Gay Talese en de mooiste zin ever

Gay Talese, bijna 90, geniet de reputatie van ‘beste journalist aller tijden’ en zijn legendarische verhaal over Frank Sinatra geldt als ‘beste verhaal’ dat ooit in Esquire verscheen. Henk Blanken, groot en ongeneerd fan, vond de mooiste zin ooit, al dacht Talese daar anders over,

HHoe in hemelsnaam flikte Gay Talese het? Waar en wanneer schreef hij die overrompelende zin? Onderweg uit Los Angeles? Of pas thuis in New York? En kwamen de 130 woorden pijnloos op papier, het zwoele ritme, dat suggestieve rijm, de hilarische climax?
Hoeveel bloed, zweet en tranen stak Talese in die ene sleutelzin over Frank Sinatra? Wat herinnert de nu 89-jarige schrijver zich er nog van, Talese, zoon van een geëmigreerde Italiaanse kleermaker die in 1953 als loopjongen bij The New York Times begint, na zijn diensttijd terugkeert als sportverslaggever en tien jaar later zowat solo de Amerikaanse journalistiek op de schop neemt… hoe schreef hij die zin, en de 445 andere zinnen voor het verhaal waarmee hij zijn naam vestigde, een legende werd, volgens velen de ‘beste journalist ooit’?
Waar hij die zin vandaan haalde?
Talese reageert hoffelijk als mijn vraag hem via-via bereikt. In 1965 is hij van The Times overgestapt naar Esquire. Dat maandblad bood het jaarsalaris dat hij al had (‘15.000 dollar, toen een respectabel bedrag’), maar Talese wil langere verhalen schrijven en daar meer tijd voor krijgen. ‘En nu hoefde ik maar zes stukken per jaar te maken.’
Een van die verhalen moet over Frank Sinatra gaan. ‘Ik vond het leuk om DiMaggio te doen (Joe, de honkballegende) en ook Ali (Mohammed, de bokser). Maar wat kon ik nog toevoegen aan de honderden en nog eens honderden artikelen die al over Sinatra waren geschreven?’
Met tegenzin vliegt Talese naar Los Angeles. Er is een deal: Esquire garandeert Sinatra een exclusief cover-verhaal dat NBC’s tv-productie Sinatra – een man en zijn muziek moet promoten, terwijl de zanger zelf belooft zich beschikbaar te houden voor een interview.
Talese: ‘Dat interview is er nooit gekomen. Waarom? Ten eerste was Sinatra verkouden. En ten tweede had zijn advocaat vernomen dat CBS-TV van plan was Sinatra’s banden met de maffia te onthullen.’
Sinatra’s advocaat eist vóór publicatie inzage in het stuk zodat hij ‘ongepaste verwijzingen naar de georganiseerde misdaad’ kan schrappen. Talese weigert. Een impasse volgt. Wekenlang wordt Talese uit de buurt van Sinatra gehouden.
De schrijver, die van hanging around zijn modus operandi maakte, blijft in LA en interviewt acteurs die met Sinatra in films speelden, hij spreekt met Sinatra’s kapper, zijn kleermaker en de dame die on tour Sinatra’s haarstukjes draagt.
Talese: ‘Een gesprek met Sinatra was niet langer belangrijk. In feite was het een voordeel… wat kon ik vragen dat niet al honderd keer was gevraagd? En ik zou standaardantwoorden krijgen.’
Terug in New York schrijft hij een profiel van 15.138 woorden.
Hoe?
Talese: ‘Eerst met potlood, vervolgens met een pen op een geel, gelinieerd blocnote, en ten slotte op de typmachine. Opnieuw en opnieuw… tot ik het niet nog beter kon formuleren.’
Frank Sinatra Has a Cold geldt nog steeds als verplichte lectuur voor elke journalist die iets wil begrijpen van storytelling of new journalism. En de mooiste zin in ‘het beste literaire non-fictieverhaal van de twintigste eeuw’ (dixit Vanity Fair) moet toch, zou je zeggen, in de buurt komen van de beste zin ooit…
Talese: ‘Dat verhaal kwam vrij gemakkelijk. De woorden waarnaar je verwijst, vielen me gewoon in. Is het de mooiste zin die ik ooit schreef? Ik betwijfel het.’
En dan zegt Gay Talese, de ene liefhebber tegen de andere: ‘Als je voorbeelden zoekt van beter schrijven: een lange, lange zin waarin ik in een restaurant naar een diner kijk, hoe aan een ander tafeltje een stuk vis gegeten wordt… staat in Knopf’s hardcover editie van A Writer’s Life, p. 71.’

Vis in de krant stinkt niet

Tien columns vergezellen de 101 tips over schrijven die komend jaar in Villamedia en hier verschijnen. Dit is de eerste.

Vis in de krant stinkt niet.
Ook als de tonijnkoppen op een tropisch strand wegrotten en je de ranzige walm van ontbinding zowat kunt aanraken, schrijven journalisten er liefst geen letter over.
Honderd meter verderop zijn ze al vergeten hoe behendig de Caribische vissers, gebogen boven een schilferend tafelblad, hun vangst fileren. Maar de geur van bederf zal nog dagen in de branding van hun herinnering dobberen.
Geur blijft hangen. Meer nog dan smaak. En smaak weer meer dan ‘hoe iets voelt’ (de tactiele ervaring). Geur doet iets geks met je herinnering. Geur roept heftige gevoelens op.
De geur van vers zweet heet lustopwekkend te zijn. De petroleumstank van asfalt dat bakt in de blakende julizon roept bij mij een jaren-zestig-vakantie aan de kust in Zeeland op. Volgens neurologen komt dat – de sterke associaties bij geuren in het algemeen, niet per se mijn Zeeuwse kust) doordat geuren in dezelfde limbische kwab van je hersenen worden vastgelegd als waar je emoties ‘geregeld’ worden en je langetermijngeheugen huist.
Geur doet iets geks met je herinnering
De afgelopen jaren, nadat ik met Wim de Jong het Handboek Verhalende Journalistiek schreef, heb ik journalisten van bijna alle kranten en opinietijdschriften in Nederland uitgelegd wat een ‘verhalend verhaal’ is. In gastcolleges op universiteiten en hogescholen liet ik studenten snuffelen aan ‘narratieve journalistiek’ – wat een spanningsboog kan doen voor de complexe reconstructie van een fraudezaak, waarom je dikwijls beter kunt vasthouden aan een eenmaal gekozen point of view en al je zintuigen moet gebruiken – niet alleen wat je ziet en hoort, maar ook hoe het voelt, smaakt en ruikt.
Honderden journalisten heb ik ernaar gevraagd: ‘Beschrijf je wel eens hoe iets ruikt? Een brand? De mestfraude? Handjeklap in de Tweede Kamer?’
Daar vroeg ik ze wat.
De meesten wisten het niet, eigenlijk.
Ervaren verslaggevers, journalisten met een gekende reputatie als ‘schrijver’ of – god-sta-ze-bij – ‘mooischrijver’, de verslaggevers van lenige zinnen en muzikale metaforen, verzekeren mij ervan dat ze uiteraard al hun zintuigelijke waarnemingen in een verhaal stoppen.
De meesten vergissen zich.
‘In welk verhaal,’ vraag ik terloops, ‘deed je dat voor het laatst?’
Meestal blijft het dan benard stil.
‘Of smaak?’ probeer ik nog ‘Beschrijf je wel eens wat je proeft?’
Ze kunnen zich ook dat niet heugen.

Waarom negeren journalisten zo opzichtig geur en smaak?
In de strenge ethische opvatting over het vak moet journalistiek eerst en vooral controleerbaar zijn. Dat is bij geur en smaak lastig; die deel je niet zo gemakkelijk met anderen (wel de bron, het parfum of potje marmelade, niet de ervaring zelf). Beeld en geluid kunnen we met audiovisuele hulpmiddelen wél overdragen. Daardoor lijken ze betrouwbaarder dan geur- en smaaksensaties.
Maar als we drie van de vijf zintuigen louter vanwege dit ethische dogma negeren, zijn we roomser dan de paus. ‘Wat ging er door je heen?’ vragen we de Olympisch kampioen, en als we zijn antwoord opschrijven kraait er geen haan naar dat het gevoel van triomf oncontroleerbaar is.
Geur lijkt te zijn gemáákt voor verhalen. Geur biedt een sluipweg naar de ziel. Geur werkt zo sterk dat we het wóórd ‘mest’ al kunnen ruiken. Daar hebben we geen dampende koeienvlaai voor nodig.

Hoe je een long read in The Guardian krijgt

Zonder al te hoge verwachtingen stuur je een lang verhaal naar The Guardian, een van de mooiste – want gratis toegankelijke en dus grootste platforms in de wereld. Je long read belandt op of onder het bureau van een Guardian-redacteur, in een woeker van ongevraagde en ongelezen stukken. En dan komt het mailtje. ‘A very powerfull essay… we love to run it’. Henk Blanken over zijn longread.

Het e-mailtje komt binnen op een warme dag in juli 2018 en het voelt feestelijk, het voelt zo grandioos dat je het liever niet opbiecht. Beter nieuws kun je niet krijgen als schrijver en journalist die gelezen wil worden.

Begin 2018 leverde ik de uitgebreide versie van Pistoolvinger in bij mijn uitgever Atlas Contact. Die non-fictieroman verdiende een groter publiek, vond mijn redacteur. Het boek had niet heel slecht verkocht. Drieduizend exemplaren. En nog eens drieduizend van de Duitse vertaling, Da stirbst du nicht dran.

Ook niet heel goed, dus.

Mijn boek had niet heel slecht verkocht… maar ook niet heel goed
Naïef als een rookie dacht ik dat een oversteek naar een groter taalgebied mogelijk moest zijn. Een Engelse editie, bij een uitgever met oog voor egodocumenten als Je gaat er niet dood aan, zoals de nieuwe Pistoolvinger heet. Literaire non-fictie over een leven met parkinson, uitmondend in de vraag of ik wil sterven als ook dementie me te grazen neemt.

De liberale Nederlandse euthanasiepraktijk wordt bijna overal in de wereld verguisd. Britse tabloids denken dat je als oudere in Amsterdam je leven niet zeker bent. Voor een betoog dat juist het tegenovergestelde waar is – je kunt niet netjes dood, ook al wil je dat nog zo graag – moest in Londen of New York belangstelling zijn.

Natuurlijk wist ik wel beter.

Geen uitgever ziet je staan, als auteur van een niet al te breed bejubeld boek. Vier sterren in de Volkskrant. Een essay als voorpublicatie in Die Welt. Veel verder had het boek het niet geschopt.

Meer nog dan de eerste uitgave draait Je gaat er niet dood aan om de dilemma’s rond euthanasie bij dementie. Geen lichte kost, wel een goed verhaal. Als samenleving laten we duizenden ouderen in de kou staan die denken dat de dokter ‘met een spuitje komt’ als ze zo dement zijn dat ze naar het verpleeghuis moeten.

The Guardian is een ongelofelijk profesioneel mediabedrijf. Ook de stem die voorleest is geweldig.

Die dokter komt niet. Artsen maken geen mensen dood die niet meer begrijpen wat er gebeurt. Maar waarom zou je je recht op zelfbeschikking niet kunnen delegeren aan een naaste? Zodat je lief die pil in je pap doet?

Mag het niet van de wet? Dan moet die wet veranderen, schreef ik in een polemisch verhaal, bedoeld voor de Engelse of Amerikaanse lezer. Kortste pitch: De Nederlandse euthanasiewet is niet half zo liberaal als iedereen denkt, duizenden demente patiënten gaan dood zoals ze per se niet wilden.

Liefst in The New Yorker. Waarom niet bovenop de apenrots beginnen?
Ik vroeg rond. Kon ik mijn 6000 woorden ergens slijten? Liefst in The New Yorker – waarom niet bovenop de apenrots beginnen? The Guardian zou ook plezierig zijn, met zijn gratis website internationaal een van de grootste podia.

Toen iedereen me had uitgelegd dat je als onbekende auteur kansloos was bij The New Yorker en The Guardian, bood ik de Nederlandse versie van het stuk aan bij De Groene Amsterdammer. Nog nooit in dat blad gestaan. Als ik het moet inkorten… geen probleem, zei ik nog.

Niets daarvan, zei De Groene. Het opinieweekblad publiceert als laatste in Nederland nog heel lange stukken. En ze vonden het een mooi essay. Geschikt voor de cover zelfs – maar het was dan ook komkommertijd.

Zonder veel fiducie stuurde ik op 20 juni mijn vertaalde essay blind in. Een mail aan Jonathan Shainin, editor van The Guardian Long Read. Zijn mailadres had ik van de website.

Een alles-of-niets pitch van honderd woorden. Subject: ‘what you didn’t know about the Dutch obsession with the right to die

Toen werd het stil.

Een week. Twee weken.

Ik stelde me het bureau van de long-read-redacteur voor. Een woeker van uitgeprinte, nog ongelezen verhalen. Ik lig er niet tussen.

Onder zijn bureau een door muizen aangevreten berg ongeopende poststukken en een meelijwekkende map met ongevraagde pitches. Als hij tijd heeft – hij heeft nooit tijd – zal de redacteur bedankbriefjes schrijven. De voorstellen hoeft hij niet te lezen om te weten dat ze kansloos zijn.

Ik lig ook niet op dát kerkhof van goede bedoelingen en gefnuikte ambities. Want ergens heeft de Guardian-redacteur nog een e-mailmapje voor ‘wereldvreemde idioten’, de soort die al lang uitgestorven had moeten zijn: romantici die eerst een stuk schrijven waarom niemand heeft gevraagd, in een taal die ze amper machtig zijn, over een kwestie waarvan hooguit een handvol lezers wakker liggen.

Ik lig ook niet op dat kerkhof van goede bedoelingen en gefnuikte ambities

De redacteur, stel ik mij voor, heeft een zwak voor zulke dolende zielen. Na drie weken vist hij mijn mailtje uit het mapje. Dat stel ik mij niet voor – hij doet het echt. Op 7 juli bericht hij me dat mijn verhaal a very powerful essay is. ‘We love to run it.’ Op het net en in print.

En by the way, ze hebben voor zover hij weet nog niet eerder een Nederlandse schrijver bij de long reads gehad.

Of ik geduld wil betrachten. Het zal eind juli worden, begin augustus misschien.

Ik kan wachten.

Reken op september, zegt een volgende mail.

Op de tweede woensdag van augustus vraagt hij of het ook nu kan, deze vrijdag. Een gepland verhaal is weggevallen. De redacteur moet mijn stuk dan wel vandaag nog redigeren, met 1500 woorden inkorten tot 4000 woorden, de onduidelijkheden eruit halen. Heb ik eind van de dag tijd het na te lezen?

Uiteraard.

Het wordt het eind van de middag. En het begin van de avond. Kort voor tienen mailt hij de ingekorte versie. Vakwerk. Almost painless. Sorry, zegt de redacteur… a very complex piece… so densely interconnected… a credit to your writing that this proved so challenging… Geen moment mis ik de passages die hij feilloos schrapte.

Nadat ik de edits een tweede keer heb bekeken, sta ik nog steeds versteld van de behendigheid waarmee de Guardian-redacteur te werk is gegaan. Maar er is ook iets mis. Grondig mis.

as de volgende ochtend daagt het. In het stuk zet ik uiteen dat je in Nederland als dementerende patiënt voor de wrede keuze staat te vroeg te sterven – je moet meteen na je diagnose om euthanasie vragen – als je niet te laat dood wil gaan, een schim van wie je was. Op tijd sterven is bijna altijd te moeilijk.

Neem Joop. In zijn wilsverklaring had Joop vastgelegd dat hij wilde sterven als hij niet meer thuis kon wonen, bij Janny. Hij wilde per se niet in een tehuis belanden. Maar toen een arts Joop hielp sterven, vond zijn vrouw het verschrikkelijk, want Joop had best nog twee of drie jaar kunnen leven.

Ineens besef ik dat de Guardian-redacteur het hele stuk verkeerd gelezen heeft.

Als Janny vond dat haar man nog jaren door had kunnen leven, vraagt de redacteur, waarom wachtte de arts dan niet met euthanasie?

Omdat, zeg ik, bijna geen enkele arts in Nederland stervenshulp verleent als een patiënt wilsonbekwaam is.

Maar Joop had toch een wilsverklaring, vraagt de verbouwereerde redacteur.

Die is niet bindend, zeg ik.

Not binding… maar waar dient die wil dan toe? Hij kan het zich niet voorstellen, maar herschrijft de passages die hij eerder niet kon rijmen.

Een week later ontvang ik een heel erg Britse, bruine enveloppe met twee exemplaren van de krant. En een honorarium. Waarom het lukte? Niet dankzij een kruiwagen. Wel omdat ik me twee haar in de kwestie had verdiept en het verhaal toegesneden was op een Brits publiek. Ik wist wat The Guardian eerder schreef over euthanasie. De ultrakorte pitch deugde. Komkommertijd en onnozel geluk zullen ook hebben geholpen.

We doen dit, zegt de redacteur nog in een laatste mail, één keer in het jaar. Of zelfs dat niet. We plaatsen nooit iets dat blind wordt ingestuurd. Nou ja, bijna nooit.