De truc van verteller David van Meggelen

David van Meggelen was nog maar net begonnen als freelancer bij de sportredactie van de Volkskrant toen hij op een skateboardbaan over het verhaal struikelde dat alles had. Een gedreven protagonist en een ontknoping aan het slot, afgewisseld met ‘gewone’ reportagefragmenten. 

Foto: Jiri Büller
Candy Jacobs – foto: Jiri Büller

<Scène 1>

In volle vaart rolt Candy Jacobs richting een schuin muurtje van een halve meter hoog. Ze blaast haar wangen vol lucht, klikt een kauwgumpje tegen haar gehemelte, zakt door haar knieën en zet af. ‘Bam! Met een harde klap valt het skateboard op de grond, terwijl Jacobs ternauwernood op de been blijft.

<Scène 2>

De truc die Jacobs deze middag oefent in aanloop naar het NK skateboarden heet de Nollie Noseslide. Een hoogstandje waarbij alleen de ‘nose’, de voorkant van het bord, via een hoge stoeprand van een muurtje afglijdt.

‘Geen vrouw in de wereld heeft deze truc ooit in een wedstrijd gedaan’, vertelt bondscoach Sjoerd Vlemmings. ‘Maar als Candy iets in haar hoofd heeft, dan moet het ook gebeuren.’ Onder leiding van Vlemmings bereiden de skateboarders zich voor op de Olympische Spelen van Tokio, die vanwege het coronavirus zijn uitgesteld naar 2021. Het is de eerste keer dat skateboarden op het programma staat en de kans is groot dat Nederland door drie vrouwen wordt vertegenwoordigd. De top-20 van de wereldranglijst plaatst zich. Jacobs (30) en Roos Zwetsloot (20) staan vijfde en twaalfde van de wereld en kunnen niet meer uit de top-20 vallen. Keet Oldenbeuving (16) staat momenteel twintigste.
De 30-jarige Jacobs is behoorlijk oud voor een skateboardster. De mondiale top-20 bij de vrouwen bestaat voor bijna de helft uit meisjes onder de 18. ‘Kinderen zijn minder bang om gevaarlijke trucs te doen’, legt bondscoach Vlemmings uit. ‘Ze kunnen amper de gevaren inschatten van een sprong en nemen daardoor meer risico. Hoe meer risico je neemt, hoe groter de kans op een topscore.’
Toch is haar leeftijd volgens Vlemmings geen nadeel voor Jacobs. ‘Haar ervaring kan juist een voordeel zijn. Ze heeft door de jaren heen een geweldige techniek ontwikkeld, die ze kan toepassen op banen over de hele wereld. Daarnaast heeft ze geleerd om haar angsten voor grote obstakels en gevaarlijke sprongen te overwinnen.’
Jacobs maakt zich niet druk over het leeftijdsverschil. Ze is blij dat ze het skaten heeft meegemaakt voor de sport olympisch werd. ‘Tegenwoordig moet ik aan de dopingautoriteiten doorgeven waar ik slaap, heb ik vaste trainingsschema’s en moet ik letten op mijn voeding. Als ik dat als puber al had moeten doen, had ik nu niet meer geskatet.’
Zeventien jaar geleden begon Jacobs met skateboarden in haar woonplaats Venlo. De sport was een vlucht naar vrijheid, een uitlaatklep om haar schoolfrustraties een plek te geven. ‘In 3-havo werd ik in een jaar 48 keer de klas uitgestuurd en telkens sprak de conrector dezelfde woorden: Candy je hebt de sleutel van het skatepark. Ga eerst maar een uurtje skaten, dan zie ik je daarna terug.’

<Scène 3>

Ondanks jarenlange oefening blijven nieuwe trucs lastig.‘Zo fokking moeilijk kan het toch niet zijn?’, tiert Jacobs. Haar stem galmt door het Olympisch Skatepark in Den Haag. Ze is voor de twaalfde keer op het muurtje af gereden, maar heeft vlak voor de sprong haar skateboard tot stilstand gebracht. Aan de andere kant van de baan steekt Keet Oldenbeuving vijf vingers omhoog. ‘Candy, volgende sprong inzetten anders 5 euro betalen’, roept ze en Jacobs knikt. ‘Deal!’

<scène 4>

Jarenlang combineerde Jacobs het skaten met een baan in de jeugdzorg. Sponsoren waren niet geïnteresseerd in vrouwelijke skateboarders en van prijzengeld viel niet te leven. ‘Er was een enorm verschil in beloning tussen mannen en vrouwen. Op een gegeven moment heb ik besloten om niet meer naar wedstrijden te gaan waar niet gelijk betaald werd’, vertelt Jacobs. ‘Als ik het niet doe, doet niemand het en moeten Roosje, Keetje en al die andere meiden door dezelfde bagger lopen als ik.’
In juni 2019 kregen Jacobs, Zwetsloot en Oldenbeuving een uitnodiging voor Team NL. Ze zijn sindsdien verzekerd van een maandelijks inkomen en kunnen zich volledig focussen op hun sport en de Spelen. In Tokio heeft Jacobs een goede kans om op het podium te eindigen. ‘Candy werd vierde op het afgelopen WK, een medaille behoort zeker tot de mogelijkheden’, vertelt Vlemmings. Zelf ziet Jacobs de Spelen als een bonus in haar loopbaan. ‘Natuurlijk wil ik een medaille halen, ik maak mezelf helemaal gek. Maar ik vind het belangrijker dat ik na mijn carrière een skateboardwereld achterlaat waarin vrouwen net zo gewaardeerd worden als mannen. Ook meiden moeten vol voor deze sport kunnen gaan, zonder stress over financiën of andere randzaken.’

<scène 5>

Als de trainingstijd van een uur al met meer dan 20 minuten is overschreden, blaast Jacobs haar wangen nog een keer op. Ze rijdt op het muurtje af, zakt door haar knieën en zet af. Het bord landt met de nose op het muurtje, Jacobs springt erop en schuift in perfecte balans naar het uiteinde. Haar voeten drukken de wieltjes tegen de betonnen vloer en ze slaat met haar vuist in de lucht: de Nollie Noseslide is gelukt. Vanaf de andere kant van de baan komt Oldenbeuving aangesjeesd. ‘Zie je nou wel’, roept de tiener, die met een gulle glimlach de plaatjes van haar beugel onthult. ‘Gewoon durven, pussy.’

 

Hoe Karin Sitalsing drie maanden zocht naar de Groningse Frank Underwood

Karin Sitalsing liep voor Vrij Nederland drie maanden rond in het provinciehuis in Groningen. Ze zocht de lokale Frank Underwood, maar vond eigenlijk alleen aardige, minzame politici, om niet te zeggen politieke watjes. Wij stellen honderduit vragen.

Het is de eerste maandag van 2019, en de Statenzaal is een dampende massa. In het statige gebouw aan het Martinikerkhof, waarvan het oudste deel uit de vijftiende eeuw stamt, zijn honderden Groningers samengekomen om handjes te schudden, om zaken of een zegje te doen.  Waar normaal gesproken pers en notulist zitten, staan nu grote tafels met bier, wijn en fris.
Maar ja, toen brak de pleuris uit en kreeg alles een heel andere wending

De uitnodiging voor de nieuwjaarsborrel stond in de regionale krant: een foto van het provinciebestuur, grijnzend in de camera vóór het provinciehuis. Tijdens de fotosessie had iemand nog de ‘D66 is kut’-sticker op een lantaarnpaal opgemerkt, maar die heeft de fotograaf eruit kunnen shoppen.

We gaan een verkiezingsjaar in, spreekt commissaris van de Koning René Paas (52, CDA) de zaal toe. In tegenstelling tot lokale en landelijke verkiezingen leven die voor de Provinciale Staten nauwelijks, betoogt hij, en dat moet anders. Sommigen zien in de Statenverkiezingen een opiniepeiling over het kabinet, zegt hij. ‘Anderen doen alsof het gaat om de verkiezing van de Eerste Kamer. Maar Statenverkiezingen gaan over de Státen.’

In de zaal staan veel mensen die ik de afgelopen maanden heb gesproken. Tientallen formele en informele gesprekken voerde ik, in het fractiehuis, tijdens werkbezoeken en in de kroegen van Stad en Ommeland, on en off the record, met Statenleden, gedeputeerden en andere huidige en voormalige kopstukken van de Groninger politiek.

Bijna allemaal zijn ze hier samen om naar de commissaris van de Koning te luisteren.

‘De verkiezingen gaan over de provinciale politiek,’ vervolgt hij. ‘En over de grote vraagstukken van Groningen. Over de gevolgen daarvan voor Groningers. Dus laat je niks wijsmaken: dáárover gaan de verkiezingen!’

Hier is iets aan de hand

Op 16 augustus 2012 trilde de aarde bij het dorpje Huizinge, zo’n twintig kilometer ten noordwesten van de stad Groningen. De beving was de zwaarste ooit: 3,6 op de Schaal van Richter. Bij de NAM kwamen in de dagen daarna duizenden schademeldingen binnen, van scheuren in muren, schoorstenen die dreigden in te storten, eeuwenoude boerderijen die met balken overeind moesten worden gehouden. ‘Huizinge’ was een kantelpunt voor de provincie.

In één klap drongen de desastreuze gevolgen van de gaswinning door tot de nationale media, en hoorde de rest van Nederland wat de Groningers al jaren wisten: hier is iets aan de hand. Sinds ‘Huizinge’ weet ook iedereen in Groningen weer dat er zoiets bestaat als een provinciebestuur, met een commissaris aan het roer.

Honderd miljóén? Een miljárd moest Groningen krijgen

Max van den Berg (PvdA) was commissaris van de Koningin, later van de Koning, in Groningen van 2007 tot 2016 en dus ook in dat cruciale jaar 2012. Als jonge wethouder in Groningen in de jaren zeventig stond hij al bekend als ‘de ayatollah van het Hoge Noorden’. Na acht jaar als landelijk partijvoorzitter en acht jaar in het Europarlement leek Van den Berg als commissaris van de Koning in Groningen in de bestuurlijke luwte te verdwijnen, maar door de aardbeving bij Huizinge in 2012 stond hij opeens weer in het middelpunt van de belangstelling. Van den Berg reisde af naar Den Haag en haalde hard uit naar toenmalig minister Kamp, die honderd miljoen toezegde voor preventieve versterking.

Honderd miljóén? Een miljárd moest Groningen krijgen! ‘Het wordt tijd dat Den Haag opkomt voor álle Nederlanders,’ brieste Van den Berg. ‘Niet alleen voor die in Amsterdam en Rotterdam, maar óók voor de Groningers.’

Die plotselinge aandacht kwam niet alléén door Huizinge, zegt de inmiddels 72-jarige Max van den Berg eind november in zijn woning aan de Hoge der A, hartje ‘Stad’. ‘Daar hebben we enorm hard voor moeten lobbyen en actievoeren. Ikzelf voorop. Mijn rol werd veel zwaarder door de aardbevingsproblematiek, maar met name door de manier waarop ik die invulde.’

In provincies buiten de Randstad, zegt Van den Berg, spelen de provinciebesturen een grotere rol dan in Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht. ‘In de Randstad hebben de grote steden veel meer macht, waardoor de provinciebesturen minder te zeggen hebben. Ook speelt de identiteit daar minder. Wie voelt zich nou een Zuid-Hollander? Maar mensen voelen zich wél Zeeuw, of Fries. Of Groninger. Dat gevoel is in Groningen door de aardbevingen nog sterker geworden.’

Van den Berg werd als commissaris van de Koning opgevolgd door René Paas (CDA), oud-CNV-voorzitter en eveneens oud-wethouder in Groningen. Eigenlijk, zegt Paas een paar weken later in het provinciehuis, gaat het in de Statenzaal altijd over gas, ook als het níét over gas gaat, omdat de gaswinning als een soort spinnenweb over alle andere onderwerpen heen ligt: leefbaarheid, ruimtelijke ordening, energietransitie, noem maar op: ‘De gaswinning is de, hopelijk tijdelijke, identiteit van de provincie Groningen geworden.’

Een soort Mark Rutte

‘En, Mirjam, wat is je prognose? Twee zetels? Drie?’ plaagt PvdA’er Romke Visser (56) aan tafel in het atrium tijdens de lunchpauze die de Statenvergadering van november onderbreekt. Het atrium is de overkapte binnenplaats van het provinciehuis die tijdens vergaderingen wordt gebruikt als bedrijfskantine en na die tijd als kroeg. Visser is plaatsvervangend voorzitter van de Staten, waar hij sinds 2011 in zit.

‘Nou,’ grijnst VVD-fractievoorzitter Mirjam Wulfse terug, ‘Madà en ik denken er wel in te komen, hoor.’ Madà is Madà Miesen, de nummer twee van de VVD-lijst. Maar serieus, zegt ze, het is wel een gepuzzel, hoor, want je weet natuurlijk nooit hoeveel zetels je haalt. Zijn dat er, zeg, zes, dan kun je je twee minder ervaren kandidaten veroorloven. Maar met vier stuks, zoals de huidige fractie heeft, moeten ze doorgewinterd zijn. ‘Nu is het bij ons goed gekomen, maar je hebt het niet altijd in de hand. Zo hebben we ook geprobeerd meer kandidaten te krijgen uit Oost-Groningen. Niet gelukt.’

Och, verzucht Visser. ‘Toen wij er nog twaalf hadden, konden we ons een misser permitteren. Maar nu?’

Als de VVD nul zetels krijgt, zegt Wulfse, die haar leeftijd niet wil geven, verhuist ze terug naar het zuiden. ‘Als het hier zo links wordt, wil ik hier niet meer wonen,’ lacht ze tussen de happen groentesoep door. ‘Eigenlijk is La Wulfse een soort Mark Rutte, hè,’ grijnst Visser. ‘Die lacht ook alles weg.’

Zoutwinning en gas

Welkom op het provinciehuis van Groningen, waar op 16 juni 1602 de arena in gebruik werd genomen die nog altijd dienstdoet als Statenzaal (de langst in gebruik zijnde van Nederland!). Waar boven de gebeeldhouwde schoorsteenmantel (uit 1687!) het schilderij Religie en Vrijheid pronkt van de Stadjer Herman Collenius. Waar een scheepsbel het begin van elke vergadering en het eind van elke pauze inluidt.

Ook tijdens de Statenvergadering van november gaat het over het gas. Althans, de zoutwinning staat op de agenda, en zeg je zoutwinning, dan zeg je ‘gerommel in de bodem’, oftewel – exact.

‘Vermaak je je nog?’ vraagt René Paas grijnzend

De novembervergadering blijkt een soort marathon te zijn. Twaalf politieke richtingen, drieënveertig Statenleden, vijf gedeputeerden, één commissaris. En na de lunch, naarmate de middag vordert, denken ze allemaal hetzelfde: hoe lang nog?
‘Vermaak je je nog?’ vraagt René Paas grijnzend tijdens een schorsing, halverwege de middag. ‘Ik heb nu wel zin om even te rennen.’

Bianca Kruize van D66 haalt twee grote puntzakken drop tevoorschijn, die af en toe achterwaarts verdwijnen naar de collega’s van de ChristenUnie.
VVD’er Nico Bakker (66), een boomlange man met lijzige stem, dito tred en zwaar Gronings accent, loopt zuchtend de zaal uit. Of het nog een beetje gaat, vraag ik hem. ‘Nee. Pfffff.’ ‘Ga bij de Staten, het houdt je van de straten,’ citeert hij niemand in het bijzonder. ‘Maar dit hoeft nu ook weer niet. Even roken, hoor.’ Als hij terugkomt heeft hij twee koppen koffie bij zich: eentje voor zichzelf, de andere zet hij bij zijn fractievoorzitter Mirjam Wulfse neer.

De SP’ers dragen stropdassen

Zo’n lange vergadering is een uitgelezen moment om eens goed rond te kijken.

het aanzwellend drama kwam pas toen ik wilde beginnen met schrijven

De SP is met acht zetels de grootste fractie in de coalitie. Die maakte bij de vorige verkiezingen genadeloos een einde aan negentig jaar PvdA-dominantie en leverde zo de gedeputeerde op het zwaarste dossier: Eelco Eikenaar, op Gaswinning. Of dat nou zo’n goed idee was, daar zijn de meningen over verdeeld. Maar daarover straks meer.

Het CDA van gedeputeerde Patrick Brouns (Financiën, Economische Zaken, Herindeling) heeft vijf zetels. ChristenUnie (Henk Staghouwer, Landbouw, Natuur, Water) en D66 (Fleur Gräper, Verkeer, Ruimtelijke Ordening) hebben er elk vier.

De kleinste coalitiepartij is GroenLinks (Nienke Homan, Milieu, Energietransitie) met drie stuks.

Bij de oppositie is de PvdA de grootste: zes zetels. De VVD heeft er vier, Groninger Belang drie, Partij voor de Dieren en PVV elk twee. De kleinste zijn de twee eenmansfracties: die van de Partij voor het Noorden en de fractie-Kaatee – die laatste is een afsplitsing van de PVV. Ronald Kaatee kreeg ruzie met fractievoorzitter Ton van Kesteren. Volgens die laatste had Kaatee geflirt met Forum voor Democratie in aanloop naar de herindelingsverkiezingen. Hij ontkende, maar het vertrouwen was weg, en nu zitten ze tegenover elkaar in de Statenzaal.

Wat verder opvalt: de SP’ers dragen stropdassen. Wanneer is dat gebeurd? In het geval van Eelco Eikenaar: die knoopte er eentje om toen hij gedeputeerde werd. Fractievoorzitter Jan Hein Mastenbroek (43, ook een das), is advocaat. ‘Ik heb een redelijk inkomen en rijd in een dikke auto, maar ik blijf vinden dat mensen die het moeilijk hebben steun moeten krijgen. En dat mensen die het beter hebben dat kunnen betalen,’ zegt hij desgevraagd. ‘En dat kan ook in een pak. We hoeven niet allemaal in een Hans-Spekman-trui rond te lopen.’

Bijna elke fractie heeft een dame van een zekere leeftijd, met een bril en makkelijk, meestal grijs, haar. Ook opvallend: een handvol jongeren, eveneens verdeeld over de breedte van het politieke spectrum.

Wat nog meer opvalt: de Statenleden lijken een soort light-versie, een wat mildere variant van hun landelijke, meer uitgesproken politieke broeders en zusters.

Groninger ingetogenheid? ‘Wij neigen als collectief wel eens naar grijsgekookte andijvie,’ zegt PvdA’er Romke Visser met gedragen stem. ‘We nemen belangrijke beslissingen, maar op de keper beschouwd zijn de wezenlijke politieke verschillen vaak erg klein.’

Alle hoeken van de Statenzaal

Wat ik precies van plan ben, vragen de Statenleden nieuwsgierig. Of ik ook bij andere provincies langs ga. En wordt het ‘weer zo’n vooringenomen stuk,’ vraagt Ton van Kesteren van de PVV?

‘De assistente van Kamp’ noemden ze Wulfse

Dat ik kom kijken hoe House of Cards het is aan het Martinikerkhof, plaag ik. En wie dan de Groningse Frank Underwood is. Mirjam Wulfse van de VVD lacht hard en gul. ‘We hebben heel veel mensen die dénken dat ze het zijn. Maar och. Hádden we maar een Frank Underwood!’ VVD-fractievoorzitter Mirjam Wulfse zit in een soort spagaat. Zij is Groninger én lid van de partij van minister Wiebes, die over gaswinning gaat. Onder diens voorganger, de in Groningen omstreden Henk Kamp, zag Wulfse naar eigen zeggen vijf jaar lang alle hoeken van de Statenzaal. ‘De assistente van Kamp’ noemden ze haar. ‘Groningen is natuurlijk een links bolwerk en in elk debat werd ik verantwoordelijk gehouden voor de gaswinning. Ik ben tenslotte de exponent van de partij van de gaswinning en dus was het natuurlijk míjn schuld dat mensen al maanden huilend in een huisje zaten. Een heel mooi staaltje van framing. Elke keer als ik naar de microfoon liep, wist ik: ik ben weer het haasje. Aanvallen, interrupties, de hele vergadering probeerde me als hakblok te gebruiken. In die tijd leerde ik het nooit persoonlijk te laten worden. Anders red je het niet.’

Klaar om met de burger te praten

Het provinciebestuur in Groningen kwam door de aardbevingen opeens weer in de belangstelling te staan, maar dat vertaalde zich bepaald niet in hogere opkomstcijfers bij de Statenverkiezingen. In 2011, een jaar voor Huizinge, was het nog 58 procent, bij de verkiezingen van 2015 zakte het percentage terug naar 53.

Om de kloof tussen burger en provinciebestuur te verkleinen, werd in maart vorig jaar ‘Praten met de Staten’ ingevoerd. Zo’n acht keer per jaar, in de opmaat naar de maandelijkse Statenvergadering, kunnen Groningers een uur lang ‘in gesprek’ met de Statenleden. Soms zijn de sessies op locatie, maar op deze woensdagmiddag is het atrium het decor.

Enkele tientallen Statenleden staan klaar om met de burger te praten, bij statafels die zijn voorzien van bloemstukjes – bij toeval overgebleven na een evenement – en bordjes met actuele onderwerpen, zoals ‘Fietsroute Plus Groningen-Leek’, ‘Verdubbeling N33’ en ‘Presentatie startdocument Nationaal Programma Groningen’.

Er is koffie, er is Groninger koek en er is een bouillonnetje.

Zo’n twintig bezoekers komen in kleine groepjes binnendruppelen. Bij de entree hebben ze een paarse badge met hun naam gekregen. De gemiddelde haarkleur is grijs. De meesten vertegenwoordigen lokale belangenclubs en stappen doelgericht op ‘hun’ onderwerp af, gewapend met studies en plattegronden. De bezoekers blijken vooral bezig met de verdubbeling van de N33 en de fietsroute. Bij de tafeltjes ‘Interprovinciaal wolvenplan’ en ‘Provinciaal inpassingsplan waterberging en natuur zuidelijk Westerkwartier’ blijft het leeg. Maar de Statenleden zelf zijn tevreden over de opkomst, zeggen ze: bij Praten met de Staten komen zelden meer dan twintig burgers opdagen.

Drie petten

In het fractiehuis, dat vanbinnen via allerlei krochten aan het provinciehuis vastzit, heeft elke fractie haar eigen ruimte. De meeste kamers zijn opvallend kleurloos, met nauwelijks posters van partijcoryfeeën of andere parafernalia. Als er al ooit politiekromantiek heerste, dan is die vakkundig de nek omgedraaid door libidokillers als een clean desk policy.

Behalve in één fractiekamer: daar zijn de wanden van boven tot onder bedekt met Groninger vlaggen, flyers, posters, sommige gesigneerd. En, op posterformaat: de foto waarop de landelijke partijleider zelve poseert als diens grote held, Michiel de Ruyter – vastberaden blik, kanten kraagje, de blonde kuif fier wapperend.

Welkom bij de PVV.

Eerst had hij een klein kamertje, vertelt fractievoorzitter Ton van Kesteren – imposante man, 64 jaar, strak in het pak, weelderige grijze haardos, klaar klinkend stemgeluid. Behalve in de Staten zit hij ook in de Eerste Kamer én (inmiddels) in de gemeenteraad van de stad Groningen. ‘Maar toen werd het provinciehuis verbouwd en kreeg de VVD een mooie grote kamer. Dus ik zei: dat wil ik ook. Jammer, zeiden ze, had je eerder moeten zijn. Toen heb ik stennis geschopt.’ Zelf ziet Van Kesteren zijn drie petten als Statenlid, senator en gemeenteraadslid helemaal niet als probleem. Integendeel: ze zijn, zegt hij, uitstekend te combineren. De onderwerpen in de gemeenteraad en in de Provinciale Staten hebben veel ‘overlap’. Ook zijn contacten in de Eerste Kamer, waar hij een dag in de week aan kwijt is, zijn ‘van onschatbare waarde’ vanwege de korte directe lijntjes. Dankzij die contacten bracht het Benelux Parlement voor het eerst in zijn bestaan ‘een voor Groningen zeer succesvol werkbezoek aan Stad en Ommeland,’ vertelt hij. ‘Het is jammer dat media dat niet zien. Maar het zoeken naar stokken om de PVV mee te kunnen slaan ben ik wel gewend.’ Laatst nog vergeleek zijn collega-Statenlid René van der Goot (PvdA) de aanhangers van de PVV in een Twitterbericht met de nazi’s. Na woedende reacties van de PVV-fractie en een stormpje in de media stapte hij een dag vóór de novembervergadering op.

Op het planbord in de fractiekamer staan voor de hele week maaltijden ingevuld. Op dinsdagen sta at er ‘koek halal’ op het menu. Grapje zeker? De PVV’er lijkt de tekst voor het eerst te zien. Hij grijnst. ‘Wij houden van vrijheid en van humor.’

Glossy’s in plaats van flyers

Een dinsdagavond, begin december. In een vergaderkamer van het fractiehuis zitten de Statenleden van de ChristenUnie met hun medewerkers en steunfractieleden om een grote tafel. Fractievoorzitter Rinze van der Born, in het dagelijks leven marketingmanager bij VNO-NCW MKB Noord, opent de vergaderingen met Psalm 85, die hij voordraagt vanaf zijn iPad: ‘God bevrijdt mensen die ontzag voor Hem hebben.’

De CU-fractie is de enige met twee voorzitters. Van der Born (40) doet vooral het interne werk, incassomedewerker Gerrit Jan Steenbergen (48) treedt meer naar buiten. ‘Ik zie hem vaker dan mijn vrouw,’ knikt laatstgenoemde naar zijn collega-voorzitter. ‘Ik ben ook leuker dan jouw vrouw,’ riposteert die. ‘Ik ken zijn vrouw heel goed, hoor,’ stelt Van der Born de verslaggeefster gerust. ‘En ze weet wie het zegt.’

Op de agenda, onder meer: de verkiezingscampagne. Ze willen een glossy maken, met mooie foto’s en verhalen over alles wat de leden waardevol vinden. Flyers, zegt Statenlid Fredric Geijtenbeek (28), die, als hij niet in de Statenzaal zit, voor de klas staat, daar kun je écht niet meer mee aankomen.

‘Bovendien houdt onze achterban er niet van om op markten te staan. Maar glossy’s verspreiden is een heel ander verhaal.’

Aan het eind van de vergadering heeft Van der Born nog een puntje. Kledingbank Máxima in Sappemeer, waar ze laatst op werkbezoek waren, doet mee met Dress for Success. Minima krijgen nette kleding om in te solliciteren. ‘Ze hebben een enorm tekort aan mannenkleding, en toen dacht ik: hier op het provinciehuis lopen zoveel pakken rond, die moeten toch eens wat over hebben?’

Na de rondvraag dankt Steenbergen God voor de goede vergadering.

Het is laat, het is koud, de CU’ers nemen afscheid op de stoep voor het fractiehuis. Na een snel sigaretje verdwijnen ook de fractievoorzitters de donkere decembernacht in.

Alleen de VVD is tegen

Of ik iemand ken die werk zoekt, vraagt fractievoorzitter Bram Schmaal (47) van Groninger Belang, op zijn kamer in het fractiehuis – memomagneten in de kleuren van de Groninger vlag. Zijn vorige fractiemedewerker werd wethouder en nu zoekt hij een nieuwe. Lastig, zegt Schmaal, om zonder te zitten zo vlak voor de campagne.

Bram Schmaal en zijn tweelingbroer Henk Jan waren al langer actief in gemeenteraden. De verhouding tussen gemeenten en provincie, dachten ze, die moest toch beter kunnen? In 2014, na een avond brainstormen, nodigden ze de lokale partijen uit.

Vrij snel sloten zich er zestien aan, die gezamenlijk een partijprogramma samenstelden. Driekwart jaar later haalde Groninger Belang drie zetels binnen in de Staten, waar het dat programma nu uitvoert.

Daarnaast varen de aangesloten partijen hun eigen koers in hun eigen gemeenten, en dat moet ook zo blijven, zegt Schmaal: een grotere verantwoordelijkheid voor gemeenten is nu nét het speerpunt van Groninger Belang. ‘Wie weet er nu beter wat er onder de mensen speelt dan zij? Wij houden niet zo van de feodaal hiërarchische houding van de provincie. Zo van: wij zijn de grote broer met het geld en wij beslissen voor jullie.’

Het klinkt tegenstrijdig: tegen een te grote rol van de provincie zijn als je zelf de provincie bent. Niet per se, zegt Schmaal. ‘Je kunt ook achter het stuur kruipen om te proberen de boel om te draaien.’

Die middag staat het Gasbesluit op de agenda van de commissie Bestuur, Financiën en Veiligheid. In dat besluit staat dat minister Wiebes de gaswinning gaat terugschroeven tot 19,4 miljard kuub per jaar én dat hij de veiligheid van de Groningers moet garanderen. Of dat laatste wel hard genoeg gewaarborgd is, betwijfelt bijna iedereen, en nu is de vraag: gaat het college van GS tegen dit besluit in beroep? ‘Een overweging om het niet te doen, is dat de juridische procedure langer duurt dan de periode waarover het besluit gaat,’ zegt Schmaal. ‘Maar dan zou je dus nooit in beroep kunnen gaan. Bovendien is het voor ons geen argument om vriendjes te blijven met Wiebes. We zíjn helemaal geen vriendjes met Wiebes.’ Schmaal voorspelt: iedereen gaat voor beroep stemmen, behalve de partij van Wiebes: de VVD. Hij krijgt gelijk. De provincie tekent beroep aan tegen het gasbesluit, en alleen de VVD is tegen.

Belangenverstrengeling

Omdat het Statenlidmaatschap een deeltijdfunctie is, ligt belangenverstrengeling met andere professionele bezigheden altijd op de loer. Zo ook in Groningen, waar onder commissaris van de Koning Max van den Berg het toezicht op nevenfuncties werd verscherpt. Gedeputeerde Henk Staghouwer van de ChristenUnie, bijvoorbeeld, moest de zeggenschap over zijn bakkerij uit handen geven, en voortaan dienden Statenleden en gedeputeerden cadeaus van meer dan vijftig euro te melden. Voor Statenleden werd de lijn: niet spreken of meestemmen over onderwerpen die raken aan het terrein waar ze hun dagelijks brood verdienen.

Voor veel van de huidige Groningse Statenleden is dat niet zo’n punt. De PvdA-fractie kent bijvoorbeeld een postbode, een ‘life coach’ en een operator in een kabelfabriek, de VVD-fractie een goudsmid en een marketingmedewerker, die van de SP onder anderen een arts en een rouwbegeleidster: professies die weinig met de taken van de Staten van doen hebben. Lastiger is het voor degenen van wie het werkterrein wél duidelijke raakvlakken heeft met de provinciale politiek. Neem Ronald Knegt van het CDA, omgevingsmanager bij BAM Infra Regio Noordoost Wegen. Of zijn fractiegenoot Jacob Klaas Star (51), eigenaar van een onafhankelijk adviesbureau op het gebied van duurzaamheid en energiemanagement, met onder meer lokale overheden als opdrachtgever. Zo was hij coördinator Gaswinning en Duurzaamheid bij gemeente De Marne, midden in het aardbevingsgebied. Precies de onderwerpen waar de provincie over gaat.

Wringt dat niet? Star: ‘Max van den Berg zei eens tegen mij: als mensen als jij stoppen met het werk in de Staten, dan kalft de positie van de volksvertegenwoordiging ook af. We moeten ondernemers hebben, docenten, mensen zonder werk, mét werk, iedereen moet vertegenwoordigd zijn.’

In wat voor konijnenhol ben ik nú weer gekukeld?

Om de schijn van belangenverstrengeling te vermijden, zegt Star, heeft hij net als zijn fractiegenoot Ronald Knegt de keuze gemaakt geen woordvoerder te worden op het eigen werkterrein. ‘In de Statenzaal ben ik geen woordvoerder op energietransitie en de gaswinning. En ik neem natuurlijk geen opdrachten aan van de provincie. Er komen heel mooie voorbij waarvan ik denk: hmmm… Maar ja, dat kan dus niet.’

Paas als schooljongetje

In de eerste weken die ik in en rond het provinciehuis doorbreng, vragen de Statenleden me wat míj eigenlijk opvalt. Dat de sfeer zo gemoedelijk is, zeg ik. Dat iedereen zo sympathiek en lief voor elkaar is, of lijkt. En dat ik dat eigenlijk niet goed kan geloven.

Commissaris van de Koning René Paas lacht heel hard als ik het hem voorleg. Noemt de hoofdpersonen in de Statenzaal ‘bijna allemaal aardige mensen, sommigen zelfs potentiële vrienden’. Mensen, zegt hij, die tegen een heel geringe vergoeding bereid zijn heel hard te werken voor de publieke zaak. ‘Ze zoeken de verschillen, want je kunt je alleen maar profileren door je af te zetten tegen de ander. Wat mij altijd weer opvalt, is: je zoekt de verschillen en je vindt de overeenkomsten.’

Alsof de duvel ermee speelt, publiceert Dagblad van het Noorden een paar dagen later een gepeperde analyse van de aanzwellende onrust binnen het college van GS. Ernaast een spotprent van Paas als schooljongetje, in korte broek met een pleister op de knie. Uit zijn achterzak steekt een schoolrapport.

Als je er drie maanden in rondloopt is geen enkele wereld ontoegankelijk

Statenverslaggever Johan de Veer refereert aan de bewonersavonden in het aardbevingsgebied die uitmonden in chaos omdat niet duidelijk is wie waarvoor verantwoordelijk is. Aan het feit dat gedeputeerden Gräper (D66) en Brouns (CDA) zich gaandeweg met het Nationaal Programma Groningen zijn gaan bezighouden, terwijl het formeel toch Eelco Eikenaar (39) is die over het gasdossier gaat. Hij schrijft over het zogenoemde ‘feestjesincident’. Afgelopen oktober werd in Den Haag het Nationaal Programma Groningen ondertekend, een stimuleringsprogramma om Groningers te verzekeren van werk en voorzieningen, waarvoor het kabinet 1,15 miljard euro beschikbaar stelt.
Eikenaar weigerde af te reizen voor de bijeenkomst. Er viel niets te vieren, oordeelde hij, van een ‘feestje’ was geen sprake. Immers: vele duizenden Groningers zitten nog steeds in onveilige woningen. Bovendien had hij er geen rol. ‘En ik leen me er niet voor om als een decorstuk achter een bord te gaan staan.’ Paas en gedeputeerde Fleur Gräper gingen wél.

En dan was er nog het interview dat Eikenaar begin december gaf aan RTV Noord. Dat hij zich wel eens eenzaam voelde binnen het college, gaf hij daar toe. Dat zijn partij, de SP, achteraf bezien beter twee gedeputeerden had kunnen eisen, in plaats van eentje.

Het interview wakkerde al langer hardnekkig sudderende geruchten aan van een college dat tot op het bot verdeeld is. Waar de rest van het college voldoende vertrouwen lijkt te hebben in minister Wiebes, veegt Eikenaar geregeld de vloer met hem aan. ‘De VVD regeert dit land wel alleen,’ twitterde de gedeputeerde afgelopen zomer.

‘Overige partijen in de coalitie mogen netjes recht zitten en pootjes geven. En dat doen ze.’

Kluitjesvoetbal

Als ik René Paas naar de verdeeldheid vraag, verwijst hij naar het staatsrechtelijke principe van ‘collegiaal bestuur’. ‘Dat betekent dat er altijd eenheid is van collegebeleid. Aan het eind van elke collegevergadering die ik in de afgelopen tweeënhalf jaar heb meegemaakt, waren we het eens. Het is makkelijk om te zeggen: zijn ze wel een eenheid? We zitten met vijf partijen aan tafel! Zijn die het altijd aan het begin van de vergadering al eens? Nou, hopelijk niet, want dan is de politiek zo goed als dood.’

‘Ik heb een maatschappelijke visie die sterk afwijkt van de rest,’ zal Eikenaar later reageren op de verdeeldheid, als ik hem spreek, begin januari. ‘Het is kluitjesvoetbal, en ik zit buiten het kluitje. Ik wil fundamentelere veranderingen dan de anderen. En dat heeft directe gevolgen voor mijn bestuursstijl.’ Het is, zegt hij, een bewuste keus van hem om buiten het ‘establishment’ te blijven staan. ‘Ik wil niet one of the guys zijn. Als je iets wil veranderen, moet je er geen deel van worden.’ En hij blijft heus niet bokkig met de armen over elkaar staan, integendeel, zegt de gedeputeerde: hij sprak vaak met de minister.

‘Maar nooit vanuit de gedachte: “wij begrijpen elkaar”. Ik hóór niet bij hem. Ik hoor bij de bewóners, bij de Gróningers. Ik ben Eelco Eikenaar die gedeputeerde is geworden en namens de bewoners de strijd aan mag bij de minister.’ De enige inschattingsfout die zijn partij maakte, zegt hij, was om niet twee gedeputeerden te eisen. ‘Als je me nu vraagt of de afgelopen vier jaar geslaagd zijn, zeg ik niet ondubbelzinnig ja. Want er vált nog potjandorie een strijd te voeren.’

Had een partij met zo weinig bestuurlijke ervaring wel de gedeputeerde op het grootste en zwaarste dossier moeten leveren, vragen de critici. En: hoe sterk is de commissaris van de Koning eigenlijk? Moet die niet eens met een vuist op tafel slaan?

Koren, molen, olie, vuur.

De verkiezingen naderen, de oppositie ruikt bloed.

Politiek met een kleine p

Op de avond dat Dagblad van het Noorden de onrust binnen het college van GS beschrijft, wordt in de Remonstrantse Kerk in de stad het Nationaal Programma Groningen gepresenteerd. Het krantenartikel gonst rond. Burgemeesters, wethouders, raads- en Statenleden roezemoezen in de pauze. Ik sluip tussen hen door. Vang de zinsnede ‘het functioneren van Eelco’ op.

Spits mijn oren.

Zodra de sprekers me zien, veranderen ze snel van onderwerp.

In diezelfde week vergadert de gewestelijke afdeling van de PvdA. In De Fakkel in Uithuizen, een oud FNV-pand dat nu dorpshuis is en op zijn website ‘een stijlvol ingerichte opbaarruimte’ aanprijst, stromen de sociaal-democraten toe vanuit de hele provincie. De zaal zit propvol, mensen moeten staan.

In de afgelopen periode heeft de fractie flink moeten wennen aan haar nieuwe positie, spreekt Romke Visser zijn partijgenoten toe. Auw, ja, pijnlijk punt. Op het hoogtepunt van haar negentigjarige dominantie, in het gouden jaar 2003, had de PvdA twintig zetels. In 2007 zakte ze naar twaalf. Ze hield dit zetelaantal twee periodes vast tot de genadeklap van 2015: een halvering en vertrek uit het college.

Daarnaast zijn de Staten de laatste jaren versnipperd geraakt, vervolgt Romke Visser. Neem de komst van Groninger Belang, neem de splitsing binnen de PVV. ‘Hoe goed we het ook doen, we moeten erop rekenen dat we na de verkiezingen elf, twaalf, misschien wel dertien partijen in de Staten hebben. En dan wordt het heel lastig om een stevig stempel op het programma te drukken als wij weer mogen meedoen.’

Voorzitter Thea van der Veen van de kandidatenlijstencommissie vertelt, bij het presenteren van de lijst, dat ze gekeken hebben naar regionale spreiding, naar de manvrouwverdeling. Naar de zittende fractie, want je wilt geen kennis verliezen. Naar leeftijd.

Achter haar, tussen de vanen van Arbeiders Muziekvereniging Opwaarts, verschijnen de namen op het scherm. Voorzitter Wouter Schippers van de Jonge Socialisten loopt naar de microfoon. Waarom er niet één jongere op de lijst staat, vraagt hij, is er wel actief gescout? ‘Dit is niet motiverend voor jongeren, en ik denk dat het ook heel moeilijk wordt om mensen te mobiliseren.’

De zaal gonst, eens- en andersgezinden doen hun zegje. Want ja, vernieuwing.

Maar ja, ervaring.

De vergadering verloopt chaotisch. Gingen we nu eerst de kandidaten voorstellen en daarna vragen naar tegenkandidaten, of andersom? Zijn we nu eigenlijk al aan het stemmen, vraagt iemand na de tweede naam op de lijst? Of niet? De zaal tuttuttut, een enkeling durft toe te geven dat hij het óók niet snapt. Er wordt opnieuw gestemd, maar waren we nu bij kandidaat twee of al bij drie? En waar zijn de stembriefjes gebleven?

Een blok post-its duikt op – die plakken en zijn dus niet handig open te vouwen, maar ja, je moet toch wat. Zelfs de verslaggeefster krijgt een stembriefje aangeboden. ‘Ik ben ook voorzitter van de fietsclub bij ons in het dorp,’ mompelt een man achterin. ‘Maar daar gaat het er professioneler aan toe dan hier.’

Aan het eind van de dag is de lijst definitief. Op één staat Tjeerd van Dekken, een bekende in Stad, Ommeland en daarbuiten. In 2007 stelde hij zich kandidaat voor het voorzitterschap van de partij, drie jaar later kwam hij in de Tweede Kamer – hij bleef er tot 2017. De 51-jarige Van Dekken moet de PvdA uit het slop trekken. Zijn lijsttrekkerschap noemt hij ‘een grote eer, een groot genoegen en een belangrijke verantwoordelijkheid.’ En wat is er veel werk te verrichten!

Want, zegt hij, je zál maar slachtoffer zijn van de aardbevingen en een jarenlange strijd moeten voeren. ‘De PvdA wás er, ís er en zál er zijn voor de Groningers, want wij zijn zélf die Groningers. Hoe erg is het, dat de huidige gedeputeerden onderling ruzie maken! Ik noem dat “politiek met een kleine p”.’

Kansloos instituut

Verdeeldheid, politiek met een kleine p – op het handjevol bezoekers van Praten met de Staten na hebben burgers nauwelijks een idee wat er op het provinciehuis gebeurt. Laatst nog leidde commissaris van de Koning René Paas een groep Rotarians rond door de Statenzaal: driekwart was daar nog nooit geweest, vertelt hij. Dat snapt hij wel: een paspoort of rijbewijs aanvragen, naar de gemeente moet iedereen wel eens, maar de provincie? En tegelijkertijd, zegt hij: zonder provincie zouden de wegen en het licht niet meer werken. ‘Als gemeenten allemaal zelf zouden doen wat ze mooi vinden, zou dat uiteindelijk leiden tot een minder aantrekkelijke provincie. Ik vind dat wat wij doen heel relevant is.’

Jan Hein Mastenbroek van de SP denkt daar heel anders over. ‘De provincie is een tamelijk zinloze tussenlaag,’ zegt hij. ‘Net als de Eerste Kamer. Ik bedoel: het voegt niets toe. Het ene kansloze instituut houdt het andere kansloze instituut in stand. De provincie is abstract, de afstand tot de burger is enorm. Wat mij betreft kan de hele bestuurslaag prima worden opgedoekt.’

Ook Mirjam Wulfse van de VVD vindt dat de Provinciale Staten op termijn wel weg kunnen. ‘De provincie vervult een aantal belangrijke taken, maar die kunnen op den duur best worden overgeheveld naar de gemeenten. Die moeten dan wel wat groter worden. Zeg dat er drie, vier gemeenten in Groningen overblijven. Dan kunnen we onszelf langzamerhand overbodig maken. Dat vergt wel wat van de gemeentebesturen. De gemeenten zijn nu nog gewend op de provincie te leunen. Je ziet het in het gasdossier: wij hebben het ambtenarenapparaat, alle gegevens, immense rapporten. En de samenwerking met de stad Groningen is belangrijk, we zijn meer dan een pinautomaat, zoals raadsleden ons wel eens noemen. Er zal dus nog heel wat moeten gebeuren voor het zover is.’

Op de nieuwjaarsborrel houdt René Paas de moed erin. De komende maanden staan voor gekozen politici in het teken van de oogst, spreekt hij de bloedhete zaal toe, waar inmiddels copieuze schalen met eierballen zijn rondgegaan. ‘De geschiedenis heeft bewezen dat deze oude Statenzaal tegen verschillen van mening kan. Ze is gebouwd op het bereiken van eenheid. Een eenheid waar ik ook persoonlijk een bijdrage aan wil leveren!’ In de zaal klinkt beschaafd applaus, de borrel kan beginnen.

Nog geen maand later ligt de SP weer dwars en staat de coalitie op springen.

Dit artikel is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten (www.fondsbjp.nl)

Rik Kuiper: de kunst van het rondhangen bij de strandwacht

Het is corvee in de zomer, die snelle repo bij de strandwacht. Maar wie lang genoeg rondhangt, zoals Rik Kuiper, komt met een verhaal thuis.

Krakend onheil door de portofoon. Een jongen van zes jaar is zoek, klinkt het bij het paviljoen van de Reddingsbrigade in Kijkduin. Robin heet hij. Blond haar, blauwe zwembroek met witte stippen en een groen randje.
Op zoek naar een blauwe zwembroek met witte stippen

Diane van der Burch (46) pakt haar blocnote en noteert het signalement. Zij bemenst hier vandaag de ‘kinderbewaarplaats’, waar ze kinderen opvangt die hun ouders kwijt zijn en ouders die hun kinderen zoeken. Van der Burch stelt ze gerust, terwijl de vrijwilligers van de Reddingsbrigade op zoek gaan.

Dat is regelmatig nodig. Eerder deze maand, tijdens een van de drukste strandweekenden van het jaar, waren er op het Haagse strand veertig tot vijftig vermissingen. Het was een seizoensrecord.

 

Op deze zondag is het minder druk op het strand, maar ook nu raken er kinderen zoek. Omdat ouders niet beseffen hoe lastig het kan zijn om vanuit de branding de eigen parasol terug te vinden. Omdat ze hun kinderen niet zo’n polsbandje met een telefoonnummer omdoen, die gratis te verkrijgen is bij de Reddingsbrigade. En ook, zo waarschuwen ze hier, omdat de ouders niet opletten.

‘Mensen zitten tegenwoordig de hele tijd op hun telefoon’, zegt senior lifeguard Mark Beeloo (35). ‘En ondertussen laten ze de kinderen bij de zee spelen. Onbegrijpelijk vind ik dat.’

‘Ik hoor ook wel dat ouders in slaap zijn gevallen’, zegt Van der Burch.

‘Kinderen moet je nooit alleen laten’, zegt Beeloo. ‘Pas als ze een jaar of zestien zijn, snappen ze de gevaren van de zee.’ En toch helpen de vrijwilligers van de Reddingsbrigade die ouders graag. Ook nu wandelen er twee lifeguards tussen de badgasten door op zoek naar Robin. De collega’s in de auto’s zijn alert. En in de glazen cabine op het dak van het paviljoen tuurt Bart Isendoorn (42) door zijn verrekijker, op zoek naar die blauwe zwembroek met witte stippen.

Dat doet denken aan ‘Waar is Wally’, het prentenboek vol mensenmassa’s waar je de bebrilde held met zijn rood-wit gestreepte shirt moet vinden. Alleen is dit serieuzer.

‘Ik deel het strand in vakjes in’, zegt Isendoorn. ‘Dan kijk ik in zo’n vakje of ik iemand zie die aan de beschrijving voldoet. Zo niet, dan ga ik naar het volgende vakje.’

En ja, zegt hij, het lukt wel eens om vanuit hier een vermist kind op te sporen, al heb je meer kans als je de ouders achterin de pick-uptruck zet en over het strand gaat rijden. ‘Zij herkennen hun kind veel eerder dan wij.’

Dan klinkt er een bericht uit de portofoon. ‘De moeder van Robin komt naar de post’, zegt een collega vanaf het strand. ‘Ze wil even door de verrekijker kijken.’

En inderdaad, daar komt Astrid Tuin (37) uit Den Haag de trap van het paviljoen op, twee jongens van een jaar of tien in haar kielzog. Ze wordt opgevangen door Diane van der Burch, die een paar geruststellende woorden spreekt. Het gebeurt vaker, zegt ze. Iedereen kijkt mee. Ze komen altijd terug.

Tuin tuurt door de verrekijker, die ze al snel overdraagt aan de jongens.

‘Waar is hij nou?’ vraagt een van hen.

‘Nu mag ik’, zegt de ander.

Tuin wijst ondertussen naar de blauwe parasol vlak voor de post van de Reddingsbrigade. Daar zaten ze. Robin ging zich even wassen bij de zee, vertelt ze, want hij zat onder het zand. En toen kwam hij niet meer terug. Ze waren gaan zoeken, haar man en zij. Tevergeefs. De meest verschrikkelijke scenario’s spookten door haar hoofd.

‘Hij zit vast ergens in het zand te spelen’, zegt Van den Burch.

‘Daar zie ik hem wel voor aan’, zegt Tuin.

En dan, rond kwart voor twee, pruttelt de portofoon. ‘Hij is gevonden’, zegt Van der Burch. ‘Twee van onze jongens nemen hem mee deze kant op.’

Even later ziet Tuin haar zoon aankomen, geflankeerd door twee mannen in gele shirts. Ze rent naar hem toe en vliegt hem om de hals. Hij kijkt beteuterd.

‘Hij was zelf op mensen afgestapt om te zeggen dat hij zijn ouders kwijt was’, zegt een van de lifeguards.

‘Je krijgt nu wel een polsbandje’, zegt Van der Burch. ‘Daar kun je het telefoonnummer van je moeder op schrijven. Dan gebeurt het niet nog een keer.’

En dan dient het volgende probleem zich aan.

‘Waar is papa eigenlijk?’ vraagt de broer van Robin.

Cheptegei gelooft tot de laatste zin in z’n toptijd

De jonge Oegandees Joshua Cheptegei, tweevoudig winnaar van de Zevenheuvelenloop, ging voor het wereldrecord op de 15 kilometer. Hij moest het al snel alleen doen, maar hield het publiek tot het laatst in spanning. Sportverslagger Rob Gollin van de Volkskrant legt uit hoe je een wedstrijdverslag ook tot de laatste zinnen spannend houdt.

Direct na de start op de Groesbeekseweg nemen ze afstand van alle andere lopers, de vier hazen van het NN Running Team. In hun kielzog Joshua Kiprui Cheptegei. De Oegandees is nog maar 21, maar hij won de Zevenheuvelenloop al twee keer. Hij is degene die het moet gaan doen zondagmiddag.

Met enig aplomb had de organisatie het aangekondigd: het zeven jaar oude wereldrecord op de 15 kilometer, 41 minuten en 13 seconden, moet er maar eens aan. De verwachting dat Cheptegei in staat is de grens te verleggen, stoelt meer nog dan de zeges in Nijmegen op zijn tweede plek op de 10.000 meter tijdens het WK in Londen, afgelopen augustus. Hij eindigde enkele seconden achter de keizer van de lange baan, de Brit Mo Farah. Hij is de coming man.

Er is een levend scherm voor hem opgetrokken om het tempo op peil te houden en hem uit de wind te zetten, zeker op de Zevenheuvelenweg, waar de noordwestelijke bries pal tegen staat en beschuttend herfstbos op afstand blijft. Twee atleten uit zijn land lopen mee, Abel Sikowo en Stephen Kissa, en twee Kenianen, Noah Kipkemboi en Victor Chumo. Een hazenlegertje  van een zeer behoorlijk kaliber, verzekerden de organisatoren vooraf.

De praktijk is weerbarstiger. De eerste kilometers verlopen volgens schema – de eerste gaat zelfs in 2.35, veel sneller dan voorzien. Maar er is een prijs: twee van de vier gangmakers haken al af als het oker van het najaar het decor kleurt.

Cheptegei is zelfverzekerd. Hij voelt zich dit jaar sterker dan ooit en de kennis van het parcours is in zijn voordeel. Bovendien, zegt hij, 7 is hier een magic number. Het is de Zevenheuvelenloop, het huidige record is zeven jaar oud en het record van daarvoor dateert ook nog eens uit 2003, weer zeven jaar eerder. Hij neemt de poging uiterst serieus. Dat het op een wat minder courante afstand is, doet hem weinig. ‘Het is geweldig een record te hebben. Iedereen weet: dat doe je niet zomaar.’ In zijn gebeden, zegt hij, hoopt hij op meer records, eerst op de baan, dan op de marathon.

Tot degenen die deze zondag Cheptegei c.s. al snel moeten laten gaan, behoort Leonard Komon, 29 jaar, Keniaan, en tot dan toe de houder van het wereldrecord uit 2010. Hij heeft er vrede mee als hij het deze dag zou kwijtraken. ‘Zo hoort het te gaan in de sport: nieuwe gezichten komen, andere gaan. It’s okay.’ Hij heeft er veel aan gehad. ‘Het maakt je beroemd. Iedere loper wil een record. Zo’n prestatie geeft je vertrouwen, je bent er trots op.’

Op het moment dat Cheptegei de Zevenheuvelenweg op draait en hij het meest steun zou moeten hebben van de hazen, loopt alleen Kipkemboi bij hem. Het duurt niet lang. De winnaar van het zilver in Londen oogt al snel eenzaam in de open vlakte, op zijn feloranje schoenen. Komon had het hem op het hart gedrukt: loop je eigen race. Zo had hij het ook gedaan, zeven jaar geleden.

Het is geen parcours waar je wereldrecords verwacht.Het gaat er geregeld omhoog, langs de Langenberg, de Vlierenberg en de Engelenberg, met 102 meter het hoogste punt onderweg. Dat het er geregeld toch zo snel gaat, hangt volgens directeur Ronald Veerbeek samen met het gunstige profiel: de laatste vijf kilometer zijn bergaf. Het ergste is dan achter de rug. Verloren tijd wordt hier goedgemaakt.

De zwaarte van de klimmen moet ook niet worden overdreven. Veerbeek: ‘We hadden hier Haile Gebrselassie een paar keer. Die zei: bergen? Welke bergen?’ Nee, misschien is er wel een veel belangrijker oorzaak van de goede tijden: er zijn maar weinig runs die het budget hebben om wereldtoppers uit te nodigen. De Zevenheuvelenloop heeft anderhalve ton aan startgeld beschikbaar.

Alleen en met de wind op kop lijkt het voor Cheptegei zondag uit te draaien op een vergeefse missie. De achterstand op het recordschema loopt op tot 10 seconden. Maar op 10 kilometer klokt Cheptegei 27.44. Dan zijn er volgens het draaiboek nog maar vier seconden terug te winnen. Vanaf dat punt gaat het naar beneden, terug naar de Groesbeekseweg. Zal hier andermaal worden bewezen dat het profiel toptijden faciliteert?

Achteraf zei Cheptegei dat hij gedurende de wedstrijd er altijd in is blijven geloven. Hij was wel teleurgesteld dat de hazen snel pasten. Kipkemboi had hem tussen de 7 en 10 kilometer uit de wind moeten houden, maar na 7,5 was het al voorbij. Hij had al veel krachten verspeeld door eerder dan voorzien veel op kop te lopen.

Bij de finish durft de speaker het nog niet aan. Cheptegei is volgens hem op ‘weg naar een prachtige tijd’.‘Gaat hij het halen?’ De atleet staart gebiologeerd naar de klok als hij de laatste restjes energie uit zijn benen perst. Op 41.13 weet hij dat het voorbij is. Drie seconden later komt hij over de finish. Geen wereldrecord, geen cheque van 50.000 euro.

Met een handdoek om de schouders loopt hij nog even door. Op zijn gelaat vechten ongeloof en teleurstelling om voorrang. Atletenmanager Jos Hermens snelt op hem toe en neemt liefdevol zijn hoofd in zijn handen. ‘Fantastische tijd, Joshua, fantastische tijd!’ Zie zijn winnende tijden hier: van 42.39 via 42.08 naar 41.16.

Ja, hij wil desgevraagd best trots zijn op de progressie. En ja, als de gelegenheid zich voordoet, komt hij volgend jaar graag terug, van een aanval op een wereldrecord heeft hij bepaald nog niet genoeg. Maar of het elke keer zo spannend moet zijn, daar is hij nog niet over uit.

De tragische oplichter van Carel Grol

In Zeeuws-Vlaanderen begrijpt niemand wat Henk bezielde. Bijna een halve eeuw had hij een administratiekantoor in Axel. Henk kwam bij mensen thuis, regelde hun belasting, dronk soms een wijntje mee. Toen ging hij ineens zijn klanten belazeren. schrijft Carel Grol in een narratieve reportage voor het FD. Herkennen we hier de tovenaarsleerling van de oude meester Ton van Dijk.?

Henk zat in de trein. Het was 27 februari 2018, het vroor, uit het noordoosten waaide een toendrabries, waardoor de gevoelstemperatuur naar -10 gezakt was. Henk was een autorijder, maar deze dinsdag liet hij zich vervoeren door de NS. Hij maakte een lange reis.

De voorbije jaren was Henk op de vlucht voor zijn omgeving. Weg uit Zeeland. Naar verluidt hield hij zich schuil in Groningen. Er waren ook geruchten dat hij was uitgeweken naar Polen. Want Henk zat diep in de problemen.

En toch ging hij terug, op deze koude dag. Vanaf Bergen op Zoom stopt de trein op dit traject bij elk dorp. Rilland-Bath, Krabbendijke, Kruiningen-Yerseke. Steeds dieper de provincie in.

Henk is een echte Zeeuw. Hij komt, zoals dat heet, ‘van de overkant’. Uit Zeeuws-Vlaanderen.

Daar heeft hij zijn hele leven gewoond. Zeeuws-Vlaanderen is een historische aberratie: mensen voelen zich er vaak meer Belg dan Hollander, hun dialect lijkt meer op Vlaams dan op Nederlands. Terneuzen, havenstad met een ruig imago, is er de grootste plaats. Een kleine tien kilometer zuidelijker ligt Axel.
In dat stadje wonen nog geen tienduizend mensen. Drie kerken, een molen, een watertoren. Een pleintje met een onuitspreekbare naam, vernoemd naar een Poolse generaal die het dorp in september 1944 bevrijdde van de Duitse bezetter. Nog niet eens zo heel lang geleden droegen mensen hier klederdracht. Erpelkappers heten de inwoners.

Henk komt uit Axel. Maar dat wist vast niemand in de trein.

Sowieso is hij geen opvallende man. Hooguit valt zijn geringe lengte op. Voor een Nederlander is Henk vrij kort. Amper een meter zeventig. Beetje gedrongen ook. 71 jaar. Witte haren. Bril. Een buik die met de jaren steeds groter is geworden.

Verder is hij eerder slonzig dan chic. Nooit snelle auto’s gehad of mooie pakken, eerder de bovenste knoopjes van zijn hemd wat ver geopend. Hij spreekt Zeeuws-Vlaams, waarbij de klinkers wat veranderen, soms wat lettergrepen worden ingeslikt en de ‘g’ wordt uitgesproken als ‘h’.

De trein reed verder. Kapelle-Biezelinge. Goes. Buiten bleef het hard vriezen. Eindbestemming: Middelburg. Nog vijf minuten en Henk zou er zijn. In de hoofdstad van zijn provincie. In Zeeland, waar hij al lang niet meer was geweest.

Deze dag werd hij er verwacht.

*****

Riet Mattheijssen heeft kort haar, een bril met modern montuur, en een Zeeuws-Vlaams accent: als ze bij haar kinderen in de Randstad is, wordt haar vaak gevraagd of ze Belg is.

Riet is geboren in Graauw, ook in Zeeuws-Vlaanderen, amper twintig kilometer van Axel. Maar de liefde bracht haar naar dit stadje. Want met haar echtgenoot landde ze in Axel, tientallen jaren geleden alweer, al hield de liefde geen stand.
Riet wilde wel in Axel blijven wonen, dus kocht ze in 1998 alléén een woning. Ze was geen financieel specialist en de enige die ze kende met kennis van bankzaken, dat was Henk. Want Henk, zo wist iedereen in Axel, zat ‘in de financiën’.

In Axel en omgeving wist iedereen: als banken moeilijk doen over een hypotheek, kun je soms nog terecht bij Henk

Riet kende hem via het Waterschap, waarvoor Henk ook werk deed. Hij stond goed bekend. Dus regelde Henk ook de hypotheek en verzekeringen voor Riet. Die verhuisde, in Axel, naar een huis met een tuin.

Ze zag hem verder nooit. Wat moet je ook met een financieel adviseur als je verder niet heel vermogend bent en alles op rolletjes loopt? Als je gewoon jaar in, jaar uit keurig wat geld apart legt, om later – ooit – nog eens te gebruiken? Een polis loopt wel door.

*****

Dat veranderde toen ze stopte met werken.Haar hele leven, uitgezonderd de periode dat haar kinderen klein waren, had ze voor het Waterschap gewerkt. In 2012 ging ze met pensioen, ze had er toen zo’n veertig dienstjaren op zitten.

Alles wat Riet de voorbije decennia had opgebouwd aan pensioenrechten kwam vrij te vallen. Dat waren geen tonnen, maar toch behoorlijke bedragen van iemand met meer dan dertig dienstjaren. Lijfrentes, koopsompolis, noem maar op.

Het geld kwam haar toe, maar wat moest ze daarmee?

Ineens was daar Henk. Hij wist wel wat. Deposito­. Geld vastzetten voor een bepaalde duur, tegen een vast percentage. De rente was toen al hard aan het zakken. Zijn aanbod: 4,8 procent voor een jaar. Het geld werd vastgezet bij verschillende banken en was per jaar opvraagbaar.

Riet dacht erover na. Ze kende Henk al meer dan tien jaar en hij had haar zaken goed geregeld. Waarom niet? Had ze een zorg minder. Ze stemde ermee in. Dus ging ze, op de fiets, naar het administratiekantoor van Henk, een paar straten verderop.

De papieren werden in orde gemaakt. In verschillende overboekingen werd het spaargeld overgeheveld naar het kantoor van Henk.

Riet zag ook wel dat het kantoor nogal versleten was, maar wat zou dat? Het was er niet vies.

*****

Dat Henk in de financiën zat, is voor de mensen in Axel vanzelfsprekend: zijn vader deed het ook al. Henk bezat een administratiekantoor dat ook verzekeringen afsloot, hij regelde hypotheken en had tot negen jaar geleden, voor de crisis, toen de regels nog wat soepeler waren, een bankvergunning. Een alleskunner dus.

Zijn bedrijfspand was gevestigd in de Wilhelminastraat. Een doodgewoon, betegeld straatje in Axel. Een pastorie uit 1925 aan het begin van de straat, twee panden verderop een fietsenwinkel. Huizen met twee verdiepingen van rode baksteen. Woningen kosten hier nauwelijks meer dan een ton.

Op nummer 44 hield hij kantoor. Een grote etalage in een straat met verder bescheiden woonhuizen. De gevel is van steen en hout. Dubbele beglazing. Achter deze grote ruiten hingen advertenties van huizen. Woningen die te koop stonden in Axel en omgeving. Dorpjes met namen als Zaamslag, Koewacht en Vogelwaarde.

Zelf woonde hij iets buiten Axel, in een verbouwde boerderij. Zijn werkgebied was heel Zeeuws-Vlaanderen. Begrensd door water aan de noord- en westzijde, en door België aan de zuid- en oostzijde. Een land in een land. Dat doorkruiste Henk in zijn oude Mercedes, al reed hij de laatste jaren in een Japanner. Een rode.

*****

Patrick Engels leerde Henk kennen via zijn vrouw, Lucie. Beiden, Patrick en Lucie, zijn begin zestig. Patrick: kalend, bril met rond montuur, duidelijke stem, en werkend door het hele land, in de explosieveiligheid in de petrochemische industrie. Lucie: lang haar, rode bril, yogadocent in Zeeuws-Vlaanderen.

Henk hielp Lucie al dertig jaar met de opgave van de btw, die ze als kleine zelfstandige elk kwartaal moet doen. Altijd naar volle tevredenheid.

Lucie kende hem weer via haar oom en tante. Via via, zoals dat gaat, zeker in de tijd dat er nog geen internet bestond, alle banken overal een kantoor hadden en zaken in guldens gingen.

‘‘We zijn weer een week verder. Nog steeds heb ik niets ontvangen. Binnenkort heb ik het geld echt nodig’’

Zo onopvallend als Henk oogde, zo sterk was hij als schaker. Een van de beteren in de regio. Hij speelde simultaantoernooien: in zijn eentje tegen een reeks andere tegenstanders, lopend langs meerdere schaakborden, om op steeds een ander bord een zet te doen.

Om zoiets te doen moet iemand analytisch zeer sterk zijn, en een stevig geheugen hebben. Die eigenschappen vertaalden zich bij Henk ook in zijn kennis van financiële zaken.

Ooit had hij de hypotheek van Lucie geregeld, in het huis in Terneuzen waar ze nog steeds woont. Gewoon, een ruim hoekhuis in een woonwijk. Die hypotheek was niet zo vanzelfsprekend. Lucie was zelfstandig ondernemer.

In Axel en omgeving wist iedereen: als banken moeilijk doen, kun je soms nog terecht bij Henk.

Vier keer per jaar kwam Henk langs, in het hoekhuis in Terneuzen. Hij gaf weleens een tip over belastingconstructies. Omdat hij de regels kende en wilde helpen. En als hij daarna geen andere afspraak had, bleef Henk weleens een halfuurtje hangen bij Patrick en Lucie. Dan dronk hij nog een glaasje wijn, en vertelde hij over zijn kleinkind. Verzot was hij op dat jochie.

Ja, zo’n man die jarenlang eens in de drie maanden bij je aan tafel zit, wordt bijna een vriend. Toen Patrick en Lucie eens rode wijn hadden meegenomen na een vakantie in Frankrijk gaven ze Henk ook een flesje.

*****

‘Beste Patrick,

Ik heb op dit moment een heel aantrekkelijk financieel aanbod.’

Zo begon de mail die Patrick kreeg, op vrijdag 24 april 2015, iets voor halfzes.

‘Ik leg het even in het kort uit. Een poos geleden ben ik meegegaan in een onroerendgoedproject met een geldbedrag. Dat bedrag was van mijzelf, aangevuld met geld van een paar andere partijen. Op 1 mei 2016 komt dit geld weer vrij en hebben we 8% rente verdiend. Nu is het echter zo dat een van de andere partijen graag wil uitstappen. Ze weet dat dat niet kan. (…) Dus als je dit aantrekkelijk vindt en wil instappen, dan zijn er weer veel mensen gelukkig.

Groeten van Henk’

Patrick had gespaard. En nog wat geld gekregen ­ uit een erfenis. En wat kreeg je nou op de bank? Een half procent? Daarbij: wat kon er gebeuren ­ in een jaar? Bij een man die je bovendien al jaren kende en in diezelfde twaalf maanden nog vier keer zou zien. Iemand met bewezen verstand van financiële zaken.

Na een weekend bedenktijd en nog wat gesprekken met Henk, besloot Patrick in te gaan op het aanbod, ook al had hij verder weinig informatie over het vastgoed. Met eigen geld, met geld van Lucie en met geld van zijn moeder. Geld dat bestemd was voor een nieuwe auto. Of om eerder te stoppen met werken. En, in het geval van zijn moeder, om uiteindelijk goede zorg te krijgen.

Het geld werd halverwege mei overgemaakt. Van bank naar bank, van rekening naar rekening. Gewoon een legale transactie.

*****

Terwijl Patrick zijn geld overmaakte, was Riet, in het voorjaar van 2015, al bezig haar geld terug te krijgen van Henk. Want ze dacht: ik heb er zoveel geld naartoe gebracht, ik wil nu weleens iets opnemen.

Dat begon met reguliere verzoeken. Ik heb geld gestort, dat wil ik terug hebben, mailde Riet. Henk deed moeilijk.

Op donderdag 26 maart schreef Riet: ‘Hoelang gaat het nog duren?’

En 2 april: ‘We zijn weer een week verder. Nog steeds heb ik niets ontvangen. Binnenkort heb ik het geld echt nodig.’

Henk antwoordde op 13 april. ‘Ja hoor, die mailtjes heb ik gelezen. Het is nogal druk geweest en rond de paasdagen waren we vier dagen gesloten.’

Repliek van Riet, een dag later: ‘Weer een slapeloze nacht gehad. Krijg ik het geld nog van je terug?’

Na twee maanden mailen en bellen kreeg Riet een deel van haar inleg. Maar ze wilde eigenlijk wel alles terug. Zo snel mogelijk.

Mail van Riet, op donderdag 27 augustus: ‘Wanneer kan ik mijn geld verwachten?’

Antwoord van Henk, op 28 augustus: ‘In het oude systeem duurde het meestal minimaal een maand. (…) Dus het begint eraan te komen. De banken hebben dit veroorzaakt.’

Riet, op 2 september: ‘Ik weet nog niet voldoende. Ik weet nog steeds niet wanneer ik het geld kan verwachten.’

Antwoord van Henk, 9 september: ‘Ik zal het wat minder gecompliceerd uitleggen. Het komt steeds verder in onze richting. Deze maand wordt zeker uitbetaald.’

Het geld kwam niet. Ze ging naar het kantoor aan de Wilhelminastraat. Daar kreeg Riet te horen: als ze zo graag geld wilde, kon ze toch haar hypotheek verhogen?

Ze was verbijsterd. Het was toch haar geld?!

Mail van Riet aan Henk, op 5 oktober: ‘Nu krijg ik niet eens meer fatsoenlijk antwoord van je. De ene keer merk ik dat je de hoorn op de haak gooit, de volgende keer zeg je dat je niet kunt praten omdat je in de auto zit. Je maakt mij niet wijs dat je niet handsfree kunt bellen.’

Riet besprak de situatie met haar zoon. Die was resoluut. Er moest een advocaat bij komen. Riet dacht toen nog: een advocaat hoeft toch niet? Het geld zou vast wel komen, zo was haar overtuiging.

*****

Henk kwam niet opdagen op de afspraak bij Patrick en Lucie. Het was vrijdag 15 april 2016.

Lucie had weleens twijfels gehad. Henk was een keer te laat met het doorgeven van de btw. En afgelopen zomer was er gedoe met een voorschot, dat hij ook pas na veel aandringen wilde uitkeren. Nu miste hij een afspraak.

Op vrijdag 22 april, een week later dan gepland, zat hij weer bij hen in de woonkamer. In Terneuzen, zoals altijd, om de btw af te handelen. Terwijl hij daar zo bij hen aan tafel zat, dacht Lucie nog: hoe kan ik zo achterdochtig zijn? Ze voelde zich er bijna schuldig over. Deze man hielp haar al sinds de jaren tachtig.

Het was die dag een standaardbijeenkomst. Henk aan tafel. Voor komen rijden in een wat sleetse auto. Nietszeggend overhemd. Conversaties in het Zeeuws-Vlaams.

Binnenkort zou het jaardeposito vrijvallen van Patrick en Lucie. Daar konden ze mooi een nieuwe auto van kopen.

*****

Wat ze op dat moment niet wisten, was dat de Autoriteit Financiële Markten (AFM) al een last onder dwangsom had opgelegd aan het assurantiekantoor. In december had de AFM contact opgenomen met Henk, in januari waren mensen van de toezichthouder langsgekomen in de Wilhelminastraat.

Het woord ‘faillissement’ was doorgekrast en met pen vervangen: ‘Kantoor gesloten vanwege oplichting’

Daarna is er nog herhaaldelijk per telefoon en mail contact geweest. De AFM vertrouwde het niet en verzocht om informatie. Die kreeg de toezichthouder niet. Omdat ‘niet meer buiten twijfel staat dat de bedrijfsvoering (…) mogelijk niet beheerst en integer is’, legde de AFM een last onder dwangsom op.

Henk had geld geleend. Van Riet, van Patrick en Lucie, en van nog veel meer mensen in Zeeuws-Vlaanderen. Terwijl het administratiekantoor niet over de benodigde vergunningen beschikte om geld aan te trekken. Alles piepte en kraakte. Het kantoor van Henk stond op omvallen.

De dwangsom van de AFM bedroeg vijfduizend euro per dag, met een maximum van vijftigduizend euro. Op 21 maart 2016 was die last onder dwangsom opgelegd.

Een maand later zat Henk daar gewoon, op vrijdagmiddag, aan tafel in Terneuzen. De btw te doen voor Lucie. Alsof er niets aan de hand was.

*****

Op zaterdag 18 juni 2016, om tien uur ’s avonds, zaten Patrick en Lucie op de bank. Telefoon. De broer van Lucie belde. Ze schrok. Zo laat? Hij was al wat ouder. Er zou toch niets verkeerd zijn gegaan?

Maar nu stelde hij de vraag. Of ze de krant hadden gezien. Het administratiekantoor van Henk is failliet. Het stond op pagina 2 van de PZC, naast het bericht dat FC Twente toch in de eredivisie bleef. Kop boven het verhaal: ‘Axels kantoor laat klanten berooid achter’.

Voor Patrick en Lucie stond de wereld even stil. Die nacht sliepen ze niet.

Acht kilometer zuidelijker beleefde ook Riet die zaterdag een slapeloze nacht.
Ze was net terug van een fietsvakantie in België, met vriendinnen. Direct daarna kreeg ze twee kleinkinderen over de vloer. Op dat moment las ze het bericht over het faillissement. Met twee kinderen die om haar heen dartelden moest ze zich sterk houden. Maar ook haar wereld kwam met een klap tot stilstand.

*****

Na het faillissement kwamen er mensen kijken op nummer 44 in de Wilhelminastraat. Ze waren stomverbaasd. Van boven tot onder stond het pand vol met papieren. Kasten vol. Mappen, polissen, losse papieren. Stapels tot aan het plafond.

Alles stond door elkaar: schadepolissen naast hypotheekdossiers, formulieren, brieven, correspondentie.

Alsof er in al die jaren nooit iets was weggegooid. Dat gold ook voor het pand: daar was ook niets aan gedaan. Volledig verwaarloosd. Bij binnenkomst een balie uit vervlogen tijden. Kapotte computers. Geen flatscreens. Wel lag er ergens in het pand nog een typemachine.

Kort na het bankroet hing er een briefje op het raam. ‘Kantoor gesloten vanwege faillissement’, stond erop geschreven. Iemand had dat laatste woord doorgekrast, en er met pen iets anders bij gezet. ‘Kantoor gesloten vanwege oplichting’, luidde de nieuwe tekst.

*****

Het eerste curatorenverslag komt uit juli 2016, enkele weken na het faillissement. ‘De failliete vennootschap heeft in de afgelopen jaren van diverse­ particulieren geld aangetrokken. Particulieren kregen een rente toegezegd die hoger was dan de door de banken geboden rente. (…) In een groot aantal gevallen is de rente niet betaald.’

Toen diverse partijen hun hoofdsommen of rente opeisten, kon Henk daar niet aan voldoen. Negen partijen hebben het faillissement van de vennootschap aangevraagd. Tot 2009 had Henk een bankagentschap. Daarmee was hij een soort tussenpersoon voor een bank. In een gesprek met de curator claimde Henk dat, toen hij geen bankagent meer was, mensen ‘toch naar hem toe kwamen met de vraag of hij hun geld kon beheren’. Particulieren leenden hem ‘grote bedragen’, aldus het curatorenverslag.

Toen zijn bankagentschap werd ingetrokken, had zijn bedrijf al een negatief eigen vermogen.

Henk is na het bankroet – zowel zijn administratiekantoor als hij als persoon is failliet gegaan – één keer bij de curator geweest. De lezing ­ van Henk: het grootste deel van de geleende bedragen is doorgeleend aan zijn eenmanszaak. Die leed al langere tijd verlies.

Uit het curatorenverslag: ‘De verliezen van de eenmanszaak zouden zijn opgevangen met de geleende gelden. Daarvan is daarom niets meer over. Volgens de bestuurder zijn met de geleende gelden geen activa gekocht of andere investeringen gedaan. Ook is er niet mee belegd.’

Het tweede curatorenverslag komt uit oktober. In de anderhalf jaar voor het faillissement is negentigduizend euro in contanten opgenomen, zo blijkt uit onderzoek van de bankafschriften.

Het derde curatorenverslag verschijnt in januari 2017. De curator nodigde Henk uit voor een tweede gesprek op kantoor. Maar Henk, zo staat in het verslag, ‘gaf aan niet tot de financiële middelen te beschikken om vanuit zijn huidige verblijfplaats naar Middelburg te komen’.

Een enkele reis van Groningen, waar Henk zich naar verluidt schuilhield, naar Middelburg kost zonder korting 25,30 euro. Reistijd met de trein: vier uur en veertig minuten.

*****

De curator sprak in zijn verslag van 73 gedupeerden. Het gros deed geen aangifte. De politie hield het op ‘21 slachtoffers’. Op zijn minst: de politie kan niet uitsluiten dat er nog meer gedupeerden zijn. Uit schaamte zullen veel mensen geen aangifte hebben gedaan.

Een andere verklaring, die bleef rondzingen in Zeeuws-Vlaanderen: er zat ook zwart geld bij Henk. Maar dat zijn geruchten.

Zeker is dat mensen veel geld zijn kwijtgeraakt. Vaak ging het om tienduizenden euro’s, bij een enkeling om een ton of meer.

Henk verdween na het faillissement. Gevlucht. Hij scheidde van zijn vrouw. Of zij nooit iets in de gaten heeft gehad? Hier wordt alles betwijfeld.

Lucie heeft hem na het bankroet nog gebeld. Niet op zondag. Gewoon, op maandagochtend. ‘Hoe kon hij dit doen?’

Henk nam niet op. Lucie sprak in op zijn voicemail.

*****

Het gros van de gedupeerden bestond uit alleenstaande oudere dames. Zoals Riet. Henk had inzicht in hun financiën. Hij wist alles. Een telefoontje of zo’n mail – ‘Ik heb op dit moment een heel aantrekkelijk financieel aanbod’ – kwam dus allerminst toevallig. Henk strooide zijn aas uit. En daar werd in gebeten.

Juist dat, willens en wetens te zijn belazerd door iemand die je jarenlang kent en die zo je vertrouwen heeft geschonden, gaat er na twee jaar nog moeilijk in, hier in Zeeuws-Vlaanderen.

Waarom heeft-ie het zo gedaan? En waar is het geld? Volgens Patrick zijn die twee vragen vrijwel even belangrijk. Hij gelooft er niets van dat het geld allemaal verdwenen is. Maar waar het wel is? Wist hij het maar. Dat zou, hoe gek het ook klinkt, nog enige rust geven.

Kreeg-ie maar een antwoord.

*****

Op 27 februari 2018 rond 13.15 uur reed een intercity het station van Middelburg binnen. Tussen de andere dik ingepakte reizigers die uitstapten in de snijdende kou wandelde ook een kleine man, met wit haar en een behoorlijke buik. Een verdienstelijk schaker, al is dat niet af te zien aan iemands uiterlijk.

Het was Henk. Van ‘de overkant’.

Hij werd verwacht, in Middelburg. Door de politie. Henk had een oproep gekregen dat hij zich moest melden. Henk op de vlucht? Misschien voor de gedupeerden, maar niet voor de politie.

Henk stond gewoon ingeschreven in de gemeente waar hij inmiddels woonde. Hij kreeg een verzoek zich te melden. En Henk kwam, op de afgesproken datum en tijd die op zijn uitnodiging stonden. Hij werd opgewacht op het station, aangehouden en overgebracht naar een politiecellencomplex in Middelburg.

Naar verluidt hield hij zich schuil in Groningen. Er waren ook geruchten dat hij was uitgeweken naar Polen

De recherche had een jaar onderzoek gedaan naar zijn handelingen, en die van zijn administratiekantoor. Er hadden drie man op deze zaak gezeten, al was dat dan niet fulltime.

Op vrijdag 2 maart, om halfvier ’s middags, volgde een persbericht. Er was een ‘grote fraudezaak’, aldus de politie, ‘die de gemoederen in Axel en omgeving flink bezig heeft gehouden’.

Henk was spil in een piramidespel. ‘Slachtoffers hebben te goeder trouw hun spaargeld ingelegd in de hoop hiermee een hogere opbrengst binnen te halen dan bij reguliere banken en beleggingsfondsen’, stond in het politiebericht.

Twee dagen heeft hij vastgezeten voor verhoor. In verzekering gesteld, zoals dat heet in politiejargon. Daarna mocht hij gaan.

‘Te zijner tijd zal de man zich voor de rechter moeten verantwoorden voor zijn daden’, aldus het politiebericht. ‘In afwachting hiervan mag hij de tussenliggende tijd thuis doorbrengen.’

Henk wordt verdacht van een beleggingsfraude van twee miljoen euro.

*****

Riet verhuisde. Ze heeft haar huis in Axel gedwongen moeten verkopen. Ze woont nu in Terneuzen. In een kleiner appartement. Met uitzicht over de Schelde, dat wel.

De meesten van haar vrienden en kennissen wonen nog in Axel. Ze tennist er nog. Dus rijdt ze elke week een keer of drie op een neer naar het stadje waar ze bijna veertig jaar woonde.

Patrick zal langer moeten doorwerken. Er kwam geen nieuwe auto. En, misschien nog wel het moeilijkste, hij moest tegen zijn moeder van in de tachtig zeggen dat het geld weg was. Daar heeft hij nachten van wakker gelegen.

Wilhelminastraat 44 is vorig jaar juni verkocht, samen met nummer 42, dat ook hoorde tot het bedrijfspand. Er was één bieder. Verkoopprijs: zestigduizend euro.

Het pand is opgeknapt. De buitenkant is geschilderd. Voor de ruit van nummer 44 hangt een briefje, met een 06-nummer dat geïnteresseerden kunnen bellen. Het staat nog steeds te huur.

Reconstructie

Verantwoording: Het FD heeft geprobeerd contact op te nemen met Henk. Via de curator kwam geen reactie. Mobiele nummers waren afgesloten, vaste lijnen buiten werking. Henk was directeur van nog een bv. De curatoren die het faillissement afwikkelen, meenden dat er geen noemenswaardige activiteiten of activa in die bv zaten.
Wel stond die bv ingeschreven op een huisje in een vakantiepark in de provincie Groningen. Het huisje was, zo bleek uit het Kadaster, niet zijn eigendom. Bij het vakantiepark werd de telefoon wel opgenomen. Henk had er gezeten. In onderhuur. Ze hadden hem al een tijdje niet meer gezien.

 

Toine Heijmans en de Premierbenen van Rutte

Al drie jaar reist Toine Heijmans door Nederland. Twee keer in de week schrijft hij een column in de Volkskrant., waarin hij actuele kwesties van een andere kant belicht. De beste columns zijn nu gebundeld in ‘Nederland ligt er prima bij’. En hier legt hij, daartoe aangezet door Rik Kuiper, zijn werkwijze bloot.

Mark Rutte is waanzinnig slecht in afscheid nemen. Die gaat niet zomaar weg, dat is een heel proces. Tot ín de lift. Tot áán de dienstwagen. De premiersbenen bungelen nog buiten, vertrokken is hij niet.

‘Tot ziens!’ ‘Leuk!’ ‘Uiteraard!’ ‘Yes!’ ‘Súper!’ ‘O, dan zo! Hé!’

‘Uiteraard!’ ‘Tot kijk allemaal!’ ‘Hoi hoi!’

Het grote tv-verkiezingsdebat laat hij schieten, maar Mark is scherp op tijd voor zijn drie kwartier met lezers van de Gelderlander. Dertig zitten klaar op de Arnhemse redactie, hun vragen uitgeprint. Jöel Hendriks wil weten waarom Mark in snelwegen gelooft en niet in spoorwegen, maar beseft: ‘hij is met vragen niet te grijpen’.

Komt ie aan: ‘Dág!’ ‘Zo, jááá, goed hier te zijn!’

Naast me zit Ton Odijk klaar met een vraag zwaar in zijn handen. Ton is tijdens de crisis vier keer ontslagen als assurantieverkoper, kreeg loonbeslag, is uit de ziektekostenverzekering gegooid, is gemangeld door de trage molens van het uwv maar kwam wonderwel uit zijn schuldpositie en sprokkelt nu veertienhonderd euro in de maand bij elkaar als telemarketeer en artist-manager. Zijn vraag aan Mark: ‘Reken mij eens voor hoe je met z’n tweeën rondkomt van veertienhonderd euro, als je zeshonderd euro huur betaalt?’

Hij moet nog even wachten. Mark zit achter een hoge tafel naast zijn interviewers, overziet het publiek en zoekt kalm naar zijn moment. Dat komt als een meneer achterin roept of het wat harder kan, er is niks van te horen. Mark gaat staan en neemt de show in handen, brengt zijn stem op volle sterkte. Nu is hij de quizmaster des vaderlands, er kan hem niets gebeuren, en hij blijft die meneer achterin maar vragen of het goed gaat zo. Ja, het gaat uitstekend.

Wisten we al dat de ouders van Marks moeder uit Arnhem kwamen? Hij is hier trouwens als premier, campagnetijd of niet. ‘Ik ben premier van alle fractievoorzitters,’ zegt Mark, en even later: ‘Ik ben premier van alle mensen.’

Hij brengt het alsof hij het zelf gelooft, en daarom gelooft niemand het. Hij doet me ineens aan Ron Brandsteder denken. De vragen zijn vooraf niet overlegd, zeggen de interviewers, Rob Berends en Hans Gulpen, het team van Mark hoefde verder niets te weten. Dat is bij andere lijsttrekkers wel anders. Gaan we soepel van het vraagstuk van de krimp naar de verlaging van de bijstand naar het gebrek aan geld voor gehandicapten naar de legalisering van de wiet.

Mark zegt: ‘Ik heb vrienden met kinderen van zeventien, achttien jaar die in de afkick moeten.’

Wil je doorvragen, is Mark al een of ander hazenpaadje ingeslagen.

Dan is Ton aan de beurt. Het is niet eenvoudig je eigen mislukking aan de premier te melden, maar hij durft. ‘Veertienhonderd euro in de maand is geen vetpot,’ zegt Mark terug, ‘maar in Nederland kom je gelukkig nóóit onder de 95 procent van het bestaansminimum.’ Ton zegt: ‘dat klopt niet’ en ‘daar denkt de deurwaarder anders over’, maar Mark begrijpt dat Ton weer werk heeft? ‘Geweldig!’

En dan zijn we alweer bij de inburgeringsplicht, woesj woesj ook opgelost met Jackie Chan-achtige taalbewegingen, en dan is er de kwestie over de tol die ze willen heffen op de A15 terwijl premier Mark zo tégen tol is, dus ‘ik ben niet dol op tol, maar als je de middelen niet hebt om de weg aan te leggen moet je nadenken over hoe je dat doet’. Een dubbele flikflak. Alweer.

Hoe zijn elastieken benen werken, van links naar rechts en straks terug, is prima te begrijpen door Mark te lezen, het boek van Sheila Sitalsing. ‘Rutte past in zijn tijd’, schrijft ze: hij is de ‘procesmanager’ die overblijft nu de oude machtspartijen afbrokkelen. ‘Ruttes antwoord is: haal de ideeënstrijd uit de politiek.’

Dit zou je marksisme kunnen noemen.

‘Er zijn mensen die zo de stoel onder de kont van de premier vandaan kunnen trekken,’ zei journalist Bas Haan, zich verwonderend over de leugens van Mark in de bonnetjesaffaire. Maar dat doen ze niet. En als ze het doen is de kans groot dat Mark gewoon blijft staan. Juist in de bolwerken van de VVD is het mis: veiligheid en justitie, de belastingdienst, het ene na het andere partijkopstuk stort ter aarde. Maar niet Mark. Alles kaatst af op het intergalactisch glas waarachter hij opereert. De wereld is een Showbizzquiz.

‘Hij maakt het je onmogelijk hem niet aardig te vinden,’ zegt Peter Jansen, hoofdredacteur van de Gelderlander. Zelfs Ton geeft hem een hand: ‘handig is ie wel’.
Maar nu gaat Mark écht afscheid nemen, jongens. ‘Jááá!’ ‘Tot ziens!’ ‘Tot snel!’ ‘Ja gewoon goed!’ ‘Ja leuk!’ ‘Zéker!’ ‘Dat moet je zó doen joh!’ ‘Yesss!’ ‘Já!’ ‘Tot kijk allemaal!’

Nee, die is niet zomaar weg.

Een aquarelletje van A. Hitler

Nee, geld wilde de eigenares er niet voor, ze wilde van dat beladen kunstwerkje af en daarom bood ze het aan het Niod aan. Het instituut wilde het graag hebben. Alleen restte de vraag: was het echt? In de Volkskrant reconstrueerde Rik Kuiper de zoektocht. Voor de Garage ondervroeg NRC-verslaggever Freek Schravesande hem over het verhaal.

Gespannen is Gertjan Dikken eigenlijk nooit als hij mensen ontvangt die een schenking willen doen. Maar op deze dag in maart, nu hij de vrouw met die plastic tas naar boven begeleidde, was dat anders.

Hij voerde haar de statige kamer van de directeur binnen, waar Dikken wel vaker spreekt met mensen die documenten uit de Tweede Wereldoorlog willen overdragen aan het NIOD, het instituut voor oorlogs-, holocaust- en genocidestudies. Daar namen ze plaats aan de ovalen tafel.

De vrouw haalde een pakket uit de plastic tas. Ze verwijderde het krantenpapier en legde een fletse aquarel voor zich neer in een donkerbruine lijst. Repen plakband hielden het hout bij elkaar.

Vanwege die lijst had haar vader dit kunstwerk gekocht, vertelde ze, tientallen jaren geleden, op een postzegel- en muntenmarkt in de buurt van Utrecht. Hij had er 75 cent voor neergelegd en kwam er thuis pas achter wat hij aangeschaft had. Daarna legde hij het ding in de kelder, om er nooit meer naar om te kijken.

De vrouw had het werk al aan twee veilinghuizen aangeboden, maar die waren niet bereid het te verkopen – vermoedelijk omdat ze bang waren hun naam te grabbel te gooien. Daarom was ze nu hier.

Ook een Hitler aan de muur?

Ook een Hitler aan de muur? Regelmatig komen er werken van de Führer beschikbaar. Zo verkocht veilinghuis Weilder in Neurenberg in 2015 bijvoorbeeld veertien schilderijen en aquarellen van Hitler voor een totaalbedrag van 400 duizend euro. Het duurste werk, een afbeelding van Slot Neuschwanstein, ging voor een ton naar een Chinese koper.
Eerder verkocht hetzelfde veilinghuis een aquarel waarop het oude raadhuis van München te zien was voor 130 duizend euro – naar verluidt aan een koper uit het Midden-Oosten. Ook op internet zijn werken van de Führer te vinden. Wie zoekt op de website invaluable.com vindt bijvoorbeeld een aquarel van een straatbeeld in Leopoldstadt, aangeboden door een veilinghuis in Berlijn. Bieden kan vanaf 20 duizend euro.
Er is ook kritiek op de handel in Hitlers. Want is het wel oké om geld te verdienen aan kunstwerken gemaakt door een man die miljoenen mensen heeft laten vermoorden? Veilinghuis Weilder spreekt zich niet over de kwestie uit. Wie daar verhaal komt halen, wordt vriendelijk doorverwezen naar de verkopers van de werken.

Dikken vroeg of ze wel wist dat er de afgelopen jaren op veilingen in het buitenland tienduizenden euro’s voor vergelijkbare kunstwerken was betaald.

Ja, dat wist ze, maar het maakte haar niet uit. Ze hoefde er geen geld voor, ze wilde ervan af.

Dikken bekeek het kunstwerk, een eenvoudig aquarelletje achter gebroken glas. In het midden zag hij een toren met een poort: de Neuthor, zoals het onderschrift vermeldde. Er liep een klinkerstraatje naartoe, waar hoekige schaduwen op vielen.

Nee, een meesterwerk was het niet, dat zag Dikken wel. Dit was een vrij saai stadsgezicht waar weinig leven in zat.

En toch kreeg hij kippenvel.

Want dit was niet zomaar een schenking, dit was de schenking van het jaar! Als het schilderij tenminste gemaakt was door de man die – helaas, mogen we nu wel concluderen – twee keer werd afgewezen bij de kunstacademie in Wenen, de man die zich vervolgens ontpopte als een hardvochtige dictator, de man wiens naam in zeven kleine blokletters rechtsonder in de hoek stond: A. Hitler.

* * *

Een paar weken eerder, op 13 februari 2017, ontving Gertjan Dikken een e-mail waarin deze vrouw liet weten dat ze niet goed wist wat ze met dit ‘beladen’ kunstwerk moest.

‘Nu mijn ouders zijn overleden, zit ik ermee’, schreef ze. ‘Denkt u dat een museum belangstelling voor dit object zou kunnen hebben? Ik zou het in bruikleen willen geven of willen schenken.’

Wow.

Dikken was er even stil van. In de acht jaar die hij nu de acquisitie deed bij het NIOD was er nog nooit iets aangeboden dat… nou ja… van de Führer zelf was geweest, door hem was vervaardigd, misschien zelfs zijn dna zou bevatten.

Hij besefte dat ze snel moesten reageren. Misschien had de vrouw deze mail ook aan andere instellingen gestuurd – aan het Rijksmuseum bijvoorbeeld. Daar zouden ze eveneens interesse hebben.

Andere dictators/kunstenaars

Het ene moment een beestachtige dictator, het volgende moment een gevoelige kunstenaar. Het lijkt een zeldzame combinatie en toch was Adolf Hitler niet de enige. Ook de Spaanse alleenheerser Francesco Franco bleek bijvoorbeeld graag te schilderen – volgens zijn kleinzoon op advies van een lijfarts, die dacht dat El Caudillo op die manier de stress van het regeren zou kunnen verdrijven.
Andere dictators, onder wie Mao en Stalin, schreven poëzie – en volgens sommigen niet eens onverdienstelijk. Saddam Hussein publiceerde een aantal romans, te beginnen met Zabiba en de koning. In Irak werd het boek een bestseller, waarna ook nog een musical volgde.
Daniel Kalder, die in the Guardian een serie schreef over dictatorliteratuur, vermoedt dat Saddam het boek echt zelf schreef: ‘Het is zo slecht opgebouwd en zo saai dat het geurt naar dictatoriale authenticiteit.’ Wat Kalder na afloop bijbleef, was – naast het feit dat de man van Zabiba zo vaak ‘asshole’ werd genoemd in de Engelse vertaling – vooral een passage over bestialiteit:

Even an animal respects a man’s desire, if it wants to copulate with him. Doesn’t a female bear try to please a herdsman when she drags him into the mountains as it happens in the North of Iraq? She drags him into her den, so that he, obeying her desire, would copulate with her?

Ook de Libische leider Muammar Khadaffi kreeg er in the Guardian van langs. Zijn schrijfsels – onder meer een bundel met de titel ‘Escape to hell’ – omschreef Kalder als ‘surrealistisch getier en bizarre bewustzijnsstromen waar overduidelijk geen redacteur aan te pas is gekomen’.
Dat de kunstwerken van dictators bewaard zijn gebleven, heeft in de meeste gevallen dan ook weinig te maken met de kwaliteit, maar alles met de maker. Critici bestempelen de werkjes – als de maker gelukt heeft – hooguit als middelmatig.

Maar hij wist ook dat hij dit niet in zijn eentje kon beslissen. Zo’n prentje van Hitler had toch een ander karakter dan de meeste andere spullen in de collectie, die toch voornamelijk bestaat uit brieven, dagboeken, fotoboeken en ander archiefmateriaal dat de gruwelijkheden van de Tweede Wereldoorlog illustreert. Paste zo’n aquarelletje daar wel bij?

Dikken was naar de directeur collecties gelopen en later ook naar Frank van Vree, de directeur van het instituut. Vrij snel waren ze het eens. Het NIOD kon zo’n aquarel – voor zover ze wisten het enige werk van Hitler in Nederland – er prima bij hebben.

Onder het gebouw aan de Herengracht zit immers een flinke archiefkelder waar de temperatuur en de luchtvochtigheid op orde zijn. Daar liggen wel meer schilderijen, aquarellen en tekeningen, waarop vooral werkkampen en gevangenissen prijken. Zoiets als dit, dadererfgoed zeg maar, zou een mooie aanvulling zijn. Het ging ze niet om het kunstwerk, het draaide om de maker.

En dan speelde er nog iets mee. Als zij dit kunstwerk zouden accepteren, dan was het niet meer beschikbaar op de markt. Dan zou het in ieder geval niet als trofee aan de muur van een neo-nazi terechtkomen. Om diezelfde reden neemt Dikken soms exemplaren van Mein Kampf aan – of andere werken die hij ‘bruine literatuur’ noemt.

‘Bent u in de gelegenheid de aquarel een keer te komen overhandigen?’ typte hij dus. ‘Dan maak ik graag een afspraak met u.’

* * *

Twee zegels op de achterkant van de lijst – daarmee begon het detectivewerk bij het NIOD. Want het bezit van zo’n beladen kunstwerk schepte ook een verplichting : ze moesten achterhalen of het wel echt van de hand van de Führer was. Er zijn immers veel vervalsingen in omloop.

De eerste zegel was een blauwe ovaal waar in witte letters een naam in stond: S. Morgenstern. Daaronder stond dat hij lijstenmaker was aan de ‘Liechtensteinstr. 4’ te Wenen. Een telefoonnummer vermeldde het zegel ook: 15066.

Ik ben zelf een ongeduldige lezer, gauw afgeleid, snel verveeld. Daarom wil ik dat mijn verhalen continu in beweging zijn

Dikken zocht op internet en leerde al snel dat een straatarme Hitler tussen 1908 en 1913 in Wenen had gewoond, waar hij zijn geld verdiende door ansichtkaarten na te schilderen. De jonge Adolf – hij was toen een jaar of twintig – verkocht zijn werk onder meer aan de joodse lijstenmaker Samuel Morgenstern, die de schilderingen in zijn winkel doorverkocht.

Dit zegel, concludeerde Dikken, duidt niet op een vervalsing.

En wat hij ook las was dit. Een kwart eeuw later, toen Oostenrijk zich in 1938 aansloot bij het Derde Rijk van Adolf Hitler, moest Samuel Morgenstern zijn winkel verplicht aan een Ariër overdragen. Tijdens de oorlog deporteerden de nazi’s hem naar Polen, waar hij in 1943 stierf in een getto in Lodz.

De tweede zegel was wit, vierkant en rafelig. Er prijkte een stempel op. ‘Exekutionsgericht Wien’ stond in dikke kapitalen rondom een adelaar met een kroontje. Het aquarel was blijkbaar ooit in beslag genomen door justitie. Zou dat gebeurd zijn toen de winkel van Morgenstern in 1938 werd ‘geariseerd’?

Directeur Frank van Vree, die ook reuze benieuwd was naar de authenticiteit van het werk, stuurde een foto van de zegel naar twee Oostenrijkse rechtshistorici. Al snel kwam er antwoord. Dat stempel was in gebruik tussen 1919 en 1934, schreven ze. En dus moest deze aquarel ergens in die periode in beslag genomen zijn.

Dat was ook een goed teken. Veel valse Hitlers stamden van na 1935, wisten ze. Niets wees erop dat de aquarel niet echt zou zijn.

* * *

Gertjan Dikken bladerde door het boek dat hij uit de bibliotheek van het NIOD had laten komen: ‘Adolf Hitler als Mahler und Zeichner’. Het was samengesteld door de Texaanse multimiljonair Billy F. Price, die uitgebreid onderzoek had laten doen naar Hitlers kunstwerken. Deze catalogus uit 1983 bevatte meer dan achthonderd olieverfschilderijen, aquarellen, tekeningen en architectuurschetsen – allemaal vervaardigd door de Führer, de meeste momenteel in bezit van privéverzamelaars.

Dat aquarelletje van de Neuthor in Wenen, dacht Dikken, zou er ook wel instaan.

Het was juni, het onderzoek naar dit kunstwerk was in een stroomversnelling gekomen. Dikken wilde erover spreken op een internationale bijeenkomst in Washington. Hij moest nu snel een voorstel schrijven. En dus las hij alles wat hij tegenkwam over de Weense jaren van Hitler, over zijn weinig succesvolle schilderscarrière en over de werken die bewaard zijn gebleven.

Kijk, daar op pagina 15 van het boek van Price kwam hij het zegel van Morgenstern al tegen, precies zoals dat ook op ‘hun’ aquarel zat.

Een pagina verder: veertig fotootjes van de verschillende manieren waarop Hitler zijn werk signeerde. In hoofdletters. In zwierig schoonschrift. En daar, midden op de pagina, zijn naam in letters die leken op de letters op de aquarel hier.

Dikken bladerde verder, langs een weidelandschap met een vijver en berken uit 1909, een landschap met een boerderij uit 1907, twee berglandschappen met een hert uit 1908. Sprookjeslandschappen waren het, vervaardigd door de man die zoveel ellende had aangericht.

Veroorloof je jezelf in zulke gevallen vrijheid? En waar ligt in dat geval voor jou de grens?

Maar geen Neuthor.

Verderop: bloemstukken. Daarna klein en in zwartwit: gebouwen.

En nog altijd: geen Neuthor.

Volgende pagina. Verder. Volgende pagina. En toen, jawel, daar zag Dikken dezelfde toren. ‘Alt Wien Neuthor’ stond eronder. Gemaakt tussen 1910 en 1912. Aquarel. Andere stijl, zelfde schaduwen.

Hij kwam nu in de buurt. Maar hoe goed hij ook zocht, een andere prent van deze toren kon hij niet vinden in dit boek van Price, dat gold als de meest uitgebreide catalogus van het werk van Hitler. Als de aquarel in de kluis van het NIOD dus echt door de Führer gemaakt was, dan was het nog onbekend.

* * *

Daar fietste Gertjan Dikken dan, dwars door Amsterdam met een Hitler in de koerierstas op zijn rug. Brug op, brug af, zo naar het Ateliergebouw van de afdeling conservering en restauratie van de Universiteit van Amsterdam.

Dikken was best een beetje zenuwachtig. Papierrestaurator Bas van Velzen had hem uitgenodigd om de aquarel aan een groep studenten voor te leggen en Dikken verwachtte dus een collegezaal met minstens vijftig man aan te treffen. Maar dat viel mee: het bleek een specialistische werkgroep te zijn met vier studenten, die zich na een korte introductie over het kunstwerk bogen.

Ze legden het onder een UV-lamp, en concludeerden dat het papier geen optische witmakers bevatte. Was dat wel het geval geweest, dan moest het papier van na 1942 zijn. Ze zoomden met een microscoop zo ver in op de handtekening dat ze konden zien dat die met een penseel was gezet. Ze plukten een snipper karton van de achterzijde en zagen onder de microscoop korte vezels van katoen en hennep, wat wijst op ouderdom.

Wat vinden jullie er nu van, vroeg Dikken nog aan de studenten, dat jullie hier voor een kunstwerk van Adolf Hitler staan?

Twee van hen zeiden er niets bij te voelen, de twee anderen waren er wel van onder de indruk. Dit papier was aangeraakt door de man die de Jodenvervolging op zijn geweten had. Een gruwelijke dictator had deze gevels geschetst, de dakpannen gelegd, de klinkers gekleurd. Ja, als je daarover nadacht, dan kwam de geschiedenis heel dichtbij.

Na afloop van het college stapte Dikken op de fiets, het kunstwerk weer op zijn rug. Hij was deze middag weer een stuk wijzer geworden. Zowel Bas van Velzen als het hoofd van de afdeling papierrestauratie van het Rijksmuseum – die even kwam binnenvallen – zagen geen reden om te twijfelen aan de authenticiteit van het werk, al moest je altijd een slag om de arm houden. Ze konden nog meer doen, ze konden nog een monster nemen van de verf, om het pigment te dateren. Dat zou nog meer zekerheid geven.

Maar nu niet. Nu moest Dikken doortrappen, opschieten, bruggetje op, bruggetje af, dwars door Amsterdam. Het liep immers tegen half zes. Nog even en het gebouw van het NIOD zou sluiten. En om Hitler nou mee naar huis te nemen? Nee, dat vond hij toch niet zo’n prettig idee.

Deze reconstructie kwam tot stand na gesprekken met Gertjan Dikken, Frank van Vree en Bas van Velzen. De vrouw die de aquarel aan het NIOD schonk wil anoniem blijven.

 

 

Het verdriet van Zwarte Piet

De VN-kritiek, de felle debatten, de demonstraties. Gerard Bloemink (70), Zwarte Piet van het eerste uur, heeft het allemaal met stijgende verbazing aangezien. Nu staat zijn eigen rol ter discussie. Voor het AD schreef Eefje Oomen zijn persoonlijke verhaal op. Rik Kuiper demonteerde het voor de Verhalengarage.

 

De junimaandis net voorbij – de warmste ooit, zeggen ze – als Gerard Bloeminkeen bericht van de ‘pico’, de pietencoördinator, in zijn mailbox vindt.Niks geks, de pico mailt hem altijd midden in de zomer of hij weer Zwarte Piet wil zijn bij de Utrechtse intocht. Maar dit mailtje: Gerard snapt er geen snars van.
De pico mailt hem altijd midden in de zomer

Het gaat over ‘de gemixte bevolking van Utrecht’, over ‘het maatschappelijk debat’ en dat de leden van het intochtcomité ‘de overstap’ naar roetveegpieten maken. Dan volgt de conclusie dat ze graag zien dat iedereen mee blijft doen, dus mensen die ‘zich er niet lekker bij voelen’ moeten zich vooral melden.

Hè? Ze weten toch dat hij geen roetvegen wil? Dat het voor hem Zwarte Piet is en anders niks? Ook Gerards vrouw Gerda snapt de mail niet. Op 5 juli 2017 stuurt Gerard een bericht terug om duidelijkheid te krijgen, maar hoe vaak hij zijn inbox ook checkt: niks. Zelfs na zijn vakantie, twee weken in de caravan in het Belgische Mol: nul. Mag hij nou nog zwart zijn of niet?

Diepe stem

Het begint voor Gerard zo’n 29 jaar terug in het Catharijneconvent, het Utrechtse museum waar hij beheerder en klusjesman is. Daar krijgt hij op een dag de vraag of hij bij de stadsintocht Zwarte Piet wil zijn. En óf hij dat wil. Hij is in zijn eigen straat, de Nicolaasweg, wel vaker piet of Sinterklaas voor de buurt en vindt dat heerlijk. Sinterklaas is fijn vanwege die mooie diepe stem en piet is nóg leuker. Die is atletisch en grappig en dat past hem wel.

Hij is zelf ook een fitte kerel. Hij loopt marathons en was een lenige linksbenige voetballer bij KDS. En hij houdt van een lolletje. Snel op de zetel van de goedheiligman ploffen als die even niet kijkt – tot de kinderen hem wegtrekken: ‘Die stoel is voor Sinterklaas hoor!’

in prachtige gehuurde pakken, voor dag en dauw geschminkt

Die eerste intocht, in 1988: geweldig. Hij met zo’n 60 andere mannen, in prachtige gehuurde pakken, voor dag en dauw geschminkt, hup, de sloepen buiten Utrecht in, en voorwaarts, over de Vecht naar de binnenstad. Daar staan de kades volgepakt. ,,En we zingen en we springen en we zijn zo blij.”

Rotgeintje

Na die eerste keer doet Gerard elk jaar mee, hoewel de intochtomstandigheden af en toe bar zijn. Slagregen, hagel, sneeuw. Gelukkig draagt hij een zwarte maillot. Eén keer worden ze met eieren bekogeld: jochies die vanaf de bruggen een rotgeintje uithalen.

Natuurlijk verandert er in de loop der jaren van alles. Nieuwe routes. Meer meisjespieten. En de intochtzaterdag wordt een intochtzondag. Een paar dingen blijven: boten, pepernoten, liedjes, Sinterklaas, Zwarte Piet.

Ook bij de intocht van 2012, een droge, milde novemberdag, lijkt alles nog bij het oude. Maar wat Gerard niet weet – en bijna niemand – is dat er vanuit de Surinaamse gemeenschap een stille maar krachtige beweging op gang is gekomen om Zwarte Piet weg te krijgen. De knecht met zijn dikke lippen en oorbellen is een overblijfsel van de duistere koloniale tijd, oordeelt onder andere het Landelijk Platform Slavernij.

Zeurpiet

De beweging krijgt maar weinig aandacht, tot contact wordt gelegd met een VN-werkgroep die racisme tegen zwarte mensen bestrijdt. In die groep zit ene Verene Shepherd en die gooit op 22 oktober 2013 in tv-programma EenVandaag de knuppel in het hoenderhok. Natúúrlijk is Zwarte Piet ‘een terugkeer naar de slavernij’, zegt ze. Als zo’n beetje half Nederland over deze ‘zeurpiet’ heen valt en honderdduizenden de ‘Pietitie’ op Facebook ondertekenen, is het pietendebat een feit.

Een deel vindt het onzin – wat nou, slavernij?

Al het rumoer leidt ook bij het Utrechtse intochtcomité tot discussie. Een deel vindt het onzin – wat nou, slavernij? – een ander deel vindt dat Utrecht open moet staan voor kritiek. Ze besluiten zonder ruchtbaarheid toch iets aan de bekritiseerde ‘slavenkenmerken’ te doen; de Utrechtse pieten hebben tijdens de intocht van 17 november 2013 geen dikke rode lippen meer, en geen gouden oorbellen in.

Gerard merkt de veranderingen dat jaar wel even op, maar lang denkt hij er niet over na. Die rode lippen waren toch al niet mooi, te clownachtig. En de oorbellen kunnen op andere plekken waar hij piet is nog steeds in, bijvoorbeeld op basisschool Puntenburg. Hij laat zich die ochtend gewoon pikzwart schminken, een ritueel waar hij altijd van geniet.

Zwaarbewapende commando’s

Grappig, toch, hoe je met wat verf, een pruik en een velours pak opeens iemand anders kan zijn? Iemand die kinderen vrolijk maakt en soms een beetje bang. Hij kan een bangerd inmiddels in een oogwenk geruststellen: even diep door de knieën, een knikje en dan iets zeggen als: ‘Hé, was jij er vorig jaar ook niet bij?’.

Het blijft in 2013 kalm in Utrecht, net als in Groningen, waar de landelijke intocht is. Pas later vertelt Erik van Muiswinkel, hoofdpiet in het Sinterklaasjournaal, dat er dat jaar in Groningen acht zwaarbewapende commando’s meeliepen.

Gerards hoop dat het hele pietendebat snel overwaait, blijkt in 2014 een illusie. De Amsterdamse rechtbank veroordeelt Zwarte Piet, en ook het College voor de Rechten van de Mens komt met kritiek. En minister Asscher begint een ‘rondetafelconferentie’ voor tegen- en voorstanders.

hij kent zat zwarte mensen die er niks op tegen hebben

Gerard vindt het maar gebazel. Zwarte Piet is niks meer of minder dan een fantasiefiguur en zijn kleur heeft niks te maken met zwarte mensen. Sterker: hij kent zat zwarte mensen die er niks op tegen hebben. Waarom kunnen mensen niet accepteren dat het een kinderfeest is en zeker geen racisme?

Kritiek

In het Utrechtse intochtbestuur groeit intussen het begrip voor de tegenstanders – vooral door gesprekken met Ans van Hoof, bestuurder van kinderopvanginstelling Ludens. Van Hoof hoort al in de jaren 80 dat leidsters en ouders met een donkere kleur last hebben van piet: een van de ouders krijgt in de stadsbus zelfs pepernoten in het gezicht gesmeten.

Het bestuur start samen met Van Hoof zorgvuldig georganiseerde ‘dialoogavonden’: pro- en antipieten kunnen er, onder begeleiding van een heuse dialoogbegeleider ‘ervaringen met elkaar delen’. Ruziën is uit den boze. Op de eerste avond, op 7 juli 2014, houdt Quinsy Gario, de bekendste anti-pietactivist, een inleiding. Gerard wordt als nestor ook voor zo’n avond uitgenodigd, maar heeft het snel gezien. Hij ziet nauwelijks bekenden en de heren achter de paneltafel spuien vooral kritiek. Gerard haalt liever herinneringen aan de goede oude tijd op.

Hoe hij in het ouderlijk huis in de Vaartscherijnstraat zijn schoen nog bij de ouderwetse kolenkachel zette. En hoe ’s ochtends alle stoelen dan omgekeerd in de huiskamer lagen. ‘Rommelpieten’ zei zijn vader. Die heerlijke spanning. Maken zijn achterkleinkinderen dat nog mee?

In oktober 2014 – de maand dat heel Nederland over de kleur van de Pieten in het Sinterklaasjournaal speculeert – besluit het Utrechtse bestuur in alle stilte vijftien ‘confettipieten’ en vijf gekleurde tourpieten in te voeren: een verwijzing naar de Tourstart in Utrecht in 2015.

In de ban

Gerard ziet de nieuwe Pieten voor het eerst bij de intocht van 16 november. Geen gezicht, vindt hij. Wat komt er nog achteraan? Oranjepieten na een WK? Het verzoek niet-kwetsende liedjes te zingen, slaat hij in de wind. Niemand die het verschil hoort tussen ‘Sinterklaasje, kom maar binnen met je knecht’, of ‘Sinterklaasje, kom maar binnen met je piet’.

De dag ervoor is de intocht in Gouda behoorlijk verpest: 90 activisten zijn opgepakt. In Utrecht krijgen Gerard en de andere pieten instructies – goed op elkaar letten, niet in discussie gaan. Het blijft rustig.

Dit jaar: 50 procent roetveegpieten

Zo’n driekwart jaar later, in september 2015, neemt het Utrechtse intochtbestuur een rigoureus besluit: Zwarte Piet wordt stapje voor stapje afgeschaft. Dit jaar: 50 procent roetveegpieten. In 2016: 75 procent. In 2017: 100 procent. Er wordt niet over gecommuniceerd: heibel is er al genoeg. Bij de Utrechtse openbare scholen bijvoorbeeld. Die besluiten Zwarte Piet in één keer in de ban te doen. Daar dansen Minions en Panda’s rond – tot woede van sommige ouders. Ook ODBS Puntenburg, waar Gerard wel eens optreedt, schaft piet af.

Beslist niet

Gerard krijgt dat jaar wel weer een uitnodiging voor de officiële intocht. Met een nieuw invulformulier. ,,Ben je bereid om ook als niet-traditionele piet mee te doen?” Opties: Ja, graag zelfs!; Ja, eventueel wel; Nee, liever niet; Nee, beslist niet!; Weet ik (nog) niet. Gerard kiest vier, vanzelfsprekend.

Natuurlijk vraagt hij zichzelf soms af of hij niet te star is. Gerda zegt wel eens: ‘Jij kan niet goed tegen verandering, je vindt het zelfs vervelend als ik de eettafel een stuk naar links schuif’. Maar sommige dingen zijn toch goed zoals ze zijn? Andijvie met een bal gehakt: nog altijd lekker. Zijn Samsung van tien jaar oud: nog altijd prima. Gerda: na vijftig jaar nog altijd zijn vrouw.

Tijdens het schminken voor de intocht van 15 november 2015, een winderige zondag, krabbelen sommige roetveegpieten terug: ze willen toch liever helemaal zwart, maar de pietencoördinatoren houden voet bij stuk. De Utrechtse intocht verloopt gemoedelijker dan de landelijke in Meppel. Daar zingen voor- en tegenstanders keihard tegen elkaar in.

In 2016 – het jaar waarin minister Van der Steur erkent dat de traditie in het buitenland ‘lastig uit te leggen is’ – vertelt het Utrechtse bestuur de pietencoördinatoren voor het eerst openlijk dat de knecht in hun stad historie is. De pico’s begrijpen het: om het gezellig te houden moet er iets nieuws komen.

Jonkie

De pieten krijgen een brief met de mededeling dat elke nieuweling het nieuwe uiterlijk moet accepteren. Gerard voelt zich niet aangesproken: hij is geen jonkie. Sterker, hij hoopt in 2018 als langstzittende piet zijn 30-jarige jubileum te vieren en er dan mee uit te scheiden. Dan is het mooi geweest.

Dat er tijdens de intocht van 2016 nog maar 25 procent Zwarte Pieten zijn: Gerard merkt er weinig van. Hij is op een ‘zwart’ bootje ingedeeld. Op het Domplein danst hij naast een activiste met een bord ‘Neem stelling tegen Zwarte Piet’ en oogst applaus.

De zomervakantie van 2017 is voorbij en Gerard heeft nog steeds geen antwoord op dat verwarrende picomailtje. Op 11 september krijgt hij eindelijk respons. Van intochtvoorzitter Bert Buizert. Met excuses. Buizert vertelt hem dat Zwarte Piet passé is, maar dat het intochtbestuur dit jaar nog met de hand over het hart strijkt. Gerard en zijn kleinzoon Dylan mogen nog één keer Zwarte Piet zijn: de allerlaatsten van Utrecht. Hij doet het wel. Nog één keer. Maar dat 30-jarig jubileum is ‘m dus mooi door de neus geboord.

Mr Big, de politieman die criminelen verwent en ze dan pakt

Alles haalde Freek Schravesande voor Mr. Big uit dossierstukken toen hij beschreef hoe de politie een bijzondere methode gebruikte om een moordenaar te vinden. Voor deze demontage vroeg Rik Kuiper hem naar zijn eigen methodes.

De sfeer in de loods in Veghel is al niet uitmuntend. De drie mannen hadden Chinees gehaald en daarna PSV zien verliezen van Bayern München.

Ze zijn zenuwachtig voor de grote xtc-deal die na weken voorbereiding de volgende dag zal plaatsvinden en nu komt Nico, de baas, ook nog eens binnen met een chagrijnig hoofd.

„Slecht nieuws pik”, zegt hij tegen Souris R., het hulpje in de loods.

„Nou…”

„Er loopt een moordonderzoek en jij bent de hoofdverdachte… die Posbankmoord.” „Hoofdverdachte? Dat meen je toch niet.” Souris, een Brabantse kruimelcrimineel, had er eens twee uur voor op het politiebureau gezeten, als getuige. Maar dat was al dertien jaar geleden.

„Ja dat meen ik wel”, zegt Nico. Hij vertelt dat hij een ‘plat’ contact heeft bij de politie. Die liet hem weten dat DNA is gevonden op een muts vlak bij de uitgebrande auto waarin in 2003 het lichaam van Alex Wiegmink werd gevonden. Twee onbekenden zouden Wiegmink, een toevallige passant, hebben omgebracht in een bos. De daders werden nooit gevonden maar nu is dat DNA toegeschreven aan Souris R.

„Ik heb er niets mee te maken weet je wel… ik hoofdverdachte.”

„He pik eh… ik snap het, weet je”, zegt Nico geruststellend.

„What the fuck, ik ben daar nog nooit geweest man.”

Maar nu verandert Nico’s toon. „Wat denk je van mij dan pik. Er ligt me daar een fucking godsvermogen aan pillen in die auto, wat denk je nou. Ik moet het wel weten.”

„Zitten we hier nog wel clean?” vraagt Nico’s maatje Carlo zich hardop af. Misschien heeft de politie vanwege dit nieuws de loods al in het vizier, nét nu die pillendeal bijna rond is. 250.000 stuks.

de ‘canadian mix’: gewoon ‘boem’ halverwege wisselen

Wat Souris niet weet: Nico ís de politie. Agent A3955. Net als zijn maatjes Carlo, Rob, Danny en Jesse maakt hij deel uit van de politie-eenheid Werken Onder Dekmantel (WOD). De agenten worden ingezet in zaken waarin justitie het bewijs moeilijk rond krijgt. Ze kunnen infiltreren in een crimineel netwerk of, zoals in dit geval, zélf een crimineel netwerk inclusief pillendeal fingeren om middels een geraffineerd psychologisch spel een verdachte te verleiden tot de bekentenis van een eerder gepleegd misdrijf.

Woensdag heeft de rechter Souris R. veroordeeld tot een gevangenisstraf van zestien jaar wegens doodslag op Alex Wiegmink. Vanwege een DNA-spoor, een verklaring van de medeverdachte en informatie die is verkregen door deze undercoveroperatie. Een mededader, die zichzelf na een uitzending van Opsporing Verzocht aangaf bij de politie, kreeg veertien jaar celstraf opgelegd.

bekent hij ter plekke, dan kan de baas wellicht wat voor hem regelen
De gebruikte undercovermethode is een variant van de internationaal bekende ‘Mr Big-methode’. In deze variant wordt een verdachte een fictieve criminele organisatie ingetrokken waarna de ‘grote baas’ met lijntjes bij de politie hoort over een misdrijf waarbij de verdachte zou zijn betrokken. Dit nieuws is, zeker in het vooruitzicht van een grote opdracht, een probleem voor de hele organisatie en hij legt de verdachte het dilemma voor: bekent hij ter plekke, dan kan de baas wellicht wat voor hem regelen. Zo niet, dan kan de verdachte, een risico voor de organisatie, beter vertrekken.

Bedoeling van methode is om iemand in de waan te brengen dat hij zich in een veilige omgeving van gelijkgestemden bevindt. Een omgeving waarin hij uit vrije wil kan besluiten om bepaalde informatie te delen. Maar hoe vrij is die wil in de praktijk?

De Mr Big-methode is omstreden. De methode is effectief, vele verdachten bekennen. Maar deskundigen twijfelen over de waarde van die bekentenissen. Ton Derksen, hoogleraar wetenschapsfilosofie en schrijver over justitiële dwalingen, noemt Mr Big een „smerige” methode. „Ze creëren een situatie waarin het gevaarloos en zelfs aantrekkelijk is om iets te bekennen. Mensen in financiële nood, met een ethisch zwakker fundament, gaan overstag. Maar zulk bewijs zegt helemaal niets.” Mr Big kan onder omstandigheden een situatie creëren waarin óók voor een onschuldige het belang om een bepaald misdrijf te bekennen groter is dan om te ontkennen. In Canada, waar de methode al jaren wordt toegepast, zijn daarvan al enkele gevallen aan het licht gekomen. De hoogste rechter heeft daarop in 2014 de regels ervoor aangescherpt.

In de VS, Duitsland, Engeland en Frankrijk wordt de methode niet gebruikt. Maar in Nederland lijkt justitie Mr Big juist recentelijk te hebben ontdekt. In verschillende varianten dook hij het afgelopen jaar op. Verdachten werden door agenten die zich voordeden als criminelen meegenomen naar luxueuze Spaanse villa’s, ze werden rondgereden in mooie auto’s, getrakteerd op een bordeelbezoek, één was getuige van een (nep)gijzeling in een vakantiehuisje, een ander voelde zich door de ‘criminelen’ zo geïntimideerd dat hij aangifte deed bij de politie.

Waarborgen die gelden bij een officieel verhoor, zoals het recht om te zwijgen en het verbod om druk uit te oefenen op een verdachte, gelden niet in de context van een undercoveroperatie. Middels ‘enige’ druk een verdachte tot praten bewegen, is volgens de weinige jurisprudentie hierover toegestaan. „Juridisch zal het allemaal wel mogen”, zegt rechtspsycholoog Peter van Koppen over Mr Big. „Maar het gaat om de vraag: is het verstandig? Want wat bereik je ermee? Een bekentenis waarvan je geen idéé hebt wat die betekent.”

„Braddaa!! Alles coolll?” sms’t Souris in september 2016 aan Nico. De twee zijn vrienden geworden. Ze hebben elkaar via via leren kennen. In juni kreeg de 43-jarige Souris, een kleine, alcoholverslaafde drugsdealer, van iemand 100 euro om een mobiele telefoon naar een zakenrelatie te brengen. Die zakenrelatie bleek Nico. Ze spraken af op een terras en hadden het over auto’s, voetbal, vrouwen, de onderwereld en over honden. Nico leende Souris 50 euro om beltegoed van te kopen en vertelde over zijn criminele contacten. Nico was van plan in een loods in Veghel een pillendeal voor te bereiden en kon de hulp van Souris goed gebruiken. Ze spraken een dagvergoeding af van 100 euro voor klusjes in de loods. Geld dat Souris met zijn uitkering en drankverslaving goed kon gebruiken.

En inmiddels heeft Souris behalve een cd van André Hazes ook 560 euro van Nico geleend, voor een openstaande boete. Souris mag het terugbetalen met klusjes in de loods: hij pakt voor Nico’s organisatie xtc-pillen in en stopt ze in zelfgeconstrueerde kisten. Er staat een tv en een koelkast met biertjes voor hem klaar.

Souris merkt al snel dat Nico en zijn maten ‘serieuze’ jongens zijn. Hij ziet hoe Nico eens de auto verlaat met een vuurwapen om met een stel kampers te praten over een conflict. Een andere keer komen Danny (agent A3981) en Jesse (A3982) bij de loods aan met een auto die onder het bloed zit vanwege een steekpartij. Souris mag helpen meedenken hoe ze de sporen wegmoffelen. Op een parkeerplaats in Nijmegen steken ze later gezamenlijk de auto in brand.

Souris klimt op tot ‘loodsbaas’. Hij krijgt de sleutel en mag van Nico blijven slapen in de loods. Souris, die tot dan bij een vriend inwoont, neemt meteen een tafelkleedje mee en installeert zich ’s avonds geregeld met een biertje en een jointje op de bank voor de tv. Hij heeft het, met andere woorden, voor elkaar. Totdat hij op 2 november rond 00.00 uur wordt geconfronteerd met de Posbankmoord.

„Ik wil niet lullig doen pik. Maar ik geloof je niet”, zegt Nico na de zoveelste ontkenning van Souris. „Die smeris liegt niet tegen mij.”

Dan oppert Nico’s maatje Carlo om een paspoort voor Souris te regelen. „Ja natuurlijk kan ik een paspoort regelen”, zegt Nico. „Weet je dat is het probleem niet. Maar als hij het niet gedaan heb, dan ga ik niet eh… tig rootjes uitgeven als-ie het niet gedaan heb.” En daarna: „Als je het gedaan heb dan wil ik wel wat voor je regelen.” Met een vals paspoort kan Souris misschien naar een kennis van Nico in Spanje. „Maar als je het niet gedaan hebt, hé prima, dan zou je misschien daar buiten je verhaal moeten doen”, zegt Nico. „Als je het echt niet gedaan hebt.”

„Ik heb echt niets gedaan.”

„Als je niks gedaan hebt moet je morgen gewoon naar huis gaan.”

„En dan…” vraagt Souris.

„Dan moet je gewoon gaan zitten wachten tot ze je komen halen. Want als je niks gedaan hebt heb je ook niets te vrezen.”

„Fucking hell”, zegt Souris. En even later: „Ik heb geen zin om op het politiebureau nou te zitten man.”

„Je moet damage control denken nou vriend”, zegt Nico. „Als er iets is, dan moet je het gewoon zeggen. Dan kunnen we kijken wat we kunnen doen. Ga er maar van uit dat ze je gaan komen halen vandaag of morgen.” En dan, als Nico op het punt staat de loods de verlaten, komt Souris naar hem toe. „Ik weet er wel meer van ja, dat wel.” Souris bekent zijn betrokkenheid bij de dood van Alex Wiegmink en vertelt hoe het zover kwam.
De gebruikte methode heeft de verklaringsvrijheid van de verdachte aangetast, betoogde Wieteke Drummen, advocaat van Souris R. Ze vindt dat door uitgeoefende druk zijn uitlatingen niet betrouwbaar zijn. Haar cliënt deed aan grootspraak en stoerdoenerij en bekende om zijn criminele status en bijbehorende financiële voordelen te behouden. Maar de rechter gaat daarin niet mee: Souris klampte zelf de undercoveragent aan. Van een overschrijding van toelaatbare druk is geen sprake geweest.

De citaten van Souris en Nico zijn afkomstig uit het strafdossier dat NRC heeft ingezien.

‘Ik heb me zijn moordenaar gevoeld’

Als arts zal Kea Fogelberg geen diep demente man doden die niet meer snapt wat er gebeurt. Maar toen haar man Hans dement werd, en dood wilde, móest ze hem wel helpen. Henk Blanken en zijn dochter Nina Blanken over het moeizame structureren van een verhaal dat bijna te mooi was.

Als Kea Fogelberg die ochtend na kerstmis 2015 wakker wordt, ligt Hans niet naast haar.

Ze staat op uit hun hoge bed met wieltjes en vindt haar man op de bank in de woonkamer. Hij heeft geen oog dichtgedaan.

‘Het is zover, Kea,’ zegt hij. ‘Ik stap eruit.’

Haar man lijkt vastbesloten. Als hij het echt zeker weet, zegt ze, moet hij nu opschrijven waarom hij wil sterven. Dat kan niemand voor hem doen. Dan kijkt ze toe, hoort alleen het tikken van de tweehonderd jaar oude klok en het verbeten krassen van zijn pen als Hans ineengekrompen, zijn hand een stijf klauwtje, aan de eettafel zwoegt boven een geruit a-viertje.

het verbeten krassen van zijn pen, zijn hand een stijf klauwtje

 

‘Ik vind het…’, leest ze anderhalf uur later, ‘… heel moeilijk om mijn gedachten op papier te zetten, deels door dat ik…’ – er is iets weggekrast – ‘…moeizaam de woorden kan vinden die ik wil gebruiken en het op te schrijven.’

‘De laatste tijd,’ staat er, ‘moet ik steeds meer rekening houden met het verlies van tijd.’

Zijn weerspannige handschrift, de ternauwernood gevonden woorden. En dan, bijna zonder krassen, dat hij geen oude man wil zijn, afhankelijk van zijn kinderen of van haar. ‘Daarom wil ik dood en dat ik zo onhandig geworden ben, heb ik hulp nodig.’

Hoe vertel je het je kinderen, vraagt Kea.

Dat is moeilijk, geeft Hans toe, ‘want ze gaan zo erg huilen’. Zijn vermoeden klopt, maar uiteindelijk begrijpen ze hun vader wel.

Het zijn vooral buitenstaanders die vragen waarom Hans weg wil. Hij loopt toch nog, hij eet toch nog? En dacht Kea ook niet dat haar man, 75 jaar nu, nog wel vijf, zes of zeven jaar meekon?

Hans wil niets liever dan leven, weet Kea. Hij wil alleen niet dít leven. Zijn wens te sterven is onmiskenbaar, zegt een vriendin, die net als Kea huisarts is. Maar bijna drie weken na kerst slaat de twijfel toe, als Hans, ineens radeloos, zegt dat-ie iets vergeten is.

Kea schrikt. Is hij gek aan het worden? Haar man praat over zichzelf als over een ander. ‘Hans de Zeeuw gaat dood en wordt begraven,’ hoort ze hem zeggen. ‘Dan komt er iemand anders en die speelt voor Hans de Zeeuw. Dat heeft praktische consequenties.’

Als ik in de kist lig, waar moet ik dan slapen

Consequenties? Wat bedoelt hij nou?

‘Als ik in de kist lig,’ vraagt Hans, ‘waar moet ik dan slapen?’

Later zit ze uren op een bankje in de polder, het weidegebied achter hun woning. Hun huisarts heeft beloofd dat hij Hans zal helpen, en Kea vertrouwt hem, maar zonder haar vergeet Hans ook nog dat hij steeds dementer wordt, en dat hij daarom wilde sterven. De chaos in zijn hoofd, de waangedachten… hoe hij plotseling piekert over de dood en wat daarna komt.

Kea moet zijn sterven regelen, niet als arts maar als partner, zoals ze ook zijn afspraak bij de tandarts plant. Toch twijfelt ze, als de arts die ze óók is. Wil Hans het wel echt? Wil hij toch niet liever blijven leven?

Wat is ze aan het doen? Alles weet ze van het lijden en de dood, nou ja, meer toch dan veel andere artsen, maar dit is zo hartverscheurend moeilijk… je man naar zijn dood helpen… want nooit weet je het zeker.

In haar 33 jaar als huisarts heeft ze 21 patiënten doen sterven, ook toen het nog niet mocht, soms op de ouderwetse manier, dat laatste duwtje, met wat extra medicatie. Vier keer vulde ze op de overlijdensverklaring in dat de man of vrouw een ‘natuurlijke dood’ was gestorven, terwijl het dat niet was. Een arts moet in de eerste plaats hélpen, vindt ze al een leven lang. Zij deed wat nodig was, en als ze daarvoor in de gevangenis kwam, dan moest dat maar.

Een andere tijd was het, die ook eenzaam was en naar. De familie mocht niemand vertellen dat oma euthanasie had gekregen. En als Kea het euthanaticum ’s avonds afhaalde bij de apotheek, voelde ze zich een misdadiger. Ze is blij met de euthanasiewet, maar er is een keerzijde. Aan het sterfbed is de familie tegenwoordig zo druk met die euthanasie dat ze vergeten afscheid te nemen. En dokters zijn alleen nog bezig met wat mag en niet mag. Niemand vraagt wat nodig is, wat écht moet.

Ze herinnert zich die oude dame. De vrouw wist niets meer. Alleen dat ze niet naar dat huis met al die vreemde mensen wilde. ‘Zoals Annie,’ wilde ze, ‘maar nu nog niet’. Toen de oude dame toch naar het verpleeghuis moest, zei ze: ‘Nu wil ik als Annie.’

Toen had de huisarts van de familie Kea gebeld. De oude vrouw was natuurlijk hartstikke dement, vond Kea, die als scen-arts – de afkorting voor steun en consultatie bij euthanasie – een second opinion gaf over het euthanasieverzoek. Kea wist wat de oude dame vroeg, ook al vroeg ze het cryptisch. Ze mocht sterven.

Nu vraagt haar man hetzelfde. Ze moet helpen, maar waarom voelt dat alsof ze Hans vermoordt?

***

Op een zomerdag in 2013 wandelt Kea Fogelberg langs de klippen bij Täktom, een gehucht aan de Finse zuidkust, terug naar het zomerhuis waar ze als kind van Zweeds-Finse ouders al elke vakantie doorbracht. Ze groeide op in Nederland, maar twee zomers in deze streek, met zijn wirwar van rotsplateaus, strand en bossen, hebben haar gevormd. Als vijfjarige verdronk ze hier bijna, een jaar later kreeg ze in Finland tuberculose. Daarom is ze arts geworden (‘dan geef ik later prikken die geen pijn doen’). Als huisarts vond ze al dat sterven net zoveel aandacht moest krijgen als het begin van het leven. Als docent palliatieve zorg wilde ze dat overdragen op beginnende dokters. En ja, een tijdlang dacht ze na haar pensionering te promoveren op ‘het lijden’, al was het maar omdat dokters daar zo weinig aandacht voor hebben – ze repareren wat stuk is, terwijl ze ook moeten troosten.

Nog elke zomer trekt ze met Hans naar Finland. Ook nu. Ze wandelt het laatste stukje naar het zomerhuis. Dan ziet ze Hans, ontredderd. Geschaafde knieën, pijnlijke arm. Hij is naar het dorp gefietst om de NRC te downloaden op de iPad.

‘Man, je weet toch dat je niet meer kan fietsen,’ gooit ze eruit. Hans fietst al tien jaar niet meer, sinds bij hem parkinson werd vastgesteld.

‘Helemaal vergeten,’ mompelt hij bedremmeld.

Als arts weet Kea best dat je met parkinson een groter risico loopt. Ze ziet dat Hans z’n hoofd, zoals een vriend het formuleerde, niet meer weet wat zijn hoofd niet kan. Maar hoevéél haar man nu kwijt is, zal ze zichzelf pas durven toegeven als de neuropsycholoog vraagt hoe de koningin heet, en Hans ‘Juliana’ antwoordt.

Wat krijgen we nou?

‘Betekent dit,’ zegt Hans, ‘dat ik dement ben?’

***

Hans is een uitvinder, creatief, nieuwsgierig. Totdat hij op zijn 52ste werd afgekeurd, na een fietsongeval waarbij hij hersenschade opliep, ontwierp hij satellieten bij ruimtevaartorganisatie ESTEC. Nu schuifelt hij elke dag naar het Klokhuis. In dat tuinhuis, volgestouwd met wat hij overal vandaan bijeen gescharreld heeft, priegelt hij aan heel oude klokken en aan zijn meesterwerk, het uurwerk dat hij zelf bouwde, met twee slingers. Krankzinnig nauwkeurig. Omdat hij niet kan opstaan uit hun lage bed, schroeft Hans een handvat aan de muur. Als de badrand te hoog is, doucht hij in het Klokhuis. Kea kan zijn gestuntel niet langer aanzien en suggereert hun woning te verbouwen. Hans wil er eerst niet aan, het huis is toch goed zo, maar geeft ten slotte toe.

Kea regelt de verbouwing. Een jaar lang schuifelt Hans achter loodgieters en timmerlieden aan, die dingen doen waar hij verstand van heeft. Hij mag meedenken – niet meer dan dat – maar als het werk in de zomer van 2015 gedaan is, de laatste technische uitdaging weg, ontdekt Hans hoe leeg zijn leven is.

‘Als hier iets moet gebeuren, Kea vragen.’

‘Kea,’ zegt hij, ‘ik wil niet meer.’

‘Alsjeblieft niet zeg,’ reageert ze. De verbouwing is nog maar net achter de rug. Ze kan het niet aan. En Hans gaat niet zo snel achteruit dat hij haast moet maken met doodgaan; zijn wil is nog niet aangetast.

Kea hangt briefjes in de meterkast: ‘Als hier iets moet gebeuren, Kea vragen.’


Ze koopt een slimme telefoon, die Hans uit elkaar haalt omdat het ding ‘kapot is’. En maakt zij voor hem een afspraak, dan vraagt hij zes weken lang elke ochtend hoe laat hij bij de tandarts moet zijn.

Hans verliest zijn besef van tijd, zijn zelfvertrouwen, zijn vrijheid. Zelf aan iets beginnen lukt niet meer, Kea wordt zijn ‘startmotor’. Elke ochtend mediteren ze in het Klokhuis. Dan vraagt ze hem wat er écht toe doet. Zijn klokkenvrienden, zegt hij, zeven oudere mannen met wie hij zijn passie deelt, en zijn klokken. Maar wanneer Hans zijn meesterwerk molt, het precisie-uurwerk met twee slingers, anderhalve meter hoog in een glazen kast, tot op de miljoenste seconde nauwkeurig, bekent hij zijn beste vriend dat zijn hersenen een gatenkaas zijn geworden.

Twee dagen voor kerst 2015 verkoopt Hans zijn klassieke, groenmetalen Schaublin, de Rolls Royce onder de draaibanken. Twee uur lang sjorren de kopers aan het apparaat. Twee uur lang huilt Kea.

***

En dan, die januaridag in 2016, bijna drie weken nadat Hans zijn besluit op een a-viertje schreef, is hij iets vergeten. Maar wat? Kea ziet zijn vertwijfeling als hij wil begrijpen wat er nog is als ‘Hans de Zeeuw’ er niet meer is. Ze kan hem amper volgen als hij uitlegt wat er gebeurt als je doodgaat, waar je ziel dan blijft. Ze noteert het in haar dagboek. Hoe je volgens Hans wordt opgenomen ‘in het veld van leven, als onderdeel van het grote, de totale massa’. ‘Tot je aan de beurt bent, dan ga je weer een stukje leven bestuderen.’

Uren zit Kea in de polder, bang dat Hans gek wordt, dat hij – zoals dat bij dementie maar al te vaak gebeurt – de controle kwijt zal raken, zijn besluit zal vergeten. Ze is bang dat hij wilsonbekwaam wordt en niet meer dood kan gaan zoals hij dat zelf graag wilde

Vier dagen voordat Hans zal sterven, raakt hij in een trance. Onbereikbaar murmelt hij over de tijd die stilstaat voor ‘het dode lijk’. Kea is bang dat hij psychotisch wordt. De huisarts stelt haar gerust: dit is de hoogste vorm van concentratie, zegt hij, wacht maar af.

Kea weet dat ze haar man moet helpen, niet als arts maar als partner. Toch aarzelt ze. Ze voelt zich rot. Telkens als ze hem aan zijn wens herinnert, voelt het alsof ze hem vermoordt. Totdat een vriendin uitlegt dat Kea voor Hans is wat een blindengeleidehond is voor een blinde. De hond helpt en beschermt, de blinde heeft de regie.

Dit zal ze niet vergeten.

Dit is wat de dood van Hans haar leert. Een euthanasiearts begint bij dementie niets als de partner niet helpt. Maar dokters durven het daar niet over te hebben. Ze snapt dat wel. Hoe vraag je een vrouw of die haar man langzaam maar nadrukkelijk naar zijn sterven wil duwen? Dat kún je bijna niet vragen. Maar het moet wel.

Drie uur nadat Hans in trance raakte, is hij weer helder: ‘Ik begrijp dat ik geen antwoord zal vinden. Dank je wel.’

Hans heeft nog altijd de controle, maar wat, vraagt Kea zich af, als hij op het allerlaatste moment toch nog wegzakt in zijn dementie?

Ooit vertelde haar vader dat soldaten op het slagveld daar hun laatste kogel voor bewaren. Een barmhartige dood. Zoals in die film, Amour. Een vrouw laat haar man plechtig beloven dat ze niet naar een verpleeghuis hoeft. Hij drukt een kussen op haar hoofd terwijl ze spartelt. Veel mensen vonden dat gruwelijk. Kea vond het gruwelijk én invoelbaar.

Ze zou Hans helpen, ze zou hem desnoods zelf laten sterven. Niet als arts, maar als partner die haar geliefde al 27 jaar kent. Een intieme daad tussen hen beide zou het zijn, met de moed van liefde.

***

Op de laatste avond komen de kinderen. Ze blijven slapen. Kea en Hans eten boerenkool met worst en spekjes. Nadat een verpleegster een infuusnaald is komen zetten voor het geval er de volgende ochtend iets misgaat, ligt ze met Hans op bed stil uit te buiken. Kea dommelt in, totdat ze Hans hoort zeggen: ‘Jij denkt zeker dat ik slaap hè?’

‘Nee.’

‘Want ik slaap nog steeds niet.’

‘Wat bedoel je?’

‘De zuster is toch geweest?’

Och god. Hij denkt dat hij al dood moet zijn.

De volgende ochtend, het is 4 maart 2016. Hans zit op de stoel het dichtst bij het raam, Kea in het midden, de huisarts ernaast en de vijf volwassen kinderen ertegenover.

Ze praten over zeilen. De klok in de woonkamer slaat.

Jezus, denkt Kea, Hans heeft een startmotor nodig. Ze kan toch niet botweg zeggen dat hij nu naar de slaapkamer moet gaan? Ze slaat op z’n been: ‘Zo kapitein, hoe staat het ermee?’

‘Marcel heeft z’n koffie nog niet op.’

Als de huisarts zijn laatste slok neemt, staat Hans op en loopt naar de slaapkamer, naar hun hoge bed op wieltjes. Kea en de huisarts gaan mee.
Ze geven elkaar een kus. Hij drinkt zijn drankje. Zegt nog: ‘Die smaak valt mee.’


Kea roept de kinderen, eentje treuzelt. ‘Kom nou,’ roept een ander, ‘papa slaapt al bijna.’ Hans zucht twee keer diep, en is weg. De dood die na zestien minuten intreedt, voelt voor Kea Fogelberg niet als euthanasie, maar als een natuurlijke dood, die past bij Hans. Mooi, waardig. Maar het is niet vanzelf gegaan, je komt niet zomaar voorbij de dood.

***

Tien maanden na de dood van Hans ondertekent Kea Fogelberg samen met een dertigtal artsen een brief in de Volkskrant. In deze brief stellen de artsen dat er een morele grens is: dood geen weerloze, demente mensen die niet meer begrijpen wat er gebeurt.

Aanleiding voor de brief is het verhaal in de Volkskrant over een man die ooit een wilsverklaring tekende, maar nu wilsonbekwaam was. Zijn arts gaf hem appelmoes met een middel waarvan hij in slaap viel, waarna de euthanasie volgde.

Het euthanasie-debat is te zwartwit

Het had nooit zover mogen komen, vindt Kea Fogelberg. Die man leed, lag schreeuwend en spartelend op de grond in zijn poep.

Het euthanasiedebat is te zwartwit, hebben Kea’s ervaringen als arts en als mens haar geleerd. Het ene grote gelijk tegenover het andere, terwijl de werkelijkheid vol complexe grijstinten zit, zeker als de persoon die dood wil lijdt aan dementie.

Als arts kan zij een diep demente man niet doodspuiten. Maar stervenshulp, iemand bijstaan in die laatste fase, is iets anders. De timing is cruciaal. Die man… als Kea zijn huisarts was geweest, had ze hem eerder geholpen. Ze weet dat het hoogmoedig klinkt, maar ze had een relatie met hem kunnen opbouwen, met geduld, empathie, door zijn cryptische communicatie te gaan verstaan.

Toch lukt het niet zonder de hulp van een naaste. Hoe verschrikkelijk moeilijk het ook is, je moet als arts die partner om hulp durven vragen, vindt ze nu. ‘Door de dood van Hans durf ik dat advies nu te geven.’