Rik Kuiper: de kunst van het rondhangen bij de strandwacht

Het is corvee in de zomer, die snelle repo bij de strandwacht. Maar wie lang genoeg rondhangt, zoals Rik Kuiper, komt met een verhaal thuis.

Krakend onheil door de portofoon. Een jongen van zes jaar is zoek, klinkt het bij het paviljoen van de Reddingsbrigade in Kijkduin. Robin heet hij. Blond haar, blauwe zwembroek met witte stippen en een groen randje.
Op zoek naar een blauwe zwembroek met witte stippen

Diane van der Burch (46) pakt haar blocnote en noteert het signalement. Zij bemenst hier vandaag de ‘kinderbewaarplaats’, waar ze kinderen opvangt die hun ouders kwijt zijn en ouders die hun kinderen zoeken. Van der Burch stelt ze gerust, terwijl de vrijwilligers van de Reddingsbrigade op zoek gaan.

Dat is regelmatig nodig. Eerder deze maand, tijdens een van de drukste strandweekenden van het jaar, waren er op het Haagse strand veertig tot vijftig vermissingen. Het was een seizoensrecord.

 

Op deze zondag is het minder druk op het strand, maar ook nu raken er kinderen zoek. Omdat ouders niet beseffen hoe lastig het kan zijn om vanuit de branding de eigen parasol terug te vinden. Omdat ze hun kinderen niet zo’n polsbandje met een telefoonnummer omdoen, die gratis te verkrijgen is bij de Reddingsbrigade. En ook, zo waarschuwen ze hier, omdat de ouders niet opletten.

‘Mensen zitten tegenwoordig de hele tijd op hun telefoon’, zegt senior lifeguard Mark Beeloo (35). ‘En ondertussen laten ze de kinderen bij de zee spelen. Onbegrijpelijk vind ik dat.’

‘Ik hoor ook wel dat ouders in slaap zijn gevallen’, zegt Van der Burch.

‘Kinderen moet je nooit alleen laten’, zegt Beeloo. ‘Pas als ze een jaar of zestien zijn, snappen ze de gevaren van de zee.’ En toch helpen de vrijwilligers van de Reddingsbrigade die ouders graag. Ook nu wandelen er twee lifeguards tussen de badgasten door op zoek naar Robin. De collega’s in de auto’s zijn alert. En in de glazen cabine op het dak van het paviljoen tuurt Bart Isendoorn (42) door zijn verrekijker, op zoek naar die blauwe zwembroek met witte stippen.

Dat doet denken aan ‘Waar is Wally’, het prentenboek vol mensenmassa’s waar je de bebrilde held met zijn rood-wit gestreepte shirt moet vinden. Alleen is dit serieuzer.

‘Ik deel het strand in vakjes in’, zegt Isendoorn. ‘Dan kijk ik in zo’n vakje of ik iemand zie die aan de beschrijving voldoet. Zo niet, dan ga ik naar het volgende vakje.’

En ja, zegt hij, het lukt wel eens om vanuit hier een vermist kind op te sporen, al heb je meer kans als je de ouders achterin de pick-uptruck zet en over het strand gaat rijden. ‘Zij herkennen hun kind veel eerder dan wij.’

Dan klinkt er een bericht uit de portofoon. ‘De moeder van Robin komt naar de post’, zegt een collega vanaf het strand. ‘Ze wil even door de verrekijker kijken.’

En inderdaad, daar komt Astrid Tuin (37) uit Den Haag de trap van het paviljoen op, twee jongens van een jaar of tien in haar kielzog. Ze wordt opgevangen door Diane van der Burch, die een paar geruststellende woorden spreekt. Het gebeurt vaker, zegt ze. Iedereen kijkt mee. Ze komen altijd terug.

Tuin tuurt door de verrekijker, die ze al snel overdraagt aan de jongens.

‘Waar is hij nou?’ vraagt een van hen.

‘Nu mag ik’, zegt de ander.

Tuin wijst ondertussen naar de blauwe parasol vlak voor de post van de Reddingsbrigade. Daar zaten ze. Robin ging zich even wassen bij de zee, vertelt ze, want hij zat onder het zand. En toen kwam hij niet meer terug. Ze waren gaan zoeken, haar man en zij. Tevergeefs. De meest verschrikkelijke scenario’s spookten door haar hoofd.

‘Hij zit vast ergens in het zand te spelen’, zegt Van den Burch.

‘Daar zie ik hem wel voor aan’, zegt Tuin.

En dan, rond kwart voor twee, pruttelt de portofoon. ‘Hij is gevonden’, zegt Van der Burch. ‘Twee van onze jongens nemen hem mee deze kant op.’

Even later ziet Tuin haar zoon aankomen, geflankeerd door twee mannen in gele shirts. Ze rent naar hem toe en vliegt hem om de hals. Hij kijkt beteuterd.

‘Hij was zelf op mensen afgestapt om te zeggen dat hij zijn ouders kwijt was’, zegt een van de lifeguards.

‘Je krijgt nu wel een polsbandje’, zegt Van der Burch. ‘Daar kun je het telefoonnummer van je moeder op schrijven. Dan gebeurt het niet nog een keer.’

En dan dient het volgende probleem zich aan.

‘Waar is papa eigenlijk?’ vraagt de broer van Robin.

Een aquarelletje van A. Hitler

Nee, geld wilde de eigenares er niet voor, ze wilde van dat beladen kunstwerkje af en daarom bood ze het aan het Niod aan. Het instituut wilde het graag hebben. Alleen restte de vraag: was het echt? In de Volkskrant reconstrueerde Rik Kuiper de zoektocht. Voor de Garage ondervroeg NRC-verslaggever Freek Schravesande hem over het verhaal.

Gespannen is Gertjan Dikken eigenlijk nooit als hij mensen ontvangt die een schenking willen doen. Maar op deze dag in maart, nu hij de vrouw met die plastic tas naar boven begeleidde, was dat anders.

Hij voerde haar de statige kamer van de directeur binnen, waar Dikken wel vaker spreekt met mensen die documenten uit de Tweede Wereldoorlog willen overdragen aan het NIOD, het instituut voor oorlogs-, holocaust- en genocidestudies. Daar namen ze plaats aan de ovalen tafel.

De vrouw haalde een pakket uit de plastic tas. Ze verwijderde het krantenpapier en legde een fletse aquarel voor zich neer in een donkerbruine lijst. Repen plakband hielden het hout bij elkaar.

Vanwege die lijst had haar vader dit kunstwerk gekocht, vertelde ze, tientallen jaren geleden, op een postzegel- en muntenmarkt in de buurt van Utrecht. Hij had er 75 cent voor neergelegd en kwam er thuis pas achter wat hij aangeschaft had. Daarna legde hij het ding in de kelder, om er nooit meer naar om te kijken.

De vrouw had het werk al aan twee veilinghuizen aangeboden, maar die waren niet bereid het te verkopen – vermoedelijk omdat ze bang waren hun naam te grabbel te gooien. Daarom was ze nu hier.

Ook een Hitler aan de muur?

Ook een Hitler aan de muur? Regelmatig komen er werken van de Führer beschikbaar. Zo verkocht veilinghuis Weilder in Neurenberg in 2015 bijvoorbeeld veertien schilderijen en aquarellen van Hitler voor een totaalbedrag van 400 duizend euro. Het duurste werk, een afbeelding van Slot Neuschwanstein, ging voor een ton naar een Chinese koper.
Eerder verkocht hetzelfde veilinghuis een aquarel waarop het oude raadhuis van München te zien was voor 130 duizend euro – naar verluidt aan een koper uit het Midden-Oosten. Ook op internet zijn werken van de Führer te vinden. Wie zoekt op de website invaluable.com vindt bijvoorbeeld een aquarel van een straatbeeld in Leopoldstadt, aangeboden door een veilinghuis in Berlijn. Bieden kan vanaf 20 duizend euro.
Er is ook kritiek op de handel in Hitlers. Want is het wel oké om geld te verdienen aan kunstwerken gemaakt door een man die miljoenen mensen heeft laten vermoorden? Veilinghuis Weilder spreekt zich niet over de kwestie uit. Wie daar verhaal komt halen, wordt vriendelijk doorverwezen naar de verkopers van de werken.

Dikken vroeg of ze wel wist dat er de afgelopen jaren op veilingen in het buitenland tienduizenden euro’s voor vergelijkbare kunstwerken was betaald.

Ja, dat wist ze, maar het maakte haar niet uit. Ze hoefde er geen geld voor, ze wilde ervan af.

Dikken bekeek het kunstwerk, een eenvoudig aquarelletje achter gebroken glas. In het midden zag hij een toren met een poort: de Neuthor, zoals het onderschrift vermeldde. Er liep een klinkerstraatje naartoe, waar hoekige schaduwen op vielen.

Nee, een meesterwerk was het niet, dat zag Dikken wel. Dit was een vrij saai stadsgezicht waar weinig leven in zat.

En toch kreeg hij kippenvel.

Want dit was niet zomaar een schenking, dit was de schenking van het jaar! Als het schilderij tenminste gemaakt was door de man die – helaas, mogen we nu wel concluderen – twee keer werd afgewezen bij de kunstacademie in Wenen, de man die zich vervolgens ontpopte als een hardvochtige dictator, de man wiens naam in zeven kleine blokletters rechtsonder in de hoek stond: A. Hitler.

* * *

Een paar weken eerder, op 13 februari 2017, ontving Gertjan Dikken een e-mail waarin deze vrouw liet weten dat ze niet goed wist wat ze met dit ‘beladen’ kunstwerk moest.

‘Nu mijn ouders zijn overleden, zit ik ermee’, schreef ze. ‘Denkt u dat een museum belangstelling voor dit object zou kunnen hebben? Ik zou het in bruikleen willen geven of willen schenken.’

Wow.

Dikken was er even stil van. In de acht jaar die hij nu de acquisitie deed bij het NIOD was er nog nooit iets aangeboden dat… nou ja… van de Führer zelf was geweest, door hem was vervaardigd, misschien zelfs zijn dna zou bevatten.

Hij besefte dat ze snel moesten reageren. Misschien had de vrouw deze mail ook aan andere instellingen gestuurd – aan het Rijksmuseum bijvoorbeeld. Daar zouden ze eveneens interesse hebben.

Andere dictators/kunstenaars

Het ene moment een beestachtige dictator, het volgende moment een gevoelige kunstenaar. Het lijkt een zeldzame combinatie en toch was Adolf Hitler niet de enige. Ook de Spaanse alleenheerser Francesco Franco bleek bijvoorbeeld graag te schilderen – volgens zijn kleinzoon op advies van een lijfarts, die dacht dat El Caudillo op die manier de stress van het regeren zou kunnen verdrijven.
Andere dictators, onder wie Mao en Stalin, schreven poëzie – en volgens sommigen niet eens onverdienstelijk. Saddam Hussein publiceerde een aantal romans, te beginnen met Zabiba en de koning. In Irak werd het boek een bestseller, waarna ook nog een musical volgde.
Daniel Kalder, die in the Guardian een serie schreef over dictatorliteratuur, vermoedt dat Saddam het boek echt zelf schreef: ‘Het is zo slecht opgebouwd en zo saai dat het geurt naar dictatoriale authenticiteit.’ Wat Kalder na afloop bijbleef, was – naast het feit dat de man van Zabiba zo vaak ‘asshole’ werd genoemd in de Engelse vertaling – vooral een passage over bestialiteit:

Even an animal respects a man’s desire, if it wants to copulate with him. Doesn’t a female bear try to please a herdsman when she drags him into the mountains as it happens in the North of Iraq? She drags him into her den, so that he, obeying her desire, would copulate with her?

Ook de Libische leider Muammar Khadaffi kreeg er in the Guardian van langs. Zijn schrijfsels – onder meer een bundel met de titel ‘Escape to hell’ – omschreef Kalder als ‘surrealistisch getier en bizarre bewustzijnsstromen waar overduidelijk geen redacteur aan te pas is gekomen’.
Dat de kunstwerken van dictators bewaard zijn gebleven, heeft in de meeste gevallen dan ook weinig te maken met de kwaliteit, maar alles met de maker. Critici bestempelen de werkjes – als de maker gelukt heeft – hooguit als middelmatig.

Maar hij wist ook dat hij dit niet in zijn eentje kon beslissen. Zo’n prentje van Hitler had toch een ander karakter dan de meeste andere spullen in de collectie, die toch voornamelijk bestaat uit brieven, dagboeken, fotoboeken en ander archiefmateriaal dat de gruwelijkheden van de Tweede Wereldoorlog illustreert. Paste zo’n aquarelletje daar wel bij?

Dikken was naar de directeur collecties gelopen en later ook naar Frank van Vree, de directeur van het instituut. Vrij snel waren ze het eens. Het NIOD kon zo’n aquarel – voor zover ze wisten het enige werk van Hitler in Nederland – er prima bij hebben.

Onder het gebouw aan de Herengracht zit immers een flinke archiefkelder waar de temperatuur en de luchtvochtigheid op orde zijn. Daar liggen wel meer schilderijen, aquarellen en tekeningen, waarop vooral werkkampen en gevangenissen prijken. Zoiets als dit, dadererfgoed zeg maar, zou een mooie aanvulling zijn. Het ging ze niet om het kunstwerk, het draaide om de maker.

En dan speelde er nog iets mee. Als zij dit kunstwerk zouden accepteren, dan was het niet meer beschikbaar op de markt. Dan zou het in ieder geval niet als trofee aan de muur van een neo-nazi terechtkomen. Om diezelfde reden neemt Dikken soms exemplaren van Mein Kampf aan – of andere werken die hij ‘bruine literatuur’ noemt.

‘Bent u in de gelegenheid de aquarel een keer te komen overhandigen?’ typte hij dus. ‘Dan maak ik graag een afspraak met u.’

* * *

Twee zegels op de achterkant van de lijst – daarmee begon het detectivewerk bij het NIOD. Want het bezit van zo’n beladen kunstwerk schepte ook een verplichting : ze moesten achterhalen of het wel echt van de hand van de Führer was. Er zijn immers veel vervalsingen in omloop.

De eerste zegel was een blauwe ovaal waar in witte letters een naam in stond: S. Morgenstern. Daaronder stond dat hij lijstenmaker was aan de ‘Liechtensteinstr. 4’ te Wenen. Een telefoonnummer vermeldde het zegel ook: 15066.

Ik ben zelf een ongeduldige lezer, gauw afgeleid, snel verveeld. Daarom wil ik dat mijn verhalen continu in beweging zijn

Dikken zocht op internet en leerde al snel dat een straatarme Hitler tussen 1908 en 1913 in Wenen had gewoond, waar hij zijn geld verdiende door ansichtkaarten na te schilderen. De jonge Adolf – hij was toen een jaar of twintig – verkocht zijn werk onder meer aan de joodse lijstenmaker Samuel Morgenstern, die de schilderingen in zijn winkel doorverkocht.

Dit zegel, concludeerde Dikken, duidt niet op een vervalsing.

En wat hij ook las was dit. Een kwart eeuw later, toen Oostenrijk zich in 1938 aansloot bij het Derde Rijk van Adolf Hitler, moest Samuel Morgenstern zijn winkel verplicht aan een Ariër overdragen. Tijdens de oorlog deporteerden de nazi’s hem naar Polen, waar hij in 1943 stierf in een getto in Lodz.

De tweede zegel was wit, vierkant en rafelig. Er prijkte een stempel op. ‘Exekutionsgericht Wien’ stond in dikke kapitalen rondom een adelaar met een kroontje. Het aquarel was blijkbaar ooit in beslag genomen door justitie. Zou dat gebeurd zijn toen de winkel van Morgenstern in 1938 werd ‘geariseerd’?

Directeur Frank van Vree, die ook reuze benieuwd was naar de authenticiteit van het werk, stuurde een foto van de zegel naar twee Oostenrijkse rechtshistorici. Al snel kwam er antwoord. Dat stempel was in gebruik tussen 1919 en 1934, schreven ze. En dus moest deze aquarel ergens in die periode in beslag genomen zijn.

Dat was ook een goed teken. Veel valse Hitlers stamden van na 1935, wisten ze. Niets wees erop dat de aquarel niet echt zou zijn.

* * *

Gertjan Dikken bladerde door het boek dat hij uit de bibliotheek van het NIOD had laten komen: ‘Adolf Hitler als Mahler und Zeichner’. Het was samengesteld door de Texaanse multimiljonair Billy F. Price, die uitgebreid onderzoek had laten doen naar Hitlers kunstwerken. Deze catalogus uit 1983 bevatte meer dan achthonderd olieverfschilderijen, aquarellen, tekeningen en architectuurschetsen – allemaal vervaardigd door de Führer, de meeste momenteel in bezit van privéverzamelaars.

Dat aquarelletje van de Neuthor in Wenen, dacht Dikken, zou er ook wel instaan.

Het was juni, het onderzoek naar dit kunstwerk was in een stroomversnelling gekomen. Dikken wilde erover spreken op een internationale bijeenkomst in Washington. Hij moest nu snel een voorstel schrijven. En dus las hij alles wat hij tegenkwam over de Weense jaren van Hitler, over zijn weinig succesvolle schilderscarrière en over de werken die bewaard zijn gebleven.

Kijk, daar op pagina 15 van het boek van Price kwam hij het zegel van Morgenstern al tegen, precies zoals dat ook op ‘hun’ aquarel zat.

Een pagina verder: veertig fotootjes van de verschillende manieren waarop Hitler zijn werk signeerde. In hoofdletters. In zwierig schoonschrift. En daar, midden op de pagina, zijn naam in letters die leken op de letters op de aquarel hier.

Dikken bladerde verder, langs een weidelandschap met een vijver en berken uit 1909, een landschap met een boerderij uit 1907, twee berglandschappen met een hert uit 1908. Sprookjeslandschappen waren het, vervaardigd door de man die zoveel ellende had aangericht.

Veroorloof je jezelf in zulke gevallen vrijheid? En waar ligt in dat geval voor jou de grens?

Maar geen Neuthor.

Verderop: bloemstukken. Daarna klein en in zwartwit: gebouwen.

En nog altijd: geen Neuthor.

Volgende pagina. Verder. Volgende pagina. En toen, jawel, daar zag Dikken dezelfde toren. ‘Alt Wien Neuthor’ stond eronder. Gemaakt tussen 1910 en 1912. Aquarel. Andere stijl, zelfde schaduwen.

Hij kwam nu in de buurt. Maar hoe goed hij ook zocht, een andere prent van deze toren kon hij niet vinden in dit boek van Price, dat gold als de meest uitgebreide catalogus van het werk van Hitler. Als de aquarel in de kluis van het NIOD dus echt door de Führer gemaakt was, dan was het nog onbekend.

* * *

Daar fietste Gertjan Dikken dan, dwars door Amsterdam met een Hitler in de koerierstas op zijn rug. Brug op, brug af, zo naar het Ateliergebouw van de afdeling conservering en restauratie van de Universiteit van Amsterdam.

Dikken was best een beetje zenuwachtig. Papierrestaurator Bas van Velzen had hem uitgenodigd om de aquarel aan een groep studenten voor te leggen en Dikken verwachtte dus een collegezaal met minstens vijftig man aan te treffen. Maar dat viel mee: het bleek een specialistische werkgroep te zijn met vier studenten, die zich na een korte introductie over het kunstwerk bogen.

Ze legden het onder een UV-lamp, en concludeerden dat het papier geen optische witmakers bevatte. Was dat wel het geval geweest, dan moest het papier van na 1942 zijn. Ze zoomden met een microscoop zo ver in op de handtekening dat ze konden zien dat die met een penseel was gezet. Ze plukten een snipper karton van de achterzijde en zagen onder de microscoop korte vezels van katoen en hennep, wat wijst op ouderdom.

Wat vinden jullie er nu van, vroeg Dikken nog aan de studenten, dat jullie hier voor een kunstwerk van Adolf Hitler staan?

Twee van hen zeiden er niets bij te voelen, de twee anderen waren er wel van onder de indruk. Dit papier was aangeraakt door de man die de Jodenvervolging op zijn geweten had. Een gruwelijke dictator had deze gevels geschetst, de dakpannen gelegd, de klinkers gekleurd. Ja, als je daarover nadacht, dan kwam de geschiedenis heel dichtbij.

Na afloop van het college stapte Dikken op de fiets, het kunstwerk weer op zijn rug. Hij was deze middag weer een stuk wijzer geworden. Zowel Bas van Velzen als het hoofd van de afdeling papierrestauratie van het Rijksmuseum – die even kwam binnenvallen – zagen geen reden om te twijfelen aan de authenticiteit van het werk, al moest je altijd een slag om de arm houden. Ze konden nog meer doen, ze konden nog een monster nemen van de verf, om het pigment te dateren. Dat zou nog meer zekerheid geven.

Maar nu niet. Nu moest Dikken doortrappen, opschieten, bruggetje op, bruggetje af, dwars door Amsterdam. Het liep immers tegen half zes. Nog even en het gebouw van het NIOD zou sluiten. En om Hitler nou mee naar huis te nemen? Nee, dat vond hij toch niet zo’n prettig idee.

Deze reconstructie kwam tot stand na gesprekken met Gertjan Dikken, Frank van Vree en Bas van Velzen. De vrouw die de aquarel aan het NIOD schonk wil anoniem blijven.

 

 

Relaas van een net-niet slachtoffer

Iris Koppe was in 2005 getuige van de terroristische aanslagen in Londen. Nog altijd heeft ze daar last van, al is ze huiverig dat toe te geven. Haar Volkskrant-collega Rik Kuiper schreef haar relaas op, en vertelt hier over de keuzes bij het schrijven.

De knal was hard, harder dan de hardste knal die je ooit gehoord had. Je was je net aan het aankleden en toen, exact om 9.47 uur ’s ochtends, BOEMMMMM!

Het raam trilde in de sponningen, boeken vielen van je bureau en je dook instinctief in elkaar om je te beschermen tegen alles wat nog komen zou.

Maar er kwam niets meer.

Verderop kringelde een pluim rook omhoog

Wel begon in het gebouw een alarm te loeien. Je keek vanaf de twaalfde verdieping van je studentenflat naar buiten, over de daken en boomtoppen van Londen, waar je die zomer een taalcursus volgde. Verderop kringelde een pluim rook omhoog.

Je had hier al weg kunnen zijn. Om tien uur zou je bij metrostation Russell Square koffie drinken met Ahmed, een Britse jongen die je kort daarvoor bij de taalschool ontmoet had. Maar toen je wakker werd, was je nog wat gammel. Je stuurde de jongen een sms om de afspraak een uur uit te stellen. Dat was prima, antwoordde hij.

En nu renden er dus mensen over de gang. Ze klopten op deuren, ook bij jou, ook jij moest vertrekken. Je griste je rode Nokia 3310 mee en verliet de kamer, op weg naar beneden. Niet met de lift. Natuurlijk niet. Met de trap. Je denderde naar beneden, twaalf verdiepingen lang, met alle vragen die op dat moment door je hoofd spookten.

Was het een explosie geweest?

Zou er nog iets volgen?

In dit gebouw?

 

* * *

Twaalf jaar na de aanslagen van 7 juli 2005. Geregeld ontploffen er bommen in Europese metropolen, steeds vaker rijden mannen met busjes door voetgangersgebieden, in de hoop zo veel mogelijk slachtoffers te maken. Sommige aanslagen halen niet eens meer de voorpagina.

Pullquote sample text
Je bent 32 jaar, je hebt twee romans geschreven en twee biografieën van voetballers[/mks_pullquote]

Iemand bij de Volkskrant, waar je werkt als verslaggever, vraagt of je een stuk kan schrijven over je ervaringen in Londen en de invloed van de gebeurtenissen op de rest van je leven.

Je bent 32 jaar, je hebt inmiddels twee romans geschreven en twee biografieën van voetballers. Jarenlang schreef je columns over je eigen leven. Als je een artikel voor de krant moet typen, gaat dat je gemakkelijk af.

Maar dit keer wil het niet vlotten.

Ja, je belt een stuk of zeven mensen. Iemand van Slachtofferhulp. Een terrorisme-deskundige. Een vrouw die ooit een bus nam vóór de bus die ontplofte.

Dat doe je om maar niet over je eigen verhaal na te hoeven denken. Want zodra je dat doet, als je achter de computer kruipt om te noteren wat jij in Londen meemaakte, dan blokkeer je, dan komt er niets, of het nu ochtend of avond is, of je nu thuis zit of op de redactie.

Helemaal niets, zeker vier maanden lang.

Want god, wat is dit ongemakkelijk.

En uiteindelijk donder je de aantekeningen van die zeven gesprekken dus maar in de papierbak. Hop, weg ermee – in de hoop dat niemand ooit nog naar dat verhaal zal vragen.

Want god, wat is dit ongemakkelijk. Natuurlijk heb je nog last van die aanslag en de onzekerheid die erop volgde. Maar tegelijkertijd voel je je een aansteller. Je zat zelf niet in een metrowagon die ontplofte, niet in een bus waar het dak vanaf vloog, je verloor vrienden noch ledematen.

Ben je dan een slachtoffer van terrorisme?

Nee dus.

* * *

 

Na al die trappen arriveerde je in de hal van Hughes Parry Hall – onder studenten bekend als Huge Party Hall. De ruimte stond vol mensen, die blijkbaar niet naar buiten mochten. Sommige waren rustig, anderen huilden, een enkeling schreeuwde.

Je woonde hier pas een paar dagen, je kende niemand, niemand kende jou. Je probeerde je ouders in Nederland te bellen, maar dat ging niet. Nog een poging. En nog een. Tevergeefs, het netwerk lag eruit.

De geluiden van sirenes drongen het gebouw binnen. Niemand wist wat er aan de hand was, maar dat weerhield hen er niet van om te speculeren. Iemand zei: misschien houdt een crimineel zich schuil in ons gebouw. Een ander: straks wordt het pand opgeblazen. De conciërge vertelde mensen dat er straks misschien een ontruiming zou volgen.

Na ongeveer een halfuur gingen de deuren dan toch open. Je besloot naar buiten te gaan, ook al adviseerden anderen je om in het pand te blijven. Je wilde weg hier, weg van het gebouw waar je zojuist die knal gehoord had, weg van de dreiging die hier nog altijd hing.

Het woord ‘aanslag’ zoemde door de straten van St Pancras.

Op straat krioelden mensen door elkaar. Nog steeds die kakafonie van sirenes. Je liep door Marchmont Street, langs de winkeltjes en pubs in de richting van het metrostation waar je Ahmed zou ontmoeten. Zijstraten waren afgezet. Behalve de hulpdiensten was er geen verkeer. Het woord ‘aanslag’ zoemde door de straten van St Pancras.

Kijk, daar doemde de bordeauxrode gevel van het station al op. Was daar iets aan de hand? Ambulances en brandweerauto’s stonden kriskras voor de deur geparkeerd.

Je kwam dichterbij, zag mensen met bebloede gezichten, omstanders die probeerden iemand te reanimeren. Uit het station kwamen mannen met brancards. Er lagen lichamen op.

Nog steeds kon je niet bellen.

 

* * *

 

Heb je nu, twaalf jaar later, nog dagelijks last van de gebeurtenissen in Londen? Als iemand je dat vraagt, pauzeer je even. Daarna zal je antwoorden dat je het liever niet toegeeft, maar eh… ja dus. En dat het heftiger wordt als er net ergens een aanslag is geweest.

Daarna komen de voorbeelden. Je gaat liever niet naar concerten, festivals en risicowedstrijden in het voetbal. Op terrasjes aan de straat zit je liever niet. In bioscopen kijk je altijd even waar de nooduitgang is. En als je naar het Prinsengrachtconcert in Amsterdam gaat, wandel je een paar uur voor aanvang al even langs de gracht om een plekje te zoeken waar je je snel uit de voeten kan maken.

Sinds die dag in Londen reis je nooit meer onbevreesd met het openbaar vervoer. Meestal kies je de fiets of de auto. Dan stapt er tenminste nooit iemand in met een verdachte koffer. En neem je toch een keer de trein, dan probeer je buiten de spits te reizen. Want welke terrorist plant nou een aanslag om tien over elf ’s ochtends?

Een aanslag op een boemeltje leek jou onwaarschijnlijk.

Toen je voor je opleiding journalistiek heen en weer reisde tussen Amsterdam en Rotterdam, koos je niet voor de snelle Intercity Direct, maar de sprinter via Woerden, Gouda Goverwelle en Capelle Schollevaar. Een aanslag op een boemeltje leek jou onwaarschijnlijk.

Laatst ging je naar Zundert, om een verhaal voor de krant te maken over de beveiliging van het jaarlijkse bloemencorso. Ze zouden daar betonblokken neerleggen, had je gehoord, om een aanslag met een vrachtwagen te voorkomen. Daar kon je wel om glimlachen, want na Brussel, Parijs en Nice leek Zundert niet direct een doelwit. Maar toen je daar was, ging je toch mooi achter zo’n blok staan.

En o ja, je vroeg een vriend om jou de eerste regels van de koran te leren. Misschien komen die nog eens van pas, dacht je, zodra ze je ontvoeren.

Maar maakt dat alles jou een slachtoffer van terrorisme?

Net niet, vind je zelf.

* * *

Daar stond je dan, tussen al die andere verbijsterde mensen, vlak voor een metrostation waar zojuist een aanslag was gepleegd. Je pakte je telefoon, probeerde te bellen, stuurde sms’jes. Tevergeefs.

Je werd onrustig. Waarom kon je verdomme niet bellen? Waar moest je heen? En waar was Ahmed, die die ochtend met de metro naar dit station zou komen om koffie met je te drinken?

Nog een poging. Ze zouden wel ongerust zijn in Nederland, dacht je. Je ouders kenden je adres en zouden inmiddels ook wel over een aanslag gehoord hebben. Geen bereik.

Een oudere vrouw zag dat je het moeilijk had en haalde koffie en cake.

Nog steeds geen netwerk, nog altijd sirenes.

Je moest weg hier, weg uit de hectiek, weg van deze verwarrende plek. Maar waar kon je heen? Je besloot in de richting van Hughes Parry Hall te wandelen, waar je eigenlijk ook niet wilde zijn.

En toen zag je die bus.

Hij stond op de hoek van Tavistock Square en Upper Woburn Place. De bovenverdieping lag eraf. Flarden rood metaal staken alle kanten op. Op straat zag je bloedspetters en dingen die ledematen konden zijn.

Wat was hier aan de hand? Eerst de knal in je flat, vervolgens de lichamen bij het station en nu dit. Kwam er nog meer? Zou de hele stad worden opgeblazen?

Toen barstte je in huilen uit.

* * *

Voorjaar 2017, je zit in de trein naast je vriend. Jullie gaan naar Eindhoven. Vandaag mogen mensen vrij reizen met het Boekenweekgeschenk, dus het is druk, drukker dan je lief is.

Op station Amsterdam Amstel gaan de deuren open, meer reizigers stromen binnen. Daar stapt ook een vrouw met een hoofddoek in, een norse blik op haar donkere gelaat. Ze laat haar kinderwagen op het balkon staan en loopt zelf de coupé in. Omdat er geen zitplaatsen vrij zijn, blijft ze in het gangpad staan.

Dat is toch raar, zeg je tegen je vriend. Die vrouw laat die kinderwagen daar staan.

Het was hem nog niet opgevallen.

Dit klopt niet, fluister je als je terugkomt bij je vriend.

Je kijkt naar buiten, waar weilanden voorbij glijden. Je begint te zweten, voelt je hart bonken. En dan sta je op. Je loopt door het gangpad naar het toilet, zodat je een blik in de kinderwagen kan werpen. Als je dichterbij komt, zie je dat een deken over de wagen hangen. Er ligt geen kind onder.

Dit klopt niet, fluister je als je terugkomt bij je vriend.

Het kunnen spullen zijn, zegt hij.

Je kijkt naar de vrouw, naar haar bozige blik. Je wil vragen wat er in de kinderwagen zit. Je wil in de kinderwagen kijken. Maar dat kan niet, dat weet je ook wel.

Het liefst zou ik aan de noodrem trekken, zeg je.

Als je wil, stappen we in Utrecht uit, zegt je vriend.

En dat doen jullie.

* * *

Vanaf de ontplofte bus liep je naar een vestiging van Starbucks. Wat moest je anders? Je kon het gebied nog steeds niet verlaten omdat uitvalswegen waren afgezet en terug naar je appartement wilde je ook niet. Dan maar koffie.

Binnen was het bomvol met mensen die ook niet konden bellen, die ook het gebied niet uit konden en die ook niet wisten wat er allemaal aan de hand was. Je bestelde koffie en raakte aan de praat met een oudere vrouw.

De Noord-Ierse afscheidingsbeweging IRA kon erachter zitten, zei ze. Of anders misschien Bin Laden.

Je kon nog steeds niet bellen.

Vanuit de Starbucks vertrok je naar een internetcafé verderop. Ook daar was het druk. Je moest in de rij staan voordat je in een van de telefooncellen terecht kon. Daar draaide je het nummer van je moeder, die moest huilen. En je belde je vader, die opgelucht klonk.

Kom naar huis, zeiden ze allebei.

Later die dag zou je ook die meer dan tien voicemails afluisteren die familie en vrienden gedurende de dag hadden ingesproken, waarbij de stemmen steeds zwaarder en wanhopiger waren gaan klinken.

Lieverd, we hoorden van de aanslagen in de buurt van jouw appartement. Wil je alsjeblieft even bellen?

* * *Je moet niet bang zijn, zeggen mensen als je een terroristische aanslag hebt meegemaakt. Je moet doen wat je altijd deed, je moet je leven er niet door laten beïnvloeden. Keep calm and carry on, zoals de Britten al sinds de Tweede Wereldoorlog zeggen.

Je moet blijven genieten. Ook dat zeggen mensen als je een aanslag hebt meegemaakt. Je moet blijven genieten, anders hebben de terroristen gewonnen.

Jij gaf ze gelijk. Je zou dapper zijn, nam je je voor. Je zou genieten. Of nou ja, dat zou je proberen. Maar man, dat bleek dus lastig.

En wat mensen nog meer zeggen? Ze zeggen dat de kans zo klein is dat je een aanslag meemaakt. Verwaarloosbaar klein. Dus je hoeft niet te vrezen dat je nog een keer zoiets meemaakt.

Natuurlijk weet je dat wel. Maar vaak denk je ook: als de kans zo klein is, waarom was ik er die ene keer dan bij?

Maar maakt dat jou een slachtoffer van terrorisme?

Wat niet helpt, is dat een 21-jarige vriend van je een paar jaar geleden overleed na een aanrijding. Kleine kans, zou je zeggen. Maar het gebeurde dus wel. En dan kende je ook nog iemand aan boord van MH17. Tel dat op, en iedereen zou moeten snappen dat jij je niet laat troosten met statistiek.

Maar maakt dat jou een slachtoffer van terrorisme?

Ja, denk je soms. Misschien moet je toch eens met iemand gaan praten. Misschien hebben de terroristen toch een beetje gewonnen.

* * *

In het internetcafé probeerde je contact te krijgen met Ahmed, van wie je steeds maar niets hoorde. En ondertussen struinde je langs de belangrijkste nieuwssites, waar je je volzoog met alle details van de vier zelfmoordaanslagen die die dag in Londen hadden plaatsgevonden en waarbij – zo zou later blijken – meer dan vijftig mensen waren overleden en meer dan zevenhonderd gewond waren geraakt.

Ahmed hoorde daar niet bij, ontdekte je toen het mobiele netwerk het weer deed en hij je een bericht stuurde. Hij had wel in de metro gezeten waar de bom was ontploft, maar niet in de getroffen wagon. Rennend door de tunnelbuis had hij zich in veiligheid weten te brengen.

Die avond liet je een bericht achter op de website van de NOS, waarin je je ervaringen van die dag beschreef.

‘Het is avond maar alles is nog steeds afgezet’, tikte je, ‘en hoewel de sirenes niet meer aan de lopende band loeien, lopen er nog veel mensen rond die iemand zoeken. Vreselijk. Ik kan rondlopen in een straal van driehonderd meter, en verder is alles onmogelijk.’

En daarna: ‘Ik heb het idee dat ik de dood in de ogen heb gekeken. Als ik een uur eerder op Russel Square zou zijn geweest dan had ik deze mail niet kunnen typen.’
Kort daarna keerde je terug naar je appartement, waar de boeken nog op de grond lagen. Je sliep die nacht slecht.

Dit verhaal kwam tot stand na gesprekken met Iris Koppe en een ooggetuigenverslag dat ze direct na de aanslag schreef.

Alles voor een goed verhaal? Toch maar niet

Mag een journalist personages samenvoegen, omdat het verhaal dan lekkerder loopt? Natuurlijk niet, betoogt Rik Kuiper. Waarom zou de waarheid in goede handen zijn bij iemand die bestaande mensen omsmelt tot een fictieve hoofdpersoon? Waarom zou je een journalist verdedigen die de boel besodemietert?

Mag een journalist personages samenvoegen, omdat het verhaal dan lekkerder loopt? Natuurlijk niet, betoogt Rik Kuiper.

er waren vogels gestolen in vogelpark Avifauna, Carolina Lo Galbo besloot er dit voorjaar een verhaal voor de Volkskrant over te schrijven en ik mocht haar begeleiden. Aanvankelijk liep het uitstekend. Carolina sprak de belangrijkste betrokkenen en had binnen de kortste keren een geschikte hoofdpersoon gevonden: Simon, de verzorger die elke ochtend liefdevol groente en fruit stond te snijden voor de vogels.

Mooi personage, vond ik dat. Hij voelde iets voor die dieren, hij was er kapot van dat die vogels verdwenen waren en hij deed zijn best om ze terug te vinden. Carolina had goud in handen.

Ze schreef het verhaal en liet dit nalezen aan de betrokkenen. Prima, zeiden ze bij Avifauna, al was er iets wat Carolina niet goed begrepen had. Simon bleek namelijk toch niet de verzorger die in het spannendste deel van het verhaal een van de gestolen vogels terugvond. Dat was een collega geweest. Simon was op dat moment druk met iets anders.

Wat moet je nou met een hoofdpersoon die het op een cruciaal moment laat afweten

 

Carolina baalde – en geef haar eens ongelijk. Wat moet je nou met een hoofdpersoon die het op een cruciaal moment laat afweten, terwijl je je hele verhaal om zijn ervaringen heen hebt geboetseerd?

Sommige schrijvers hadden het wel geweten. Simon had daar net zo goed wel aanwezig kunnen zijn, zouden zij zeggen. Dus ach, dan voeg je die twee verzorgers toch samen tot één personage? Doe of Simon daar was. Niemand die het merkt, behalve de betrokkenen. En het verhaal fleurt ervan op, want je hoeft de lezer niet lastig te vallen met nóg een personage.

BALANCEREN
‘Wat ik in mijn werk soms doe is personages, die dezelfde mening weergeven, samenvoegen tot één’, zei Lieve Joris, schrijfster van talloze non-fictieboeken, in 1992 tegen NRC Handelsblad. ‘Als schrijver balanceer je altijd een beetje tussen fictie en non-fictie.’

Ook Joris Luyendijk smolt bestaande personages om tot nieuwe. Tijdens een interview voor het boek Meer dan de feiten zei hij ‘dat je de waarheid een beetje geweld mag aandoen, mits je daardoor de strekking van die waarheid beter eer kunt aandoen’.

Vervolgens vertelde hij dat twee vrienden die hij opvoert in zijn eerste boek Een goede man slaat soms zijn vrouw helemaal niet bestaan. ‘Ze zijn samenvoegingen van verschillende mensen wier ervaringen sterk op elkaar leken.’ Het was een concessie aan de lezer, zei hij.

Bij NRC mag het dus niet, de waarheid een beetje mooier liegen

En wat te denken van Oscar Garschagen, voormalig China-correspondent voor NRC Handelsblad? Die kreeg onlangs zijn congé wegens ‘journalistieke fouten’. Zo had hij in een verhaal over de Zuid-Chinese zee verschillende personen samengebald tot een niet bestaand personage. Uit het onderzoeksrapport:

‘Feng Ruibo is geen bestaand persoon, maar een samenvoeging van verschillende vissers en kapiteins die allemaal tot de familie Feng behoren. (…) Hij heeft hun verhalen samengevoegd in het verhaal van ‘Feng Ruibo’, ter wille van de ‘leesbaarheid’ en om hun identiteit te beschermen, want tijdens de gesprekken werden ze uiteengedreven door de politie en vervolgens voortdurend gevolgd.’

Bij NRC mag het dus niet, de waarheid een beetje mooier liegen. En dat deed de wenkbrauwen van sommigen fronsen. Zo spreekt journalist Raymond van den Boogaard op zijn blog over een showproces tegen Garschagen, die zich hooguit schuldig had gemaakt aan ‘pekelzonden’.

In Villamedia stelt journalist Marc De Koninck ook dat NRC te hard oordeelt over Garschagen. Het samenvoegen van personage omwille van de verhaallijn doet hij af als een kleine overtreding, maar dat betekent niet dat ‘de waarheid bij Garschagen niet in goede handen was’.

Pardon?

VERTROUWEN
Waarom zou de waarheid in goede handen zijn bij iemand die bestaande mensen omsmelt tot een fictieve hoofdpersoon? Waarom zou je een journalist verdedigen die de boel besodemietert?

Wie dat wel doet, vergeet dat de journalistieke motor draait op vertrouwen. Wij zijn de ogen en de oren van onze lezers. Wij gaan naar plekken waar zij niet zijn en brengen daarvan verslag uit. Dat schept verplichtingen, zeker nu de betrouwbaarheid van onze beroepsgroep continu in twijfel getrokken wordt, zelfs door presidenten van democratische landen.

Roy Peter Clark, een Amerikaanse goeroe van de verhalende journalistiek, noemt in deze discussie twee gouden regels: ‘Do not add. Do not deceive.’ In de bundel Telling True Stories zegt hij:

‘The use of composite characters, where the purpose is to deceive the reader into believing that several characters are one, is a technique of fiction that has no place in journalism or other works that purport to be nonfiction. (…) There should be a firm line, not a fuzzy one, between fiction and nonfiction.’

De lezer moet er dus van op aan kunnen dat wat wij schrijven ook is wat er gebeurd is. Zo niet, dan verspelen we zijn vertrouwen.

BANKIERS
Ik ervaar dat zelf ook. Neem Dit kan niet waar zijn, het ontluisterende portret dat Joris Luyendijk schilderde van de bankenwereld. In het boek voert hij allerhande anonieme bankiers op, die vertellen wat voor werk ze doen. Toen ik dat enkele jaren geleden las, herinnerde ik me de uitspraken van Luyendijk in dat ene interview. En op een zeker moment dacht ik: bestáán al deze bankiers die eigenlijk wel?

Ik dacht van wel, ik hoopte van wel, maar ik kon het als argeloze lezer niet controleren. Wie zei me dat Luyendijk hier niet weer personages had samengevoegd, omwille van de leesbaarheid? Helemaal vertrouwen kon ik hem niet meer.

Helemaal vertrouwen kon ik hem niet meer

Inmiddels weet ik beter, omdat ik het Luyendijk voor dit artikel om een reactie heb gevraagd. Hij voegde in Dit kan niet waar zijn geen personages samen, mailt hij me. Dat doet hij sinds zijn eerste boek nooit meer.

Toen leek het echter onvermijdelijk. Er liepen in dat eerste boek zo veel mensen rond dat zijn meelezers – onder wie Lieve Joris – na het lezen van het manuscript verzuchtten dat het wel een Russische roman leek. En daarom voegde hij dus mensen met vrijwel dezelfde achtergrond samen.

‘Het is niet iets waar ik me voor schaam’, zegt hij daar nu over. ‘Wat ik wel echt anders zou doen nu, is zo’n ingreep direct achterin aangeven. Transparantie is essentieel, maar zover was ik nog niet in 1996.’ In latere edities van het boek staat het overigens wel.

EERLIJK
Hoe loste Carolina Lo Galbo het uiteindelijk op, in haar verhaal over de gestolen vogels van Avifauna? Simpel: door eerlijk te zijn. Ze verschoof het perspectief voor heel even naar de andere verzorger:

Simon heeft een drukke dag en dus stapt zijn collega Dennis in een busje en rijdt naar Den Bosch, in de laadbak een tupperwarebak met stukjes appel en een kooi met daarin het roodsnavelvrouwtje dat met haar jongen was achtergebleven. In de achtertuin aangekomen tuurt hij naar boven. De tok zit hoog in een denneboom.

Niet zo charmant misschien, maar zo hoort het natuurlijk wel. Want journalisten moeten de waarheid trouw blijven. Altijd. Ook al doen ze daarmee concessies aan het verhaal.

 

Met dank aan Renzo Verwer, die deze vraag bij de Verhalengarage aandroeg en op zijn blog verwijst naar een aantal relevante bronnen, waar ik dankbaar gebruik van maakte.

Update: op 17 november is de reactie van Joris Luyendijk aan het artikel toegevoegd.

De bouten en moeren van een goed verhaal

De verhalengarage begint bekend te worden onder journalisten. Nu legt mede-oprichter, chef-monteur en verhalenverteller Rik Kuiper in Villamedia uit waarom de garage doet wat-ie doet.

Zijn jongensdroom was taxichauffeur worden, maar hij is nu garagehouder. Volkskrant-verslaggever Rik Kuiper kijkt in zijn vrije tijd onder de motorkap van journalistieke verhalen, hij onderwerpt ze aan een grondige inspectie en spoort rammeltjes op. Samen met journalist en schrijver Henk Blanken runt hij sinds begin februari ­De Verhalengarage.

De website vult zich met journalistieke interviews, reconstructies en reportages uit binnen- en buitenland. Sommige gaan op de brug voor een keuring, andere schitteren in de showroom. Klassiekers, zoals een NRC-reportage van Gerard van Westerloo over de vleeskippen Anja, Manja en Tanja, krijgen een ereplek.

Typerend voor de verhalende journalistiek is het inzetten van literaire technieken, zoals scènes, dialogen en een of meerdere hoofdpersonen, zegt Kuiper. ‘Wij zoeken in De Verhalengarage welke bouten en moertjes ervoor zorgen dat je niet meer kunt stoppen met lezen.’

De verslaggever heeft zijn oog voor de techniek te danken aan een ingenieursstudie in Delft. ‘Sommige mensen beweren dat schrijven een kwestie van talent is, maar daar geloof ik niet in. Mijn bijbel is het boek Writing for Story van Pulitzer Prize-winnaar Jon Franklin. In mijn workshops voor krantencollega’s ontrafel ik hoe goedgeschreven verhalen zijn opgebouwd.’

Op de website doet hij dat met eigen werk: een reconstructie van de laatste keer dat Eric Arnold de Mount Everest beklom – de alpinist overleed op de terugtocht. Tussen haakjes legt Kuiper uit hoe hij de spanning opbouwde en lichtpuntjes zocht in een wrange geschiedenis. Ook zegt hij waar hij spijt van heeft. Volgens de chef kreeg de reconstructie meer urgentie in de tegenwoordige tijd. ‘Maar ik houd toch meer van de beschouwende toon van de verleden tijd.’

Met De Verhalengarage willen de initiatiefnemers kennis delen en meer journalistieke topproducties de weg op sturen. ‘Het is een hobby en het hoeft niets op te leveren’, zegt Kuiper. ‘Als er nog een paar enthousiaste nerds willen meehelpen in de werkplaats, graag.’

(Bron: Villamedia)

Hoe Trump verdween uit Makkum

Donald Trump bestelde in 1989 een luxe jacht bij een scheepswerf in Makkum. Rik Kuiper reconstrueerde de geschiedenis voor de Volkskrant. Hier demonteert hij het verhaal in 25 voetnoten.

Donald Trump bestelde in 1989 een luxe jacht bij een scheepswerf in Makkum. Rik Kuiper reconstrueerde de geschiedenis voor de Volkskrant. Hier demonteert hij het verhaal in 24 voetnoten.

 

[dropcap]B[/dropcap]astiaan Sonneveld had nooit zo’n jacht ontworpen.<fn>De titel van dit verhaal verwijst vanzelfsprekend naar ‘Hoe God verdween uit Jorwerd’ van Geert Mak. Dat vond ik toepasselijk omdat dit verhaal ook in Friesland speelt, omdat de hoofdpersoon aan het eind de benen neemt en omdat Trump zichzelf soms God lijkt te wanen. De eerste zin refereert ook aan de eerste zin van Mak – ‘Peet had nooit het dorp verlaten’. Maar dat is zo subtiel dat het vermoedelijk niemand is opgevallen.</fn> Natuurlijk, de 36-jarige ontwerper tekende in zijn carrière veerboten, cruiseschepen en een aantal kleinere plezierjachten, maar zoiets? Daar had hij zich nooit aan gewaagd.

Toch belde in het voorjaar van 1989 de directeur van scheepswerf Amels te Makkum.<fn>Ik kies er hier bewust voor om de directeur niet bij naam te noemen, om de lezer zo vroeg in het verhaal niet met al te veel namen te confronteren. Het gaat vooralsnog vooral om Sonneveld (die gelukkig als een van de enige betrokkenen van destijds bereid bleek me te woord te staan. Zonder hem had ik een verhaal kunnen maken gebaseerd op de krantenarchieven, maar zijn anekdotes maakten het veel persoonlijker.)</fn> Een stuk of vijf bekende ontwerpers hadden een poging gewaagd om een kolossaal jacht te ontwerpen, vertelde hij. De opdrachtgever had de voorstellen van tafel geveegd. Kon Sonneveld iets bedenken dat wél bij vastgoedtycoon Donald Trump in de smaak zou vallen?

Dat wilde hij wel, natuurlijk wilde hij dat. Man, als dit lukte kon het de definitieve doorbraak van zijn bureau in de mondiale jachtbouw betekenen. Dan lag de wereld voor hem open – voor hem, een eenvoudige jongen die de zeevaartschool had afgerond, maar al na een jaar concludeerde dat een leven als zeeman hem niet kon bekoren.<fn>Belangrijk zinnetje, dat benadrukt dat dit een soort American Dream kan worden.</fn>

Sonneveld bestudeerde het lijstje met eisen. Het schip moest 128 meter lang worden en 16 meter breed. Trump wilde een comfortabele suite voor zijn gezin, een stuk of twintig gastenverblijven, een zaal waar hij een paar honderd gasten kon ontvangen, een zwembad en een landingsdek voor zijn helikopter.

Hij dacht aan de Trump Tower in New York, de wolkenkrabber die de miljardair als thuisbasis gebruikte. De architectuur van die toren was overtuigend en direct, vond Sonneveld. Trump hield blijkbaar van een groot gebaar. Niet veel later pakte de ontwerper zijn schetsboek. Uit zijn potlood vloeide een slank en imponerend schip.<fn>Aan het einde van deze scène moet het verhaal op spanning staan. De lezer wil weten of Trump dit ontwerp wel goed genoeg vindt, en of het schip vervolgens ook echt gebouwd zal worden.</fn>

* * *

Jachtwerf Amels had al eens zaken gedaan met Donald Trump.<fn>Nu het verhaal op spanning staat, kan ik de tijd nemen voor wat achtergrondinformatie.</fn> Anderhalf jaar eerder, op 22 januari 1988, schoof de Trump Princess ‘de kathedraal van Makkum’ binnen, het enorme overdekte droogdok dat als enige in Nederland een schip met een lengte van bijna negentig meter kon huisvesten.

Het jacht – met een lengte van 86 meter een van de grootste ter wereld – was in 1980 gebouwd in opdracht van een Saoedische wapenhandelaar die het naar zijn dochter vernoemde: Nabila. Sindsdien had het schip enige roem vergaard als decor in de James Bondfilm ‘Never Say Never Again’. Trump kocht het in 1987, plakte zijn eigen naam erop en bestelde een refit.

Zo’n honderd medewerkers van Amels stortten zich op de Princess. De marmeren vloeren, de wanden van onyx en de gouden kranen en deurknoppen mochten blijven, maar de vloerbedekking en de lederen bekleding moesten helemaal worden vernieuwd. Ook zou het schip opnieuw in de lak worden gezet, zodat het weer glom als een spiegel.

Voor Amels kwam de order, waar circa 17 miljoen gulden mee gemoeid was, op een uitstekend moment. Een jaar eerder was het bedrijf failliet gegaan. Investeringsmaatschappij CTS Limited<fn>Deze investeringsmaatschappij moet ik vroeg in het verhaal noemen, want die wordt later belangrijk. Ik doe het hier vrij terloops.</fn> kocht de boel op en zorgde voor een doorstart. Desondanks voelde Makkum de pijn: voor de helft van de 120 medewerkers was geen plek meer.

Eind mei kwam de 42-jarige Trump de vorderingen zelf inspecteren. Hij arriveerde met zijn toenmalige echtgenote Ivana per helikopter in Makkum.

‘We stonden te praten onder in het dok’, herinnert<fn>Dit is iets wat ik liever niet doe. Ik schakel over naar de tegenwoordige tijd om iemand achteraf te laten reflecteren op de gebeurtenissen. Het haalt de magie een beetje uit het verhaal, vind ik altijd, omdat je naar de toekomst springt. Soms ontkom je er echter niet aan. Dit durfde ik bijvoorbeeld niet voor eigen rekening te nemen, omdat het slechts uit één bron kwam.</fn> Wessel de Vries zich, destijds werkbaas bij Amels. ‘Zijn vrouw vroeg hem iets en kreeg meteen een sneer. Hij leek me niet erg aardig.’

Lang bleef het stel niet op de werf. Direct na de rondleiding vlogen ze terug naar Schiphol.

Een week na het bezoek trokken twee sleepboten de Trump Princess achterwaarts de kathedraal uit, gadegeslagen door de dorpelingen. Het jacht was klaar om de Atlantische Oceaan over te steken, waar Trump ermee zou pronken op de jaarlijkse vlootshow in New York.

 * * *

Door de ramen zag hij de boomtoppen van Central Park, aan de wanden prijkten ingelijste tijdschriftcovers met de beeltenis van Trump.<fn>In een paar woorden schets ik het decor.</fn> Daar zat Bastiaan Sonneveld dan, met zijn enorme tekeningentas<fn>Belangrijk detail: daar zal straks wel iets uitkomen! Ik bouw de spanning langzaam op.</fn> op de zesentwintigste verdieping van de Trump Tower, in het vrij sobere kantoor van een van de meest succesvolle mannen van de Verenigde Staten.

Sonneveld had twee weken aan het ontwerp van het nieuwe jacht gewerkt.<fn>Ik vertraag nog wat meer.</fn> In de laatste paar dagen had hij met een tekening van circa twee meter breed gemaakt. Daarmee was hij – samen met directeur Cor Smits van Amels – naar New York gereisd. Ze hadden in het Plaza Hotel mogen overnachten, het beroemde hotel dat Trump een jaar eerder voor ruim 400 miljoen dollar had aangeschaft. ‘Ik heb geen gebouw gekocht’, schreef Trump daarover in de New York Times, ‘ik heb een meesterwerk gekocht – de Mona Lisa.’

Trump wendde zich tot Sonneveld. ‘Laat maar zien wat je hebt.’

Sonneveld stond op, opende zijn tas en haalde er de panelen uit waarop hij de tekening had geplakt. Hij vouwde ze open.

De ontwerper zei weinig. Dat was niet nodig, vond hij. Een goed beeld was krachtiger dan een verhaal. En dit was een goed beeld. Er sprak emotie uit – bam!<fn>De tekening zelf wilde Sonneveld me helaas niet laten zien. Daardoor kon ik de details van het ontwerp niet goed beschrijven.</fn>

Trump keek er kort naar.

Toen zei hij: ‘That’s what I want!’<fn>Boem! Een krachtig citaat. En daarmee is de scène meteen voorbij, zodat het citaat extra lang nadreunt.</fn>

 * * *

Een ‘superorder’ noemde de Leeuwarder Courant<fn>De toenmalige directie van Amels wilde niet praten. Bastiaan Sonneveld was niet overal bij aanwezig. Ik kon veel gebeurtenissen dus alleen maar reconstrueren op basis van krantenartikelen. Dat is behelpen, maar soms kan het niet anders.</fn> het op de voorpagina van 20 juni 1989. Drie jaar lang zouden ze bij Amels met honderd man aan het jacht van Donald Trump moeten bouwen. Door de voorgenomen lengte moest de kathedraal misschien verbouwd worden. Het prijskaartje vermeldde een ongekend bedrag: circa 330 miljoen gulden.

Een verslaggever had direct naar de rechterhand van Trump in New York gebeld. Was Trump zijn andere jacht nu al zat, wilde hij weten.<fn>Ik pas hier een truc toe. Het artikel in de Leeuwarder Courant was geen interview. Toch weet ik op basis van het stuk dat de verslaggever vragen heeft gesteld en dat Walker die vragen heeft beantwoord. Hier probeer ik die dialoog te suggereren, door vragen en antwoorden af te wisselen. Die dialoog maakt het levendig.</fn>

‘Nee’, antwoordde Jeffrey Walker, vicepresident van de Trump Organization. ‘Integendeel. Het jacht is een groot succes in ons land. Maar Trump wil een nog imposanter jacht, dat bovendien zijn eigen persoonlijkheid uitstraalt. De Trump Princess is gebouwd naar de wensen van een ander, Trump wil nu een schip dat helemaal van hemzelf is.’

En wat maakte dat nieuwe jacht zo bijzonder? ‘De grootte alleen al’, antwoordde Walker. ‘De Trump Princess was na de verbouwing al een groots jacht, maar dit zal alles doen verbleken. Het wordt het duurste en grootste privéjacht ter wereld.’

O ja, vroeg de verslaggever, het schip moest toch 128 meter lang worden? En hoe zat het dan met het schip van koning Fahd van Saoedi-Arabië? Dat was toch 147 meter? ‘Ach ja’, zei Walker. ‘Dat schip van die ‘Arab what’s his name’. Maar dat is een afzichtelijk prul.’<fn>Ach ja, de feiten. Daar namen Trump en zijn metgezellen ook toen al een loopje mee. Dat vond ik tekenend en daar wilde ik de scène mee afsluiten. Het heeft ook een functie. Deze passage zorgt ervoor dat de lezer gaat twijfelen aan alles wat Walker in de rest van het verhaal zal zeggen. En terecht, blijkt aan het einde.</fn>

 * * *

Driehonderd man van verschillende bedrijven zouden straks in de kathedraal aan de Trump Princess II werken, schatte directeur Cor Smits in oktober 1989. Driehonderd man! Alleen dan zouden ze het schip voor de zomer van 1992 gereed hebben, zoals met Trump was afgesproken.

De mannen van scheepswerf De Biesbosch in Dordrecht begonnen in januari met het casco van het schip, want daar hadden ze bij Amels niet voldoende mensen voor. Dit casco, waar vijfduizend ton staal in verwerkt moest worden, zou over een jaar naar Makkum komen. In de kathedraal zouden ze vervolgens de aluminium opbouw – waar scheepswerf Friesland in Lemmer al aan begonnen was – op het casco zetten.

Daarna konden circa honderd werklieden van interieurbouwer Struik en Hamerslag – ook betrokken bij de renovatie van het eerste jacht van Trump – aan de slag. ‘Hiermee kunnen we alle grenzen verleggen’, zei directeur Marco Struik tegen de Leeuwarder Courant. ‘Het wordt luxer dan luxe, de meest moderne dingen moeten we maken. En we moeten de hele wereld over om bestanddelen hiervoor aan te kopen. Bepaalde onderdelen moeten zelfs nog worden uitgevonden.’<fn>Samenvattende passage. Informatie komt – noodgedwongen – uit krantenberichten.</fn>

* * *

Op welk moment klonk in de bestuurskamer van Amels het eerste gemopper? Wanneer sloeg Cor Smits met zijn vuist op tafel? Wie slaakte de eerste vloek?<fn>Weer een stilistische truc. Ik weet niets, kan alleen suggereren. Door vragen te stellen die beelden oproepen komt het toch tot leven.</fn>

Er is weinig over bekend, want ook 27 jaar later weigert de toenmalige directie te spreken over de toestanden met Trump.

‘Ik wil daar niets over kwijt’, zegt<fn>Wederom in de tegenwoordige tijd, want die citaten heb ik zelf opgetekend.</fn> Smits door de telefoon. ‘Meneer Trump was onze klant en een directeur praat niet over zijn klanten.’

‘Ik voel er niets voor om opnieuw over Trumps bemoeienis met de werf Amels te praten’, mailt Sjoerd Veeman. ‘Ik ben nog steeds werkzaam in de megajacht business en confidentiality is daar een must, zelfs als het onderwerp alle details zelf met overgave van de daken schreeuwt.’

‘Dat kan Smits beter vertellen’, zegt Piet Horjus.<fn>Ik had het idee van het kastje naar de muur gestuurd te worden. Hier probeer ik dat gevoel op de lezer over te dragen, zonder het letterlijk te zeggen.</fn>

Feit is, dat de eerste maanden van 1990 hectisch waren voor Amels. In de media verschenen berichten over de aanstaande scheiding van Donald en Ivana. Dat zou geen gevolgen hebben voor de order bij Amels, meldde de Leeuwarder Courant op 13 februari. ‘Bij mijn weten tenminste niet’, vertelde directeur Cor Smits tegen een verslaggever.

Waren de aanbetalingen van Trump op dat moment al gestopt? Had hij toen al pogingen ondernomen om de reeds gedane betalingen terug te vorderen? Misschien wel, maar Smits hield ook toen de kaken stijf op elkaar. Ondertussen vreesde de directeur voor de toekomst van het bedrijf.

* * *

In de kantine van jachtwerf Amels pakte Jeffrey Walker de microfoon. Het was 10 mei 1990 en de vicepresident van de Trump Organization vertelde de opgetrommelde pers dat Donald Trump de werf had overgenomen van CTS Limited. Het was zijn eerste investering in de Europese Gemeenschap.

Walker sprak in superlatieven. In Makkum werkten de beste ambachtslieden. Een betere jachtwerf dan Amels bestond niet. En ze gingen hier de prachtigste jachten van de wereld bouwen.

Met de kennis van nu kon je dit horen: ‘Trump will make Amels great again.’<fn>Dit is de enige keer dat ik als verteller wat meer op de voorgrond treed. Ik vond het een leuke verwijzing naar zijn verkiezingsslogan: ‘We will make America great again’.</fn>

Walker ontkende tegenover de journalisten dat het Trump alleen te doen was om zijn eigen schip. In de media waren berichten verschenen dat de tycoon vreesde dat de bouw van zijn jacht in gevaar zou komen als een ander de werf overnam. Onzin, aldus Walker. ‘Het is een langetermijnaankoop.’

En nee, Trump verkeerde – door de scheiding en miljoenenverliezen op zijn casino’s – niet in financiële problemen, zoals her en der werd beweerd. ‘Amels is gezond, Trump is nog veel gezonder’, zei Walker. ‘Hij heeft volgens de meest sombere schatting – maar ik weet zeker dat het meer is – 500 miljoen dollar op de bank staan. Begrijp me goed: op de bank. Hoeveel procent van het nationaal inkomen van Nederland is dat?’

* * *

Jeffrey Walker kwam er persoonlijk voor naar Makkum. Nog geen maand na de persconferentie vertelde hij Cor Smits dat de bouw van het jacht zou worden stilgelegd.

Tijdelijk, schreef de Leeuwarder Courant op 7 juni 1990. Want Trump wilde het ontwerp van het voortstuwingsmechanisme nog eens onder de loep nemen. Hij zou gasturbinevoortstuwing wensen in plaats van gewone motoren.

Tegen de verslaggever zei Smits dat het ‘geheel onverwachts’ kwam. ‘Het is niet duidelijk wat Trump nu wil.’

‘Of het jacht afgebouwd gaat worden en wanneer’, zei hij kort daarna tegen een andere journalist, ‘ligt aan mijn klant en enige aandeelhouder.’

Een dag later publiceerde de Leeuwarder Courant een treurig stemmende analyse van de gang van zaken. Trump had Amels overgenomen om te voorkomen dat ‘een andere eigenaar met contracten en boeteclausules zou gaan zwaaien in geval van uitstel van de bouwwerkzaamheden’.

Dat lijkt een plausibele analyse, zeggen betrokkenen van toen.<fn>Deze analyse kan ik voor eigen rekening nemen, maar ik vond het sterker om anderen zich er ook over te laten uitspreken. Vandaar dat ik hier citaten uit interviews invoeg. Daardoor krijgt deze passage een wat journalistiekere toon dan de rest van het verhaal.</fn> ‘Hij kocht de werf omdat hij de order wilde annuleren’, zegt Ton Compier, destijds lid van de ondernemingsraad van Amels.

‘Ik vermoed dat hij schadeclaims wilde ondervangen’, zegt Roelof Verdam, voormalig directeur van scheepswerf De Biesbosch, dat het casco voor ongeveer een derde gereed had.

‘Dit was de beste oplossing voor Trump’, zegt ontwerper Bastiaan Sonneveld nu. ‘De werf kostte een paar miljoen. Dat was minder dan de termijnen die openstonden.’

Nog in juni verkocht Donald Trump zijn ‘langetermijnaankoop’, die hij anderhalve maand in bezit had gehad. De Trump Princess II zou nooit worden afgebouwd.

* * *

Een jaar of twee later wandelde Bastiaan Sonneveld<fn>We begonnen met Sonneveld, dus we moeten ook nog een keer bij hem terugkeren. Dat maakt het verhaal mooi rond.</fn> door de straten van New York. Toen hij de Trump Tower passeerde, besloot hij in een opwelling naar binnen te gaan.

Hoe vaak was hij hier met Cor Smits geweest? Een keer of vier, vijf? Ze hadden zelfs met Trump geluncht in een chique etablissement, waar ze per limousine heen waren gereden. Sonneveld keek er met plezier op terug. Ze waren aan elkaar gewaagd geweest, ook al vond de miljardair hem waarschijnlijk een rare snuiter, met zijn lange rode haren. Misschien waardeerde Trump het dat de ontwerper nooit exact deed wat hij suggereerde.

Ja hoor, zeiden de beveiligers, Sonneveld mocht boven komen.<fn>Ik wilde in deze scène – de epiloog eigenlijk – graag nog het een en ander aan reflectie kwijt. Die heb ik steeds tussen eenvoudige stukjes handeling gezet, waarmee ik min of meer suggereer dat hij op het project terugkijkt terwijl hij in de Trump Tower is.</fn>

Dat de boel werd afgeblazen, was een desillusie geweest. En hij had financiële schade geleden. Een deel van de gemaakte kosten kreeg hij wel vergoed door de nieuwe eigenaren van Amels, maar lang niet alles. Gelukkig was er vrij snel een mooi nieuw project gekomen.

De lift arriveerde op de zesentwintigste verdieping. Daar zat de man die ooit een jacht van 330 miljoen gulden bestelde.

Hij had het een geweldig project gevonden, zei Trump tegen Sonneveld. En zijn ontwerp was het beste van allemaal geweest.

Na ongeveer een halfuur stapte Sonneveld weer in de lift naar beneden. Hij zou Donald Trump nooit meer spreken.<fn>Ik heb lang zitten denken over een goede slotzin, maar kwam niet veel verder dan dit. Mwah, denk ik nu.</fn>

 

De wonderbaarlijke gedaanteverwisseling van een racist

Tien jaar geleden werd hij gezien als ‘de troonopvolger’, de toekomstige leider van de witte nationalisten in de Verenigde Staten. Derek Black, zoon van de oprichter van de extreem-rechtse website Stormfront, was nog maar net volwassen of hij had al een eigen radioprogramma en sprak voor zalen vol neo-nazi’s en leiders van de Ku Klux Klan. En toen gebeurde er iets opmerkelijks. Tijdens zijn studie aan ‘one of the most liberal schools in the state’ kwam hij tot inkeer.

In ‘The white flight of Derek Black’ beschrijft Eli Saslow (in 2014 winnaar van een Pulitzer Prize) hoe die wonderbaarlijke gedaantewisseling tot stand kwam. Het verhaal, dat in oktober in de Washington Post stond en meer dan 6000 woorden telt, toont een intrigerend beeld van een groep ‘white supremacists’ die de afgelopen jaren steeds meer invloed wist te verwerven in de Verenigde Staten.

De kracht van dit verhaal zit in de toon. Saslow veroordeelt niet, maar registreert. Hij beschrijft hoe Derek de inzichten van zijn vader overneemt en hoe hij zich daar later langzaam van distantieert – door dialoog en onderwijs. De mooiste passages van het verhaal gaan over zijn worsteling met zijn loyaliteit. Want als Derek afstand neemt van zijn standpunten, neemt hij tegelijkertijd afstand van zijn vader.

Interessant aan dit verhaal is ook de opbouw. Saslow verklapt al op tien procent van het verhaal – na circa 650 woorden – hoe het zal aflopen: Derek Black zal zijn racistische gedachtengoed opgeven.

White nationalism had bullied its way toward the very center of American politics, and yet, one of the people who knew the ideology best was no longer anywhere near that center. Derek had just turned 27, and instead of leading the movement, he was trying to untangle himself not only from the national moment but also from a life he no longer understood.

Daarna steunt het verhaal op de vraag hoe Derek Black dan van zijn geloof is gevallen. Dat is een slimme zet van Saslow, denk ik. Want mensen lezen graag over een sympathieke hoofdpersoon. Met een klootzak leven we niet mee, het kan ons niet schelen of die onder een trein komt of een leuke vrouw ontmoet. Door alvast te laten weten dat het verhaal goed afloopt, gaan we de hoofdpersoon anders zien. Sympathieker. Hij zal tot inkeer komen. En dus leven we makkelijker mee.

De laatste beklimming van Eric Arnold

In anderhalve dag schreef Rik Kuiper voor de Volkskrant de reconstructie van de laatste klim van Eric Arnold. Verhalende journalistiek vergt niet altijd dagen of weken.

Na vier mislukte pogingen bereikte bergbeklimmer Eric Arnold (35) eindelijk de top van Mount Everest. Het was het laatste wat hij deed.

[dropcap]D[/dropcap]aar staat <fn> Dit verhaal stond aanvankelijk in de verleden tijd, maar op aandringen van de chef heb ik alles omgezet naar tegenwoordige tijd. Daardoor krijgt de reconstructie meer urgentie. Achteraf heb ik daar spijt van – ik hou meer van de beschouwende toon van de verleden tijd.</fn> hij toch maar, op 8848 meter hoogte. Eric Arnold, die pechvogel die al vier keer eerder de top van Mount Everest wilde halen, is er eindelijk in geslaagd. <fn> Ik kies voor een alwetende verteller, die de zaak van bovenaf bekijkt, maar wel zo dicht mogelijk tegen Eric Arnold aankruipt, om het verhaal zo persoonlijk mogelijk te maken.</fn> Het is vrijdagochtend 20 mei 2016, de zon komt op. <fn> ‘Alwetende verteller’ is eigenlijk niet zo adequate omschrijving hier, want ik wist juist heel veel niet. Ik klamp me vast aan de dingen die ik wel weet, bijvoorbeeld dat hij op de top geweest is, rond zonsopkomst.</fn>

Wat denkt hij, als hij neerkijkt op de toppen van de Lhotse en de Makalu – ook geen kleine jongens? <fn>Ik moet meteen eerlijk zijn over mijn onwetendheid. Wel laat ik de lezer hier vast weten wat hij kan verwachten: een verhaal over hoogteziekte en een jeugddroom.</fn> Is hij euforisch? Of heeft de hoogteziekte hem al zo te pakken, dat hij niet kan genieten van de prestatie waar hij al sinds zijn negentiende van droomt?

Lang blijft hij er vermoedelijk niet, met zijn lijf verpakt in een dikke jas en zijn gezicht verborgen achter een skibril en een zuurstofmasker. Ervaren bergbeklimmers juichen misschien even, nemen een paar foto’s, plegen eventueel een telefoontje en drinken een moeizame slok water – als dat niet bevroren is. Daarna gaan ze weer. Want ze weten: op de top ben je pas halverwege.<fn>Eric Arnold stond op de top. Wat hij daar precies deed en hoe lang hij er was weet ik niet. Maar ik wil toch dat de lezer een beeld in zijn hoofd krijgt van dat moment. Dat doe ik door te suggereren. Niet zomaar in het wilde weg, maar een ‘educated guess’ – en ik ben er eerlijk over, zie het woord ‘vermoedelijk’. </fn>

‘Tweederde van de ongelukken gebeurt op de weg terug’, zei Arnold een week eerder nog op de radio tegen Giel Beelen. ‘Naar beneden lopen is gewoon moeilijker.’

En inderdaad, de afdaling valt tegen. Met veel moeite bereikt Arnold kamp 4, het kamp dat het dichtst bij de top ligt. Hij is uitgeput, niet meer in staat om door te lopen naar een lager kamp zoals eigenlijk de bedoeling is, niet meer in staat om via de satelliettelefoon zijn vriendin en zijn ouders bellen.

‘Mijn lichaam heeft geen energie meer’, zou hij tegen de andere leden van het expeditieteam hebben gezegd.

Niet veel later overlijdt Eric Arnold in zijn slaap in een tent op de flank van de berg waar hij zo van houdt. Hij is 35 jaar geworden.<fn>Veel lezers weten – als ze dit maandagochtend lezen – dat Eric Arnold is overleden. Het zou potsierlijk zijn dat gegeven in dit verhaal tot het laatst te bewaren. Noodgedwongen begint dit verhaal dus met het einde – in ultimas res. Het verhaal gaat vervolgens om de vraag: hoe kon dit gebeuren?</fn>

 

 

[dropcap]W[/dropcap]aar het allemaal begint?  <fn>Hier begint het verhaal eigenlijk opnieuw, en wel helemaal aan het begin.</fn> In een jongenskamer, zoals zo veel avonturen. ‘Het is gewoon mijn jeugddroom’, vertelt Eric Arnold later op de radio.<fn>Doordat dit verhaal helemaal in de tegenwoordige tijd is gezet, gaat het hier wringen. Want die tegenwoordige tijd – gebruiken we die nou voor de anekdotes uit zijn jeugd, of voor het moment dat hij op de radio is, jaren later? Ik los het hier provisorisch op met het woord ‘later’. In mijn oorspronkelijke tekst, die dus volledig in de verleden tijd stond, staat het mooier: ‘Waar het allemaal begon? ‘Het is gewoon mijn jeugddroom’, zei Eric Arnold vorige week nog op de radio. ‘Ik had vroeger een poster boven mijn bed…’’ </fn> ‘Ik had vroeger een poster boven mijn bed hangen van de Everest – naast die van Pamela Anderson, trouwens. Die laatste droom is beetje weg, maar die eerste is altijd gebleven.’<fn> Ik kon in die twee dagen geen mensen vinden die Eric Arnold persoonlijk goed kenden en over hem wilden praten. Daarom was ik aangewezen op wat hij eerder zei op de radio, in interviews en op zijn eigen blog.</fn>

Ook een bezoek aan de kapper in 1999 blijkt cruciaal te zijn. ‘Daar zat ik te bladeren door een oude leesmap en zag ik een artikel over een Mount Everest expeditie’, zegt hij in een ander interview. ‘Het triggerde iets in mijn gedachten en dat is daarna nooit meer weggegaan.’

Omdat hij nog nooit geklommen heeft, besluit de jonge Eric Arnold een beginnerscursus te gaan doen. Daarna gaat hij mee met expedities, telkens iets moeilijker en altijd met Mount Everest in zijn achterhoofd.<fn>Met deze passages schets ik wat voor persoon Eric Arnold is. Hij is een serieuze klimmer, zien we hier. Al jaren bezig zijn droom te verwezenlijken. Ik zeg het niet expliciet, maar wil hiermee aangeven dat Arnold geen roekeloze toerist was.</fn>

In 2002 reist hij voor het eerst naar de Himalaya, tien jaar later waagt hij zich voor het eerst aan Mount Everest. Het is koud en het stormt zo hard op de berg dat hij nauwelijks op zijn benen kan blijven staan. Zijn vingers zijn bevroren, net als een van zijn ogen. Op 250 meter onder de top – slechts drie tot vier uur verderop – keert hij om. ‘Zuurstoftekort, kou en angst doen mij besluiten om te keren’<fn>Op sommige plekken is toch duidelijk dat dit verhaal snel geschreven is. Twee keer achter elkaar gebruik ik het woord omkeren. Niet mooi.</fn>, zal hij later in een interview zeggen. Het blijkt een verstandige keuze. Enkele andere klimmers komen die dag om het leven.

Het jaar daarop wil Arnold een nieuwe poging wagen, maar nog voor hij vertrekt, kegelt iemand hem op de ijsbaan omver. Een schaats snijdt zijn achillespees doormidden.

In 2014 zit het ook niet mee. Arnold is in het basiskamp als een lawine een deel van de klimroute verwoest. Zestien mensen sterven en alle expedities worden afgelast. Hij besluit direct bij vertrek dat hij het jaar daarop terug zal keren. In een interview met bergsporttijdschrift Hoogtelijn zegt hij later: ‘Het is een boek dat af moet; dat laatste hoofdstuk moet geschreven worden.’

Maar ook in 2015 haalt hij de top niet. Een aardbeving met een kracht van 7,9 op de schaal van Richter treft Nepal op het moment dat Arnold in het basiskamp zit. ‘Ik kwam naar buiten en zag lawines aan komen rollen van alle kanten’, zegt hij tegen de Volkskrant. ‘Zulke grote lawines heb ik nooit gezien.’ Hij heeft geluk dat hij het kan navertellen.<fn>Deze opsomming van pogingen is relevant. Dat het hem al zo vaak niet gelukt is zou mee kunnen spelen bij zijn keuze om zijn beklimming voort te zetten.</fn>

 

[dropcap]V[/dropcap]ier gestrande pogingen, maar Eric Arnold gaat door. Hij schrijft zich in voor de Everest South Expedition, zodat hij in het voorjaar van 2016 opnieuw mee kan met Arnold Coster, een Nederlander die in Kathmandu woont en expedities organiseert.<fn>Coster zelf was in de twee dagen dat ik dit stuk schreef onbereikbaar. Later heb ik nog een veel langer verhaal voor de Volkskrant gemaakt over deze beklimming, geheel vanuit het perspectief van de expeditieleider.</fn>

Volgens zijn uitgebreide brochure zou het de tiende keer worden dat Coster met een groep Mount Everest beklimt. ‘Hij behoort tot de mensen met de meeste ervaring ter wereld’, aldus de brochure. ‘En hij heeft een hoog succespercentage.’<fn>Ook Katja Staartjes bevestigde telefonisch dat Arnold Coster een ervaren expeditieleider was. Misschien had ik dat ook in de tekst op moeten nemen. </fn>

En dus arriveert Eric Arnold rond 20 april in het basiskamp aan de voet van Mount Everest. Van daaruit klimmen de expeditieleden in de eerste dagen van mei alvast een fors stuk naar boven. Een acclimatisatietocht is het, om aan de zuurstoftekort te wennen.

Tijdens die tocht krijgt Arnold – zoals gebruikelijk is – last van de hoogte. ‘Net als de bonkende hoofdpijn en algehele malaise wegtrekt, is het tijd om door te gaan naar een hogere plek waar de algehele malaise zich herhaalt’, zal hij op 4 mei over die tocht noteren. ‘Meestal valt dit samen met de momenten dat ik mij afvraag waarom ik dit ook alweer leuk vind.’

Een dag of tien later is die twijfel weer verdwenen. ‘Voorlopig gaat het gesmeerd’, schrijft hij op 13 mei vanuit het basiskamp. ‘Bergbeklimmen is geen wedstrijd, op hoogte is jezelf onnodig uitputten zelfs gevaarlijk. Natuurlijk geeft het wel vertrouwen dat ik tot nu toe minimaal bij de kopgroep in de hoogtekampen aan kom. Mijn zuurstofsaturatie geeft prachtige waarden aan. Maar garantie krijgt niemand.’<fn>Deze passage, die Eric Arnold op zijn blog schreef, illustreert nogmaals dat hij geen roekeloze klimmer is.</fn>

 

[dropcap]O[/dropcap]p maandag 16 mei, een paar uur na middernacht, begint Eric Arnold aan zijn allerlaatste tocht naar boven. De groep verlaat het basiskamp en loopt naar kamp 2, dat op ruim zes kilometer hoogte ligt. Daar blijven ze een dag. Op zijn Twitteraccount, dat wordt bijgewerkt door zijn vriendin, verschijnt het bericht, dat Arnold ziek is. Hij heeft een voedselvergiftiging en krijgt antibiotica.<fn>Of dit verband houdt met datgene wat gebeuren gaat, kon ik op het moment van schrijven niet beoordelen. Ik vond het wel frappant.</fn>

De medicatie lijkt aan te slaan. Arnold kan woensdag op pad, en komt via de touwen die de sherpa’s langs de route hebben aangelegd in kamp 3, dat op 7158 meter hoogte ligt. ‘Dosis oerkracht gevonden!’, staat op Twitter. ‘Laatste touwlengtes diep in het rood. Nu herstel: drinken!’

Donderdag arriveert Arnold op de Zuidcol, een plateau op een hoogte van 7950 meter, waar zich het laatste kamp voor de top bevindt. ‘Diep in het rood gegaan’, meldt zijn vriendin namens Arnold op Twitter. Er was iets misgegaan met de zuurstoftoevoer.

Het waait hard op de Zuidcol, de temperatuur moet er circa dertig graden onder nul zijn. Op deze hoogte – vanaf 7500 meter – begint het gebied dat bergbeklimmers de Death Zone noemen.<fn>Hier vermeng ik achtergrondinformatie met de handeling. Dat probeer ik zo kort mogelijk te houden, om de lezer niet te veel op te houden.</fn> Het is onmogelijk om er lang te verblijven, omdat de hoeveelheid zuurstof ongeveer een derde is van de hoeveelheid op zeeniveau. Zelfs met een zuurstoffles is dat tekort niet op te vangen.

Waarom komt iemand hier dan? Kort daarvoor noemde Arnold het klimmen een verslaving. ‘Het heeft lang geduurd voordat ik precies kon duiden waarom dat zo is’, schreef hij in een blog. ‘In de bergen raak ik in een flow. Ondanks het gevaar is er geen plek waar ik mij zo tot in mijn haarvaten in leven voel als in de bergen. In Nederland kabbelt het leven in grijstinten, in de bergen is alles oranje, rood en groen. In de bergen zitten hoofd en hart op één lijn. De bron van energie is dan onuitputtelijk. Niets is te veel.’<fn> Deze passage is voor mij een lichtpuntje in een wrange geschiedenis. Eric Arnold stierf weliswaar, maar wel tijdens datgene wat hij het mooiste vond in het leven.</fn>

Eric Arnold heeft zes uur de tijd om te herstellen in kamp 4. Hij moet proberen wat te eten en circa zeven liter gesmolten sneeuw te drinken, hoewel een lichaam daar op grote hoogte helemaal geen zin in heeft.<fn>Ik kan hier geen details geven over de beklimming van Eric Arnold. In plaats daarvan verlevendig ik het verhaal met informatie die ik van Katja Staartjes kreeg, die eerder Mount Everest beklom. Zo beschik ik toch over broodnodige details.</fn> Vanavond zullen ze aan hun toppoging beginnen.

 

[dropcap]M[/dropcap]et lampen op hun helmen gaan de zeven leden van de expeditie met zeven sherpa’s donderdagavond op weg naar de top.

Het is gebruikelijk om toppogingen vanaf de Zuidcol ’s avonds te beginnen. Op en neer naar boven bij daglicht is onmogelijk, want een topklim duurt 16 tot 25 uur. Een deel van de tocht moet dus in het donker worden afgelegd. Het is veiliger om in het donker te beginnen: dan zijn de expeditieleden nog fit.<fn>Ook hier: tekst verlevendigd met informatie van Katja Staartjes.</fn>

Het eerste stuk van de route naar de top is nog vrij vlak, maar na een paar uur wordt het steiler. Over hellingen van soms wel vijftig graden bereiken ze een vlakke plek die het Balkon wordt genoemd. Daar begint een bergkam die naar de top leidt.

Wat gebeurt er tijdens die tocht? Als het klopt dat Eric Arnold is overleden aan hoogteziekte, zoals de organisatie van de expeditie vermoedt, dan moet zijn lichaam ergens daar in de Death Zone op hol geslagen zijn.

Sommige klimmers worden moe door de ijle lucht, anderen krijgen hoofdpijn, worden duizelig of misselijk. Iedereen heeft er last van, al is het bij de een erger dan bij de ander.

Vlak voor de top arriveren Arnold en de anderen bij de Hillary Step – genoemd naar Edmund Hillary, die via deze route in 1953 samen met zijn sherpa Tenzing Norgay als eerste naar de top van Mount Everest wist te klimmen. Op zeeniveau is de klim eenvoudig voor een getrainde klimmer, op deze hoogte is het een uitputtingsslag.

Soms slaat de hoogteziekte venijnig hard toe bij een klimmer. Dan kan de huid blauw worden, raakt de klimmer verward en gaat hij zwalken. Dit heet acute mountain sickness. In extreme gevallen hoopt vocht zich op in de longen en de hersenen, wat levensgevaarlijk is.

Merkt Eric Arnold dat zijn lichaam langzaam uitgeput raakt? Of wilde hij het niet merken?

‘De druk was nu heel groot’, zal zijn vriendin later tegen een journalist van het Algemeen Dagblad zeggen, toen ze nog niet wist dat hij zou sterven, maar wel dat hij uitgeput in een tent in kamp 4 lag. ‘Waar een ander was teruggegaan, heeft hij er waarschijnlijk drie stappen bij gezet.’

Arnold klimt rond zonsopgang via de touwen tegen de Hillary Step op. Daarna is het nog een klein stukje naar de top. Zuchtend en hijgend zal hij<fn>Suggestie.</fn> op 8848 meter aangekomen zijn. Daar ziet hij wat hij zijn hele leven wilde zien: de Himalaya, vanaf het hoogste punt.

Het uitzicht is waanzinnig. <fn>De lezer weet al wat er daarna tijdens de afdaling gebeurde. Ik wil toch een beetje positief eindigen. Dit heeft Eric Arnold toch maar mooi gezien. Hij heeft zijn droom vervuld.</fn>