Vis in de krant stinkt niet

Print Friendly, PDF & Email
Vis in de krant stinkt niet.
Ook als de tonijnkoppen op een tropisch strand wegrotten en je de ranzige walm van ontbinding zowat kunt aanraken, schrijven journalisten er liefst geen letter over.
Honderd meter verderop zijn ze al vergeten hoe behendig de Caribische vissers, gebogen boven een schilferend tafelblad, hun vangst fileren. Maar de geur van bederf zal nog dagen in de branding van hun herinnering dobberen.
Geur blijft hangen. Meer nog dan smaak. En smaak weer meer dan ‘hoe iets voelt’ (de tactiele ervaring). Geur doet iets geks met je herinnering. Geur roept heftige gevoelens op.
De geur van vers zweet heet lustopwekkend te zijn. De petroleumstank van asfalt dat bakt in de blakende julizon roept bij mij een jaren-zestig-vakantie aan de kust in Zeeland op. Volgens neurologen komt dat – de sterke associaties bij geuren in het algemeen, niet per se mijn Zeeuwse kust) doordat geuren in dezelfde limbische kwab van je hersenen worden vastgelegd als waar je emoties ‘geregeld’ worden en je langetermijngeheugen huist.
Geur doet iets geks met je herinnering
De afgelopen jaren, nadat ik met Wim de Jong het Handboek Verhalende Journalistiek schreef, heb ik journalisten van bijna alle kranten en opinietijdschriften in Nederland uitgelegd wat een ‘verhalend verhaal’ is. In gastcolleges op universiteiten en hogescholen liet ik studenten snuffelen aan ‘narratieve journalistiek’ – wat een spanningsboog kan doen voor de complexe reconstructie van een fraudezaak, waarom je dikwijls beter kunt vasthouden aan een eenmaal gekozen point of view en al je zintuigen moet gebruiken – niet alleen wat je ziet en hoort, maar ook hoe het voelt, smaakt en ruikt.
Honderden journalisten heb ik ernaar gevraagd: ‘Beschrijf je wel eens hoe iets ruikt? Een brand? De mestfraude? Handjeklap in de Tweede Kamer?’
Daar vroeg ik ze wat.
De meesten wisten het niet, eigenlijk.
Ervaren verslaggevers, journalisten met een gekende reputatie als ‘schrijver’ of – god-sta-ze-bij – ‘mooischrijver’, de verslaggevers van lenige zinnen en muzikale metaforen, verzekeren mij ervan dat ze uiteraard al hun zintuigelijke waarnemingen in een verhaal stoppen.
De meesten vergissen zich.
‘In welk verhaal,’ vraag ik terloops, ‘deed je dat voor het laatst?’
Meestal blijft het dan benard stil.
‘Of smaak?’ probeer ik nog ‘Beschrijf je wel eens wat je proeft?’
Ze kunnen zich ook dat niet heugen.

Waarom negeren journalisten zo opzichtig geur en smaak?
In de strenge ethische opvatting over het vak moet journalistiek eerst en vooral controleerbaar zijn. Dat is bij geur en smaak lastig; die deel je niet zo gemakkelijk met anderen (wel de bron, het parfum of potje marmelade, niet de ervaring zelf). Beeld en geluid kunnen we met audiovisuele hulpmiddelen wél overdragen. Daardoor lijken ze betrouwbaarder dan geur- en smaaksensaties.
Maar als we drie van de vijf zintuigen louter vanwege dit ethische dogma negeren, zijn we roomser dan de paus. ‘Wat ging er door je heen?’ vragen we de Olympisch kampioen, en als we zijn antwoord opschrijven kraait er geen haan naar dat het gevoel van triomf oncontroleerbaar is.
Geur lijkt te zijn gemáákt voor verhalen. Geur biedt een sluipweg naar de ziel. Geur werkt zo sterk dat we het wóórd ‘mest’ al kunnen ruiken. Daar hebben we geen dampende koeienvlaai voor nodig.

Auteur: Henk Blanken

Journalist en schrijver. Mede-oprichter van de Verhalengarage. Was redacteur van Het Vrije Volk en de Volkskrant en adjunct-hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden. Publiceerde drie boeken over journalistiek, PopUp, Mediamores en het Handboek Verhalende Journalistiek. En drie andere boeken met literaire nonfictie: Hotel Almere, Je Gaat Er Niet Dood Aan en Beginnen Over Het Einde. Op het laatste na, dat bij De Correspondent verscheen, zijn de boeken uitgegeven door AtlasContact.

Geef een antwoord