zo goed met mensen.’
TH, lachend: ‘Dat lijkt me voor die baan toch wel een voorwaarde.’
HB: ‘Waarom doe jij het eigenlijk, al dat geploeter? Je had ook geschiedenisleraar kunnen worden.’
TH: ‘De vrijheid, toch. Dat hebben journalisten gemeenschappelijk met romanschrijvers. Dat je onafhankelijk mag zijn. De journalistiek is één van de weinige plekken waar je nog gewoon… kunt twijfelen. Verder heb ik geluk gehad. Dat ik een uitgever heb. Dat de krant me steunt: ik kon drie maanden onbetaald verlof krijgen om dat boek af te maken. Ze hadden ook kunnen zeggen: Doortikken jij, want dat moet van de cao.’
HB: ‘Toen je begon met fictie deed je veel moeite om het schrijven daarvan en van non-fictie uit elkaar te houden, uit vrees dat de fictie je journalistieke werk zou besmetten. Zitten die twee elkaar nog altijd in de weg? Welke invloed hadden je romans op je journalistiek? En andersom?’
TH: ‘Heel veel. Voor romans is de journalistiek een vat van ervaringen en inspiratie. Al die mensen, al die gebeurtenissen – voor de krant was ik in Caïro tijdens de rellen op het Tahirplein, later is dat ook een scène in Pristina geworden. Voor de columns kan ik veel vrijer schrijven dankzij de boeken. Het beïnvloedt elkaar continu. En tegelijk ben ik veel scherper op de feiten in mijn columns, daar mag niets verzonnen zijn.’
HB: ‘Ik vertel bij mijn cursussen altijd dat schrijven begint met lezen. Met bewonderend lezen. Jij bent, las ik, dol op James Salter – de Amerikaanse schrijver van Light years en All what is. Een heel groot stilist.’
TH: ‘Jaaah. Salter. Maar ook Tommy Wieringa – zoals hij in De heilige Rita in een paar zinnen de hoofdpersonages neerzet… Het moet ook niet te kaal zijn. Of Maarten Biesheuvel… het mag ook vreemd zijn.’
HB: ‘En als het om het compromisloze schrijverschap gaat: Jeroen Brouwers. Zo moet het. Met zoveel overgave en passie.’
TH: ‘Ik heb net Cliënt E. Busken gelezen. Daar staat geen slechte zin in. En geen woord te weinig of te veel. Wat een schrijver.’
HB: ‘Journalisten zijn niet dol op de narratieve vorm met een mooie spanningsboog. Snap jij iets van die schuchterheid?’
TH: ‘Ik weet het niet. Je ziet wel dat alles steeds korter moet. En dat we het nieuws in geformatteerde stukjes hakken. Dat vind ik een slechte ontwikkeling. Gelukkig is de longread nu weer in trek, zoals Liefdesbrieven van een kampbeul, van [Volkskrant-collega] Rik Kuipers.’
HB: ‘Ik hou van dat soort journalistieke verhalen. Omdat er iets in gebeurt. Omdat er handeling wordt beschreven. Dialoog in voorkomt. Wat doet handeling voor jouw columns?’
TH: ‘Als ik ergens ben, schrijf ik alles op. Een notitieblok vol. Details kosten ruimte, maar helpen de lezer daar neer te zetten waar je hem wilt hebben.
‘Het zoeken van feiten is nog steeds het allerhoogste, er gaat niets boven een primeur. Vroeger wilde je als verslaggever de één halen. Opening krant. Daar is niemand meer mee bezig, Nu wil je geretweet worden. Het gaat erom wat je teweegbrengt.’

Henk Blanken (Rotterdam, 1959) werkte voor Het Vrije Volk, de Volkskrant en Dagblad van het Noorden. Hij schreef drie boeken over journalistiek, en twee over ‘dood en aftakeling’.

Rik Kuiper en het misbruik van Sophie: Oef, wat is dit ingewikkeld

Sophie van drie vertelde haar ouders dat David op de kinderopvang… ja, wat eigenlijk? Wat begon als een mogelijk misbruikverhaal werd een fascinerend staaltje zelfonderzoekende meta-journalistiek. Of zoals Volkskrant-verslaggever Rik Kuiper het noemt: een mozaïekvertelling die de lezer in verwarring achter moet laten.

Maanden lang werkte Volkskrant-verslaggever Rik Kuiper aan het verhaal van Sophie. Hij sprak met tientallen betrokkenen en specialisten en schreef ten slotte een van de langste verhalen die zijn krant ooit publiceerde. ‘Maar zonder spanningsboog had geen lezer die 15 duizend woorden uitgelezen.’

Rik Kuiper – die nu vertrekt bij De Verhalengarage, de site die hij mede bedacht – houdt van vertellen. Gegrepen door de lessen van de Amerikaanse goeroe van het genre, Jon Franklin, publiceerde hij nog als freelancer in Volkskrant Magazine de archetypische vertelling over de band tussen een oude man en een jonge vrouw.

Wie er gevoelig voor was, begreep dat dit eigenlijk een tijdloos liefdesverhaal was, een variatie op het thema van The Beauty and The Beast. Het leverde Rik Kuiper een vaste baan bij de Volkskrant op.

Rik, we kunnen er niet omheen. De nachtmerrie van Sophie, op 12 september verschenen, moet met dik vijftienduizend woorden het langste verhaal zijn dat in tijden en misschien wel ooit in de Volkskrant is afgedrukt. Verdeeld over dertien pagina’s van het Zaterdag-katern, in vijftig hoofdstukken. En dat voor een misbruikzaak die – zullen sceptici zeggen – nooit bewezen is. Wanneer tijdens je maanden van onderzoek wist jij dat dit een heel lang stuk kon worden?
RK: Of dit het langste stuk in de geschiedenis van de krant is, weet ik niet. Misschien dat het interview met prins Bernhard, dat de krant na zijn dood in een apart katern publiceerde, meer woorden telde. Maar dat heb ik niet nagezocht.

Het verhaal vroeg wel om uitgebreid wederhoor, meer dan zo’n plichtmatig kadertje

Dit verhaal kwam in december 2018 op mijn pad. De ouders benaderden de krant omdat ze misstanden aan de kaak wilden stellen. Met een jongere collega ben ik met ze gaan praten. Wat ze zeiden klonk interessant. Ze hadden van hun 3-jarige dochter gehoord dat een medewerker van het kinderdagverblijf mogelijk zijn piemel had getoond. De ouders maakten er melding van, waarna ze zich door het kinderdagverblijf, de politie, Veilig Thuis en de gemeente slecht behandeld voelden.

Hun verhaal vroeg wel om uitgebreid wederhoor, vond ik. Meer in ieder geval dan het plichtmatige kadertje dat je soms onderaan beschuldigende verhalen ziet, zo’n kadertje dat niet veel meer vermeldt dan dat de politie/de verdachte/het betreffende bedrijf zich na het lezen van een conceptversie van het verhaal ‘niet in het geschetste beeld herkent’.
Eerst vroeg ik het kinderdagverblijf om een reactie. Ik verwachtte er niet veel van, omdat de directeur nooit veel in de regionale pers had verteld. Maar ze belde al snel op. Ja, ze was bereid haar te verhaal doen. Toen bedacht ik dat het mooi zou zijn een reconstructie vanuit zo veel mogelijk perspectieven te maken. Zo zou ik kunnen laten zien voor welke dilemma’s elke partij komt te staan bij een melding van grensoverschrijdend gedrag bij een jong kind. Daarvoor moest ik dus ook weten hoe de politie, het OM en de gemeente te werk waren gegaan. En hoe de vermeende dader terugkeek. Daarmee zou dit stuk wel iets langer worden dan een regulier stuk.
Overigens wilden de betreffende medewerker, de politie en het OM niet uitgebreid op de zaak ingaan. De gemeente stond pas een interview toe nadat ik via een wob-verzoek alle documenten over de zaak had opgevraagd. Die documenten gaven me enig inzicht in de werkwijze van de instanties – wat essentieel was voor het verhaal.

Ik heb nooit de illusie gehad dit wel even op te lossen

Heb je in het begin gedacht dat je de misbruikzaak hard zou kunnen krijgen? Wanneer wist je dat het geen hard-nieuws-verhaal zou worden, maar iets anders?

RK: Ik heb nooit de illusie gehad dit wel even op te lossen. In zulke zaken met jonge kinderen is schuld nauwelijks te bewijzen zonder getuigen, beeldmateriaal of een bekentenis. Onschuld bewijzen is al helemaal onmogelijk. Gek genoeg was het voor het verhaal dat ik van plan was te vertellen ook niet eens zo belangrijk om die vraag te beantwoorden. Ik wilde juist laten zien wat de gevolgen zijn als er zo lang onduidelijkheid blijft bestaan.

Uiteindelijk gaat ‘Sophie’ niet over het misbruik van een 3-jarig meisje door een mannelijke medewerker van een kinderopvang in Oosterbeek, maar over de ontwrichtende werking van het verhaal dat mensen elkaar vertellen.
RK: Ja, daar gaat het over. En in dit geval betreft het ook nog eens een verhaal dat appelleert aan de grootste angst van veel ouders: dat hun kind misbruikt is. Dat roept al gauw heftige emoties op – en dat is zeer begrijpelijk.
Vanwege die emoties gaat zo’n verhaal ook makkelijk rondzingen in een gemeenschap, met alle gevolgen van dien. In het beste geval draagt dat bij aan de waarheidsvinding: er komen nieuwe meldingen bij, waardoor de politie meer bewijs heeft tegen een dader. In het slechtste geval ontstaan nieuwe verhalen, die niet per se waar hoeven te zijn. Bijvoorbeeld doordat ouders hun kinderen verkeerd ondervragen.

Dit verhaal gaat ook over onzekerheid en hoe mensen daarmee omgaan

Voor mij gaat dit verhaal overigens ook over onzekerheid en hoe mensen daarmee omgaan. De ouders willen dat alles tot in detail uitgezocht wordt. Politie en OM staan daar noodgedwongen pragmatischer in, omdat ze geen onbeperkte capaciteit hebben. Dat zorgt voor spanning en onbegrip. Door de wat onbeholpen communicatie van vrijwel alle partijen werd het er niet beter op.

Natuurlijk gaat het dan ook over de pers. Hoe andere media erover hebben bericht. En over jouw eigen berichtgeving. Kun je vertellen op welke momenten, hoe en waarom deze ethisch-journalistieke vragen opspeelden?
RK: De belangrijkste was: hoe ga ik in het verhaal om met de betreffende medewerker? Wie beschuldigd wordt van kindermisbruik komt daar zijn hele leven niet meer vanaf. Het was dus belangrijk deze man niet herkenbaar op te voeren, zeker omdat de politie en het OM hem nooit als verdachte hebben aangemerkt en experts waarschuwden dat er mogelijk sociale besmetting was opgetreden. Ik besefte dat het goed mogelijk was dat deze man niets verkeerd gedaan had. Dat bracht een verantwoordelijkheid met zich mee.
Het doel van dit verhaal was ook niet om voor eens en voor altijd te bewijzen dat deze man schuldig of onschuldig was. Ik wilde vooral laten zien hoe complex zo’n zaak is. Toch ontkwam ik er niet aan de verontrustende signalen in deze kwestie op te dienen. Ik moest bijvoorbeeld uitgebreid beschrijven waarom de ouders de medewerker verdacht vonden. Anders zou de lezer niet begrijpen waarom ze zo’n felle strijd voerden. Daardoor ontstond wel het gevaar dat het verhaal één kant op zou gaan hellen. En dat wilde ik niet. Het moest in balans zijn. Er moest ook voldoende aandacht zijn voor de ontlastende zaken.
Dat maakte dit verhaal tot evenwichtskunst. Een suggestieve zin te veel kan betekenen dat ik lezers dwing te denken dat David schuldig is. Te veel waarschuwingen van wetenschappers en de lezers denken dat de ouders maar wat gefantaseerd hebben. Beide uitkomsten vond ik onwenselijk.

Ik kan me niet herinneren ooit een journalistiek verhaal te hebben gelezen waarin een relevante maar niet wereldschokkende zaak zo minutieus is uitgezocht en van alle kanten belicht. Ik bedoel: The School van de Amerikaanse journalist CJ Chivers is zeventienduizend woorden lang, telt een stuk of dertig scènes en volgt de gijzeling van acht primaire personages tijdens de gijzeling in Beslan. Niet alleen had Chivers een veel groter onderwerp, maar ook had hij veel meer materiaal, getuigenissen van mensen die over de verschrikkingen vertelden. Jij moest het doen met de onduidelijke verklaring van een driejarig kind. Heb je niet af en toe gedacht: ik wou dat ik hier nooit aan begonnen was?

Ik heb wel eens gewild dat ik er nooit aan begonnen was

RK: Dit zijn inderdaad veel woorden voor een relatief kleine zaak, waarbij ook nog eens onduidelijk is of er nu daadwerkelijk iets gebeurd is. Maar uiteindelijk was dat ook juist wat deze kwestie interessant maakte: die onzekerheid bij alle partijen, het gebrek aan harde bewijzen, de suggestie die soms moeilijk te ontkrachten viel. Daardoor ontspon zich een heel subtiel verhaal.
En ja, ik heb inderdaad wel eens gewild dat ik er nooit aan begonnen was. In eerste instantie kwam dat doordat ik van steeds meer details het belang ging inzien. De rechercheurs die benadrukten hoe druk ze het hadden. Moest erin. Zo’n onaardig zinnetje over juridische dreiging in een brief van het kinderdagverblijf. Moest er ook in. Enzovoorts. Al die kleine bouwsteentjes waren nodig om te kunnen begrijpen waarom de ouders deden wat ze deden. Maar zou ik ooit de ruimte krijgen om een verhaal te maken waar dat allemaal in paste?
Ook in de laatste fase had ik veel slapeloze nachten. Ik liet betrokkenen de tekst nalezen, wat tot veel discussie leidde over details.

Na laten lezen leidt altijd tot gedoe. Kun je een voorbeeld geven? En wat liet je ze lezen? Het hele verhaal of – ook niet ongebruikelijk – alleen de informatie die je van die betrokkene kreeg en gebruikte?

RK: Ik heb alle betrokkenen het hele verhaal voorgelegd. Dat leverde inderdaad veel discussie op, vooral omdat de ene partij dan vond dat de ander te veel ruimte kreeg. Over sommige passages hebben we lang gediscussieerd. Op de details ga ik hier liever niet in.

Wat waren de reacties op de krant, voor het verscheen en daarna?
RK: Het verbaasde me uiteindelijk hoe makkelijk de krant ruimte maakte voor dit enorme verhaal. Chefs waren er allemaal enthousiast over, nadat ze het gelezen hadden. Meerdere mensen vertelden me dat ze niet in de gaten hadden gehad dat het zo lang was. Er is heel even discussie geweest of het in twee delen de krant in moest, maar uiteindelijk is dat gelukkig niet gebeurd. Achteraf kreeg ik ook vooral positieve reacties, al vond een enkeling het veel te lang voor een krantenartikel.

Ik verwijs vaak naar verhalende reportages van jou omdat niemand in Nederland het genre zo beheerst als jij. Maar heb je bij dit verhaal, bij de research en het schrijven, veel gehad aan narratieve technieken? Wat precies?
RK: Ja, daar heb ik heel veel aan gehad. Had ik de spanningsboog niet op orde gehad, dan zou de krant dit nooit gepubliceerd hebben, dan leest niemand zo’n verhaal uit. Uiteindelijk werkte ik twee verhaallijnen tot in detail uit: het verhaal van de ouders en het verhaal van de directeur van het kinderdagverblijf. Ik wissel scènes uit die verhaallijnen af met achtergrondinformatie en interviews met betrokkenen en deskundigen. Op die manier bouwde ik een mozaïekvertelling. Ik hoopte daarbij dat de lezers de ene keer meegesleept zouden worden door de standpunten van de een en even later weer door die van de ander. Zodat ze uiteindelijk in verwarring zouden achterblijven, net zoals veel betrokkenen in deze zaak. Ze moesten denken: oef, wat is dit ingewikkeld.

Wat zijn de grootste problemen die je tegenkwam bij dit verhaal? De duur van het onderzoek? Een tegenlezer die nog begreep waar je mee bezig was? Hoe je bronnen aan het praten kreeg?
RK: Het grootste probleem was de al eerder genoemde balans. Als verteller bepaal ik welke feiten, verdachtmakingen en ontlastende zaken ik de lezers opdien. Ik dek de tafel waar de lezers aanschuiven en hun meningen vormen. Daar moest ik me te allen tijde van bewust blijven. Verder: de enorme hoeveelheid informatie. Het verhaal had nog drie keer zo lang kunnen zijn. Ik moest indikken en doseren, zonder daarbij de grote lijn geweld aan te doen. En praktisch was dit nog lastig: zo’n complex project draaien tussen mijn andere werkzaamheden door.

Toen Freek Schravesande in NRC een complete bijlage (zeventienduizend woorden) vulde over Ria, een vrouw die decennia terug vermist raakte, schreef ik dat het lange-lange verhaal nu definitief zijn plek gevonden had in de dagbladen. Het dogma was gebroken. Hoe zie jij die ontwikkeling na Sophie?
RK: Van een definitieve doorbraak van het echt lange verhaal is nog geen sprake, denk ik. Na ‘Ria’ heeft NRC ook niet meer zulke lange stukken gepubliceerd. Mijn ‘Sophie’ was ook vooral nog een experiment, een voorzichtige eerste stap. Bij de krant onderzoeken we momenteel wel wat we kunnen leren van bijvoorbeeld Netflix. Mensen bingen documentaires als Tiger King of Chernobyl. Kunnen wij dat als krant ook, met geschreven reportages? En zo ja, hoe dan? Tegelijkertijd zie ik wel dat de Volkskrant geregeld reportages van vijfduizend woorden of meer publiceert. Neem het prachtige Mississippi Hanging bijvoorbeeld, waarmee Michael Persson in 2020 een Tegel won.

Buiten Nederland zijn vervolgverhalen heel gewoon. Waarom zou dat bij ons zoveel weerstand oproepen?

RK: Voor een vervolgverhaal zijn trouwe lezers nodig. Je gaat aflevering 2 en 3 niet gauw lezen als je aflevering 1 gemist hebt. Voor de papieren krant kan dat een probleem zijn. Je biedt een groot verhaal aan waarvan een groot deel van de lezers eerdere delen gemist hebben. Dat kan ergernis opwekken.

Op internet speelt dat natuurlijk allemaal geen rol meer. Daar kan iedereen op elk moment beginnen met deel 1.

Ik hoop zelf dit jaar een historisch vervolgverhaal af te maken, dat vermoedelijk zal bestaan uit vijf delen van 3000 woorden. Dat is erg leuk, omdat het weer om een andere opbouw vraagt dan één lang verhaal van 15.000 woorden. We experimenteren er dus wel mee.

En de verhalende journalistiek in engere zin? Heeft dat genre vaste grond onder de voeten? Zie jij meer pur sang vertellers?
RK: Ik merk dat de Volkskrant er ruimte voor maakt, de hoofdredactie ziet het belang van verhalende reportages, verslaggevers worden enthousiast van het genre. Ik heb het idee dat de verhalende journalistiek nog altijd terreinwinst boekt, al gaat het met kleine stappen.

Freek Schravesande over Ria, een verhaal van 18295 woorden

NRC-verslaggever Freek Schravesande vulde een hele Oud&Nieuw-bijlage met het verhaal over Ria (Lees het hier), de moeder van drie kinderen die in 1971 zomaar verdween. Hoe een zoektocht een familiegeschiedenis werd. Het lange, lange verhaal is definitief terug in de krant.

Natuurlijk wist Freek Schravesande wel dat zijn krant de laatste tijd meer experimenteert met journalistieke vormen. Maar dat het zó uit de hand mocht lopen. Man, wat een feest. Al ruim een jaar werkte hij aan ‘Ria’, een vrouw, moeder van drie koters, die op een dag in 1971 zo maar verdween. Niemand had nog iets gelezen. Toen belde de chef van NRC Weekend. Of Freek inderdaad… en hoeveel woorden dan… twintigduizend… de Oud&Nieuw bijlage had nog wel ruimte.

Lees het hele verhaal bij NRC Handelsblad

Freek Schravesande, verslaggever bij NRC Handelsblad, ooit bekroond met De Tegel voor journalistiek talent en verknocht aan vertellen, aan ‘een goed verhaal’, had toen nog anderhalve maand. Aan het verhaal over Ria had hij tot dan toe vooral tussen de bedrijven door gewerkt, op verloren middagen. Nu moest alles aan de kant. Een lange, lange longread. Op papier! Een hele bijlage. Dat het kón.

hoeveel woorden dan… twintigduizend… de Oud&Nieuw bijlage had nog wel ruimte

Wie herinnert zich nog zo’n stuk? Gerard van Westerloo deed het ruim tien jaar geleden in NRC-magazine. Nog iets langer geleden schreven Pieter Broertjes en Jan Tromp een Volkskrant-bijlage vol met het postume prins Bernhard-interview. Er zullen er meer zijn geweest, maar tot voor kort zochten kranten hun internetstrategie toch vooral bij ‘kort’, ‘snel’ en ‘clickable’. Wie besteedt er nou nog een vol uur aan één verhaal?

‘Ria is weg’ – 18295 woorden, leestijd: een uur – laat zien dat verhalende journalistiek, het genre dat ook al mocht uitbotten bij de Volkskrant en De Groene, nu tot het vaste palet van kranten behoort. Freek Schravesande koos zijn moment goed – en goddank kan hij vertellen.

Het begon, herinnert hij zich, alledaags. Een stille middag. En zin in iets nieuws. Hij zat wat te neuzen in rapporten en kwam terecht in een recent document over langdurige vermissingen. Wat zou, vroeg hij zich af, de meest onwaarschijnlijke verdwijning zijn? Veel zaken gingen over vermiste asielzoekers of psychiatrisch patiënten. Ria was anders: een moeder van drie kinderen die na een ruzie uit het echtelijk huis zomaar vertrok.

Hij werd nieuwsgierig, Freek. En wat ook hielp: na die vermissing in 1971 was er nauwelijks over Ria geschreven.

Op de redactie wist lange tijd vrijwel niemand dat ik ermee bezig was

‘Toen ik aan de research begon, dacht ik aan de lengte van een gewoon artikel. Totdat bleek dat het verhaal die lengte zou moeten ontstijgen om het helemaal te kunnen vertellen – daar kwam ik pas gaandeweg achter. Op de redactie wist lange tijd vrijwel niemand dat ik ermee bezig was. Ik deed mijn onderzoek en interviews tussen het reguliere werk door en dacht: ik zie wel waar het op uitkomt, het kan altijd op internet in een longread. Als het daarbij was gebleven had ik het ook prima gevonden.’

Je onderzoek liep een jaar. Ik kreeg de indruk dat het niet toevallig parallel liep aan het onderzoek van Piet Noorlander, de rechercheur die op zijn oude dag in de vermiste personen dook.

‘Nadat ik in dat rapport over Ria had gelezen kwam er weer van alles tussendoor. De zaak bleef in m’n hoofd zitten en uiteindelijk dacht ik – op weer zo’n loze middag op de redactie – laat ik eens bellen met één van de dochters van Ria. Die moesten nu bijna vijftig zijn. Ik vond één van hen op internet en sprak met haar af in Haarlem. Toen zei ze: ‘Wat toevallig, bijna 46 jaar lang heeft niemand hierin interesse gehad, en nu ben je de tweede in één week’. Een paar dagen ervoor bleek een rechercheur haar dus ook te hebben gebeld. Het klinkt absurd, maar toeval bestaat.’

Hoeveel tijd heb je eraan besteed? Ging dat zonder gemor van collega’s? De krant moet immers ook altijd vol.

‘Ik heb het geluk dat er bij ons op de krant veel vrijheid is, zeker op een grote redactie zoals die van Binnenland. Er werken bovendien genoeg mensen om niet een permanente productiemachine te hoeven zijn. Dat is echt een voordeel van zo’n grote krant die goed draait. Dat geeft ruimte, je wordt niet voortdurend overvraagd. Er werd niet op me gelet. En natuurlijk maakte ik tussendoor ook allerlei korte en lange artikelen. Maar ik werk graag op verschillende snelheden – met dat verhaal van Ria op z’n allertraagst. Soms deed ik maanden niets, en dan weer was ik er een week intensief mee bezig. En vooral richting het einde – het schrijven kostte zeker een maand – was ik er wel echt bijna fulltime mee bezig.’

Heb je ondersteuning gehad tijdens de research en het schrijven?

‘Het voordeel van werken bij een krant als NRC is dat er veel professionals zijn met ieder eigen skills, in onderzoek, schrijven, interview etc. En sommigen werken er al dertig jaar, die zijn één bonk ervaring. Bij zo’n verhaal als over Ria passeerden een paar keer specifieke twijfels en vragen en daarvoor raadpleegde ik dan collega’s. Zo sprak ik halverwege een aantal keer met Jannetje Koelewijn – zij heeft veel ervaring met familiegeschiedenissen – en op het einde ook met Wubby Luyendijk – goed in relatiebeheer.

Specifieke twijfels, zeg je. Welke?

‘Halverwege het proces kwam ik voor de vraag te staan of ik ook in het dorp moest gaan roeren waar Ria verdwenen was. Als journalist heb je snel die neiging. Maar voor sommigen binnen de familie blijft het een pijnlijke geschiedenis en niet iedereen had zin in hernieuwde roddel en achterklap binnen de dorpsgemeenschap. Soms moet je juist iets níét doen, was een van de adviezen die ik kreeg.’

‘Het schrijven ging gelukkig makkelijker dan verwacht, ik wilde het niemand laten lezen voordat het helemaal af was. Daarna heb ik het aan de familie gestuurd en aan de Peter Zantingh, die zich opwierp als eindredacteur. Daar was ik blij mee, want hij heeft het echt nog beter gemaakt. Vooral op detailniveau, de opbouw bleef intact, op het begin na.’
Had je voordat je met de research begon een idee van waar je zou uitkomen?

‘Aanvankelijk had ik in mijn hoofd om alleen de drie dochters van Ria te spreken. Ik wilde weten hoe het voor hen was om te leven met zo’n groot vraagteken. Al snel bleek dat de verdwijning effect had gehad op de hele familie en op hun onderlinge banden en dat het verhaal dus niet alleen kon gaan over de dochters. Langzaam werd duidelijk dat elk familielid een eigen stem moest krijgen en dat daarvoor ook echt de ruimte nodig was. Op hoeveel woorden het uit zou komen wist ik pas toen ik de laatste letter op papier gezet had.’

Wat waren de grootste tegenslagen tijdens de research? En de belangrijkste meevallers?

‘De grootste tegenslag was natuurlijk dat Ria niet is gevonden. Al was dat ook niet de intentie van mijn research, want die ging over de gevolgen van een vermissing. Maar stilaan hoop je toch dat er iets meer duidelijkheid komt, vooral voor de betrokkenen zelf. Een gelukje was dat Piet Noorlander parallel aan mijn research het echte onderzoek naar de verdwijning deed. Wat kon er die nacht van de verdwijning gebeurd zijn? Daar hoefde ik mij dus minder op te focussen, ook omdat we elkaar in het begin hebben ontmoet en afspraken dat hij na voltooiing van zijn onderzoek daarover zou rapporteren – als dat tenminste ethisch mogelijk was.

‘Voor mij was het dus ook een kwestie van wachten tot hij klaar was, en dat duurde bijna een jaar. Dat hij erover kón vertellen was uiteindelijk een geluk. Ik denk dat het misschien niet had gekund als bepaalde scenario’s vrijwel zeker geloofwaardiger waren dan anderen. Stel dat alle verdenkingen hadden gewezen in de richting van Jan, de echtgenoot, zonder dat je het zéker weet. Dan had de rechercheur die informatie misschien niet willen delen en had ik het verhaal niet op deze manier kunnen opschrijven. Misschien zou ik dan karaktermoord hebben gepleegd terwijl de vraag was gebleven of dat terecht was of niet. Maar de conclusie van de rechercheur was uiteindelijk: we weten het écht niet.

‘Grootste tegenvaller was uiteindelijk de dimensie ‘tijd’. Ik had op voorhand graag een reconstructie gemaakt van de verdwijning van 46 jaar geleden, maar dat is zó lang geleden… Herinneringen vervagen en verbleken en veranderen en iedereen heeft eigen, soms tegengestelde gedachten over hoe een gebeurtenis verliep, wie waar wanneer precies was, hoe mensen eruit zagen, hoe de omgeving was, welke kleur het tapijt, etc. Dat maakte een exacte reconstructie onmogelijk.’

zelfs geen compleet dna-spoor meer van Ria, alsof ze nooit heeft bestaan

Ooit gedacht dat je het raadsel zou kunnen ophelderen?

‘Ik had gehoopt dat het zou worden opgelost, en nog steeds, maar mijn verwachtingen waren niet heel hooggespannen omdat al snel duidelijk was dat er vrijwel geen sporen meer zijn. Een teleurstelling in dat opzicht, ook voor de rechercheur, was dat het politiedossier uit die tijd niet meer te vinden was. En zelfs geen compleet dna-spoor meer van Ria. Alsof ze nooit heeft bestaan.

‘Doel van mijn verhaal was om lezers te laten voelen hoe het is om iets níét te weten, hoe tegennatuurlijk het is om níét te kunnen verklaren en duiden. Even heb ik gedacht het verhaal ergens halverwege een zin gewoon op te laten houden, zodat het bij de lezer begint te knagen, dat die gefrustreerd raakt. Misschien was het wat flauw geweest, maar zoiets zou de lezer misschien een klein beetje doen voelen wat de achterblijvers voelen. Namelijk dat er gebeurtenissen zijn, verhalen bestaan, die niet ‘rond’ en ‘af’ zijn.’

Op welk moment ben je gaan schrijven?

‘Toen ik al het materiaal had verzameld, aantekeningen vooral, heb ik ze achter elkaar op papier gezet en dat meegenomen op vakantie in Frankrijk. Een van de laatste vakantiedagen heb ik het allemaal nog eens gelezen en toen zat het in m’n hoofd. Na terugkomst ben ik het gaan schrijven, tussen de studenten in de universiteitsbibliotheek. Dat beviel goed.’

Hoe heb je het verhaal gecomponeerd? Een outline gemaakt?

‘Ik heb geen compositie of outline vooraf gemaakt. Ik ben achter het scherm gaan zitten en begonnen. Telkens hoofdstukjes van zo’n 1.500 woorden, dat bleek het beste te werken, en na elk hoofdstuk bedenken wat nu een logisch volgende zou zijn. Dat liep tot m’n eigen verrassing eigenlijk meteen vrij gemakkelijk. Alle elementen bleken logisch in elkaar te passen. Alleen de scene van de verdwijning zelf, die stond wat verderop in het verhaal, en die heb ik later op aanraden van de eindredacteur verplaatst naar het begin.’

Het verhaal over Ria begint ab ovo, bij het begin van alles, de vermissing van Ria. Alle betrokkenen hebben daar anderen herinneringen aan. Dat blijkt later de rode draad te zijn.

‘Dat is zo, maar wist ik nog niet zo duidelijk toen ik begon met schrijven. Daarom was het een goed idee van de eindredacteur, Peter Zantingh, om die scene naar het begin te halen. En daarmee dus ook in de eerste zin van het verhaal mee te beginnen. Het voelde wel even rigoureus om m’n eigen eerste zin te schrappen, maar daar was ik tevoren zelf toch ook nog niet helemaal tevreden mee.’

Wat was jouw eerste zin?

‘De achterkamer is donker, alleen vanuit een klein hoog raampje valt een lichtstraal op de muur. De gordijnstok hangt schuin, in het plafond zit een gat en op de kale tegelvloer ligt een dikke laag stof. Het is duidelijk, glurend door de vitrage van een afgebladderde voordeur, ooit groen. Dit huis is onbewoond.
Ria! Ze zou hier wonen. Misschien. Aan een pleintje in het centrum van het Italiaanse stadje Intra aan het Lago Maggiore, omsloten door bergtoppen die in de verte reiken tot in de wolken. Het is midden op de dag, de zon brandt op de straatstenen, een zwaluw duikt laag over de appartementen en op het pleintje, te midden van een doolhof aan nauwe straatjes, vicolos, is het stil. Iedereen heeft zijn luiken dicht. Roepen heeft geeft zin.
Ria Daanen, bijnaam ‘Puck’, verdween op 11 december 1971 en kwam nooit meer terug…. etc.

Doordat je in die nieuwe eerste scene zoveel betrokkenen noemt, introduceer je de personages heel beknopt, maar maak je het de lezer niet eenvoudig in het verhaal te komen.

‘Dat was wel de grote twijfel die Peter en ik allebei hadden toen we besloten die scene naar voren te halen. Ik had ’m eigenlijk iets later gepland, zoals gezegd, waardoor je al iets meer wist. Nu werd de lezer direct in het diepe gegooid. Dat is de sterkte én zwakte, denk ik.

Met een knipoog: ‘Uiteindelijk konden we gewoon niet iets beters verzinnen dan dit. Pech voor de lezer.’

Dat verhaalprobleem, de complexiteit van die twee grote gezinnen, is na de introductie weg. Je laat ze een voor een, en af en toe samen, vertellen.

‘Er waren zóveel betrokken die allemaal een stem in het verhaal moesten krijgen. En soms vond ik het belangrijk om ze gebeurtenissen samen te laten vertellen. Vooral als het over gedeelde herinneringen ging. Bij de tegenstelling trok ik ze juist uit elkaar.’

In het eerste hoofdstuk geef je ook meteen de achtergronden en de grote getallen over vermiste personen, zoals je dat ook zou doen in een gewone reportage. Die uitweiding houdt ook een beetje op. Heb je overwogen die zakelijke informatie in een kader te zetten?

‘Ik vond het toch wel belangrijk om zulke informatie onderdeel te maken van het verhaal. Juist om de relevantie van deze casus te benadrukken. Maar in een boek zou je dat misschien niet doen. Het blijft natuurlijk een verhaal in een krant. En misschien, nu je het zegt, had het ook niet echt gehoeven. Ik weet het niet.’

Door het hele verhaal heen spelen twee suggesties die de spanning erin houden. Jan zou Ria hebben vermoord. En Ria zou een psychiatrische patiënt zijn geweest. Beide vragen blijven onbeantwoord. Heb je buiten de bronnen in het verhaal nog anderen gesproken hierover? Kon Noorlander niets vinden over Ria?

‘Noorlander is niet verder gekomen dan wat in het artikel beschreven staat. Over een eventueel psychiatrisch verleden van Ria is niets bekend. Zelf heb ik ook nog twee klinieken benaderd, maar beiden beriepen zich op het wettelijk beroepsgeheim, ook na zoveel jaren. Ze mogen niet zeggen of iemand wel of niet in een kliniek verbleven heeft, ook niet na overlijden.’

Dat spanningslijntje mocht niet te lang duren, want het was wel érg dun

In hoofdstuk 13 eindig je met een geheide cliffhanger. Je laat Noorlander zeggen: Er is nog één onderzoekslijntje. Verrek, dacht ik even, zou hij het mysterie dan toch oplossen. Maar zodra we op dat terras aan het Lago Maggiore zitten is die spanning weg…

‘Dat spanningslijntje mocht niet te lang duren, vond ik, want het lijntje was wel érg dun. Vanaf het begin wilde ik de lezer al niet te veel de suggestie geven dat er misschien toch nog van alles opgelost zou worden. Een beetje hopen mocht de lezer wel, zoals ook de achterblijvers die hoop hebben, maar zeker niet te veel. Dat zou flauw zijn en onrecht doen aan het verhaal.

‘Naar Italië ben ik geweest op de laatste dag van hun reis. Toen zaten Leo en Agnes er al een week en hebben ze op een terras verteld wat ze er hadden meegemaakt. Zij vertrokken de volgende ochtend en toen ben ik nog een dagje gebleven om zelf in alle rust te ervaren wat zij er hadden meegemaakt.’

Een narratief verhaal zonder bevredigende ontknoping is altijd lastig. Lezers en collega’s kunnen zich bekocht voelen.

‘Ik vond het in dit geval wel kunnen, omdat het verhaal nu eenmaal gaat over het onbevredigende lot. Juist die onbevredigde behoefte aan feiten leidt bij de achterblijvers tot emoties en verstoorde familieverhoudingen, dat ís het verhaal. Het is in die zin juist te hopen dat lezers zich een beetje bekocht voelen als ze het uit hebben. Dat het onbevredigend blijft. Dan heeft het verhaal doel getroffen.’

De kracht van het verhaal is denk ik dat het meer is dan een verhaal over een vermissing. Het is een familiegeschiedenis die laat zien hoe een traumatische gebeurtenis de levens van die mensen ingrijpend heeft beïnvloed. Is dat ook je uiteindelijke doel geworden?

‘Dat werd het uiteindelijke doel, maar daar kwam ik pas vrij laat achter. Pas toen ik alle betrokkenen had gesproken werd me dat duidelijk. En ook veel van de betrokkenen zelf kregen pas laat door dat dít hun verhaal was. Bij één familielid viel het kwartje pas toen die het verhaal een tweede keer las. Ze hebben allemaal 46 jaar geleefd met verstoorde familieverhoudingen, met spanningen en onuitgesproken gevoelens en gedachten, zonder te beseffen dat de verdwijning daarvan de oorzaak was.’

Ben je tevreden over het resultaat?

‘Uiteindelijk vond ik het belangrijk dat de drie dochters, en toch ook de andere familieleden, blij waren met het verhaal. Toen ik ermee bezig was, wist ik ook nog niet goed hoe ze het zouden vinden, en of de familie er wel oké mee was. Ik, als buitenstaander, hield de familie een spiegel voor. Ik had ze in een storm gebracht en de vraag was of het schip daardoor niet zinken zou. Dat was spannend, ook voor hun allemaal.

‘Ze werden geconfronteerd met elkaar en met zichzelf. Iedereen stond er ‘anders’ in. Het grootste geluk was dat alle familieleden, ondanks dat ze verschillend dachten, van elkaar accepteerden dát ze anders dachten. Dat heeft in het proces wel tot spanningen geleid, zoals dat in elke familie zou gebeuren. Maar gelukkig zijn het allemaal intelligente mensen en hebben ze van elkaar geaccepteerd dat ze anders denken. En konden ze ook nog eens allemaal heel mooi vertellen – dat helpt ook. Van de drie dochters weet ik dat ze blij zijn met het resultaat. Dat ze eindelijk het gevoel hebben dat hun verhaal verteld mág worden. En dat het een onbevredigend verhaal is, ja dat is dan zo. Maar dát is hun verhaal. Misschien dat het hen een beetje helpt.’

Laatste vraag: Waar is Ria?

‘Alle tips zijn welkom.’

 

Het al te heftige leven van Michel Maas

Met de rauwe roman Commandant Konijn schreef Michel Maas het beste boek van 2017 op de grens van literatuur en journalistiek. Hoe een onnozele Limburger verslaafd raakt aan oorlogen en daar bijna aan onderdoor gaat. Een interview over feit en fictie en de flauwekul van een standupper. En een stuk uit de roman.

Hoe kan het dat een ogenschijnlijk wat bedeesde katholieke ex-misdienaar uit – godbetert – Swalmen door Thaise militairen op een haar na wordt doodgeschoten? Michel Maas deed er in 2010 op Radio 1 live – ‘Auw, I’m hit’ – verslag van. Dat verslag klonk absurd, hilarisch bijna, te surrealistisch om waar te kunnen zijn, net als het boek dat de Azië-correspondent van de Volkskrant en de NOS daarna besloot te schrijven.

Commandant Konijn is het beste, meest rauwe en openhartige boek dat het afgelopen jaar verscheen op het grensvlak van literatuur en journalistiek. Een autobiografische roman over een man die in het Kosovo van de late jaren negentig verslaafd raakt aan oorlogsverslaggeving, huis en haard en vrouw en kinderen in de steek laat, een heftige liefdesaffaire beleeft met een collega – ze is net zo hooked als hij – en pas bij zinnen komt als hij op straat in Bangkok wordt geraakt door – Auw, auw, I’m hit – de kogel die, zoals dat heet, al jaren op hem lag te wachten.

Michel Maas noemt Commandant Konijn een roman, geen journalistieke non-fictie. Maar tot in de kleinste details wekt hij de indruk dat het verhaal samenvalt met de werkelijkheid. In het boek loopt een journalist die Michel Maas heet door de oorlog van Kosovo. Onnozel eerst, een naïeve Limburger die door de wereldgeschiedenis dwaalt als een dreumes door een pretpark. Later de oorlogsverslaggever die, door de wol geverfd, cynisch relativeert maar blijft kijken, en blijft schrijven – zoals hem dat ook in werkelijkheid allemaal overkwam.

Je hebt gezegd dat de romanvorm je meer vrijheid gaf. Welke vrijheid bedoel je precies?

De vrijheid om te schrijven zoals ik het wilde. De gebeurtenissen zijn inderdaad bij vlagen behoorlijk werkelijkheidsgetrouw, maar ik had de vrijheid nodig om gebeurtenissen samen te voegen, sfeer te creëren, emoties weer te geven zonder dat iemand mij naderhand met jaartallen en plaatsnamen om de oren zou kunnen slaan en roepen: ‘Fout, dat was in werkelijkheid heel anders’. Ik wilde een verhaal vertellen, niet het verhaal van Kosovo, niet het verhaal van Bangkok, maar het verhaal van een journalist die verzeild raakte in die verhalen, losraakte van zijn leven ‘vóór de oorlog’ en uiteindelijk helemaal dreigde te verdrinken.

Tien dagen had ik rondgelopen tussen de doden

Zou je dit soort verhalen – op het grensvlak van autobiografie en journalistiek – niet ook gewoon in een krant of opinietijdschrift kunnen afdrukken? Twintig jaar geleden was dat ondenkbaar, maar de journalistiek is veranderd, een stuk persoonlijker geworden. En een enkele keer deed je het al. Je verhaal in VK Magazine over de tsunami, bijvoorbeeld. Of sommige stukken die je op de Filipijnen maakte na de orkaan.

Mijn verhaal na de tsunami, in het VK Magazine, was een reddingsboei. Tien dagen had ik rondgelopen tussen de doden. Ze lagen aan de kant van de weg, de handen samengebonden, klaar om te worden opgehaald, ze lagen in de modder die de zee had achtergelaten, ze zaten geplet tussen het puin. Tienduizenden. Ze waren overal, en overal stonk het naar de dood. Je kon er niet aan ontkomen. Dit was het ergste wat ik ooit had gezien.

Na tien dagen riep de krant mij terug naar Amsterdam. Er waren correspondentendagen, die mocht ik niet missen. Ik ging terug, maar de doden lieten mijn hoofd natuurlijk niet met rust. Ik stond op een redactiefeest met een biertje in mijn hand, mensen groetten me, ‘goh, dat was niet niks he?’, en ik glimlachte en dacht: je moest verdomme eens weten. Je hebt geen idee. Op dinsdagochtend stapte ik uit mijn hotel aan de Prinsengracht. Ik schrok me te pletter. Overal lagen grijze plastic zakken. Lijkzakken. Het was natuurlijk gewoon vuilnisdag, maar ik begreep dat het niet goed met me ging. Ik ben naar de krant gegaan, en ben gaan tikken. Drie uur later was het af. Alle doden, alle stank, alle huiver, alle tranen en alle lijkzakken heb ik in dat verhaal gestopt. Ik gaf het verhaal een plaats. De krant drukte het af, en ik ging terug naar Atjeh.

Dit artikel ’temde’ mijn emoties van het moment. Het boek is een ander verhaal: een verhaal dat een hele oorlog omspant en de nasleep ervan. Dat verhaal had ik nooit zo kunnen schrijven op het moment dat het me overkwam. Daar was afstand voor nodig, overzicht, en een inzicht dat ik toen nog niet bezat.

Je zou stukjes en beetjes uit het boek in de krant hebben kunnen zetten. De stukken die ik destijds publiceerde hadden vaak al een vrij persoonlijke tint. Mijn Kosovo-verhalen zijn gebundeld en voorzien van een heel persoonlijk extra hoofdstuk dat het boek al aankondigt. De kernzin was: ‘Mijn god waar begonnen we aan.’

Een onnozele journalist, die nog weinig heeft gezien van de wereld

Maar er was een boek nodig om alle emoties, alle menselijke ellende van de oorlogsjournalistiek een plek te kunnen geven. Ik wil de lezer meetrekken in een verhaal dat ogenschijnlijk heel onschuldig begint. Een onnozele journalist, die nog weinig heeft gezien van de wereld en die per ongeluk in een oorlog belandt. Hij kijkt zijn ogen uit, heeft een naïeve bewondering voor de ‘echte’ oorlogsjongens, wil zijn zoals zij, en wordt ten slotte erger dan zij: een wrak. Dat past allemaal niet in een enkel krantenverhaal.

Hoe ver ga je bij het dramatiseren van je journalistieke werk? Dringt de fictie ook de werkelijkheid binnen, andersom dus? Mag je – denk aan Oscar Garschagen – personages samenstellen, locaties en tijden iets aanpassen, louter vanwege het verhaal?

Dat mag nooit het geval zijn. Journalistiek is journalistiek en fictie is fictie.

Ik gebruik altijd sfeer in mijn verhalen. Ik benadruk details, waarnemingen, kleine toevalligheden soms en ik pas ze in, waardoor ze een betekenis krijgen, een gevoel versterken, of de spanning opvoeren. Het verhaal moet gelezen worden, en om dat voor elkaar te krijgen gebruik je alle stijlmiddelen, kneepjes, verteltrucs en esthetische kunstjes die je tot je beschikking hebt. En zoveel mogelijk sfeer.

Sfeer is, ook in de journalistiek, minstens zo belangrijk als de naakte feiten, want die naakte feiten zijn het saaiste wat er is. Pas als zij worden ingebed in een goed verhaal komen ze tot leven, wekken ze verbazing, belangstelling, afgrijzen, medelijden. Daar doe je het voor. Als journalist is het je plicht de mensen niet alleen te informeren, maar ze ook te raken. Een reportage moet ze iets doen. Zuidoost Azië is ver weg. Als je de sfeer weglaat heb je op zo’n afstand niets te vertellen.

Karel Appel was woedend op mij

Al die dingen doe ik dus omwille van het verhaal, maar er is een heldere, vlijmscherpe grens bij al mijn journalistieke werk: ik verzin er nooit iets bij. Ik gebruik alles wat ik aantref aan indrukken, beelden, mensen en citaten. Ik groepeer ze, maar ik voeg er niks aan toe. Beelden zijn beelden, citaten zijn citaten. Daar mag je niet mee knoeien.

Soms trouwens tot ergernis van de spreker. Karel Appel was woedend op mij omdat ik zijn plat Amsterdamse manier van praten letterlijk op papier had gezet. Ik vond dat wel authentiek, maar hij vond dat ik daar ‘mooi Nederlands’ van had moeten maken. Dat had wel gekund. Zelfs als ik dat had gedaan zou ik aan de betekenis van zijn citaten niets hebben veranderd. Ik zou het naar eer en geweten hebben vertaald van plat Amsterdams in Volkskrant-Nederlands.

Voor het verzinnen van personages geldt natuurlijk hetzelfde. Je verzint geen mensen. Als je drie boeren interviewt die allemaal Ahmed heten heb je een aantal keuzes. Je noemt ze Ahmed 1, 2 en 3 en zet hun citaten in een context, of je parafraseert ze en staaft je verhaal met het best passende citaat van een van de Ahmeds. Er is altijd een mouw aan te passen. Als je moet gaan liegen is er iets mis met de waarheid die je wil vertellen.

Ik herinner me jou bij de Volkskrant vooral als eindredacteur. Bij uitstek een man die altijd binnen zat. Die Michel Maas is een heel andere dan de overdonderende stilist die midden jaren negentig De vleugels van Lieu Hanh – bekroond met de Lubberhuizenprijs voor het beste debuut – bleek te kunnen schrijven. Was die tegenstelling zo groot, of keken we (keek ik) gewoon niet goed? Of is dat contrast tussen Maas als dertiger en Maas als oorlogsverslaggever en thrillseeker door iets anders te verklaren?

Ik reed langs de overstroming en genoot. Die thrillseeker was er dus al.

Haha, ja, ik was inderdaad een stille eindredacteur. Maar voordat ik bij de Volkskrant kwam schreef ik al reportages. Bij De Limburger bijvoorbeeld, toen de Maas overstroomde. Ik werd erop uitgestuurd met de opdracht: ‘doe maar wat’. Ik vond het heerlijk. Ik reed langs de overstroming en genoot. Die thrillseeker was er dus al. Eindredacteur werd ik omdat dat de vacature was waarop ze me aannamen, maar ook omdat de eindredactie vaste werktijden had. Ik studeerde naast mijn werk filosofie aan de UvA, en die studie betekende veel voor mij. Dank zij dat vaste ritme kon ik colleges lopen en mijn studie afmaken.

Toen die studie af was ging ik los, zeg maar. Het eerste fijne verhaal wat ik mij herinner was een reisverhaal over Yosemite Park (dat waren de jaren dat kranten budgetten hadden voor dat soort zaken). Ik buitelde door de Amerikaanse ‘wilderness’, liep op het John Muir Trail, en vergat de obese vetzakken niet die beneden in het dal hun pizza’s naar binnen werkten. Ik heb daarna jaren voor de kunstredactie gewerkt, de meest vrije redactie van de krant, als het op schrijven aankomt. De laatste drie jaar was ik daar ‘literair redacteur’: de op een na fijnste baan van de wereld. Ik interviewde Hermans, Claus, Vroman, Seamus Heaney en Derek Walcott, en mocht naar het Boekenbal.

De vleugels van Lieu Hanh waren een uitvloeisel van een tussendoortje: een korte serie reisverhalen over Vietnam. (Een van die verhalen sprak nogal tot de verbeelding van collega’s: het verhaal waarin ik een bezoek aan een Vietnamese hoer beschrijf. Wat daarvan bleef hangen was de grote vraag: ‘Heb je het met haar gedaan?’). Die verhalen trokken de aandacht van de Bezige Bij, die mij aanzette tot het schrijven van een boek.

Ik heb schrijven altijd heerlijk gevonden, maar het schrijven van een boek bleek een nog veel groter genot. Halverwege het schrijven had ik zo’n moment van grote helderheid. Een moment waarop je even moet opstaan en rondlopen omdat je het op je stoel niet meer uithoudt. Ineens besefte ik, dat ik daar, achter dat laptopje, alles kon laten gebeuren wat ik maar wilde. Dat gevoel van een bijna goddelijke vrijheid, dat heb ik willen vasthouden, en willen terugbrengen in ‘Commandant Konijn’. Ik moest het een roman noemen om dat te kunnen doen.

In Commandant Konijn leg je uit hoe het schrijven van dat boek ontstond uit de gebeurtenissen op 19 mei 2010. Je werd in Bangkok door Thaise militairen in je rug geschoten en had genoeg geluk om het te overleven. Ik kreeg het gevoel dat jouw al te heftige leven daar ophield, zoals dat ‘echte leven’ pas begon in 1996, in Kosovo.

Het duurde even voordat ik mij goed realiseerde wat er op 19 mei 2010 gebeurde, en vooral: wat er had kunnen gebeuren. Die laatste gedachte had ik altijd weggewimpeld. Ik leefde nog en dat was alles wat telde. ‘It’s only a flesh wound.’ Omdat ik moest (en wilde) getuigen in de zaak rond de dood van de fotograaf Fabio Polenghi ben ik een paar keer terug geweest. Een paar keer bracht politie mij naar de plek waar het ongeveer gebeurde, en deden wij een ‘reconstructie’ op een plek waar nu de files stonden. Maar een paar jaar na dato, bij de laatste reconstructie, was ik in gezelschap van een agent die daar was geweest, op 19 mei 2010. Hij had alle lijken gezien. Hij wees me de plekken aan, wees me de kogelgaten in de verkeersborden, en samen vonden we het boompje waarachter ik had staan schuilen, en die andere boom, waar een dode tegenaan had gezeten, in elkaar gezakt. Dat was twee meter van de plek waar ik was geraakt.

Toen pas, ik denk dat het 2013 was, kreeg ik kippenvel, en als ik het radiofragmentje hoor waarop ik roep: ‘I’m hit’, of nu ik dit zo schrijf, krijg ik het nog.

Ik zag een oude vrouw en een kind als beesten vechten om een hulppakket
Het al te heftige leven is er nog steeds wel. Als ik Myanmar of Bangladesh alleen maar illegaal binnen kan, op een toeristenvisum, dan zal ik dat niet laten. Ik kom ook nog steeds in trieste omstandigheden. Je noemde de orkaan Haiyan in de Filipijnen. Of de 600.000 Rohingya die in Bangladesh in de modder zitten. Daar had ik weer even zo’n Tsunami-moment. Ik zag een oude vrouw en een kind als beesten vechten om een hulppakket. Het was een gevecht op leven en dood. Ik kreeg er tranen van in mijn ogen.

Ik doe mezelf dat allemaal nog altijd aan. Het enige verschil is, dat ik er nu niet meer blindelings in ren. Ik ben me meer bewust van de gevaren, van de kracht van de gebeurtenissen waarin ik mij begeef, en van mijn eigen emoties. Ik weet wanneer het tijd is om naar het hotel te gaan, een douche te nemen en te gaan schrijven.

Het boek is het relaas van een junkie. Je was verslaafd aan de kick. Wist je dat ook al toen je er middenin zat?

Natuurlijk wist ik dat, maar zoals elke junkie ontkende ik het met grote hardnekkigheid. Ik was de sigarettenverslaafde die zichzelf altijd voorhoudt dat hij best zonder kan. Om dat te bewijzen stopt hij vaak. Een uurtje, een dag. En dan begint hij weer. Het geeft niet. Hij kan immers altijd weer stoppen.

Wat is er eigenlijk zo verslavend aan oorlogsverslaggeving? Iemand moet het doen, zeg je. De wereld moet dit weten. Maar ondertussen is het link werk. En gaat dat werk vaak knullig, lees ik in de roman. Je jaagt achter het geluid van schoten aan en belt Hilversum om ze even de oorlog te laten horen, zonder te weten wat die schoten betekenen voor de loop van de geschiedenis. Het moest groots en meeslepend zijn, maar blijkt in werkelijkheid nogal lullig. En dan zeurt je hoofdredacteur ook nog over je declaratie.

Precies. In werkelijkheid is het vaak nogal lullig. Ik zie het nog elke dag op tv. De BBC heeft een intro waarin je de ene na de andere BBC-verslaggever met kogelvrij vest en helm door een oorlog ziet schuiven. Daar is er een bij die achter de soldaten aan Raqqa is binnengegaan. De soldaten staan voor een muur, en hij staat erachter. Hij bukt, kijkt in de camera en zegt: ‘er zijn nog steeds sluipschutters actief.’ Er klinkt inderdaad ergens een schot. ‘Welkom in Raqqa.’ Dan kan ik alleen maar lachen. Mijn god wat een nep-spanning. Dat gaat niet over het verhaal. Dat gaat over de journalist die dat verhaal vertelt.

Mijn boek gaat natuurlijk over niks anders dan de journalist, al is het op een ander niveau, maar in mijn verslaggeving heb ik dat altijd proberen te vermijden. Luister maar terug wat ik op de radio sta te vertellen over Thailand, terwijl de kogels mij om de oren vliegen en luttele minuten voordat ikzelf (nog steeds aan de telefoon) geraakt zal worden. Ik praat over Thaksin, over politiek, over hoe dit verder zal gaan.

Commandant Konijn is het verslag van mijn ondergang, bewerkstelligd door het verblijf in die oorlog, zei je in Trouw. Waarom moest je juist dat verslag schrijven? Het is nogal openhartig. Je komt er niet meteen uit naar voren als de zachtmoedige Limburger uit Swalmen die men dacht te kennen. De Maas in dat boek is een narcist, een ongeleid projectiel. Heb je dat, omdat het tenslotte kon in een roman, uitvergroot en aangedikt?

Ja. Een zachtmoedige man uit Swalmen zou het einde van het boek niet hebben gehaald.

Je had om die kogel in Bangkok gevraagd, zei je in het ziekenhuis. You had it  coming. Wist je meteen al, in dat ziekenhuisbed bedoel ik, dat je daar een roman aan zou ophangen?

In de roman is dat het keerpunt. En dat was het ook. Alleen het besef dat dat een keerpunt was kwam later, toen ik met die agent naar de kogelgaten stond te kijken. Toen vormde zich ook het idee voor dit boek, omdat ik zag hoe Kosovo en Thailand en Michel Maas bij elkaar kwamen.

Waar haalde je na al die jaren het materiaal voor het boek vandaan? Een geweldig geheugen? Eerdere roman-aanzetten? Bewaarde notitieboekjes?

Ik bewaar al mijn notitieboekjes. Wat ik in de krant heb geschreven is ook een geheugensteun. Maar het meest heb ik aan foto’s. Ik heb een belabberd geheugen voor jaartallen en namen, maar een enorm geheugen voor sfeer en gebeurtenissen. Foto’s houden de sfeer vast, zelfs de lulligste portretten van groepjes rebellen. Foto’s zijn triggers, zij openen een deel van het geheugen dat op normale dagen gesloten is. Ook losse woorden in mijn notitieboekjes doen dat, maar zelfs bepaalde geuren. Als ik mintthee ruik ben ik terug in een verhaal dat ik schreef over Tanger, bijvoorbeeld, en met ’terug’ bedoel ik precies wat ik zeg. Ik kom aan met de boot, word lastiggevallen door ‘gidsen’, word de medina in geleid en bijna beroofd. Alles is er. Behalve het jaartal en de namen.

Jeroen Vullings schreef in Vrij Nederland een prachtige recensie, met één vileine uithaal. ‘Elk hoofdstuk wordt voorafgegaan door korte, cursief gedrukte, filosofisch bedoelde passages, die wat mij betreft niets toevoegen behalve toenemende ergernis bij de lezer die deze wezenloosheid allengs beu wordt. Maas moet het meer van zijn ogen hebben dan van zijn hersens.’ Heeft Vullings een punt?

Dat zal ik natuurlijk tot mijn dood ontkennen. Het stoorde hem niet zo erg, geloof ik, want Commandant Konijn was zijn ‘Boek van de week’. Maar mijn ogen zijn inderdaad ontzettend belangrijk. Ik zie altijd alles. Dat bedoel ik niet arrogant, het is een eigenschap, en het is er eentje die mij als journalist altijd goed van pas komt. Mijn ooghoeken vangen details die later, tijdens het schrijven veelzeggend zullen blijken te zijn. Dat heeft kennelijk niet iedereen, want vaak als ik onderweg ben, met mijn cameraman, een tolk, of gewoon met mijn zoontje en ik zeg: ‘zag je dat?’ blijk ik bijna altijd de enige te zijn geweest.

Er zaten pakweg twintig jaar tussen je Vietnam-boek en Konijn. Je was gewoon te druk om boeken te schrijven, heb je gezegd. Had je achteraf niet de keuze hebben willen maken voor het schrijverschap, zoals bijvoorbeeld Frank Westerman heeft gedaan?

Als ik een jaar of twee langer in Amsterdam was gebleven had ik dat misschien ook wel gedaan. Maar toen ik de keus kreeg om correspondent in Oost-Europa te worden dacht ik maar één ding: gaan. Ik kon permanent naar de overstromingen van de Maas. Ik kon doen wat ik wilde, schrijven waarover ik wilde. Het correspondentschap was voor mij het walhalla van de journalistiek, en dat is het nog. Het genot van het boekenschrijven was op dat moment iets van later zorg. Ik dacht er niet zo over na, al zou dat heel snel veranderen.

De wereld wist al snel dat ik naar Boedapest zou gaan, en Margriet de Moor probeerde me ervan af te brengen. Zij vroeg mij of het waar was, en toen ik dat bevestigde zei ze maar één zinnetje: ‘Maar jongen, dat wordt het einde van je schrijverschap.’ Dat zinnetje klinkt, tot de dag van vandaag nog door. Het is mijn mene tekel.

Ton van Dijk: De dood van een cowboy

Good old Ton van Dijk is een van de beste vertellers in de Nederlandse journalistiek. En zijn ‘cowboy’ is een onvergetelijke reportage, vindt Henk Blanken. Hij liet Ton van Dijk per mail aan het woord.

OOoit was het land daar slechts polderland, nu rijst aan de noordelijke kim het pijpen- en buizenwoud van de Botlek. Als de wind verkeerd staat wordt de was aan de lijn sneller zwart dan tijdens het dragen en ruik je de fabrieken van verre.

Mooie dorpjes zijn het, Geervliet en Heenvliet op het Zuidhollandse eiland Putten, tweelingdorpen verbonden door een smalle, kronkelende slaperdijk. De dorpskernen liggen hoger dan het omringende land. In de polder zijn nieuwe wijken gebouwd voor mensen die Rotterdam wilden ontvluchten of naar de Rijnmond kwamen voor werk. Van oudsher behoorden de bewoners tot het zwarte volk, streng gelovig, de zondag werd geheiligd, de weekdagen waren er voor hard en zwaar werk op het land van zeeklei. De import bracht frivoliteit en lawaai, barbecue en kratten pils in zomeravondse tuinen. De eertijds zo stille markt in Heenvliet, met zijn keurig gerangschikte keitjes, kreeg een disco annex snackbar.

Open hier het interview

HB: Zo’n lange, gedragen inleiding zouden we nu niet meer doen, geloof ik. Of wel? Het is prachtig en sfeervol, maar het duurt wel even voor het verhaal met wat handeling op gang komt.

TvD: Ik doe dat vaak. De beschrijving van, zoals dat in politietaal heet, de pd, plaats delict, in dit geval de omgeving. Ik schrijf in blokken die wisselen van plaats, in tijd of van standpunt. Als ik begin met bijvoorbeeld de schoten van een misdaad, komt daarna de omschrijving waar, dus zeg maar als tweede blok. Doch meestal al in het begin, om de lezer met zachte hand het verhaal binnen te voeren. Nu ook nog. Voor Trouw schreef ik (dik 7000 woorden) vorig jaar een stuk over de domineemoord in Ubbergen, ook weer volgens dat procedé, eerst de beschrijving van het huis en de straat waar de ene dominee de ander met een bijl de hersenen insloeg.

De Vissersdijk begint bij de markt, het eerste gebouw aan de rechterkant is een houten, donker geteerde schuur. Na een stuk tuin volgt het eerste woonhuis met een krullerig uithangbord: ‘DEN GLAZE GRAVEUR. OPEN ATELIER WHAT’S IN A NAME’. Sinds vrijdagavond 4 maart staat het huis leeg. Aan de straatkant zijn de gordijnen dichtgetrokken, alleen een lege fles Old Smugglers-whisky is op de vensterbank achtergebleven.

Bij Jan Spruit, de glasgraveur van dat eerste huis op de Vissersdijk, leek het soms ook wel een disco. Tot diep in de nacht waren mensen er welkom en als het weer het toeliet zaten ze in de tuin. Een gekke tuin van die gekke Jan Spruit met zijn wapperende, blonde lange haren, zijn snor, dat puntsikje en die eeuwige cowboyhoed. Hij hield van drama, van overdrijven. Hij was een cowboy, de laatste echte cowboy, hij zei dat hij als cowboy vóór zijn veertigste wilde sterven.

Open hier het interview

HB: Van meet af aan kies je de positie van de alwetende verteller. De verslaggever is zelf vrijwel helemaal afwezig (op de uitzondering kom ik nog). Hoe zorg je ervoor dat de lezer je geloofwaardig vindt?

TvD: Door veel te weten kun je zo schrijven dat de lezer niet twijfelt aan het waarheidsgehalte.

In de laatste weken van februari en begin maart kwamen de geluiden uit het huis niet van gezelligheid. Jan had een nieuwe vaste vriendin, Marlène, achttien jaar en het spontane hart op de tong. Voor ze officieel zouden trouwen moest de verbouwing klaar zijn. Marlènes moeder, haar stiefvader John, en Marlène en Jan zelf klusten al weken in het huis. De oude zolderbalken waren schoongeschraapt en die vrijdagavond hadden ze schrootjes tussen de balken gezet. Ze namen nog een pijpje bier, het was bijna gedaan en de klok was 23.00 uur voorbij toen Jan zei: ‘Ik klap bijna, godverdomme, ik moet effe zeiken.’ Jan ging de achterdeur uit.

Buiten was het aardedonker. Door de beslagen ruiten viel wel licht op het plaatsje, maar vanuit de kamer kon je in de tuin niets zien. Er klonken vier knallen, kort na elkaar. Binnen dachten ze dat Jan een geintje uithaalde. Hij had wat met vuurwerk en stak natuurlijk, blij dat het karwei bijna geklaard was, een paar rotjes af. Lacherig liep John naar het raam, hij veegde een plek schoon en probeerde naar buiten te kijken. Hij hoorde Jan niet en kon van licht naar donker niets onderscheiden.

Hij stapte de deur naar het plaatsje uit. Jan lag voorover op de tegels. Jan? Jan! Wat is er, wat doe je? De anderen kwamen aanlopen. Toen John zich over het lichaam van Jan boog, stond er ineens een zwarte kruin naast hem, een wachtmeester van de rijkspolitie. Waar kwam die zo ineens vandaan? De politieman keek naar Jan en voelde aan hem. Vuurwerk, rotjes? Er was op Jan geschoten en ze moesten onmiddellijk naar binnen en binnen blijven ‘in het belang van het onderzoek’. De maat van de wachtmeester was al naar de surveillancewagen om assistentie te vragen. Toen Jan naar buiten kwam vormde hij een goed doelwit tegen het licht van de ramen. Vier kogels hadden hem in borst en buik getroffen, ‘de dood trad vrijwel onmiddellijk in’. Jan Spruit was zesendertig jaar geworden.

Open hier het interview

HB: Hier vallen twee dingen op. Je geeft citaten nu weer zonder aanhalingstekens (Jan! Wat is er, wat doe je?). Ben je minder zeker van zo’n citaat dan de quote van Jan Spruit een alinea eerder (‘Ik klap bijna…’)? En je geeft weer wel tussen aanhalingstekens de formele taal van de politie weer (‘de dood trad…’). Dat geeft de verteller wat gezag, neem ik aan?

TvD: Ik heb uiteraard Marlène en haar ouders gesproken. Zij schrokken toen ze Jan zagen liggen. Ze wisten natuurlijk niet meer precies wie wat op dat moment riep. Door geen aanhalingstekens te gebruiken schetste ik de algemene consternatie. Die proces verbaal gebruik ik inderdaad om het geheel een officieel aanzien te geven. De afwisseling in de verteltrant en dat soort taal vind ik mooi en die quotes zijn trouwens ook echt.

Tegen het ochtendgloren meldde een ontredderde Hans V., rechercheur bij de Rotterdamse gemeentepolitie in de rang van hoofdagent, zich bij het wegenwachtstation van Rhoon, een heel eind verderop. Zijn herinneringen waren glazig en versuft. ‘U zegt mij dat ik vier kogels heb afgevuurd op Jan Spruit. Het zal wel zo zijn, ik kan het mij niet herinneren.’

Een maand na de dood van Jan ziet zijn tuin aan de Vissersdijk er verwaarloosd uit, de lente broeit in de grond, vals gras en distels steken op en de paardebloemen willen vroeg bloeien. Op de zachtglooiende driehoek grond zijn hier en daar stukjes geëffend en ommuurd met een rand stenen om zitjes te maken. In het verste punt van de tuin staat een driepoot, daarin hangt een fors stuk boomstam, op de ronde kant zijn cirkels getekend als van een schietschijf. Jan gooide met tomahawks. Hij was er handig in, zowat alles wat scherp was, kreeg hij in het hout: bijlen, messen, speren.

Jan was altijd met die tuin bezig, een zitje hier, een randje stenen daar. Z’n vrienden zeiden wel eens dat Jan leefde bij de seizoenen. Wanneer de blaadjes vielen, kreeg hij het in de kop en wanneer de blaadjes kwamen óók, maar dan was het meestal uitbundiger. Vorig jaar met de lente wilde hij een kanon in de tuin zetten, de loop had­ie al, de halve zool. Hij moest alleen nog een affuit hebben, wanneer de gek dat gevonden zou hebben, was er op een tuinfeest zeker met losse flodders geschoten.

Het was Dirk van de houthandel in Geervliet die Jan in contact bracht met Hans. Jan had moeilijkheden met zijn boekhouder, hij verdacht de man ervan hem op te lichten. Dirk wist dat Hans, zijn buurman, rechercheur was en vroeg hem eens mee te gaan naar Jan in Heenvliet om wat advies te geven. Dirk kende Jan al jaren, Jan hielp hem af en toe met een klusje en hij was ook nog een goeie klant van Dirks Houthal in het centrum van Geervliet. Bij de cowboy van Heenvliet kon iedereen naar binnen stappen: dokter, pooier, bedelaar, notaris of politieagent zoals Hans, het maakte Jan niets uit. Hij zei altijd: ‘Als je een hart in je donder hebt en je kan lullen, dan ben je bij mij welkom. Het bier staat daar, je pakt als je dorst hebt.’

Trix, de vrouw van Hans, ging ook ‘ns mee, ze vond het gezellig. Hans en Trix kwamen meer bij Jan, zeker op de tuinfeesten die Jan gaf, zoals met het jaarlijkse dorpsfeest, de paardenmarkt. Jan en Helma wisten altijd sfeer en gezelligheid te scheppen en vaak werd het een dolle boel. Jan en Helma, Hans en Truc, ze bevielen elkaar wel, die vier. Hans en Trix bleven komen, ze werden huisvrienden.

In 1971 kwam Hans van de opleidingsschool voor gemeentepolitie. In september begon hij als aspirant-­agent bij de uniformdienst in Rotterdam­-Zuid. Hans werd in de groep waar hij werkte als een goede collega beschouwd. Henny werkte bij dezelfde ploeg, Hans werd zijn vaste maat. Het klikte tussen die twee, ze draaiden dezelfde diensten, ze hadden dezelfde mentor en ze reden samen op de surveillancewagen. Henny kon uitstekend met Hans overweg, z’n maat was beheerst, niet agressief en hij had humor. Ze voetbalden samen in een amateurteam van Overmaas, Hans was geen groot talent maar wel een echte sportjongen; door zijn inzet, mentaliteit en onverwoestbare conditie was hij een bruikbare rechtsachter: Hans’ eigenlijke hobby was het lange­afstandlopen. Hij liep bijna dagelijks tien, vijftien kilometer, begon aan de halve marathon, liep later de landelijke politiemarathon in Assen binnen drie uur en was daarmee de beste Rotterdammer. Hij had karakter en kon afzien.

Hans werd volgens schema bevorderd tot hoofdagent en ging de recherchecursus doen. Zonder problemen haalde hij net als zijn maat de eindstreep. Zijn beoordelingen waren zonder meer goed, uitstekend kun je wel zeggen. Niets leek zijn glad en soepel lopende carrière bij de Rotterdamse politie in de weg te staan.

Open hier het interview

HB: Hierboven gebruik je voor het eerst in dit stuk de jij-vorm als vertellerstruc (‘uitstekend kun je wel zeggen’). Dat doe je later vaker. Het is een mooi, beetje vaag midden tussen de eerste persoon (jij als verslaggever – maar dat wil je vermijden) en het noemen van nog meer bronnen. Hoe bewust doe je dat, of is het, zoals bijna alle verslaggevers zeggen, een kwestie van intuïtie?

TvD: Het is denk ik wel bewust. Wanneer je dit soort karakterbeschrijvingen in quotes zou opschrijven, jan zei dat, Piet dit, kost dat veel ruimte en het maakt een en ander ook lastiger lezen door al die verschillende bronnen. Dus dan parafraseer ik. Ik heb genoeg mensen gesproken om dat soort onderdelen van een portret te componeren.

Jan kwam uit een groot gezin. Toen zijn vader nog op de wilde vaart zat, werd er na elke reis van een jaar, anderhalf jaar soms, wel een kind gemaakt, acht in totaal. Toen vader aan de wal ging werken, verhuisde het gezin van Schiedam naar het noorden, vader kreeg een baan daar.

Moeder was scherp, vlijmscherp. Als ze zei dat iets blauw was, dan kon je dat maar beter niet tegenspreken. Nu nog, drieënzeventig jaar oud, is haar wil een wet.
Jan was anders dan de anderen, een moeilijk kind, altijd tegen de draad in. Toen­ie elf, twaalf was werd­ie een tijdje naar een opvoedingsgesticht in Zeist gestuurd. Ook daar flikte Jan van alles, hij spande touwtjes op de trap om de pastoor te laten vallen. Op zijn veertiende verjaardag kreeg hij van moeder een paspoort, een monsterboekje en een plunjezak. ‘Ga jij maar varen, iets anders ben je niet nut,’ zei ze en Jan ging. Jan en moeder, dat akkordeerde niet en het is nooit veel beter geworden.

Nadat Jan het huis uit was, hadden moeder en hij niet veel contact meer. Een hoogst enkele keer belde Jan eens op, de gesprekken waren kort en koel. Moeder hield niet van Jans manier van leven en zeker niet van hoe hij eruitzag, altijd die rare cowboykleren, die grote hoed en dat háár. Zo’n voorbeeld had haar man z’n kinderen niet gegeven. Moeder zou nooit willen erkennen dat Jan wel iets had van de bon vivant die vader was. In z’n goede tijden was Jan bij iedereen gezien, zeker bij het zwakke geslacht. Zijn blonde haar en die sprekende bruine ogen trokken vrouwen aan en hij kon ook zo’n vrije, makkelijke en vrolijke indruk maken. Voor buitenstaanders was Jan omringd met de geur van romantiek en avontuur, hij droeg het aureool van de vagebond die dingen deed waar anderen alleen maar van droomden.

Hans was serieus in z’n werk, ambitieus. Hij trouwde met Trix, een lieve, schuchtere meid van het Brabantse land, ze kochten in de nieuwbouwwijk van Geervliet een keurig hoekhuis. De ramen aan de straatkant werden opgesierd met planten en handgeweven en ­geknoopte versieringen, om de tuin kwam een schutting van manshoog houten vlechtwerk. Hans en Trix kregen twee kinderen, de oudste, John, is nu vijf, een leuk rossig meidje kwam als tweede de ‘rijkeluiswens’ vervullen. De ramen van de kinderkamers aan de achterkant kregen kleurige zelfgemaakte poppen en beesten op de vensterbanken.

Trix was niet sterk, aan de eerste, zware bevalling hield ze rugklachten over. Dat, en die twee kleine handenbindertjes de hele dag over de vloer, maakten haar leven als moeder, huisvrouw en echtgenote zwaar, zwaarder dan ze gedacht had. Er waren tijden dat ze er nauwelijks tegenop kon. Voor haar rug liep ze bij een specialist, na een operatie en zes weken ziekenhuis hield ze klachten. Gelukkig maar dat ze aan Hans zo’n goeie man had, hij probeerde niet veeleisend te zijn en haar met alles zoveel mogelijk te helpen. Zijn huwelijk en zijn gezin waren Hans heel wat waard.

Hans had het naar z’n zin bij de Rotterdamse gemeentepolitie, in het huis in Geervliet woonde hij prettig. Hans vond het leuk met Jan en Helma uit Heenvliet kennis te hebben gemaakt, je kon er inlopen wanneer je wilde en je leerde bij Jan allerhande types uit de omgeving kennen. Na z’n avonddiensten en soms zelfs na z’n nachtdiensten was er bij Jan nog wel eens bedrijvigheid en volk over de vloer. Jan accepteerde hem als politieman, Hans kon daar iemand zijn, zich even ontspannen. Als Hans overdag vrij was, hielp hij Jan wel eens met klusjes in zijn atelier, zo leek de relatie in evenwicht.

Nadat Jan een paar jaar gevaren had, hield hij het voor gezien, aan de wal was het leuker. Zijn broer Piet had het monsterboekje er ook aan gegeven en woonde in de Rotterdamse Afrikaanderwijk, een oude volksbuurt in Zuid. Jan trok bij zijn broer in, samen pakten ze alles aan, meestal via koppelbazen, die betaalden het best. Scheepswerven, laden en lossen, voor goed betaald werk stonden hun handen niet verkeerd.

Jan kreeg steeds meer dat wilde uiterlijk, een hippie leek hij wel. Moeilijk was hij nog, agressief ook, hij kon zo driftig worden. Hij ging af en toe met z’n broer Bas stappen en dan sloegen ze mekaar aan het einde van de avond de koppen in om niks. Bas heeft aan een van die avondjes een stifttand overgehouden. Jan blufte vaak dat hij alles durfde. Je kon hem beter niet uitdagen want dan deed hij het ook. Als het om gezelligheid ging, liepen alle broers en zussen met Jan weg, een bruiloft of familiefeest was geen echt feest als Jan verstek liet gaan. Jan was de gangmaker, al danste hij maar met een stoel in het rond, dan lag de familie plat. Op een oudjaarsavond had Jan zich helemaal als vrouw verkleed. Hoge hakken, nylonkousen, twee sinaasappelen in z’n beha. Ze gingen om twaalf uur de straat op en Jan had de rotjes als een patroongordel in z’n kouseband gestopt. Af en toe tilde Jan zijn rok op en trok hij een rotje uit de kouseband, je had de mensen moeten zien kijken. Om dat soort dingen kon zijn broer Piet lachen, maar als je Jan dag in dag uit met dat wisselende humeur en zijn driftbuien over de vloer had, werd het je wel eens te veel. Piet zei tegen zijn vrouw dat het voor Jan beter zou zijn als hij trouwde. Het werd tijd dat Jan zijn benen eens onder zijn eigen tafel kon steken, dan zou het wel gedaan zijn met die malle fratsen.

Open hier het interview

HB: Ook dit is een stilistische truc die je vaker gebruikt: het taalgebruik van je bronnen weergeven zodat hun stemmen klinken, terwijl je ze niet direct citeert (‘zijn benen eens onder zijn eigen tafel kon steken’ en verderop bijvoorbeeld ‘Buiten kreeg hij knokken’). Het zijn de quotes die je meteen noteert, neem ik aan?

TvD: Absoluut. Ik ben erg gespitst op het exacte taalgebruik van de geïnterviewden. Ik werk heel vaak met de cassetterecorder. Veel uittikwerk, maar het loont de moeite.

Jan kwam Helma tegen, een leuke meid. Ze moesten trouwen en ze gingen bij Piet om de hoek in de Parelstraat wonen.

Vanaf het begin van hun huwelijk had Helma het niet makkelijk met Jan. Toen zij in mei 1968 thuis van hun eerste kind beviel, belde Jan z’n moeder op: ‘Moe, ik heb een dochter.’ Moeder zei: ‘Gelukkig, dan heeft Helma tenminste wat, want aan jou heeft ze toch niks.’ Na zoiets werd­ie gek en dan moest Helma het ontgelden: ‘Was jij maar in de kraam gestorven!’ Schelden, schreeuwen, een stuk lawaai, hij had een stem om cokes mee te kloppen, de hele buurt luisterde met de ruzies mee. Wanneer het zo toeging, stonden mensen voor de buitendeur te luisteren maar ze dorsten niet naar boven te komen. Het huwelijk van Jan en Helma werd een golfbeweging met steeds diepere dalen en steeds minder toppen. Het tweede kind kwam twee jaar later, weer een dochtertje, ze waren er blij mee, maar het betekende niet dat Jans zucht naar het avontuur, naar cafés, de straat en belevenissen minder werd. Helma hoopte op een normaal leven. Jan kon dat niet beloven. Dat was wel eerlijk, maar met dat soort eerlijkheid schoot je weinig op. Altijd was er wel wat. Die verhalen over hoe ’n leuke vent Jan wel niet was en hoe gezellig het was om met hem om te gaan, waren voor Helma geen nieuws meer. Niemand heeft met Jan geleefd zoals zij.

Open hier het interview

HB: De laatste zin hierboven staat in de voltooid tegenwoordige tijd, terwijl de rest in de verleden tijd geschreven is. Je doet het nog een paar keer. Waarom?

TvD: Dat is een soort intuïtie, een gevoel, niet gebaseerd op regels. Ik betrap mezelf erop dat ik daar af en toe mee rommel, maar soms gebruik ik ook TT na VT om weer vaart in de tekst te krijgen.

Toen ze pas getrouwd waren voelde Helma zich een sulletje, ze zei overal ja en amen op, ze dacht dat het beter was de lieve vrede te bewaren. Dat hielp niet, er was evengoed ruzie, maar bovendien vond Helma dat het leven niet alleen maar bestond uit ja­zeggen, ééns moest ze paal en perk gaan stellen, het ja­knikken had niets opgeleverd. Er waren grenzen, zoals toen ze op kerstavond naar het buurtcafé De Maas waren gegaan. Helma wist dat Jan altijd achter de vrouwen aan zat, ze had het min of meer geaccepteerd, moeten accepteren, hoewel je zoiets niet echt makkelijk kunt verkroppen. In het café raakte Jan aan de praat met een ander echtpaar. Het ging over partnerruil. Zoiets zag Helma helemaal niet zitten. Toen Jan er tegen haar over begon, zei ze dat direct. Jan moest zelf maar weten wat hij deed, maar als hij die mensen mee naar huis wilde nemen, dan ging zij de Margriet wel lezen. Punt uit. In het café bleef Jan nog rustig maar eenmaal thuis begon hij opnieuw en kreeg hij het op z’n heupen. Hij trok een hartsvanger uit het hout van de schoorsteen, toen al was hij gek op wapens, en wilde Helma te lijf. Helma vluchtte naar de zolder en kroop door een gat in de berging. Het gat was zo nauw dat ze zich achteraf afvroeg hoe ze daar in godsnaam was doorgekomen, maar ja, als je maar genoeg angst hebt, dan is een muizenhol misschien nog groot genoeg.

Jan kon Helma niet vinden en rende de straat op om haar te zoeken. Buiten kreeg hij knokken met een stel buitenlanders. Ze stonden fietsen en keien naar elkaar te gooien. Hij kwam naar boven rennen om zijn dubbelloops jachtgeweer te halen.

Door de ruzie binnen, waren de ballen van de kerstboom gevlogen. De straat stond zwart van de mensen. Toen Jan met z’n geweer naar buiten liep waarschuwden ze dat de politie eraan kwam. Jan holde terug naar boven, trok z’n kleren uit en ging in bed liggen. Toen de politie aanbelde, schreeuwde hij woedend naar beneden hoe ze ’t in derlui stomme harses kregen om iemand midden in de nacht uit z’n bed te halen. Hij gooide ze het geweer naar de koppen en hij wilde ze met een speer te lijf. De agenten kwamen met getrokken pistolen de trap op. Ze wilden Jan fouilleren, terwijl hij alleen maar z’n onderbroek aanhad. Jan trok z’n onderbroek uit en begon te vechten. Het werd een kloppartij in het kleine huis, pas toen één agent hem op z’n blote voeten stampte en een ander hem een stomp in de maag verkocht, kregen ze hem in de boeien. Hij werd in z’n blote kont naar beneden gebracht en in de bus gezet.

Als er weer trammelant geweest was, gedroeg Jan zich de dagen erna als een mak lam. Dan huilde hij een potje en dan dacht Jan dat alles weer goed was. Marjolein en Karel waren in de Parelstraat goeie vrienden van Jan en Helma. Ze hebben wat keren geprobeerd de ruzies te beslechten, ze stonden zowat elke week op de stoep als het weer eens uit de hand dreigde te lopen. Wanneer Marjolein en Karel er waren, huilde Jan dikke tranen en beloofde hij dat hij het nooit meer zou doen. Maar Jan kon geen normaal leven leiden, hij probeerde het wel een tijdje, lang duurde het nooit. Het had niet eens zozeer met drank te maken, Jan zoop bier met sloten, maar hij kon ook ineens stoppen en een half jaar Spa en Seven­Up drinken zonder dat hij er rustiger van ging leven. Helma begreep dat het met Jan nooit beter zou worden. Ze had af en toe heel gezellige tijden met hem gehad, dat was echt zo, maar de nadelen werden groter dan de voordelen. Zij hakte de knoop door, ze moesten maar gaan scheiden.

In het begin deed Jan er overdreven optimistisch over. Het was prima, die scheiding, eindelijk zou hij zijn vrijheid terugkrijgen. Hij voelde zich een hele bink, riep tegen iedereen die het maar horen wilde dat hij weer een vrij jongen werd en liet de datum van de scheiding alvast op zijn arm tatoeëren. Die datum was nog fout ook, de officiële uitspraak was een paar weken later. Jan ging bij kennissen buiten Rotterdam in een caravan op hun erf wonen, Helma bleef met haar dochters Astrid en Sylvia in de Parelstraat.

Hans kwam na de recherchecursus bij de recherche. Ook daar ging het werk hem goed af. Eind jaren zeventig kwam er een plaats vrij bij de CID, de Criminele Inlichtingen Dienst. Hoogwaardig, specialistisch werk, ze wilden er in het korps alleen de besten voor hebben. Zijn oude maat Henny werkte daar al, de CID bestond uit een ploeg van zes rechercheurs die zich enkel bezighield met informatie verzamelen. Vroeger werden ze caférechercheurs genoemd omdat het voornaamste deel van hun taak eruit bestond zich in de clubs en kroegen onder de jongens van de vlakte te mengen. Een leuke maar moeilijke baan binnen het korps, er was veel belangstelling voor, je werd het niet zomaar.

Het werk stelde hoge eisen. Je ging om met hasjboeren, pooiers, dealers, inbrekers en containerboeren, je zat tot diep in de nacht met zware criminelen aan de bar. In dat werk zijn de verleidingen soms groot. De penoze probeert je uit, ze kijken tot hoever ze met je kunnen gaan en of je plat te maken bent. Als je niet tegen vrouwen en drank kunt, moet je er maar liever helemaal niet aan beginnen. Je moet ook goed met mensen om kunnen gaan, rustig en met zelfvertrouwen. Bluffers, opscheppers en grootsprekers vallen gauw door de mand. Als ze geen waardering voor je kunnen opbrengen omdat je als politieman niet staat voor je werk dan pruimen ze je niet meer. Je moet in het pulletje vallen, anders hoor je en zie je niks. De politie is een noodzakelijk kwaad en alleen als je stevig in je schoenen staat en respect verdient, wil men je nog wel eens in vertrouwen nemen. Als CID­-rechercheur sta je zelfs onder druk van je eigen collega’s. De jongens van de uniformdienst rijden in de pitwagen en zien jou op de hoek van de straat joviaal kletsen met een zware crimineel. Klap op de schouder, je schuift een café binnen, de conclusie dat je wel plat zal zijn is gauw getrokken. Roddels en verhalen zijn er snel, wat is er nou leuker dan een smeris in de luren leggen. Meiden die vertellen dat ze met je op stap zijn geweest en een gezellig wipje hebben gemaakt. Je moet ertegen kunnen en je voor je bazen kunnen verantwoorden, want die reageren met het boek in de hand soms zo verdomd rechtlijnig.

De voorkeur van de leiding gaat uit naar iets oudere rechercheurs, maar ook jongeren maken een kans, vooral als ze zulke grandioze beoordelingen hebben als Hans had. Je moet naar de post solliciteren, maar de collega’s bij het CID hebben een zware stem in het kapittel als het om een nieuwe jongen in de ploeg gaat: Ze kennen de rechercheurs van het korps wel en ze willen niet het risico lopen dat ze er iemand bij krijgen die zich niet kan aanpassen. Hans solliciteerde, Theo Buis, de oudste rechercheur van het team had hem gevraagd dat te doen.

Jan had van jongs af aan een artistieke tik, hij knutselde altijd en kon uit ouwe troep de mooiste dingen maken. Het begon met houtsnijwerk, hij maakte van balkjes dolken en zwaarden, heft en schede bewerkt met paardefiguren. Jan had een natuurtalent voor tekenen, snel en trefzeker zetten zijn handen op papier wat zijn ogen zagen. Hij had geen vrede met het werken voor koppelbazen. Hij wilde meer en zocht daar altijd naar. Hij was een tijdje helper van de motor­stuntrijder Jan Vos, samen zijn ze nog eens bij Willem Duys op de televisie geweest. Jan Vos reed zich later dood bij een stunt.

Jan begon met leerbewerken. En hij ontdekte het glasgraveren. Dat werd zijn beroep, met tekenen alleen kon je moeilijk je brood verdienen, maar tekeningen gegraveerd op ruiten, spiegels en glazen deden het goed. Zijn interesse voor wapens, ook antieke, kwam hem goed van pas. Zijn series van ridders en soldaten in volle wapenrustingen werden met zwier gegraveerd. Glasgraveurs telde Nederland niet veel, Jan werd bekend en hij schaarde zich bij het handjevol vakbroeders dat met graveren de kost kon verdienen. Het kunstenaarsachtige beviel Jan wel, je eigen tijd indelen en niks met bazen te maken hebben. Het vergde wel veel van zijn zelfdiscipline. Jan had het huis in Heenvliet gekocht en achter het kleine winkeltje begon hij zijn eerste atelier. Maar hij greep elk excuus aan om niet te hoeven werken en excuses waren er genoeg zolang er maar volk aan de deur kwam. Hij ging lesgeven aan de volksuniversiteit, cursussen leerbewerken en glasgraveren. Een kolfje naar zijn hand, er kwamen op die cursussen vooral veel vrouwen af die een hobby wilden hebben om hun dagen in de nieuwbouwwijken door te komen. Jans lessen waren populair en buiten de lesuren onderhield Jan af en toe innige contacten met leerlingen.

Met Karel reisde hij van Sneek tot Middelburg het land af om op braderieën en markten te werken en leren spullen en gegraveerd glaswerk te verkopen. Ze deden goede zaken, hoewel Jan een rare was. Hij flapte er van alles uit. Hij zei rustig tegen mensen die voor zijn kraam stonden: ‘Loop jij maar door, je porem staat me niet aan.’ Maar hij vroeg ook de pet van een agent en graveerde voor hem en diens collega het embleem op twee bierglazen. ‘Hier, neem mee voor thuis, jullie lopen hier de hele dag ook voor ons.’ Als Jan het op z’n heupen had, trok hij altijd volk naar de kraam en dan werd er goed verkocht. Z’n oog moest alleen met op een leuke meid vallen die wel wat wilde, want dan was Jan de hele dag verdwenen, of lag hij achter het zeil van de kraam of in de auto met zo’n meid te rommelen en als Karel dan dekking moest geven, kwam er van de handel niet veel terecht.

Niet lang na de scheiding besefte Jan dat hij niet buiten Helma kon. Hij begon zich in de gekste bochten te wringen om Helma terug te krijgen. Toen het met gewoon bellen en vragen niet lukte, zette hij zelfmoordpogingen op touw. Hij belde Helma op dat hij doodging omdat hij vergiftigde planten had gegeten. Helma waarschuwde de dokter en kwam uit Rotterdam naar Heenvliet. Jan had de bladeren van een dieffenbachia opgegeten. De dokter zei dat Jan er wel een dagje beroerd van zou zijn, maar dat hij niet dood zou gaan, hij zal hoogstens kotsmisselijk worden.

In die jaren moest Jan af en toe een paar dagen naar de psychiatrische afdeling van het Delta ziekenhuis. Na een van de eerste keren moesten Jan en Helma bij een psycholoog komen die gesprekken met ze wilde hebben om te zien of er wat aan hun relatie te doen was. Helma wilde niet terug, zelfs de psycholoog zei dat Helma groot gelijk had, maar Jan werd steeds gekker. In het lege huis in Heenvliet kwijnde hij weg. Hij had vriendinnetjes genoeg en al zette hij om de haverklap nog huwelijksadvertenties óók, Jan kon niet buiten Helma. Hij slikte pillen. Hij ging een keer in de tuin zitten met een geladen ouderwets kruitpistool tegen z’n hoofd. Als Helma niet terugkwam, zou hij zich van kant maken. De politie moest er weer aan te pas komen. Dat soort chantagemiddelen gebruikte hij wel, maar de reeks gesprekken met de psycholoog afmaken, deed hij niet.

Uiteindelijk zwichtte Helma, haar medelijden kreeg weer eens de overhand. Ze ging terug en liet Jan beloven dat hij zou proberen een normaal gezinsleven met haar en hun dochters te hebben. In het begin had ze het moeilijk. De overgang van de stad naar zo’n stil dorp was groot en met Jan was het, ze had het kunnen weten, al na korte tijd opnieuw mis gegaan. Toen ze nog niet zo lang terug was, hadden ze een logéetje over de vloer, een meisje van vijftien jaar, ze was stevig uit de kluiten gewassen. Het was ’s avonds laat geworden en er was behoorlijk wat bier doorgegaan. Midden in de nacht wilde Jan bij dat kind kruipen. Helma hield hem tegen en mokkend ging Jan mee naar bed. Na een tijdje schrok Helma wakker, Jan lag niet meer naast haar, hij had het toch in z’n dronken kop gehaald om naar dat kind te gaan. Helma vloog uit bed, Jan stond in de logeerkamer, dat kind was zich natuurlijk kapot geschrokken.

Het werd de zoveelste vreselijke ruzie, Helma kreeg slaag. Tot drie keer toe kneep Jan Helma’s keel dicht. Hij zou haar wurgen als ze het waagde om hem in de weg te staan. Helma riep: ‘Doe het maar!’ dat was misschien nog het beste. Helma heeft nooit begrepen hoe iemand zoiets kon doen, in z’n eigen huis waar zijn eigen vrouw bij was. Eerst had hij zo gebeden en gesmeekt of ze terug wilde komen en dan zoiets. De vader en moeder van het logéetje kwamen de andere dag naar Heenvliet om verhaal te halen. De vader bleef buiten lopen, gelukkig maar, anders was het een. veldslag geworden. De moeder was furieus , maar het gekke was dat, hoewel Helma de moeder in haar hart volkomen gelijk gaf, ze in dat soort situaties toch weer partij trok voor ‘haar’ Jan, ze kreeg op zulke momenten medelijden met hem, het was eigenlijk zo’n zielig persoon. Ze had zoveel meegemaakt dat ze eigenlijk steeds meer accepteerde. Dingen waar een andere vrouw niet over geprakkiseerd zou hebben ze toe te laten, vond zij al bijna normaal. Ze ging met Jan eens ’n keer mee naar een van zijn leerbewerkingscursussen, had je die vrouwen daar moeten meemaken. Ze keken Helma zowat de deur uit, ze was een sta-in-­de-weg. Helma kwam uiteindelijk nog wel op voor vriendinnen van Jan, ze trok zich aan hen op en verdedigde hen tegenover Jan als hij weer eens een vriendinnetje als oud vuil aan de kant gezet had. Ze was nog eens mee geweest naar een vriendin van Jan. Toen zaten ze daar met z’n drieën stommetje te spelen tot Helma zei: ‘Nou Jan, doe je mond eens open, wie wil je nu eigenlijk, haar of mij.’ Met al z’n bravoure was Jan soms net een groot kind. Helma zou eens een weekje weggaan, bij kennissen logeren. Jan bracht haar weg, hij zei nog dat het zo leuk voor haar was, er eens even helemaal uit. De volgende dag belde hij op. Waar ze bleef, godverdomme dit, godverdomme dat, ze moest meteen naar huis komen, hij had honderd glazen voor een opdracht gegraveerd en die stonden kriskras door het huis om afgewassen en ingepakt te worden. Toen Helma thuiskwam, vroeg ze kwaad of een van z’n vriendinnetjes dat karweitje niet even op had kunnen knappen.

Hans was nog jong, maar veelbelovend. Hij werd de maat van Theo, de door de wol geverfde oudgediende. Ze werkten als CID-rechercheurs altijd met z’n tweeën. In het normale schema draaide je elke week een nachtdienst, van negen uur ’s avonds tot ’s ochtends vroeg, een avonddienst van vier uur ’s middags tot twaalf, één uur. De rest deed je in dagdienst, dan had je besprekingen, je werkte de administratie af en je ging natuurlijk ook op pad. Criminelen zijn op alle tijden wakker. Extra overwerk is er niet veel, je verdient meer omdat je een vaste toeslag hebt voor hoge onregelmatigheid, je moet rekenen dat ook op vrije dagen je telefoon rinkelt. Bij Theo thuis kent z’n dochter meer criminelen bij naam en toenaam dan collega’s.

Hans nam zo’n dikke tweeduizend gulden schoon per maand mee naar huis. Je kon gelukkig wel je onkosten declareren, in de nacht kost een spaatje gauw drie gulden en als je informant Franse cognac slikt, dan kom je er niet met een tientje. Theo dronk niet, en Hans evenmin. Theo heeft nooit van alcohol gehouden, hoogstens een glaasje wijn bij een diner en Hans was een sportjongen. Hij nam af en toe een pilsje, maar niet tijdens het werk, daar hield Theo niet van. In de cafés maakte het niet uit. Het zou de barkeeper worst wezen of je voor zevenenhalve scheer Spa dronk of bier, zolang de kassa maar rinkelde.

Hans en Trix bleven regelmatige gasten bij Jan en Helma. In het begin merkten ze wel dat er vaak spanningen waren, maar daar bemoeide Hans zich pas mee toen Helma hem om raad ging vragen. Hans mocht Helma graag, hij sprak met Trix over het leven dat zij, met twee opgroeiende dochters, had bij Jan.

Hans praatte er ook met z’n maat Theo over. Die waarschuwde hem, je moest altijd uitkijken dat je je niet in een wespennest stak. Theo had meer met het bijltje gehakt, hoe vaak niet criminelen hun vrouw en kinderen in een ruzie op straat schopten … Of zo’n vrouwtje nam zelf de benen en het enige idee dat ze dan hadden om hulp te zoeken, was bij die politieman die ze kenden. Je zult het zien, zoiets gebeurt altijd op een moment dat je het ’t minst verwacht, op kerstavond of zo, als alle hulpverleners op hun bandapparaat hebben staan dat ze de volgende week tijdens kantooruren te bereiken zijn. Theo had Hans een lijstje met telefoonnummers gegeven van instellingen waar Hans Helma naar toe zou kunnen sturen als de bom nog eens zou barsten. Het Bliif­-van-­m’n-­liif­huis stond bovenaan.

Helma zag het steeds minder zitten, ze had er spijt van dat ze terug was gegaan naar Jan. Hij was geen zier veranderd, eerder leek het erger te worden. Hij had een atelier in een schuur bij kennissen in Geervliet, zogenaamd om beter te kunnen werken, maar het bleef thuis een kermis. Jan bleef ook een rokkenjager. Als Helma er wat van zei dan riep Jan dat zij toch ook haar gang kon gaan. Ja, haar gang gaan, zoals Jan dat wilde, ze mocht gerust vreemdgaan, maar o wee als het een verhouding leek te worden, dan was het huis te klein. Helma kon niet zomaar van het ene bed in het andere stappen, bij haar was vreemdgaan synoniem met een verhouding. Die had ze wel eens en dat kon Jan niet zetten. Hij zei altijd: ‘Je mag best met mijn poppetje spelen, maar je mag haar niet meenemen.’ De buitenwereld zag Jan er niet voor aan dat hij Helma sloeg, en het was ook niet zo dat z’n handen de hele dag loszaten, maar Helma had genoeg meegemaakt om angst te hebben voor z’n woede-uitbarstingen. Jan was zo’n dubbel mens. Hij kon zo aardig zijn, een meester in het vleien. Aan de andere kant was hij een asbak, hij kon je de grond instampen. Wanneer je ruzie met Jan had, was-­ie niet te vertrouwen, hij kon niet tegen zijn verlies. Als het hem slecht ging, begon hij als een waanzinnige te zwemmen en keihard om zich heen te slaan om drijvend te blijven. Het had natuurlijk met zijn jeugd te maken, maar voor die wetenschap kocht Helma weinig. In zijn jeugd had Jan niet veel liefde gehad, daarom was hij misschien als een bezetene op zoek naar aandacht en liefde.

In 1972, bij de rassenrellen in de Afrikaanderwijk, de buurtbewoners hadden onder leiding van Jan een paar Turkse pensions uitgeruimd, had Jan de smaak van roem en aandacht geproefd. Hij wilde dat telkens weer. Op een balk in de woonkamer stond geschreven ‘I am the King’ en daarnaast had hij allemaal foto’s en kranteknipsels van zichzelf gehangen. Een ander zou zich schamen zo vaak door de politie te zijn opgehaald, Jan vond het prachtig. Hij wilde altijd weten wat je van hem vond, en als je hem goed vond, was je de beste vriend die er bestond. Dat was de buitenkant. Als Jan echt liefde en aandacht kreeg, dan kon hij daarop moeilijk antwoorden, dat benauwde hem en dan vluchtte hij in uiterlijk vertoon, in feestvieren en malligheid.

Bij de schietvereniging De Geuzen in Brielle mochten ze hem graag. Op de jaarlijkse cowboy­dag in Horst in Limburg, in clubs en thuis, als er mensen waren, was Jan de gangmaker en de vrolijke bink, wanneer de mensen weg waren, moest Helma het ontgelden. Dan kwam hij ’s ochtends van bed af met een fles bier in z’n hand en als het werk of wat dan ook hem tegenzat kon hij uit elkaar barsten van woede en wilde hij het liefst alles kort en klein slaan. Het leek wel of Jan zijn schuldgevoel steeds meer verborg door juist te ruziën in plaats van te proberen het Helma naar de zin te maken.

Helma zag dat het niet ging. Weer rijpte in haar het besluit weg te gaan. Ze sprak er steeds meer over. Ze overwoog nog één mogelijkheid. Als Jan zo graag wilde dat zij bleef, moest hij het bewijs leveren haar waard te zijn. Ze ging bij een vriendin in Heenvliet wonen, vlak bij Jan, zodat ze contact konden houden en de kinderen hun vader nog in de buurt hadden. Wanneer het Jan ernst was, zou ze misschien terug willen komen.

Het plan werkte niet, Jan kwam bij de vriendin nog meer ruzie maken dan thuis al het geval was.

Helma hakte opnieuw de knoop door, ze vertrok. Hans bracht haar naar het eerste adres van het lijstje, het Blijf-­van-­m’n-­lijf­huis in Rotterdam, de zomer van 1982 stond voor de deur.

De laatste tijd trokken Hans en Trix meer naar Helma dan naar Jan, Helma zocht steun en Jan was allang weer met andere dingen bezig. Hans voelde zich ’n beetje geroepen om Helma te helpen, ze was niet alleen een aardige vrouw maar ook best aantrekkelijk, als politieman heb je ook iets van een welzijnswerker in je.

Jan zag dat anders. Hij had verloren. Hij was ‘zijn’ Helma kwijt. Al waren ze gescheiden en al was Helma in feite vrij om te gaan en te staan waar en met wie ze wilde, daar had Jan niets mee te maken. Helma was van hem afgepakt en Hans was de schuldige, hij had haar geholpen uit het huis in Heenvliet weg te gaan.

Het ging steeds slechter met Jan, van werken kwam helemaal niets meer. Hij kon niet tegen zijn verlies, hij zon op wraak, hij moest kost wat kost Helma weer terugkrijgen.

Jan versomberde meer en meer, verteerd door jaloezie. Z’n oude vrienden probeerden hem op te beuren en praatten hem de zelfmoordpogingen en wraakacties zo goed en zo kwaad als het ging uit z’n hoofd. Het hielp niet veel, Jan zette zijn oude vrienden aan de kant en zocht nieuwe, die de voorgeschiedenis niet goed kenden en hem gelijk gaven. Vaak, te vaak, werd er ’s avonds gebroed op plannen om Hans en Trix het leven zuur te maken. Het begon met stenen. De eerste steen ging in Geervliet bij Hans door de ruiten. In de avonden begon Jan te bellen, met Helma zelf, met iedereen die iets met Helma te maken had, maar vooral met Hans of met diens vrouw. Hij dreigde, hij zou Hans kapotmaken en zijn vrouw en kinderen van de dijk rijden als hij ze zag lopen. Jan begon te schrijven. Briefkaarten. ‘Hans neukt met die, en met die’. De briefkaarten werden naar Geervliet verstuurd, maar ook naar de ouders en familie van Trix in Brabant.

Open hier het interview

HB: Dit is een passage waarbij ik aarzelde over de bronnen. De lezer begrijpt inmiddels wel dat het portret van Jan, met al zijn gedachten, door ‘de anderen’ wordt geschetst, en dat het hun kant van het verhaal is. Maar had je niet de behoefte een iets meer neutrale positie in te nemen als verslaggever?

TvD: Nee, in het geheel niet. Die briefkaarten heb ik gelezen, Trix en de ouders indertijd gesproken. Dat waren dus gewoon gegevens. Ik heb toen ook het hele dossier gelezen, maar kon en mocht dat niet expliciet vermelden van advocaat Jan Verhoef van Hans, omdat hij daarmee dacht over de schreef te gaan. Het was in die tijd minder gebruikelijk om te ‘lekken’ naar de pers in het belang van cliënt en meerdere eer en glorie van de advocaat. Ik heb Verhoef daartoe met moeite kunnen bewegen. Ik kende hem, hij deed meer zaken van agenten, gevraagd door de vakbond en daar had ik hem weleens informatie voor kunnen geven. Dus het was een beetje voor wat hoort wat. (Het motto van Robert Scheer Bribe, seduce,lie, steal: anything to get the story, is ook mijn motto)

Jan ging op een avond woedend naar Rotterdam, kon Helma niet vinden en sloeg de auto van Helma’s zwager met een bijl aan diggelen. Aangiften bij de politie hielpen niet.

Jan hoorde dat Helma een woninkje had gekregen in Rotterdam­-Zuid. Ze woonde er met haar jongste dochter Sylvia. Astrid kwam af en toe naar haar moeder, maar zij woonde meer bij Jan. Helma had de woning net op orde, een beetje geïmproviseerd, weinig opdringerig interieur. Ribfluwelen banken en een tegeltje aan de wand: ‘Een blij gezicht opent elk hart’. Toen stond Jan ineens op de stoep met een jachtgeweer en een bijl. Helma vluchtte met Sylvia. Jan ging op het balkon staan. Het geweer krijgslustig in de aanslag. Hij zou gaan schieten als hij zijn vrouw en dochter niet te spreken kreeg, vooral zijn dochter wilde hij zien. De opschudding in de straat was groot, drommen politie en pers, de foto van Jan met het geweer was goed voor een prijs in de wedstrijd om de Zilveren Camera. De wijkagent uit de Afrikaanderbuurt die hem nog van vroeger kende, wist Jan om te praten, het geweer bleek ongeladen. Jan werd maar weer eens voor een paar dagen naar het Delta ziekenhuis gestuurd en zijn wapenvergunning was hij, eindelijk, kwijt. Toen Jan uit Delta kwam, begonnen de telefonades weer en opnieuw vlogen er stenen door de ruiten, dezelfde IJsselsteentjes waar Jan in z’n tuin altijd mee metselde, maar niemand zag ooit wie het deed. Een pot afbijtmiddel werd over Hans’ auto gegooid en er kwamen anonieme brieven dat er rattengif in de tuin gestrooid zou worden en, voor de kinderen, vergiftigde lolly’s. Bij de baas van Hans vielen de eerste brieven in de bus. Hans handelde in heroïne, wapens, gestolen sieraden. Hij beraamde overvallen. Hij gaf vertrouwelijke informatie door aan onbevoegden. Kortom, hij deed alles wat zeker voor een agent van politie verboden was. Trix wist dat haar huwelijk geen gevaar liep, hoewel Hans Helma geholpen had. Er was geen sprake van een intieme relatie, zei Hans, al roddelde Jan daarover tegen iedereen. Helma wilde dat graag bevestigen en Trix wilde het geloven. De dreiging kwam uit een heel andere hoek, Trix kon de spanning nauwelijks verdragen, ze had al zo veel ziekenhuizen van binnen gezien en nu dit. Elk moment kon er weer een steen door de ruiten vliegen. De eerste keer waren de scherven in hun gezicht gesprongen, ze gingen voortaan zo ver mogelijk bij de ramen vandaan zitten. Die telefoontjes, Hans was er vaak niet en Trix was dan heel bang, alleen met de kinderen, wat moest ze doen als er wat gebeurde? De PTT werd ingeschakeld en er werd een ‘vang’ op de telefoon van Jan gezet. Het bleek dat de telefoontjes van hem kwamen en na ingrijpen van de PTT werd dat minder, dat kon dus bewezen worden, maar dat schelden door de telefoon boezemde nog het minste angst in.

Hans nam eerst vrije dagen op om te posten achter de donkere ramen boven, of in de tuin, om te zien of hij een stenengooier kon betrappen, maar telkens als hij de hele nacht thuis was, gebeurde er niets ­ Heenvliet en Geervliet zijn kleine gemeenschappen en Jan had overal z’n vrienden.

Jan kon er niet van loskomen dat zijn acties ogenschijnlijk zo weinig succes opleverden. Helma kwam niet met hangende pootjes terug, integendeel, ze gooide steeds vaker de hoorn op de haak of ze nam helemaal niet meer op en Hans liet zich ogenschijnlijk niet intimideren. Jans oude vrienden bleven weg, zelfs Karel en Marjolein kwamen niet meer. Marjolein had hem die zomer nog geholpen met de winkel, dat leek goed te gaan, ze kende Jan goed genoeg om hem op tijd met een schop onder z’n kont aan het werk te zetten, maar toen Marjolein terugkwam van vakantie had Jan ook dat verpest, hij had geroepen dat Marjolein haar zakken vulde met zijn werk. Ze ging weg en bleef weg. Nu kwamen alleen nog de mensen die door zijn oude kennissen ‘opvreters’ en ‘opzuipers’ genoemd werden. Zij wilden Jan maar al te graag stijven in zijn haat, dat gaf sensatie en als er sensatie was, trok Jan extra veel bier open. Van werken was nauwelijks meer sprake, Jan raakte in een faillissementsprocedure, het leek hem weinig te interesseren, alleen Helma en Hans hielden hem bezig.

De dag na Jans gijzelingsactie moest Hans voor de eerste keer bij zijn baas komen om iets te horen over de aanklachten die Jan tegen hem had ingediend. Hij ging lachend naar de afspraak met commissaris De Winter en hoofdinspecteur Van der Giessen. De foto van Jan met het geweer stond immers in alle kranten. Hans dacht dat de conclusies uit de verhalen die door zo’n overspannen type aangekaart waren, voor de hand lagen.

Na het gesprek kwam Hans lijkbleek de kamer uit. Officieel was hem aangezegd dat de rijksrecherche een onderzoek zou instellen naar de beschuldigingen. Dat hoorde zo en dat had Hans ook verwacht. Maar toen zei de commissaris dat Hans verdacht werd van drie misdrijven en dat hij als CID­-rechercheur niet meer te handhaven was. Hij zou worden overgeplaatst naar de verhoorkamer van Groot IJsselmonde, op dat bureau moest hij parkeerboetes administratief gaan afhandelen. De korpsleiding wilde hem niet zeggen waar hij nu precies van verdacht werd, welke misdrijven hij gepleegd zou hebben. De rijksrecherche was bezig en de uitslag van dat onderzoek moest eerst maar afgewacht worden. Hans vroeg waarom hij dan niet geschorst werd, hangende het onderzoek. Nee, dat kon niet.

De korpsleiding leek met boter en suiker op de beschuldigingen van Jan ingestapt. Hans begreep het niet. Jan was na de gijzeling naar het Delta gebracht. Zijn collega’s hadden geen proces­verbaal tegen Jan opgemaakt omdat hij in hun ogen toch gek was. Maar hij vond wel geloof voor zijn k1achten tegen Hans.

Hans ging die middag naar huis en meldde zich ziek.

De molens van de rijksrecherche maalden langzaam, de speurders gingen niet over één nacht ijs en verhoorden alle mensen die Jan als getuigen had genoemd; vriendjes, autohandelaren van besproken gedrag, schimmige types die Jan eens geholpen hadden zijn auto te laten ‘stelen’ voor de verzekering. Volgens Hans had Jan hen opgestookt, of zelfs onder druk gezet omdat Jan wat van hen wist en niet te beroerd was om dat tegen hen te gebruiken. Hans kon niet geloven dat de rijksrecherche iets in zijn nadeel zou vinden. Theo, zijn maat, had Hans gevraagd ­ heel serieus, onder vier ogen ­ of hij werkelijk wat geflikt had of niet. Theo wilde niet voor verrassingen komen te staan als hij het voor zijn jongere collega opnam. Hans had met de hand op zijn hart ontkend en Theo geloofde hem. Hans had nog nooit een bakkie gehad en bovendien, je werkte zo nauw samen dat als er wat was, hij er wel iets van had moeten merken.

De beschuldigingen waren ook allemaal zo raar, niet bij Hans passend, vonden zijn collega’s. Hij zou met dikke pakken vals geld hebben rondgelopen en mensen hebben gevraagd of ze dat wilden proberen uit te geven en dan sam­sam te delen. Nou, ze kwamen in het werk natuurlijk wel eens een valse meier of rug tegen en die liet je dan misschien aan een kennis zien om te vergelijken hoe zo’n vervalsing eruitzag. Maar dikke pakken? Dat was hun werk niet.

Wapens verkopen aan Jan? Waarom, die Jan had een wapenvergunning, ten eerste krijg je die alleen maar als je van onbesproken gedrag bent, hoe kwam die Jan er dan in godsnaam aan, vraag je je af, en als je zo’n vergunning hebt, mag je officieel in de winkel kopen, dan hoef je je niet met gesnuffeld ijzer in te laten. Ja, en dan zou Hans in gestolen juwelen en klokjes gehandeld hebben. Nou, dat was zo opgelost. Theo en Hans kenden een juwelier goed. Wanneer een collega in het korps of een goeie vriend een Seiko, een Rolex of een gouden armband wilde hebben, dan moesten ze precies het typenummer opgeven en dan leverde die juwelier dat met een fikse korting. Daar werd niks aan verdiend, dat waren vriendendiensten, en het ging officieel, met bon. Dacht je dat ze voor een paar scheren hun vingers wilden branden? Het enige dat ze Hans konden verwijten was dat hij voor Jan een foto uit het politiearchief had meegenomen uit de tijd van de rellen in de Afrikaanderbuurt. Jan had erom gevraagd en Hans kon de foto nog net redden voor de termijn van tien jaar bewaren voorbij was. Oké, het mocht niet, maar als dat niet mocht dan moest het halve korps op het matje komen. Wat dacht je, als er een vreemd type naast de broer van de commissaris kwam wonen, of z’n dochter had een nieuw vriendje, dat dan niet even de antecedenten gelicht werden?

Hans werd niet in staat van beschuldiging gesteld, hij werd niet geschorst, de vakbond kreeg niets te horen en zijn collega’s evenmin. De leiding zweeg in alle talen en Hans leefde weken in onzekerheid. Hij en Trix hadden het er steeds over, dag, avond en nacht. Wat zou er toch kunnen wezen, hoe lang zou het duren voor ze wat weten? Hans voelde zich als politieman gediscrimineerd door zijn eigen chefs. De eerste de beste patser kreeg meteen te horen waarvoor de dienders hem kwamen halen. Hans moest wekenlang raden waarvan hij verdacht werd.

Hans wilde ontslag nemen. Zijn collega’s praatten het hem uit zijn hoofd. Hij zou wel gek zijn, de korpsleiding zou in z’n vuistje lachen, een moeilijk geval dat zelf de kuierlatten nam, dat was nog eens goedkoop en makkelijk. De vakbond vocht de overplaatsing naar de verhoorkamer van Grijs [bureau Groot-IJsselmonde] aan en startte een procedure voor het ambtenarengerecht.

Hans rekte zijn ziekteverlof, hij durfde Trix en de kinderen niet alleen te laten. Het najaar ging voorbij en tegen Sint­-Nicolaas vloog er een steen de tuin in met een brief vol dreigementen, ondertekend met ‘de Maffia’. Hans schreef een brief terug:

Spruitje, (de beste benaming voor een onbenullig mannetje),
De ene kwajongensstreek volgt de andere op. De held van de Afrikaanderbuurt onwaardig. Bespeur ik hier enige angst bij ons Spruitje omdat hij een paar kwajongens moet inhuren daar hij zelf het lef niet heeft?
Je begint je steeds meer als de dorpsgek te gedragen sinds de hele wereld in de krant heeft gelezen dat je gestoord bent. Wees gerust, ik voel me te intelligent om direct op dit soort kattekwaad te reageren, maar alle betrokkenen krijgen hun portie. Straffen doe je jezelf momenteel al genoeg. (Failliet, verzekeringsfraude, gevangenisstraf te goed, Helma kwijt, je meeste vrienden kwijt en ga zo maar door.) [ … ]
Verder kan ik je in zoverre geruststellen dat mocht ik besluiten om iets terug te doen, ik dat direct tegen jouw persoontje zal doen, dus niet volgens jouw methode indirect via je gezin. […]
Wat betreft het verbouwen van mijn bek wil ik het nog meemaken dat je jouw ‘vrienden’ ook zo gek weet te krijgen om hun leven voor jou te wagen. Ze beseffen niet waarmee ze bezig zijn. Ik heb geen plannen om je ‘penvriend’ te worden, maar ik wilde je deze reactie op jouw St.­Nicolaascadeau toch niet onthouden.
Hans

Uit de brief zou durf moeten spreken, het zelfvertrouwen van Hans dat de pesterijen en dreigementen van Jan hem niet deerden. Jan werd er alleen maar kwaaier van en Hans was niet het ‘ijskonijn’, zoals hij zich in zijn brief voordeed. Hij veranderde met de dag. Vroeger kon je met hem over alles en nog wat een boom opzetten, nu beheerste de affaire met Jan zijn hele leven. Hij werd steeds gespannener, alle andere interesses zakten weg, hij sportte niet meer en hij was bang om ook maar een minuut van huis te gaan. Hans bleef zich ziek melden en politiearts Doorenbos riep hem bij zich. Hans had een paar lange gesprekken met de arts, deze scheen zijn moeilijkheden te begrijpen en liet hem thuis. Maar de korpsleiding zinde dat niet. De zachte aanpak van Doorenbos moest plaatsmaken voor die van zijn chef, dokter Cremers. Cremers staat in het korps bekend als een botterik, zelf zegt hij: ‘Ik houd van een stevige aanpak, realistisch. Ik ben niet het type dat houdt van over het bolletje strijken.’

Hans had er al weinig zin in het hele verhaal opnieuw te moeten vertellen toen hij bij Cremers werd geroepen. Toen hij binnenkwam zei Cremers dat hij vijf minuten had. Het eerste gesprek liep snel uit op ruzie. Hans hoopte begrip te vinden, Cremers had de oplossing al voorhanden. Zo snel mogelijk aan het werk. Met die Jan was toch niks te beginnen, wanneer het zo bleef moest Hans maar in Maastricht solliciteren, emigreren desnoods, maar nu eerst de handen uit de mouwen, dan werd er niet zo gepiekerd.

Hans wilde Trix niet alleen laten. Ook in de kerstnacht was er gedreigd en hij had zowat de hele nacht in de tuin gepost. De visie van Cremers, de arts die van mening was dat zijn grote interesse voor de psyche van de mens meer waarde had dan een speciale opleiding daarvoor, die visie werd in een dienstbevel vervat. Hans moest beginnen op de verhoorkamer, mensen bellen met de vraag of zij op die of die datum hun voertuig inderdaad op deze of gene plaats verkeerd geparkeerd hadden. Een mooi baantje vond Cremers het, rustig, zo had Hans wat omhanden en kon hij op zijn gemak het onderzoek afwachten. Hans zag dat anders. Hij, de jongen die altijd het eerste en het beste wilde zijn, die commando was geweest in dienst en trots de groene baret had gekregen, die in het korps al jong een verantwoordelijke post bij de CID had gekregen, moest, bevel is bevel, telefonisch foutparkeerders gaan verbaliseren.

Zijn collega’s keken hem meewarig aan en vroegen zich achter z’n rug af of er toch niet wat meer aan de knikker was geweest. Zijn vrouw zat thuis, doodsbang, als het even kon ging ze naar familie in Brabant, ze had zelfs al eens bij de huisarts thuis geslapen. Terwijl Hans mensen moest bellen om bekentenissen los te wringen die een paar tientjes waard waren, dacht hij aan zijn mogelijkheden. Hij hield van vissen, het idee was bij hem opgekomen een forellenkwekerij te beginnen, hij had informatie bij het ministerie in Den Haag gevraagd. Maar hij was bang, wist eigenlijk zeker dat als Jan erachter zou komen, een handvol gif in de vijvers hem echt kapot zou maken. Hij dacht aan Jan, de hele dag. Zijn carrière was naar de knoppen, zijn huiselijk leven stond onder zware druk en niets of niemand leek hem te kunnen helpen. Jan zou hem blijven achtervolgen, dat wist hij zeker.

Die vrijdagavond 4 maart zat Hans thuis na weer een dag parkeerbonnen. Thuis werd nog steeds, al maandenlang over vrijwel niets anders gesproken dan over Jan en hoe het toch in godsnaam zo gekomen was en hoe het verder zou moeten. Hans nam zijn derde of vierde jenever met Seven­Up, het kwam harder aan dan het enkele biertje dat hij vroeger dronk, maar het leek wat beter te gaan met drank.

Hij stond op, gaf Trix de sleutels van zijn auto en zei: ‘Die zijn voor jou, ik ga weg.’ Hij was snel de deur, de straat uit.

Trix werd heel bang. Ze belde naar Hans’ oude maat Theo, die was niet thuis, ze belde naar Hans’ baas, commissaris De Winter. Had Hans zijn dienstwapen meegenomen? Trix dacht van wel. De vrouw van Theo Buis liet haar man oproepen en stuurde hem naar Trix. Commissaris De Winter belde met de meldkamer van de rijkspolitie die de controle over Heen-­ en Geervliet heeft. De dienstdoende wachtmeester Westerkamp kende de zaak niet. Op de band die op de meldkamer meeloopt met alle telefoongesprekken, zei De Winter: ‘Hoofdagent V. die heeft hier een lange tijd bij de CID gewerkt en die heeft moeilijkheden gehad met een zekere meneer Spruit. Dat heeft geleid tot zijn overplaatsing en daar is­-ie uiteraard niet over te spreken. Maar het is wel zo dat­-ie kennelijk vanavond bijzonder van slag is geraakt. Hij heeft zijn vrouw achtergelaten, afscheid genomen en zijn pistool meegenomen. Het is in Geervliet of in Heenvliet. Een van zijn naaste collega’s, brigadier Buis uit Rotterdam, die nogal met hem bevriend is, die is enige tijd geleden al naar hem toegestuurd, omdat­-ie inderdaad wat kolderig wordt.’

Theo Buis dacht eerst dat er wat met Trix was. In Geervliet hoorde hij dat Hans weg was. Hij reed als een speer naar Heenvliet en vond snel het huis van Jan. Door het raam aan de straatkant zag hij mensen en het peenhaar van Jan, daar was dus nog niets aan de hand. Twee wachtmeesters van de rijkspolitie stonden verderop te posten. Hij vroeg de wachtmeesters naar de kroegjes van Heen-­ en Geervliet, hij ging Hans zoeken want hij dacht eerder dat Hans zichzelf wat wilde aandoen dan aan een schietpartij met Jan.

Hans, die elke graspol in de omgeving kende, moet toen allang in de tuin van de Vissersdijk gestaan hebben. De wachtenden en zoekenden namen aan dat Hans over de weg zou komen, maar Hans was achter de schuur om direct achter het huis gekomen en had in het donker gewacht, het FN-politiepistool doorgeladen in de hand.

Toen Jan naar buiten kwam vormde hij een goed doelwit tegen het licht van de ramen. Vier kogels troffen hem in borst en buik, de dood moet vrijwel onmiddellijk zijn ingetreden.

Open hier het interview

HB: Hieronder begint de afronding van het verhaal. Jan is dood, de moord heeft voor de tweede keer in het verhaal plaatsgevonden, maar nu vanuit het perspectief van Hans. De rest is afwikkeling. Vandaar ook de tegenwoordige tijd?

TvD: Ja.

De vrienden zijn het erover eens, Jan een rotzak, een gek? Nee, over de doden niets dan goeds, het ging de laatste tijd juist weer zo goed met hem. Een nieuwe verloofde, Jan had er zin in en hij zou die Hans op den duur echt wel met rust hebben gelaten.

De mensen die Jan anders kenden, zeggen dat Jan het niet zou hebben opgegeven. Hans was hem niet kwijtgeraakt, nooit. Dat die Hans het nog zo lang heeft volgehouden! Als het hen gebeurd was hadden ze Jan allang een kunstje geflikt om het af te leren.

Bij de rijkspolitie, waar de aanklachten van Hans tegen Jans stenen en dreigementen binnenkwamen, spijt het officieren en wachtmeesters dat het zo gelopen is. Als, ja, as is verbrande turf … Misschien hadden ze Jan toch moeten waarschuwen na de melding. Maar wie verwacht zoiets, in Rotterdam wisten ze van de hoed en de rand, waarom heeft de korpsleiding daar de signalen niet serieus genomen?

De chefs van Hans, commissarissen Blaauw en De Winter, zwijgen. De zaak was tot nu toe onder de rechter, u begrijpt. In het algemeen is de begeleiding binnen het korps prima, Blaauw mag graag even met een bak koffie in de recherchewacht vertoeven en de stijve De Winter groet het personeel ’s morgens allerhartelijkst. Ze willen nergens op ingaan.

De collega’s in het korps spreken er schande van. Als Cremers zegt dat het ook achteraf gezien nauwelijks anders gekund had, dan is dat onzin. Wanneer Hans meer ziekteverlof had gekregen en zijn dienstpistool had moeten inleveren, was het dan ook gebeurd? De dokter kan mooi zeggen dat het met een broodmes of een gekocht wapen ook had gekund, maar zoiets verandert een zaak toch. En als de dokter dan zegt dat de maatschappij schuld is omdat Jan toch niet opgesloten kon worden, naar een inrichting gestuurd of wat dan ook, wanneer hij zo zeker weet dat er wat dat betreft geen oplossing was, had hij dan niet beter Hans’ kant kunnen kiezen?

Open hier het interview

HB: Ik mis iets van de afloop: hoe is het met dat onderzoek van de rijksrecherche afgelopen? Dat was op moment van schrijven niet bekend, neem ik aan. Heb je ooit nog contact gehad met Hans?

TvD: Nee, dat was op dat moment niet bekend. Ook de uitspraak niet. Ik heb altijd nog wel eens contact met Hans willen hebben, zelfs nu nog. Maar dan is weer mijn luiheid of mijn gerichtheid op een nieuw stuk waardoor het uitgesteld wordt en weer uitgesteld. Ik hoorde na enkele jaren wel dat Hans, natuurlijk niet terug in het korps, de andere kant was opgegaan en zich in het criminele milieu bewoog. Des te meer reden om eens contact proberen te zoeken, maar het is er dus nog steeds niet van gekomen.

Jan is zesendertig geworden. Hans is drieëndertig, z’n kinderen zijn vijf en drie. Jans dochters Astrid en Sylvia zijn vijftien en dertien. Astrid logeert nog steeds bij een zuster van Jan in het noorden. Ze heeft als oudste zó tussen de ruzies van Jan en Helma geleefd, ze heeft zó geprobeerd om hen te verzoenen en Jans rare zelfmoordplannen uit z’n hoofd gepraat dat ze niet kon kiezen tussen de twee. Na de dood van haar vader heeft ze opgeschreven wat ze zich herinnerde: ‘Hoe het allemaal begon’ en ‘Dagboek van de moord op mijn vader’. Soms voelde ze zich door haar moeder in de steek gelaten, maar wist ook niet wat ze met haar vader aan moest: ‘Ik wil niet zeggen dat mijn vader een lieverdje was, maar de mensen om hem heen hebben hem zo gemaakt.’ De crematie vond ze het ‘allerergst’. ‘De mensen die nog een paar woorden zeiden, mijn oom en een vriend van mijn vader, stelden me gerust. Mijn vader hield van muziek zoals die van Janis Joplin, die dus ook werd gedraaid, die liederen deden me weer verdriet. Maar mijn vader zei altijd: “Als ik doodga wil ik niet dat jullie lang verdriet blijven houden om mij, word maar weer gelukkig.'”

Z’n broer Piet wilde Jan zien voor de kist zou zakken. Eerst mocht dat niet, maar dan hadden ze aan hem een kwaaie gehad, dan had de ME erbij moeten komen anders had Piet zelf de kist opengebroken. Ze hadden z’n broer ook al tot tien uur ’s ochtends in de tuin laten liggen, ‘in het be­lang van het onderzoek’, ja, ze konden hem wat. Toen hij Jan zag maakte z’n hart een mispikker. Z’n baard was eraf, als je dat malle sikkie zo kon noemen, en ze hadden z’n haar geknipt. Die begrafeniskraaien moeten er een hoop werk aan hebben gehad, Jan had een dikke pens gehad, maar je zag er niks meer van. Was-­ie soms met dumdum­kogels neergeschoten? Het leek wel een hoofd op een bezemsteel, misschien hadden ze bij de lijkschouwing wel van alles weggehaald voor onderdelen.

Helma is niet naar de crematie geweest, dat zou ze huichelen hebben gevonden. Niet dat ze Jan dit toegewenst had, dat doe je niemand, maar het is wel net of er een loden last van haar schouders is gevallen. Ze durft eindelijk weer gewoon open te doen en familie en vrienden hoeven niet meer eerst in code de telefoon te laten rinkelen voor ze opneemt. Er waren mensen die haar feliciteerden in plaats van condoleerden.

De psychiaters die Hans voor het proces van dinsdag 7 juni onderzochten, rapporteerden eensluidend dat Hans op het moment van zijn daad ontoerekeningsvatbaar was. Volgens mr Jan Verhoef, de advocaat van Hans, zou de officier van Justitie daarmee akkoord gaan en afzien van strafvervolging, begreep Trix. Ze was het hele weekeinde voor het proces zo zenuwachtig. Als alles goed ging, kwam Hans snel thuis. En de mensen van de politiebond hadden gezegd dat Hans’ zaak dan heel sterk zou staan en dat hij niet zomaar ontslagen kon worden. Het gaf haar hoop dat die ellendige tijd gauw voorbij zou zijn. Ze hadden nog een heel leven voor zich.