Print Friendly, PDF & Email
Direct na de start op de Groesbeekseweg nemen ze afstand van alle andere lopers, de vier hazen van het NN Running Team.[ref]Rik Kuiper: Dit is een vrij atypisch begin voor een sportverslag in de maandagkrant. Meestal weet de lezer na kop en intro al wie er gewonnen heeft. Jij begint gewoon bij het begin van de wedstrijd. Waarom koos je ervoor om het anders te doen? En had je dat idee al voordat de wedstrijd begon?
Rob Gollin: Ik heb zo’n formule vaker toegepast, toen Annemiek van Vleuten deelnam aan de achtervolging tijdens het EK baanwielrennen in Berlijn bijvoorbeeld. Het sluimert altijd wel in het achterhoofd – ik hou van deze vorm, waarbij het verslag heen en weer gaat tussen een chronologie in de wedstrijd zonder onmiddellijke vermelding van de uitslag en aanvullende informatie. Dat kan het spannend maken. Maar je moet het altijd ook ineens kunnen loslaten. Als Cheptegei een wereldrecord had gelopen, had ik het waarschijnlijk toch anders opgeschreven. Dan is het toch vooral nieuws. Dan krijgt het stuk eerder een prominente plek voorin het sportkatern en een vette lead. Dan dwingt alleen al het format ertoe dat daarin het resultaat staat. Zelf vind ik het nogal rigide – regels zijn er soms ook voor om opgerekt te worden –  maar ik snap ook de overwegingen van een eindredactie wel. Een pagina moet ook in genres gevarieerd zijn. Maar ik heb de formule ook een keer gebruikt toen een polsstokhoogspringer onverwachts een bijzonder record haalde. Toen kon het wel. Wat het legitimeerde was dat het bijna een week later in de krant stond. Het stuk kreeg toen meer het karakter van een mini-reconstructie.[/ref] In hun kielzog Joshua Kiprui Cheptegei.[ref]RK: In de eerste zin al is er actie, beweging. Doe je dat bewust?
RG: Het is bedoeld als een bijdrage aan de poging de lezer zo snel mogelijk het verhaal in te trekken. Je moet natuurlijk snel de feiten vermelden, maar met de toevoeging van een beschrijving van een bewegend beeld, suggereer ik op z’n minst dat de lezer iets gaat meemaken.[/ref] De Oegandees is nog maar 21, maar hij won de Zevenheuvelenloop al twee keer. Hij is degene die het moet gaan doen zondagmiddag.

Met enig aplomb had de organisatie het aangekondigd: het zeven jaar oude wereldrecord op de 15 kilometer, 41 minuten en 13 seconden, moet er maar eens aan. De verwachting dat Cheptegei in staat is de grens te verleggen, stoelt meer nog dan de zeges in Nijmegen op zijn tweede plek op de 10.000 meter tijdens het WK in Londen, afgelopen augustus. Hij eindigde enkele seconden achter de keizer van de lange baan, de Brit Mo Farah. Hij is de coming man.[ref]RK: Hier, in de tweede alinea, zet je het verhaal op spanning: er moet een record gebroken worden. Hier zorg je ervoor dat de lezer het stuk ook wil uitlezen.
RG: Dat je in een sportverslag snel uitlegt wat er op het spel staat, lijkt me bijna een vereiste. Dat ging dus vanzelf.[/ref]

Er is een levend scherm voor hem opgetrokken om het tempo op peil te houden en hem uit de wind te zetten, zeker op de Zevenheuvelenweg, waar de noordwestelijke bries pal tegen staat en beschuttend herfstbos op afstand blijft. Twee atleten uit zijn land lopen mee, Abel Sikowo en Stephen Kissa, en twee Kenianen, Noah Kipkemboi en Victor Chumo. Een hazenlegertje  van een zeer behoorlijk kaliber, verzekerden de organisatoren vooraf.[ref]RK: Dit is stilistisch gezien een knappe alinea. Vooral dit ‘hazenleger’ is prachtig. Eigen vondst?
RG: Dank! Ik heb het niet verder nagezocht, dus bij geen tegenbericht komt het uit mijn koker. Maar het zal me niet verbazen als-ie al bestaat. Zelf vond ik ‘m op het randje. Ik heb een lichte aversie tegen woordspelingen.[/ref]

De praktijk is weerbarstiger. De eerste kilometers verlopen volgens schema – de eerste gaat zelfs in 2.35, veel sneller dan voorzien. Maar er is een prijs: twee van de vier gangmakers haken al af als het oker van het najaar het decor kleurt.[ref]RK: Fijn voor het verhaal: de eerste tegenslag. De hoofdpersoon krijgt het moeilijk.
RG: Dat helpt zeker. Het geeft reliëf aan het verslag. Maar het moet wel kloppen met het verloop van de wedstrijd, natuurlijk. Gelukkig was ik er getuige van, ik reed in een lullig treintje gevuld met fotografen en verslaggevers voor hem uit.[/ref]

Cheptegei is zelfverzekerd. Hij voelt zich dit jaar sterker dan ooit en de kennis van het parcours is in zijn voordeel. Bovendien, zegt hij,[ref]RK: Hier blijf ik even aan haken. Cheptegei is aan het lopen, en plotseling zegt hij iets. Zelf zou ik daar dan altijd een tijdsaanduiding bij zetten: ‘zei hij voor de wedstrijd’, ‘zal hij na afloop zeggen’.
RG: Ik ben hier al weer weg uit de scène in de wedstrijd. Ik beschrijf vervolgens hoe hij zelf naar deze wedstrijd heeft toegeleefd en welke ambities hij heeft. Dat staat los van de feitelijke gebeurtenissen op die zondagmiddag. Zeker, ‘zei hij voor de wedstrijd’ had de scheiding nog wat meer aangezet. Maar het maakt het ook wel een beetje log. Je moet het met mate inzetten. Verderop gebruik ik al ‘achteraf’. Het is niet nodig altijd alles maar te dateren.[/ref] 7 is hier een magic number. Het is de Zevenheuvelenloop, het huidige record is zeven jaar oud en het record van daarvoor dateert ook nog eens uit 2003, weer zeven jaar eerder. Hij neemt de poging uiterst serieus. Dat het op een wat minder courante afstand is, doet hem weinig. ‘Het is geweldig een record te hebben. Iedereen weet: dat doe je niet zomaar.’ In zijn gebeden, zegt hij, hoopt hij op meer records, eerst op de baan, dan op de marathon.[ref]RK: En hier krijgt de lezer weer hoop. Doe je dat bewust, dat de kansen groeien en slinken?
RG: Deze passage zegt volgens mij nog altijd vooral iets over zijn doelen en zegt niets over het moment. En je kunt natuurlijk niet kansen laten groeien en slinken omwille van het verhaal. Ze moeten ook in het echt groeien en slinken.[/ref]

Tot degenen die deze zondag Cheptegei c.s. al snel moeten laten gaan, behoort Leonard Komon, 29 jaar, Keniaan, en tot dan toe de houder van het wereldrecord uit 2010. Hij heeft er vrede mee als hij het deze dag zou kwijtraken. ‘Zo hoort het te gaan in de sport: nieuwe gezichten komen, andere gaan. It’s okay.’ Hij heeft er veel aan gehad. ‘Het maakt je beroemd. Iedere loper wil een record. Zo’n prestatie geeft je vertrouwen, je bent er trots op.’

Op het moment dat Cheptegei de Zevenheuvelenweg op draait en hij het meest steun zou moeten hebben van de hazen, loopt alleen Kipkemboi bij hem. Het duurt niet lang. De winnaar van het zilver in Londen oogt al snel eenzaam in de open vlakte, op zijn feloranje schoenen. Komon had het hem op het hart gedrukt: loop je eigen race. Zo had hij het ook gedaan, zeven jaar geleden.

Het is geen parcours waar je wereldrecords verwacht.[ref]RK: Mooi dat je ook nog achtergrondinformatie geeft, zoals hier. Dit stuk is meer dan alleen het verhaal van die recordpoging. Dat is fijn, want het geeft het verslag meer gewicht. Hoeveel research zit daar in?
RG: Voor een sportverhaal zijn altijd verschillende invalshoeken te verzinnen. Voor deze loop vonden we twee dingen interessant: wat is zo’n record op een weinig courante afstand eigenlijk waard en waarom wordt er kennelijk zo hard gelopen op een toch heuvelachtig parcours. Met die vragen ben ik de vrijdag voor de wedstrijd naar de persconferentie gegaan en kon ik na afloop de belangrijkste atleten en leden van de organisatie spreken. Verder verdiepte ik me in de statistieken van de vorige records en de vermoedelijke hoofdrolspelers.[/ref]Het gaat er geregeld omhoog, langs de Langenberg, de Vlierenberg en de Engelenberg, met 102 meter het hoogste punt onderweg. Dat het er geregeld toch zo snel gaat, hangt volgens directeur Ronald Veerbeek samen met het gunstige profiel: de laatste vijf kilometer zijn bergaf. Het ergste is dan achter de rug. Verloren tijd wordt hier goedgemaakt.

De zwaarte van de klimmen moet ook niet worden overdreven. Veerbeek: ‘We hadden hier Haile Gebrselassie een paar keer. Die zei: bergen? Welke bergen?’ Nee, misschien is er wel een veel belangrijker oorzaak van de goede tijden: er zijn maar weinig runs die het budget hebben om wereldtoppers uit te nodigen. De Zevenheuvelenloop heeft anderhalve ton aan startgeld beschikbaar.

Alleen en met de wind op kop lijkt het voor Cheptegei zondag uit te draaien op een vergeefse missie.[ref]RK: En weer een tegenslag.
RG: In dat treintje dacht iedereen dat hij het bij lange na niet ging redden. Hij was heel vroeg al zijn hazen kwijt. Het was ook op dat moment dat ik serieus begon te denken over de haalbaarheid van het verslag in deze vorm. Op de 10 kilometer gloorde er toch een sprankje verwachting, hij leek iets sneller te gaan lopen. Pas op de persconferentie na afloop bleek dat hij op dat punt al veel dichterbij het record zat dan wij vermoedden – wij kenden het precieze schema niet. Toen kon ik de wending in de race nog wat vetter aanzetten dan ik eerst had gedaan.[/ref] De achterstand op het recordschema loopt op tot 10 seconden. Maar op 10 kilometer klokt Cheptegei 27.44. Dan zijn er volgens het draaiboek nog maar vier seconden terug te winnen. Vanaf dat punt gaat het naar beneden, terug naar de Groesbeekseweg. Zal hier andermaal worden bewezen dat het profiel toptijden faciliteert?

Achteraf zei Cheptegei dat hij gedurende de wedstrijd er altijd in is blijven geloven.[ref]RK: Hier kies je voor een flash forward. Kun je uitleggen waarom je dat doet.
RG: Een eerlijk antwoord is dat ik het in eerste instantie simpelweg nodig had. Er moest nog iets komen tussen de scène van de plotselinge hoop en de scène van het resultaat. Maar wat ook woog: zo’n sprong in de tijd draagt bij aan de spanning. Het verhaal speelt zich ineens af na de finish en de lezer weet verdikkeme nóg niet of Cheptegei het gered heeft.[/ref] Hij was wel teleurgesteld dat de hazen snel pasten. Kipkemboi had hem tussen de 7 en 10 kilometer uit de wind moeten houden, maar na 7,5 was het al voorbij. Hij had al veel krachten verspeeld door eerder dan voorzien veel op kop te lopen.

Bij de finish durft de speaker het nog niet aan. Cheptegei is volgens hem op ‘weg naar een prachtige tijd’.[ref]RK: Dit is mooi. Het is dus echt spannend tot het laatst. Had je hier niet nog iets meer moeten vertragen? Zoiets: 100 meter voor de finish. Nog x seconden over. 50 meter. Hij zet nog even aan. 10 meter. De klok tikt door. Hij ziet het. Enzovoorts.
RG: Het is misschien een kwestie van smaak. Overdaad schaadt. Je moet niet de verdenking van effectbejag op je laden en het is geen live-verslag voor radio of tv. Het drama zit ‘m in die luttele drie seconden. Dat staat erin. Bovendien: als je bijna per strekkende meter gaat uitleggen wat er gebeurt, moet je precies zijn, vind ik. Vanaf de plek waar ik stond, had ik geen idee wat hij op 100 meter nog aan seconden over had.[/ref]’Gaat hij het halen?’ De atleet staart gebiologeerd naar de klok als hij de laatste restjes energie uit zijn benen perst. Op 41.13 weet hij dat het voorbij is. Drie seconden later komt hij over de finish. Geen wereldrecord, geen cheque van 50.000 euro.

Met een handdoek om de schouders loopt hij nog even door. Op zijn gelaat vechten ongeloof en teleurstelling om voorrang. Atletenmanager Jos Hermens snelt op hem toe en neemt liefdevol zijn hoofd in zijn handen. ‘Fantastische tijd, Joshua, fantastische tijd!'[ref]RK: Fijne uitspraak van de coach. Vooral vanwege het contrast tussen de teleurstelling van de atleet en het enthousiasme van de manager. Is dat ook waar je naar op zoek was?
RG: ‘Ik sta als het maar even kan bij de finish. Het is de plek waar de emotie het meest zichtbaar is. Cheptegei zwalkte wat doelloos rond, een beetje verdwaasd, omgeven door cameraploegen en fotografen. En ineens was daar Jos Hermens, die hem meteen uit de put probeerde te praten. Dat was een gelukje voor de observator. Welkome bijvangst.[/ref] Zie zijn winnende tijden hier: van 42.39 via 42.08 naar 41.16.

Ja, hij wil desgevraagd[ref]RK: Met dit woordje ‘desgevraagd’ lijkt de verslaggever om de hoek te komen kijken. Laat je daarmee zien dat jij die vraag gesteld hebt?
RG: Die vraag kwam van een collega. ‘Desgevraagd’ vond ik hier wel passen. Het woordje heeft hier zelfs meerdere functies. Het geeft aan dat hij ervan overtuigd moest worden dat hij best trots mocht zijn op zijn prestatie. Het illustreert ook de opening van een korte serie vragen die hij kreeg. En het maakt tegelijkertijd duidelijk dat hij ondanks de teleurstelling ons gewoon te woord heeft gestaan.
RK: Ik zou in zo’n geval dan waarschijnlijk die andere verslaggever als personage in mijn verhaal opvoeren: ‘Ja’, zegt hij tegen een verslaggever die hem opwacht, ‘ik ben best trots op mijn prestatie.’ Heb je dat overwogen?
RG: Nee. De vraag werd niet gesteld bij de finish, maar tijdens de persconferentie. Wie daar dan wat precies vraagt is meestal niet zo relevant. Ik vond ook dat ik weer weg moest uit de wedstrijdscène. Deze alinea is bedoeld voor de weergave van zijn terugblik, zo’n uur na de wedstrijd. Dan zijn de heftigste emoties meestal al verwerkt. Dat levert vaak net weer een ander beeld op.[/ref] best trots zijn op de progressie. En ja, als de gelegenheid zich voordoet, komt hij volgend jaar graag terug, van een aanval op een wereldrecord heeft hij bepaald nog niet genoeg. Maar of het elke keer zo spannend moet zijn, daar is hij nog niet over uit.[ref]RK: Tot slot: hoe voorkom je dat je zo’n spannend geschreven wedstrijdverslag inlevert en dat de eindredactie in kop of intro de uitkomst weggeeft? Schrijf je iets boven je tekst? Bel je de eindredacteur nog even op?
RG: Nee, meestal gaat het wel goed. Op sport zitten doorgaans ervaren mensen aan de knoppen die het karakter van het stuk wel aanvoelen. Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik ’s avonds op zoek naar zekerheid toch geregeld in het opmaaksysteem gluur.[/ref]

Door Rob Gollin