Toine Heijmans: ‘Ik kom later wel terug’

Print Friendly, PDF & Email

Een ‘gesprek’ moest het worden, geen interview. Hoe je dat doet? Zet twee aan schrijven verslingerde journalisten – Toine Heijmans en Henk Blanken – op een zonnig terras aan de Lek, en ze praten uren. Over vertellen en hoe dat moet.

Print Friendly, PDF & Email
Toine Heijmans zou eerst naar Haren komen. Hij zag wel ‘een stukkie’ in de man die na tien jaar parkinson ook zijn laatste freelancebaan als journalist, correspondent ‘dood en aftakeling’ bij De Correspondent, eraan gaf. Door corona kwam het er niet van.
Toen verscheen Heijmans’ derde roman, Zuurstofschuld, het verhaal over twee klimvrienden die hun dromen najagen op ‘achtduizenders’, de ijzingwekkende toppen in de Himalaya. Een verpletterend boek van een meesterlijke stilist.
Voorbeeld.
Het slothoofdstuk, waarin de protagonist Walter tijdens zijn laatste klim in een tentje storm en kou trotseert, begint met dit zinnetje: ‘Een wekker gaat af.’
Niet: Dé wekker gaat af.
‘Een’ wekker werkt bevreemdend, alsof Walter een heel nest eierwekkers met zich meezeult. Toch wordt Walters desoriëntatie, waar ben ik, wat doe ik hier, voelbaar van dat ene woord.
Toine Heijmans, lyrisch: ‘Lidwoorden! Man! Daar kun je zoveel mee doen.’
Bijna taalverliefd benoemt Toine Heijmans – die in zijn studententijd ook klom, maar nooit hoger kwam dan zesduizend meter – de attributen van dat geklauter: opgewreven ijsbijlen en ijsboren, karabiners, nuts en cams en snargs, klimtouwen. Om dan weer met een karig elliptisch zinnetje Walters angsten op te roepen: ‘Hierboven blijven. Een tent opzetten, sneeuw smelten, de rest van mijn leven afwachten.’
HB: ‘En wat ook goed werkt: je herhalingen. Walter en Lenny laat je We mountain roepen, de strijdkreet waarmee ze elkaar oppeppen. Wat eerst nog overmoedig klinkt – wat kan ons nou gebeuren, we mountain – wordt tegen het einde om te janken zo tragisch.’
TH: ‘Dat is een literaire techniek, maar het werkt ook goed in de krant. Ik ben afgestudeerd op propagandatechnieken in dagbladen van 1903. Herhaling was een van de belangrijkste technieken om het er bij de lezers in te hameren.’
HB: ‘In de journalistiek is het taboe.’
TH: ‘Omdat het snel te veel wordt.’
HB: ‘Als ik een boek schrijf, zoek ik telkens naar elementen die ik kan herhalen, of waarop ik kan variëren. Van die motieven wordt je verhaal hechter, het trekt de compositie samen, alsof je een broekriem aanhaalt.’
TH: ‘Zo moet het. En alle bijvoeglijke naamwoorden moeten eruit.’
HB: ‘En ‘erg’. En ‘veel’. En ‘heel’.’
TH: ‘Kunnen allemaal weg.’

Toine Heijmans (Nijmegen, 1969) studeerde geschiedenis, ging ‘mijlen maken’ bij de Arnhemse Courant (‘ik schreef een zomer lang elke dag drie of vier stukken’), en kwam in 1995 naar de Volkskrant. Na vier jaar eindredactie schreef hij als verslaggever vooral over immigratie en asielzoekers en deed hij vijf jaar het plaatsvervangend chefschap erbij.
2007: chef reizen.
2010: terug naar de verslaggeverij.
Sinds 2015 schrijft hij twee keer in de week de ‘verslaggeverscolumn’ (net als Ariejan Korteweg en Margriet Oostveen). Rijdt er het hele land voor door, die column, vijftigduizend kilometer per jaar – en bij elke grote beurt voor zijn lease-auto telt hij zijn zegeningen.
‘Wie krijgt er nou zoveel tijd en ruimte? Voor twee stukken in de week? Toch blijft het een worsteling. Een stuk dat zichzelf schrijft? Ik haat die uitspraak. Het gaat nooit vanzelf. De eerste versie is altijd 1200 woorden. Dat moet terug naar 720. Maar ik moet niet klagen. Kan zelf bepalen waarover ik schrijf, meestal onderwerpen die anderen laten liggen – die vrijheid is heel lekker.’
HB: ‘Kom je niet te veel uit bij de marges van het nieuws?’
TH: ‘Daar heb ik me altijd prettig bij gevoeld. Ik wil niet in Den Haag werken. Interessant hoor, al dat gedoe, en iedereen heeft het erover. Maar…
HB: ‘… jij houdt niet van dat kluitjesvoetbal.’
TH: ‘Ik vind het leuker na drie weken bij de boeren op de koffie te gaan die bij Rob Jetten voor de deur stonden. Ik kom later wel terug.’

In NRC vertelde Toine Heijmans dat hij aan Zuurstofschuld begon omdat hij in een depressie zat. Drie kinderen, een vrouw met een baan als arts, zelf columnist bij de Volkskrant, bestseller geschreven (zijn debuutroman Op zee, in Frankrijk bekroond met de prestigieuze Prix Médicis Etranger), een huis in Amsterdam-IJburg met een bootje ervoor, en je toch afvragen of je wel de goede keuzes hebt gemaakt, of je überhaupt wel keuzes hebt gemaakt. ‘Ik denk dat veel mensen van mijn leeftijd dat voelen, je kijkt ineens meer achterom dan vooruit. En altijd maar doorgaan helpt ook niet echt.’
HB: ‘Zuurstofschuld werd een boek over vriendschap en hoe die zin geeft aan het bestaan. Heeft dat geholpen tegen de depressie en de angst?’
TH: ‘Het schrijven van dat boek hielp niet. Walter was eerst een hele boze vervelende man. Ik kon er mooi mijn frustraties in kwijt, maar uiteindelijk werkt dat niet en ging hij gelukkig toch een eigen leven leiden. Wat wel hielp: een goede psycholoog en twee beste vrienden. En ja, het boek gaat over schuld, maar vooral ook over het schuldgevoel naar jezelf. Dat je het anders had moeten doen in je leven.’
HB: ‘Dat ik die roman lees als een verhaal over schuld zegt misschien meer over mij. Altijd haast, altijd maar achter de muziek en het nieuws aan. Ik had dat anders moeten doen, maar kon en wilde dat niet. Hoe doe jij dat? Hoe combineer jij een drukke baan en een gezin met drie pubers, met het schrijven van fictie?’
TH: ‘Door ultraflexibel te zijn, dat leer je wel als verslaggever, een dag is nooit zoals ik me die had voorgesteld. En door niet meer alle tijd in de krant te steken maar ook in andere dingen. Is ook beter voor de krant. Het is lastig. Af en toe weggaan om te schrijven is ook heel heilzaam, gelukkig vindt mijn gezin dat prima. Je moet dag en nacht bezig kunnen zijn met een boek, erover dromen, dat werkt het efficiëntste.’
HB: ‘Nu ik ermee gestopt ben, vraag ik me af waarom ik ooit journalist geworden ben. Niet omdat ik de wereld wilde verbeteren, zo diep doordacht was mijn linkse engagement niet. Eigenlijk kon ik maar één ding: een stuk schrijven dat lekker liep.’
TH: ‘Wanneer vertrok je bij de Volkskrant?
HB: ‘In 2003. Om adjunct-hoofdredacteur te worden bij Dagblad van het Noorden. Acht jaar spijt van gehad. Ik was niet zo’n goeie adjunct. Niet zo goed met mensen.’
TH, lachend: ‘Dat lijkt me voor die baan toch wel een voorwaarde.’
HB: ‘Waarom doe jij het eigenlijk, al dat geploeter? Je had ook geschiedenisleraar kunnen worden.’
TH: ‘De vrijheid, toch. Dat hebben journalisten gemeenschappelijk met romanschrijvers. Dat je onafhankelijk mag zijn. De journalistiek is één van de weinige plekken waar je nog gewoon… kunt twijfelen. Verder heb ik geluk gehad. Dat ik een uitgever heb. Dat de krant me steunt: ik kon drie maanden onbetaald verlof krijgen om dat boek af te maken. Ze hadden ook kunnen zeggen: Doortikken jij, want dat moet van de cao.’
HB: ‘Toen je begon met fictie deed je veel moeite om het schrijven daarvan en van non-fictie uit elkaar te houden, uit vrees dat de fictie je journalistieke werk zou besmetten. Zitten die twee elkaar nog altijd in de weg? Welke invloed hadden je romans op je journalistiek? En andersom?’
TH: ‘Heel veel. Voor romans is de journalistiek een vat van ervaringen en inspiratie. Al die mensen, al die gebeurtenissen – voor de krant was ik in Caïro tijdens de rellen op het Tahirplein, later is dat ook een scène in Pristina geworden. Voor de columns kan ik veel vrijer schrijven dankzij de boeken. Het beïnvloedt elkaar continu. En tegelijk ben ik veel scherper op de feiten in mijn columns, daar mag niets verzonnen zijn.’
HB: ‘Ik vertel bij mijn cursussen altijd dat schrijven begint met lezen. Met bewonderend lezen. Jij bent, las ik, dol op James Salter – de Amerikaanse schrijver van Light years en All what is. Een heel groot stilist.’
TH: ‘Jaaah. Salter. Maar ook Tommy Wieringa – zoals hij in De heilige Rita in een paar zinnen de hoofdpersonages neerzet… Het moet ook niet te kaal zijn. Of Maarten Biesheuvel… het mag ook vreemd zijn.’
HB: ‘En als het om het compromisloze schrijverschap gaat: Jeroen Brouwers. Zo moet het. Met zoveel overgave en passie.’
TH: ‘Ik heb net Cliënt E. Busken gelezen. Daar staat geen slechte zin in. En geen woord te weinig of te veel. Wat een schrijver.’
HB: ‘Journalisten zijn niet dol op de narratieve vorm met een mooie spanningsboog. Snap jij iets van die schuchterheid?’
TH: ‘Ik weet het niet. Je ziet wel dat alles steeds korter moet. En dat we het nieuws in geformatteerde stukjes hakken. Dat vind ik een slechte ontwikkeling. Gelukkig is de longread nu weer in trek, zoals Liefdesbrieven van een kampbeul, van [Volkskrant-collega] Rik Kuipers.’
HB: ‘Ik hou van dat soort journalistieke verhalen. Omdat er iets in gebeurt. Omdat er handeling wordt beschreven. Dialoog in voorkomt. Wat doet handeling voor jouw columns?’
TH: ‘Als ik ergens ben, schrijf ik alles op. Een notitieblok vol. Details kosten ruimte, maar helpen de lezer daar neer te zetten waar je hem wilt hebben.
‘Het zoeken van feiten is nog steeds het allerhoogste, er gaat niets boven een primeur. Vroeger wilde je als verslaggever de één halen. Opening krant. Daar is niemand meer mee bezig, Nu wil je geretweet worden. Het gaat erom wat je teweegbrengt.’

Henk Blanken (Rotterdam, 1959) werkte voor Het Vrije Volk, de Volkskrant en Dagblad van het Noorden. Hij schreef drie boeken over journalistiek, en twee over ‘dood en aftakeling’.

Auteur: Henk Blanken

Journalist en schrijver. Mede-oprichter van de Verhalengarage. Was redacteur van Het Vrije Volk en de Volkskrant en adjunct-hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden. Publiceerde drie boeken over journalistiek, PopUp, Mediamores en het Handboek Verhalende Journalistiek. En drie andere boeken met literaire nonfictie: Hotel Almere, Je Gaat Er Niet Dood Aan en Beginnen Over Het Einde. Op het laatste na, dat bij De Correspondent verscheen, zijn de boeken uitgegeven door AtlasContact.