Uitgelicht

Gay Talese en de mooiste zin ever

Gay Talese, bijna 90, geniet de reputatie van ‘beste journalist aller tijden’ en zijn legendarische verhaal over Frank Sinatra geldt als ‘beste verhaal’ dat ooit in Esquire verscheen. Henk Blanken, groot en ongeneerd fan, vond de mooiste zin ooit, al dacht Talese daar anders over,

HHoe in hemelsnaam flikte Gay Talese het? Waar en wanneer schreef hij die overrompelende zin? Onderweg uit Los Angeles? Of pas thuis in New York? En kwamen de 130 woorden pijnloos op papier, het zwoele ritme, dat suggestieve rijm, de hilarische climax?
Hoeveel bloed, zweet en tranen stak Talese in die ene sleutelzin over Frank Sinatra? Wat herinnert de nu 89-jarige schrijver zich er nog van, Talese, zoon van een geëmigreerde Italiaanse kleermaker die in 1953 als loopjongen bij The New York Times begint, na zijn diensttijd terugkeert als sportverslaggever en tien jaar later zowat solo de Amerikaanse journalistiek op de schop neemt… hoe schreef hij die zin, en de 445 andere zinnen voor het verhaal waarmee hij zijn naam vestigde, een legende werd, volgens velen de ‘beste journalist ooit’?
Waar hij die zin vandaan haalde?
Talese reageert hoffelijk als mijn vraag hem via-via bereikt. In 1965 is hij van The Times overgestapt naar Esquire. Dat maandblad bood het jaarsalaris dat hij al had (‘15.000 dollar, toen een respectabel bedrag’), maar Talese wil langere verhalen schrijven en daar meer tijd voor krijgen. ‘En nu hoefde ik maar zes stukken per jaar te maken.’
Een van die verhalen moet over Frank Sinatra gaan. ‘Ik vond het leuk om DiMaggio te doen (Joe, de honkballegende) en ook Ali (Mohammed, de bokser). Maar wat kon ik nog toevoegen aan de honderden en nog eens honderden artikelen die al over Sinatra waren geschreven?’
Met tegenzin vliegt Talese naar Los Angeles. Er is een deal: Esquire garandeert Sinatra een exclusief cover-verhaal dat NBC’s tv-productie Sinatra – een man en zijn muziek moet promoten, terwijl de zanger zelf belooft zich beschikbaar te houden voor een interview.
Talese: ‘Dat interview is er nooit gekomen. Waarom? Ten eerste was Sinatra verkouden. En ten tweede had zijn advocaat vernomen dat CBS-TV van plan was Sinatra’s banden met de maffia te onthullen.’
Sinatra’s advocaat eist vóór publicatie inzage in het stuk zodat hij ‘ongepaste verwijzingen naar de georganiseerde misdaad’ kan schrappen. Talese weigert. Een impasse volgt. Wekenlang wordt Talese uit de buurt van Sinatra gehouden.
De schrijver, die van hanging around zijn modus operandi maakte, blijft in LA en interviewt acteurs die met Sinatra in films speelden, hij spreekt met Sinatra’s kapper, zijn kleermaker en de dame die on tour Sinatra’s haarstukjes draagt.
Talese: ‘Een gesprek met Sinatra was niet langer belangrijk. In feite was het een voordeel… wat kon ik vragen dat niet al honderd keer was gevraagd? En ik zou standaardantwoorden krijgen.’
Terug in New York schrijft hij een profiel van 15.138 woorden.
Hoe?
Talese: ‘Eerst met potlood, vervolgens met een pen op een geel, gelinieerd blocnote, en ten slotte op de typmachine. Opnieuw en opnieuw… tot ik het niet nog beter kon formuleren.’
Frank Sinatra Has a Cold geldt nog steeds als verplichte lectuur voor elke journalist die iets wil begrijpen van storytelling of new journalism. En de mooiste zin in ‘het beste literaire non-fictieverhaal van de twintigste eeuw’ (dixit Vanity Fair) moet toch, zou je zeggen, in de buurt komen van de beste zin ooit…
Talese: ‘Dat verhaal kwam vrij gemakkelijk. De woorden waarnaar je verwijst, vielen me gewoon in. Is het de mooiste zin die ik ooit schreef? Ik betwijfel het.’
En dan zegt Gay Talese, de ene liefhebber tegen de andere: ‘Als je voorbeelden zoekt van beter schrijven: een lange, lange zin waarin ik in een restaurant naar een diner kijk, hoe aan een ander tafeltje een stuk vis gegeten wordt… staat in Knopf’s hardcover editie van A Writer’s Life, p. 71.’

Uitgelicht

Toine Heijmans: ‘Ik kom later wel terug’

Een ‘gesprek’ moest het worden, geen interview. Hoe je dat doet? Zet twee aan schrijven verslingerde journalisten – Toine Heijmans en Henk Blanken – op een zonnig terras aan de Lek, en ze praten uren. Over vertellen en hoe dat moet.

Toine Heijmans zou eerst naar Haren komen. Hij zag wel ‘een stukkie’ in de man die na tien jaar parkinson ook zijn laatste freelancebaan als journalist, correspondent ‘dood en aftakeling’ bij De Correspondent, eraan gaf. Door corona kwam het er niet van.
Toen verscheen Heijmans’ derde roman, Zuurstofschuld, het verhaal over twee klimvrienden die hun dromen najagen op ‘achtduizenders’, de ijzingwekkende toppen in de Himalaya. Een verpletterend boek van een meesterlijke stilist.
Voorbeeld.
Het slothoofdstuk, waarin de protagonist Walter tijdens zijn laatste klim in een tentje storm en kou trotseert, begint met dit zinnetje: ‘Een wekker gaat af.’
Niet: Dé wekker gaat af.
‘Een’ wekker werkt bevreemdend, alsof Walter een heel nest eierwekkers met zich meezeult. Toch wordt Walters desoriëntatie, waar ben ik, wat doe ik hier, voelbaar van dat ene woord.
Toine Heijmans, lyrisch: ‘Lidwoorden! Man! Daar kun je zoveel mee doen.’
Bijna taalverliefd benoemt Toine Heijmans – die in zijn studententijd ook klom, maar nooit hoger kwam dan zesduizend meter – de attributen van dat geklauter: opgewreven ijsbijlen en ijsboren, karabiners, nuts en cams en snargs, klimtouwen. Om dan weer met een karig elliptisch zinnetje Walters angsten op te roepen: ‘Hierboven blijven. Een tent opzetten, sneeuw smelten, de rest van mijn leven afwachten.’
HB: ‘En wat ook goed werkt: je herhalingen. Walter en Lenny laat je We mountain roepen, de strijdkreet waarmee ze elkaar oppeppen. Wat eerst nog overmoedig klinkt – wat kan ons nou gebeuren, we mountain – wordt tegen het einde om te janken zo tragisch.’
TH: ‘Dat is een literaire techniek, maar het werkt ook goed in de krant. Ik ben afgestudeerd op propagandatechnieken in dagbladen van 1903. Herhaling was een van de belangrijkste technieken om het er bij de lezers in te hameren.’
HB: ‘In de journalistiek is het taboe.’
TH: ‘Omdat het snel te veel wordt.’
HB: ‘Als ik een boek schrijf, zoek ik telkens naar elementen die ik kan herhalen, of waarop ik kan variëren. Van die motieven wordt je verhaal hechter, het trekt de compositie samen, alsof je een broekriem aanhaalt.’
TH: ‘Zo moet het. En alle bijvoeglijke naamwoorden moeten eruit.’
HB: ‘En ‘erg’. En ‘veel’. En ‘heel’.’
TH: ‘Kunnen allemaal weg.’

Toine Heijmans (Nijmegen, 1969) studeerde geschiedenis, ging ‘mijlen maken’ bij de Arnhemse Courant (‘ik schreef een zomer lang elke dag drie of vier stukken’), en kwam in 1995 naar de Volkskrant. Na vier jaar eindredactie schreef hij als verslaggever vooral over immigratie en asielzoekers en deed hij vijf jaar het plaatsvervangend chefschap erbij.
2007: chef reizen.
2010: terug naar de verslaggeverij.
Sinds 2015 schrijft hij twee keer in de week de ‘verslaggeverscolumn’ (net als Ariejan Korteweg en Margriet Oostveen). Rijdt er het hele land voor door, die column, vijftigduizend kilometer per jaar – en bij elke grote beurt voor zijn lease-auto telt hij zijn zegeningen.
‘Wie krijgt er nou zoveel tijd en ruimte? Voor twee stukken in de week? Toch blijft het een worsteling. Een stuk dat zichzelf schrijft? Ik haat die uitspraak. Het gaat nooit vanzelf. De eerste versie is altijd 1200 woorden. Dat moet terug naar 720. Maar ik moet niet klagen. Kan zelf bepalen waarover ik schrijf, meestal onderwerpen die anderen laten liggen – die vrijheid is heel lekker.’
HB: ‘Kom je niet te veel uit bij de marges van het nieuws?’
TH: ‘Daar heb ik me altijd prettig bij gevoeld. Ik wil niet in Den Haag werken. Interessant hoor, al dat gedoe, en iedereen heeft het erover. Maar…
HB: ‘… jij houdt niet van dat kluitjesvoetbal.’
TH: ‘Ik vind het leuker na drie weken bij de boeren op de koffie te gaan die bij Rob Jetten voor de deur stonden. Ik kom later wel terug.’

In NRC vertelde Toine Heijmans dat hij aan Zuurstofschuld begon omdat hij in een depressie zat. Drie kinderen, een vrouw met een baan als arts, zelf columnist bij de Volkskrant, bestseller geschreven (zijn debuutroman Op zee, in Frankrijk bekroond met de prestigieuze Prix Médicis Etranger), een huis in Amsterdam-IJburg met een bootje ervoor, en je toch afvragen of je wel de goede keuzes hebt gemaakt, of je überhaupt wel keuzes hebt gemaakt. ‘Ik denk dat veel mensen van mijn leeftijd dat voelen, je kijkt ineens meer achterom dan vooruit. En altijd maar doorgaan helpt ook niet echt.’
HB: ‘Zuurstofschuld werd een boek over vriendschap en hoe die zin geeft aan het bestaan. Heeft dat geholpen tegen de depressie en de angst?’
TH: ‘Het schrijven van dat boek hielp niet. Walter was eerst een hele boze vervelende man. Ik kon er mooi mijn frustraties in kwijt, maar uiteindelijk werkt dat niet en ging hij gelukkig toch een eigen leven leiden. Wat wel hielp: een goede psycholoog en twee beste vrienden. En ja, het boek gaat over schuld, maar vooral ook over het schuldgevoel naar jezelf. Dat je het anders had moeten doen in je leven.’
HB: ‘Dat ik die roman lees als een verhaal over schuld zegt misschien meer over mij. Altijd haast, altijd maar achter de muziek en het nieuws aan. Ik had dat anders moeten doen, maar kon en wilde dat niet. Hoe doe jij dat? Hoe combineer jij een drukke baan en een gezin met drie pubers, met het schrijven van fictie?’
TH: ‘Door ultraflexibel te zijn, dat leer je wel als verslaggever, een dag is nooit zoals ik me die had voorgesteld. En door niet meer alle tijd in de krant te steken maar ook in andere dingen. Is ook beter voor de krant. Het is lastig. Af en toe weggaan om te schrijven is ook heel heilzaam, gelukkig vindt mijn gezin dat prima. Je moet dag en nacht bezig kunnen zijn met een boek, erover dromen, dat werkt het efficiëntste.’
HB: ‘Nu ik ermee gestopt ben, vraag ik me af waarom ik ooit journalist geworden ben. Niet omdat ik de wereld wilde verbeteren, zo diep doordacht was mijn linkse engagement niet. Eigenlijk kon ik maar één ding: een stuk schrijven dat lekker liep.’
TH: ‘Wanneer vertrok je bij de Volkskrant?
HB: ‘In 2003. Om adjunct-hoofdredacteur te worden bij Dagblad van het Noorden. Acht jaar spijt van gehad. Ik was niet zo’n goeie adjunct. Niet zo goed met mensen.’
TH, lachend: ‘Dat lijkt me voor die baan toch wel een voorwaarde.’
HB: ‘Waarom doe jij het eigenlijk, al dat geploeter? Je had ook geschiedenisleraar kunnen worden.’
TH: ‘De vrijheid, toch. Dat hebben journalisten gemeenschappelijk met romanschrijvers. Dat je onafhankelijk mag zijn. De journalistiek is één van de weinige plekken waar je nog gewoon… kunt twijfelen. Verder heb ik geluk gehad. Dat ik een uitgever heb. Dat de krant me steunt: ik kon drie maanden onbetaald verlof krijgen om dat boek af te maken. Ze hadden ook kunnen zeggen: Doortikken jij, want dat moet van de cao.’
HB: ‘Toen je begon met fictie deed je veel moeite om het schrijven daarvan en van non-fictie uit elkaar te houden, uit vrees dat de fictie je journalistieke werk zou besmetten. Zitten die twee elkaar nog altijd in de weg? Welke invloed hadden je romans op je journalistiek? En andersom?’
TH: ‘Heel veel. Voor romans is de journalistiek een vat van ervaringen en inspiratie. Al die mensen, al die gebeurtenissen – voor de krant was ik in Caïro tijdens de rellen op het Tahirplein, later is dat ook een scène in Pristina geworden. Voor de columns kan ik veel vrijer schrijven dankzij de boeken. Het beïnvloedt elkaar continu. En tegelijk ben ik veel scherper op de feiten in mijn columns, daar mag niets verzonnen zijn.’
HB: ‘Ik vertel bij mijn cursussen altijd dat schrijven begint met lezen. Met bewonderend lezen. Jij bent, las ik, dol op James Salter – de Amerikaanse schrijver van Light years en All what is. Een heel groot stilist.’
TH: ‘Jaaah. Salter. Maar ook Tommy Wieringa – zoals hij in De heilige Rita in een paar zinnen de hoofdpersonages neerzet… Het moet ook niet te kaal zijn. Of Maarten Biesheuvel… het mag ook vreemd zijn.’
HB: ‘En als het om het compromisloze schrijverschap gaat: Jeroen Brouwers. Zo moet het. Met zoveel overgave en passie.’
TH: ‘Ik heb net Cliënt E. Busken gelezen. Daar staat geen slechte zin in. En geen woord te weinig of te veel. Wat een schrijver.’
HB: ‘Journalisten zijn niet dol op de narratieve vorm met een mooie spanningsboog. Snap jij iets van die schuchterheid?’
TH: ‘Ik weet het niet. Je ziet wel dat alles steeds korter moet. En dat we het nieuws in geformatteerde stukjes hakken. Dat vind ik een slechte ontwikkeling. Gelukkig is de longread nu weer in trek, zoals Liefdesbrieven van een kampbeul, van [Volkskrant-collega] Rik Kuipers.’
HB: ‘Ik hou van dat soort journalistieke verhalen. Omdat er iets in gebeurt. Omdat er handeling wordt beschreven. Dialoog in voorkomt. Wat doet handeling voor jouw columns?’
TH: ‘Als ik ergens ben, schrijf ik alles op. Een notitieblok vol. Details kosten ruimte, maar helpen de lezer daar neer te zetten waar je hem wilt hebben.
‘Het zoeken van feiten is nog steeds het allerhoogste, er gaat niets boven een primeur. Vroeger wilde je als verslaggever de één halen. Opening krant. Daar is niemand meer mee bezig, Nu wil je geretweet worden. Het gaat erom wat je teweegbrengt.’

Henk Blanken (Rotterdam, 1959) werkte voor Het Vrije Volk, de Volkskrant en Dagblad van het Noorden. Hij schreef drie boeken over journalistiek, en twee over ‘dood en aftakeling’.

Uitgelicht

Vis in de krant stinkt niet

Tien columns vergezellen de 101 tips over schrijven die komend jaar in Villamedia en hier verschijnen. Dit is de eerste.

Vis in de krant stinkt niet.
Ook als de tonijnkoppen op een tropisch strand wegrotten en je de ranzige walm van ontbinding zowat kunt aanraken, schrijven journalisten er liefst geen letter over.
Honderd meter verderop zijn ze al vergeten hoe behendig de Caribische vissers, gebogen boven een schilferend tafelblad, hun vangst fileren. Maar de geur van bederf zal nog dagen in de branding van hun herinnering dobberen.
Geur blijft hangen. Meer nog dan smaak. En smaak weer meer dan ‘hoe iets voelt’ (de tactiele ervaring). Geur doet iets geks met je herinnering. Geur roept heftige gevoelens op.
De geur van vers zweet heet lustopwekkend te zijn. De petroleumstank van asfalt dat bakt in de blakende julizon roept bij mij een jaren-zestig-vakantie aan de kust in Zeeland op. Volgens neurologen komt dat – de sterke associaties bij geuren in het algemeen, niet per se mijn Zeeuwse kust) doordat geuren in dezelfde limbische kwab van je hersenen worden vastgelegd als waar je emoties ‘geregeld’ worden en je langetermijngeheugen huist.
Geur doet iets geks met je herinnering
De afgelopen jaren, nadat ik met Wim de Jong het Handboek Verhalende Journalistiek schreef, heb ik journalisten van bijna alle kranten en opinietijdschriften in Nederland uitgelegd wat een ‘verhalend verhaal’ is. In gastcolleges op universiteiten en hogescholen liet ik studenten snuffelen aan ‘narratieve journalistiek’ – wat een spanningsboog kan doen voor de complexe reconstructie van een fraudezaak, waarom je dikwijls beter kunt vasthouden aan een eenmaal gekozen point of view en al je zintuigen moet gebruiken – niet alleen wat je ziet en hoort, maar ook hoe het voelt, smaakt en ruikt.
Honderden journalisten heb ik ernaar gevraagd: ‘Beschrijf je wel eens hoe iets ruikt? Een brand? De mestfraude? Handjeklap in de Tweede Kamer?’
Daar vroeg ik ze wat.
De meesten wisten het niet, eigenlijk.
Ervaren verslaggevers, journalisten met een gekende reputatie als ‘schrijver’ of – god-sta-ze-bij – ‘mooischrijver’, de verslaggevers van lenige zinnen en muzikale metaforen, verzekeren mij ervan dat ze uiteraard al hun zintuigelijke waarnemingen in een verhaal stoppen.
De meesten vergissen zich.
‘In welk verhaal,’ vraag ik terloops, ‘deed je dat voor het laatst?’
Meestal blijft het dan benard stil.
‘Of smaak?’ probeer ik nog ‘Beschrijf je wel eens wat je proeft?’
Ze kunnen zich ook dat niet heugen.

Waarom negeren journalisten zo opzichtig geur en smaak?
In de strenge ethische opvatting over het vak moet journalistiek eerst en vooral controleerbaar zijn. Dat is bij geur en smaak lastig; die deel je niet zo gemakkelijk met anderen (wel de bron, het parfum of potje marmelade, niet de ervaring zelf). Beeld en geluid kunnen we met audiovisuele hulpmiddelen wél overdragen. Daardoor lijken ze betrouwbaarder dan geur- en smaaksensaties.
Maar als we drie van de vijf zintuigen louter vanwege dit ethische dogma negeren, zijn we roomser dan de paus. ‘Wat ging er door je heen?’ vragen we de Olympisch kampioen, en als we zijn antwoord opschrijven kraait er geen haan naar dat het gevoel van triomf oncontroleerbaar is.
Geur lijkt te zijn gemáákt voor verhalen. Geur biedt een sluipweg naar de ziel. Geur werkt zo sterk dat we het wóórd ‘mest’ al kunnen ruiken. Daar hebben we geen dampende koeienvlaai voor nodig.

Uitgelicht

Rik Kuiper en het misbruik van Sophie: Oef, wat is dit ingewikkeld

Sophie van drie vertelde haar ouders dat David op de kinderopvang… ja, wat eigenlijk? Wat begon als een mogelijk misbruikverhaal werd een fascinerend staaltje zelfonderzoekende meta-journalistiek. Of zoals Volkskrant-verslaggever Rik Kuiper het noemt: een mozaïekvertelling die de lezer in verwarring achter moet laten.

Maanden lang werkte Volkskrant-verslaggever Rik Kuiper aan het verhaal van Sophie. Hij sprak met tientallen betrokkenen en specialisten en schreef ten slotte een van de langste verhalen die zijn krant ooit publiceerde. ‘Maar zonder spanningsboog had geen lezer die 15 duizend woorden uitgelezen.’

Rik Kuiper – die nu vertrekt bij De Verhalengarage, de site die hij mede bedacht – houdt van vertellen. Gegrepen door de lessen van de Amerikaanse goeroe van het genre, Jon Franklin, publiceerde hij nog als freelancer in Volkskrant Magazine de archetypische vertelling over de band tussen een oude man en een jonge vrouw.

Wie er gevoelig voor was, begreep dat dit eigenlijk een tijdloos liefdesverhaal was, een variatie op het thema van The Beauty and The Beast. Het leverde Rik Kuiper een vaste baan bij de Volkskrant op.

Rik, we kunnen er niet omheen. De nachtmerrie van Sophie, op 12 september verschenen, moet met dik vijftienduizend woorden het langste verhaal zijn dat in tijden en misschien wel ooit in de Volkskrant is afgedrukt. Verdeeld over dertien pagina’s van het Zaterdag-katern, in vijftig hoofdstukken. En dat voor een misbruikzaak die – zullen sceptici zeggen – nooit bewezen is. Wanneer tijdens je maanden van onderzoek wist jij dat dit een heel lang stuk kon worden?
RK: Of dit het langste stuk in de geschiedenis van de krant is, weet ik niet. Misschien dat het interview met prins Bernhard, dat de krant na zijn dood in een apart katern publiceerde, meer woorden telde. Maar dat heb ik niet nagezocht.

Het verhaal vroeg wel om uitgebreid wederhoor, meer dan zo’n plichtmatig kadertje

Dit verhaal kwam in december 2018 op mijn pad. De ouders benaderden de krant omdat ze misstanden aan de kaak wilden stellen. Met een jongere collega ben ik met ze gaan praten. Wat ze zeiden klonk interessant. Ze hadden van hun 3-jarige dochter gehoord dat een medewerker van het kinderdagverblijf mogelijk zijn piemel had getoond. De ouders maakten er melding van, waarna ze zich door het kinderdagverblijf, de politie, Veilig Thuis en de gemeente slecht behandeld voelden.

Hun verhaal vroeg wel om uitgebreid wederhoor, vond ik. Meer in ieder geval dan het plichtmatige kadertje dat je soms onderaan beschuldigende verhalen ziet, zo’n kadertje dat niet veel meer vermeldt dan dat de politie/de verdachte/het betreffende bedrijf zich na het lezen van een conceptversie van het verhaal ‘niet in het geschetste beeld herkent’.
Eerst vroeg ik het kinderdagverblijf om een reactie. Ik verwachtte er niet veel van, omdat de directeur nooit veel in de regionale pers had verteld. Maar ze belde al snel op. Ja, ze was bereid haar te verhaal doen. Toen bedacht ik dat het mooi zou zijn een reconstructie vanuit zo veel mogelijk perspectieven te maken. Zo zou ik kunnen laten zien voor welke dilemma’s elke partij komt te staan bij een melding van grensoverschrijdend gedrag bij een jong kind. Daarvoor moest ik dus ook weten hoe de politie, het OM en de gemeente te werk waren gegaan. En hoe de vermeende dader terugkeek. Daarmee zou dit stuk wel iets langer worden dan een regulier stuk.
Overigens wilden de betreffende medewerker, de politie en het OM niet uitgebreid op de zaak ingaan. De gemeente stond pas een interview toe nadat ik via een wob-verzoek alle documenten over de zaak had opgevraagd. Die documenten gaven me enig inzicht in de werkwijze van de instanties – wat essentieel was voor het verhaal.

Ik heb nooit de illusie gehad dit wel even op te lossen

Heb je in het begin gedacht dat je de misbruikzaak hard zou kunnen krijgen? Wanneer wist je dat het geen hard-nieuws-verhaal zou worden, maar iets anders?

RK: Ik heb nooit de illusie gehad dit wel even op te lossen. In zulke zaken met jonge kinderen is schuld nauwelijks te bewijzen zonder getuigen, beeldmateriaal of een bekentenis. Onschuld bewijzen is al helemaal onmogelijk. Gek genoeg was het voor het verhaal dat ik van plan was te vertellen ook niet eens zo belangrijk om die vraag te beantwoorden. Ik wilde juist laten zien wat de gevolgen zijn als er zo lang onduidelijkheid blijft bestaan.

Uiteindelijk gaat ‘Sophie’ niet over het misbruik van een 3-jarig meisje door een mannelijke medewerker van een kinderopvang in Oosterbeek, maar over de ontwrichtende werking van het verhaal dat mensen elkaar vertellen.
RK: Ja, daar gaat het over. En in dit geval betreft het ook nog eens een verhaal dat appelleert aan de grootste angst van veel ouders: dat hun kind misbruikt is. Dat roept al gauw heftige emoties op – en dat is zeer begrijpelijk.
Vanwege die emoties gaat zo’n verhaal ook makkelijk rondzingen in een gemeenschap, met alle gevolgen van dien. In het beste geval draagt dat bij aan de waarheidsvinding: er komen nieuwe meldingen bij, waardoor de politie meer bewijs heeft tegen een dader. In het slechtste geval ontstaan nieuwe verhalen, die niet per se waar hoeven te zijn. Bijvoorbeeld doordat ouders hun kinderen verkeerd ondervragen.

Dit verhaal gaat ook over onzekerheid en hoe mensen daarmee omgaan

Voor mij gaat dit verhaal overigens ook over onzekerheid en hoe mensen daarmee omgaan. De ouders willen dat alles tot in detail uitgezocht wordt. Politie en OM staan daar noodgedwongen pragmatischer in, omdat ze geen onbeperkte capaciteit hebben. Dat zorgt voor spanning en onbegrip. Door de wat onbeholpen communicatie van vrijwel alle partijen werd het er niet beter op.

Natuurlijk gaat het dan ook over de pers. Hoe andere media erover hebben bericht. En over jouw eigen berichtgeving. Kun je vertellen op welke momenten, hoe en waarom deze ethisch-journalistieke vragen opspeelden?
RK: De belangrijkste was: hoe ga ik in het verhaal om met de betreffende medewerker? Wie beschuldigd wordt van kindermisbruik komt daar zijn hele leven niet meer vanaf. Het was dus belangrijk deze man niet herkenbaar op te voeren, zeker omdat de politie en het OM hem nooit als verdachte hebben aangemerkt en experts waarschuwden dat er mogelijk sociale besmetting was opgetreden. Ik besefte dat het goed mogelijk was dat deze man niets verkeerd gedaan had. Dat bracht een verantwoordelijkheid met zich mee.
Het doel van dit verhaal was ook niet om voor eens en voor altijd te bewijzen dat deze man schuldig of onschuldig was. Ik wilde vooral laten zien hoe complex zo’n zaak is. Toch ontkwam ik er niet aan de verontrustende signalen in deze kwestie op te dienen. Ik moest bijvoorbeeld uitgebreid beschrijven waarom de ouders de medewerker verdacht vonden. Anders zou de lezer niet begrijpen waarom ze zo’n felle strijd voerden. Daardoor ontstond wel het gevaar dat het verhaal één kant op zou gaan hellen. En dat wilde ik niet. Het moest in balans zijn. Er moest ook voldoende aandacht zijn voor de ontlastende zaken.
Dat maakte dit verhaal tot evenwichtskunst. Een suggestieve zin te veel kan betekenen dat ik lezers dwing te denken dat David schuldig is. Te veel waarschuwingen van wetenschappers en de lezers denken dat de ouders maar wat gefantaseerd hebben. Beide uitkomsten vond ik onwenselijk.

Ik kan me niet herinneren ooit een journalistiek verhaal te hebben gelezen waarin een relevante maar niet wereldschokkende zaak zo minutieus is uitgezocht en van alle kanten belicht. Ik bedoel: The School van de Amerikaanse journalist CJ Chivers is zeventienduizend woorden lang, telt een stuk of dertig scènes en volgt de gijzeling van acht primaire personages tijdens de gijzeling in Beslan. Niet alleen had Chivers een veel groter onderwerp, maar ook had hij veel meer materiaal, getuigenissen van mensen die over de verschrikkingen vertelden. Jij moest het doen met de onduidelijke verklaring van een driejarig kind. Heb je niet af en toe gedacht: ik wou dat ik hier nooit aan begonnen was?

Ik heb wel eens gewild dat ik er nooit aan begonnen was

RK: Dit zijn inderdaad veel woorden voor een relatief kleine zaak, waarbij ook nog eens onduidelijk is of er nu daadwerkelijk iets gebeurd is. Maar uiteindelijk was dat ook juist wat deze kwestie interessant maakte: die onzekerheid bij alle partijen, het gebrek aan harde bewijzen, de suggestie die soms moeilijk te ontkrachten viel. Daardoor ontspon zich een heel subtiel verhaal.
En ja, ik heb inderdaad wel eens gewild dat ik er nooit aan begonnen was. In eerste instantie kwam dat doordat ik van steeds meer details het belang ging inzien. De rechercheurs die benadrukten hoe druk ze het hadden. Moest erin. Zo’n onaardig zinnetje over juridische dreiging in een brief van het kinderdagverblijf. Moest er ook in. Enzovoorts. Al die kleine bouwsteentjes waren nodig om te kunnen begrijpen waarom de ouders deden wat ze deden. Maar zou ik ooit de ruimte krijgen om een verhaal te maken waar dat allemaal in paste?
Ook in de laatste fase had ik veel slapeloze nachten. Ik liet betrokkenen de tekst nalezen, wat tot veel discussie leidde over details.

Na laten lezen leidt altijd tot gedoe. Kun je een voorbeeld geven? En wat liet je ze lezen? Het hele verhaal of – ook niet ongebruikelijk – alleen de informatie die je van die betrokkene kreeg en gebruikte?

RK: Ik heb alle betrokkenen het hele verhaal voorgelegd. Dat leverde inderdaad veel discussie op, vooral omdat de ene partij dan vond dat de ander te veel ruimte kreeg. Over sommige passages hebben we lang gediscussieerd. Op de details ga ik hier liever niet in.

Wat waren de reacties op de krant, voor het verscheen en daarna?
RK: Het verbaasde me uiteindelijk hoe makkelijk de krant ruimte maakte voor dit enorme verhaal. Chefs waren er allemaal enthousiast over, nadat ze het gelezen hadden. Meerdere mensen vertelden me dat ze niet in de gaten hadden gehad dat het zo lang was. Er is heel even discussie geweest of het in twee delen de krant in moest, maar uiteindelijk is dat gelukkig niet gebeurd. Achteraf kreeg ik ook vooral positieve reacties, al vond een enkeling het veel te lang voor een krantenartikel.

Ik verwijs vaak naar verhalende reportages van jou omdat niemand in Nederland het genre zo beheerst als jij. Maar heb je bij dit verhaal, bij de research en het schrijven, veel gehad aan narratieve technieken? Wat precies?
RK: Ja, daar heb ik heel veel aan gehad. Had ik de spanningsboog niet op orde gehad, dan zou de krant dit nooit gepubliceerd hebben, dan leest niemand zo’n verhaal uit. Uiteindelijk werkte ik twee verhaallijnen tot in detail uit: het verhaal van de ouders en het verhaal van de directeur van het kinderdagverblijf. Ik wissel scènes uit die verhaallijnen af met achtergrondinformatie en interviews met betrokkenen en deskundigen. Op die manier bouwde ik een mozaïekvertelling. Ik hoopte daarbij dat de lezers de ene keer meegesleept zouden worden door de standpunten van de een en even later weer door die van de ander. Zodat ze uiteindelijk in verwarring zouden achterblijven, net zoals veel betrokkenen in deze zaak. Ze moesten denken: oef, wat is dit ingewikkeld.

Wat zijn de grootste problemen die je tegenkwam bij dit verhaal? De duur van het onderzoek? Een tegenlezer die nog begreep waar je mee bezig was? Hoe je bronnen aan het praten kreeg?
RK: Het grootste probleem was de al eerder genoemde balans. Als verteller bepaal ik welke feiten, verdachtmakingen en ontlastende zaken ik de lezers opdien. Ik dek de tafel waar de lezers aanschuiven en hun meningen vormen. Daar moest ik me te allen tijde van bewust blijven. Verder: de enorme hoeveelheid informatie. Het verhaal had nog drie keer zo lang kunnen zijn. Ik moest indikken en doseren, zonder daarbij de grote lijn geweld aan te doen. En praktisch was dit nog lastig: zo’n complex project draaien tussen mijn andere werkzaamheden door.

Toen Freek Schravesande in NRC een complete bijlage (zeventienduizend woorden) vulde over Ria, een vrouw die decennia terug vermist raakte, schreef ik dat het lange-lange verhaal nu definitief zijn plek gevonden had in de dagbladen. Het dogma was gebroken. Hoe zie jij die ontwikkeling na Sophie?
RK: Van een definitieve doorbraak van het echt lange verhaal is nog geen sprake, denk ik. Na ‘Ria’ heeft NRC ook niet meer zulke lange stukken gepubliceerd. Mijn ‘Sophie’ was ook vooral nog een experiment, een voorzichtige eerste stap. Bij de krant onderzoeken we momenteel wel wat we kunnen leren van bijvoorbeeld Netflix. Mensen bingen documentaires als Tiger King of Chernobyl. Kunnen wij dat als krant ook, met geschreven reportages? En zo ja, hoe dan? Tegelijkertijd zie ik wel dat de Volkskrant geregeld reportages van vijfduizend woorden of meer publiceert. Neem het prachtige Mississippi Hanging bijvoorbeeld, waarmee Michael Persson in 2020 een Tegel won.

Buiten Nederland zijn vervolgverhalen heel gewoon. Waarom zou dat bij ons zoveel weerstand oproepen?

RK: Voor een vervolgverhaal zijn trouwe lezers nodig. Je gaat aflevering 2 en 3 niet gauw lezen als je aflevering 1 gemist hebt. Voor de papieren krant kan dat een probleem zijn. Je biedt een groot verhaal aan waarvan een groot deel van de lezers eerdere delen gemist hebben. Dat kan ergernis opwekken.

Op internet speelt dat natuurlijk allemaal geen rol meer. Daar kan iedereen op elk moment beginnen met deel 1.

Ik hoop zelf dit jaar een historisch vervolgverhaal af te maken, dat vermoedelijk zal bestaan uit vijf delen van 3000 woorden. Dat is erg leuk, omdat het weer om een andere opbouw vraagt dan één lang verhaal van 15.000 woorden. We experimenteren er dus wel mee.

En de verhalende journalistiek in engere zin? Heeft dat genre vaste grond onder de voeten? Zie jij meer pur sang vertellers?
RK: Ik merk dat de Volkskrant er ruimte voor maakt, de hoofdredactie ziet het belang van verhalende reportages, verslaggevers worden enthousiast van het genre. Ik heb het idee dat de verhalende journalistiek nog altijd terreinwinst boekt, al gaat het met kleine stappen.

Uitgelicht

De truc van verteller David van Meggelen

David van Meggelen was nog maar net begonnen als freelancer bij de sportredactie van de Volkskrant toen hij op een skateboardbaan over het verhaal struikelde dat alles had. Een gedreven protagonist en een ontknoping aan het slot, afgewisseld met ‘gewone’ reportagefragmenten. 

Foto: Jiri Büller
Candy Jacobs – foto: Jiri Büller

<Scène 1>

In volle vaart rolt Candy Jacobs richting een schuin muurtje van een halve meter hoog. Ze blaast haar wangen vol lucht, klikt een kauwgumpje tegen haar gehemelte, zakt door haar knieën en zet af. ‘Bam! Met een harde klap valt het skateboard op de grond, terwijl Jacobs ternauwernood op de been blijft.

<Scène 2>

De truc die Jacobs deze middag oefent in aanloop naar het NK skateboarden heet de Nollie Noseslide. Een hoogstandje waarbij alleen de ‘nose’, de voorkant van het bord, via een hoge stoeprand van een muurtje afglijdt.

‘Geen vrouw in de wereld heeft deze truc ooit in een wedstrijd gedaan’, vertelt bondscoach Sjoerd Vlemmings. ‘Maar als Candy iets in haar hoofd heeft, dan moet het ook gebeuren.’ Onder leiding van Vlemmings bereiden de skateboarders zich voor op de Olympische Spelen van Tokio, die vanwege het coronavirus zijn uitgesteld naar 2021. Het is de eerste keer dat skateboarden op het programma staat en de kans is groot dat Nederland door drie vrouwen wordt vertegenwoordigd. De top-20 van de wereldranglijst plaatst zich. Jacobs (30) en Roos Zwetsloot (20) staan vijfde en twaalfde van de wereld en kunnen niet meer uit de top-20 vallen. Keet Oldenbeuving (16) staat momenteel twintigste.
De 30-jarige Jacobs is behoorlijk oud voor een skateboardster. De mondiale top-20 bij de vrouwen bestaat voor bijna de helft uit meisjes onder de 18. ‘Kinderen zijn minder bang om gevaarlijke trucs te doen’, legt bondscoach Vlemmings uit. ‘Ze kunnen amper de gevaren inschatten van een sprong en nemen daardoor meer risico. Hoe meer risico je neemt, hoe groter de kans op een topscore.’
Toch is haar leeftijd volgens Vlemmings geen nadeel voor Jacobs. ‘Haar ervaring kan juist een voordeel zijn. Ze heeft door de jaren heen een geweldige techniek ontwikkeld, die ze kan toepassen op banen over de hele wereld. Daarnaast heeft ze geleerd om haar angsten voor grote obstakels en gevaarlijke sprongen te overwinnen.’
Jacobs maakt zich niet druk over het leeftijdsverschil. Ze is blij dat ze het skaten heeft meegemaakt voor de sport olympisch werd. ‘Tegenwoordig moet ik aan de dopingautoriteiten doorgeven waar ik slaap, heb ik vaste trainingsschema’s en moet ik letten op mijn voeding. Als ik dat als puber al had moeten doen, had ik nu niet meer geskatet.’
Zeventien jaar geleden begon Jacobs met skateboarden in haar woonplaats Venlo. De sport was een vlucht naar vrijheid, een uitlaatklep om haar schoolfrustraties een plek te geven. ‘In 3-havo werd ik in een jaar 48 keer de klas uitgestuurd en telkens sprak de conrector dezelfde woorden: Candy je hebt de sleutel van het skatepark. Ga eerst maar een uurtje skaten, dan zie ik je daarna terug.’

<Scène 3>

Ondanks jarenlange oefening blijven nieuwe trucs lastig.‘Zo fokking moeilijk kan het toch niet zijn?’, tiert Jacobs. Haar stem galmt door het Olympisch Skatepark in Den Haag. Ze is voor de twaalfde keer op het muurtje af gereden, maar heeft vlak voor de sprong haar skateboard tot stilstand gebracht. Aan de andere kant van de baan steekt Keet Oldenbeuving vijf vingers omhoog. ‘Candy, volgende sprong inzetten anders 5 euro betalen’, roept ze en Jacobs knikt. ‘Deal!’

<scène 4>

Jarenlang combineerde Jacobs het skaten met een baan in de jeugdzorg. Sponsoren waren niet geïnteresseerd in vrouwelijke skateboarders en van prijzengeld viel niet te leven. ‘Er was een enorm verschil in beloning tussen mannen en vrouwen. Op een gegeven moment heb ik besloten om niet meer naar wedstrijden te gaan waar niet gelijk betaald werd’, vertelt Jacobs. ‘Als ik het niet doe, doet niemand het en moeten Roosje, Keetje en al die andere meiden door dezelfde bagger lopen als ik.’
In juni 2019 kregen Jacobs, Zwetsloot en Oldenbeuving een uitnodiging voor Team NL. Ze zijn sindsdien verzekerd van een maandelijks inkomen en kunnen zich volledig focussen op hun sport en de Spelen. In Tokio heeft Jacobs een goede kans om op het podium te eindigen. ‘Candy werd vierde op het afgelopen WK, een medaille behoort zeker tot de mogelijkheden’, vertelt Vlemmings. Zelf ziet Jacobs de Spelen als een bonus in haar loopbaan. ‘Natuurlijk wil ik een medaille halen, ik maak mezelf helemaal gek. Maar ik vind het belangrijker dat ik na mijn carrière een skateboardwereld achterlaat waarin vrouwen net zo gewaardeerd worden als mannen. Ook meiden moeten vol voor deze sport kunnen gaan, zonder stress over financiën of andere randzaken.’

<scène 5>

Als de trainingstijd van een uur al met meer dan 20 minuten is overschreden, blaast Jacobs haar wangen nog een keer op. Ze rijdt op het muurtje af, zakt door haar knieën en zet af. Het bord landt met de nose op het muurtje, Jacobs springt erop en schuift in perfecte balans naar het uiteinde. Haar voeten drukken de wieltjes tegen de betonnen vloer en ze slaat met haar vuist in de lucht: de Nollie Noseslide is gelukt. Vanaf de andere kant van de baan komt Oldenbeuving aangesjeesd. ‘Zie je nou wel’, roept de tiener, die met een gulle glimlach de plaatjes van haar beugel onthult. ‘Gewoon durven, pussy.’

 

101TIPS

101 Tips – voor minder doen we het niet. Elke maand in Villa Media, een jaar lang. Over schrijven. Hoe je een verhaal structuur geeft. Hoe je een zin bouwt. Dit zijn de eerste zeven. Te beginnen met: Lees!!

1 Wil je schrijven? Lees!

2 Kies je helden. Zoek in krant en tijdschrift de journalisten die je gaat missen als je te lang niets van ze leest. Om hun stijl, hun humor, hun oog voor detail, hun lef. Spel hun beste werk, ontrafel hun schrijfgeheimen, en adoreer ze als een groupie.
Tien grote schrijvers/journalisten die ik verslond: Martin van Amerongen (†), Matt Dings (†), Jan Tromp, Martin Schouten, Lieve Joris. En van mijn generatie of jonger: Michel Maas, John Schoorl, Freek Schravesande, Thomas Rueb, Chris De Stoop.
3 Wil je schrijven? Schrijf! Kan niet schelen wat. Een dag- of logboek. Een imitatie in de stijl van je grootste literaire held. Een verzonnen ‘nieuwsanalyse’ over een kabinetscrisis die nooit plaatsvond. Gedichten desnoods – al was het maar om de klier te trainen waaruit metaforen opwellen.
4 Schrijf elke dag ten minste 500 woorden. Bij voorkeur meta: een verhaal over het schrijven van een verhaal dat je aan het schrijven bent. Niemand zal zo’n ‘kluisboek’ lezen, maar als boekhouding van je ergste flaters, diepste geheimen en mooiste zinnen helpt het kritisch te blijven op wat je schrijft, en – ook wanneer daar alle reden voor is – de moed niet op te geven.
5 Toen The Guardian een eeuw geleden een eeuw bestond, schreef de legendarische CP Scott, 56 jaar lang hoofdredacteur van de Britse krant, een artikel waarin hij de grenzen van onafhankelijke journalistiek definieerde. Comment is free but facts are sacred – ieders mening moet gehoord kunnen worden, maar van de feiten blijf je met je fikken af. In de tweede eeuw van zijn bestaan (1921-2021) verdedigde de linksliberale krant The Guardian vooral het eerste deel van dat motto. Nu ze overspoeld worden door alternative facts staan journalisten pal voor de onaantastbaarheid van de feiten. Wat je ook schrijft, het moet wel kloppen.
6 Dat je de waarheid geen geweld mag aandoen, betekent niet dat je niet mag proberen het een beetje aardig op te schrijven, zei Martin van Amerongen (Vrij Nederland, De Groene) eens tegen mij. Wat dat wil zeggen, weten we dankzij verhalenvertellers die misschien weinig kaas hebben gegeten van journalistiek, maar alles weten van vertellen – terwijl dat bij journalisten meestal andersom is. Je kunt verteltechnieken uit de literatuur – de spanningsboog bovenal, maar bijvoorbeeld ook het point of view (perspectief) – heel goed gebruiken om journalistieke verhalen beter, aantrekkelijker, dwingender en verleidelijker op te schrijven.
7 Gebruik al je zintuigen. ‘Als ik je weer spreek,’ hield ik een jongere collega voor die zich voor een kerstreportage een week zou onderdompelen op de afdeling neonatologie van een groot ziekenhuis, ‘moet je weten hoe een volle luier ruikt.’ Journalisten beschrijven vrijwel altijd wat ze horen en zien, en vrijwel nooit zul je ze betrappen op de beschrijving van geur en smaak of van een tactiele ervaring (hoe iets voelt).

Hoe je een long read in The Guardian krijgt

Zonder al te hoge verwachtingen stuur je een lang verhaal naar The Guardian, een van de mooiste – want gratis toegankelijke en dus grootste platforms in de wereld. Je long read belandt op of onder het bureau van een Guardian-redacteur, in een woeker van ongevraagde en ongelezen stukken. En dan komt het mailtje. ‘A very powerfull essay… we love to run it’. Henk Blanken over zijn longread.

Het e-mailtje komt binnen op een warme dag in juli 2018 en het voelt feestelijk, het voelt zo grandioos dat je het liever niet opbiecht. Beter nieuws kun je niet krijgen als schrijver en journalist die gelezen wil worden.

Begin 2018 leverde ik de uitgebreide versie van Pistoolvinger in bij mijn uitgever Atlas Contact. Die non-fictieroman verdiende een groter publiek, vond mijn redacteur. Het boek had niet heel slecht verkocht. Drieduizend exemplaren. En nog eens drieduizend van de Duitse vertaling, Da stirbst du nicht dran.

Ook niet heel goed, dus.

Mijn boek had niet heel slecht verkocht… maar ook niet heel goed
Naïef als een rookie dacht ik dat een oversteek naar een groter taalgebied mogelijk moest zijn. Een Engelse editie, bij een uitgever met oog voor egodocumenten als Je gaat er niet dood aan, zoals de nieuwe Pistoolvinger heet. Literaire non-fictie over een leven met parkinson, uitmondend in de vraag of ik wil sterven als ook dementie me te grazen neemt.

De liberale Nederlandse euthanasiepraktijk wordt bijna overal in de wereld verguisd. Britse tabloids denken dat je als oudere in Amsterdam je leven niet zeker bent. Voor een betoog dat juist het tegenovergestelde waar is – je kunt niet netjes dood, ook al wil je dat nog zo graag – moest in Londen of New York belangstelling zijn.

Natuurlijk wist ik wel beter.

Geen uitgever ziet je staan, als auteur van een niet al te breed bejubeld boek. Vier sterren in de Volkskrant. Een essay als voorpublicatie in Die Welt. Veel verder had het boek het niet geschopt.

Meer nog dan de eerste uitgave draait Je gaat er niet dood aan om de dilemma’s rond euthanasie bij dementie. Geen lichte kost, wel een goed verhaal. Als samenleving laten we duizenden ouderen in de kou staan die denken dat de dokter ‘met een spuitje komt’ als ze zo dement zijn dat ze naar het verpleeghuis moeten.

The Guardian is een ongelofelijk profesioneel mediabedrijf. Ook de stem die voorleest is geweldig.

Die dokter komt niet. Artsen maken geen mensen dood die niet meer begrijpen wat er gebeurt. Maar waarom zou je je recht op zelfbeschikking niet kunnen delegeren aan een naaste? Zodat je lief die pil in je pap doet?

Mag het niet van de wet? Dan moet die wet veranderen, schreef ik in een polemisch verhaal, bedoeld voor de Engelse of Amerikaanse lezer. Kortste pitch: De Nederlandse euthanasiewet is niet half zo liberaal als iedereen denkt, duizenden demente patiënten gaan dood zoals ze per se niet wilden.

Liefst in The New Yorker. Waarom niet bovenop de apenrots beginnen?
Ik vroeg rond. Kon ik mijn 6000 woorden ergens slijten? Liefst in The New Yorker – waarom niet bovenop de apenrots beginnen? The Guardian zou ook plezierig zijn, met zijn gratis website internationaal een van de grootste podia.

Toen iedereen me had uitgelegd dat je als onbekende auteur kansloos was bij The New Yorker en The Guardian, bood ik de Nederlandse versie van het stuk aan bij De Groene Amsterdammer. Nog nooit in dat blad gestaan. Als ik het moet inkorten… geen probleem, zei ik nog.

Niets daarvan, zei De Groene. Het opinieweekblad publiceert als laatste in Nederland nog heel lange stukken. En ze vonden het een mooi essay. Geschikt voor de cover zelfs – maar het was dan ook komkommertijd.

Zonder veel fiducie stuurde ik op 20 juni mijn vertaalde essay blind in. Een mail aan Jonathan Shainin, editor van The Guardian Long Read. Zijn mailadres had ik van de website.

Een alles-of-niets pitch van honderd woorden. Subject: ‘what you didn’t know about the Dutch obsession with the right to die

Toen werd het stil.

Een week. Twee weken.

Ik stelde me het bureau van de long-read-redacteur voor. Een woeker van uitgeprinte, nog ongelezen verhalen. Ik lig er niet tussen.

Onder zijn bureau een door muizen aangevreten berg ongeopende poststukken en een meelijwekkende map met ongevraagde pitches. Als hij tijd heeft – hij heeft nooit tijd – zal de redacteur bedankbriefjes schrijven. De voorstellen hoeft hij niet te lezen om te weten dat ze kansloos zijn.

Ik lig ook niet op dát kerkhof van goede bedoelingen en gefnuikte ambities. Want ergens heeft de Guardian-redacteur nog een e-mailmapje voor ‘wereldvreemde idioten’, de soort die al lang uitgestorven had moeten zijn: romantici die eerst een stuk schrijven waarom niemand heeft gevraagd, in een taal die ze amper machtig zijn, over een kwestie waarvan hooguit een handvol lezers wakker liggen.

Ik lig ook niet op dat kerkhof van goede bedoelingen en gefnuikte ambities

De redacteur, stel ik mij voor, heeft een zwak voor zulke dolende zielen. Na drie weken vist hij mijn mailtje uit het mapje. Dat stel ik mij niet voor – hij doet het echt. Op 7 juli bericht hij me dat mijn verhaal a very powerful essay is. ‘We love to run it.’ Op het net en in print.

En by the way, ze hebben voor zover hij weet nog niet eerder een Nederlandse schrijver bij de long reads gehad.

Of ik geduld wil betrachten. Het zal eind juli worden, begin augustus misschien.

Ik kan wachten.

Reken op september, zegt een volgende mail.

Op de tweede woensdag van augustus vraagt hij of het ook nu kan, deze vrijdag. Een gepland verhaal is weggevallen. De redacteur moet mijn stuk dan wel vandaag nog redigeren, met 1500 woorden inkorten tot 4000 woorden, de onduidelijkheden eruit halen. Heb ik eind van de dag tijd het na te lezen?

Uiteraard.

Het wordt het eind van de middag. En het begin van de avond. Kort voor tienen mailt hij de ingekorte versie. Vakwerk. Almost painless. Sorry, zegt de redacteur… a very complex piece… so densely interconnected… a credit to your writing that this proved so challenging… Geen moment mis ik de passages die hij feilloos schrapte.

Nadat ik de edits een tweede keer heb bekeken, sta ik nog steeds versteld van de behendigheid waarmee de Guardian-redacteur te werk is gegaan. Maar er is ook iets mis. Grondig mis.

as de volgende ochtend daagt het. In het stuk zet ik uiteen dat je in Nederland als dementerende patiënt voor de wrede keuze staat te vroeg te sterven – je moet meteen na je diagnose om euthanasie vragen – als je niet te laat dood wil gaan, een schim van wie je was. Op tijd sterven is bijna altijd te moeilijk.

Neem Joop. In zijn wilsverklaring had Joop vastgelegd dat hij wilde sterven als hij niet meer thuis kon wonen, bij Janny. Hij wilde per se niet in een tehuis belanden. Maar toen een arts Joop hielp sterven, vond zijn vrouw het verschrikkelijk, want Joop had best nog twee of drie jaar kunnen leven.

Ineens besef ik dat de Guardian-redacteur het hele stuk verkeerd gelezen heeft.

Als Janny vond dat haar man nog jaren door had kunnen leven, vraagt de redacteur, waarom wachtte de arts dan niet met euthanasie?

Omdat, zeg ik, bijna geen enkele arts in Nederland stervenshulp verleent als een patiënt wilsonbekwaam is.

Maar Joop had toch een wilsverklaring, vraagt de verbouwereerde redacteur.

Die is niet bindend, zeg ik.

Not binding… maar waar dient die wil dan toe? Hij kan het zich niet voorstellen, maar herschrijft de passages die hij eerder niet kon rijmen.

Een week later ontvang ik een heel erg Britse, bruine enveloppe met twee exemplaren van de krant. En een honorarium. Waarom het lukte? Niet dankzij een kruiwagen. Wel omdat ik me twee haar in de kwestie had verdiept en het verhaal toegesneden was op een Brits publiek. Ik wist wat The Guardian eerder schreef over euthanasie. De ultrakorte pitch deugde. Komkommertijd en onnozel geluk zullen ook hebben geholpen.

We doen dit, zegt de redacteur nog in een laatste mail, één keer in het jaar. Of zelfs dat niet. We plaatsen nooit iets dat blind wordt ingestuurd. Nou ja, bijna nooit.

 

Hoe Karin Sitalsing drie maanden zocht naar de Groningse Frank Underwood

Karin Sitalsing liep voor Vrij Nederland drie maanden rond in het provinciehuis in Groningen. Ze zocht de lokale Frank Underwood, maar vond eigenlijk alleen aardige, minzame politici, om niet te zeggen politieke watjes. Wij stellen honderduit vragen.

Het is de eerste maandag van 2019, en de Statenzaal is een dampende massa. In het statige gebouw aan het Martinikerkhof, waarvan het oudste deel uit de vijftiende eeuw stamt, zijn honderden Groningers samengekomen om handjes te schudden, om zaken of een zegje te doen.  Waar normaal gesproken pers en notulist zitten, staan nu grote tafels met bier, wijn en fris.
Maar ja, toen brak de pleuris uit en kreeg alles een heel andere wending

De uitnodiging voor de nieuwjaarsborrel stond in de regionale krant: een foto van het provinciebestuur, grijnzend in de camera vóór het provinciehuis. Tijdens de fotosessie had iemand nog de ‘D66 is kut’-sticker op een lantaarnpaal opgemerkt, maar die heeft de fotograaf eruit kunnen shoppen.

We gaan een verkiezingsjaar in, spreekt commissaris van de Koning René Paas (52, CDA) de zaal toe. In tegenstelling tot lokale en landelijke verkiezingen leven die voor de Provinciale Staten nauwelijks, betoogt hij, en dat moet anders. Sommigen zien in de Statenverkiezingen een opiniepeiling over het kabinet, zegt hij. ‘Anderen doen alsof het gaat om de verkiezing van de Eerste Kamer. Maar Statenverkiezingen gaan over de Státen.’

In de zaal staan veel mensen die ik de afgelopen maanden heb gesproken. Tientallen formele en informele gesprekken voerde ik, in het fractiehuis, tijdens werkbezoeken en in de kroegen van Stad en Ommeland, on en off the record, met Statenleden, gedeputeerden en andere huidige en voormalige kopstukken van de Groninger politiek.

Bijna allemaal zijn ze hier samen om naar de commissaris van de Koning te luisteren.

‘De verkiezingen gaan over de provinciale politiek,’ vervolgt hij. ‘En over de grote vraagstukken van Groningen. Over de gevolgen daarvan voor Groningers. Dus laat je niks wijsmaken: dáárover gaan de verkiezingen!’

Hier is iets aan de hand

Op 16 augustus 2012 trilde de aarde bij het dorpje Huizinge, zo’n twintig kilometer ten noordwesten van de stad Groningen. De beving was de zwaarste ooit: 3,6 op de Schaal van Richter. Bij de NAM kwamen in de dagen daarna duizenden schademeldingen binnen, van scheuren in muren, schoorstenen die dreigden in te storten, eeuwenoude boerderijen die met balken overeind moesten worden gehouden. ‘Huizinge’ was een kantelpunt voor de provincie.

In één klap drongen de desastreuze gevolgen van de gaswinning door tot de nationale media, en hoorde de rest van Nederland wat de Groningers al jaren wisten: hier is iets aan de hand. Sinds ‘Huizinge’ weet ook iedereen in Groningen weer dat er zoiets bestaat als een provinciebestuur, met een commissaris aan het roer.

Honderd miljóén? Een miljárd moest Groningen krijgen

Max van den Berg (PvdA) was commissaris van de Koningin, later van de Koning, in Groningen van 2007 tot 2016 en dus ook in dat cruciale jaar 2012. Als jonge wethouder in Groningen in de jaren zeventig stond hij al bekend als ‘de ayatollah van het Hoge Noorden’. Na acht jaar als landelijk partijvoorzitter en acht jaar in het Europarlement leek Van den Berg als commissaris van de Koning in Groningen in de bestuurlijke luwte te verdwijnen, maar door de aardbeving bij Huizinge in 2012 stond hij opeens weer in het middelpunt van de belangstelling. Van den Berg reisde af naar Den Haag en haalde hard uit naar toenmalig minister Kamp, die honderd miljoen toezegde voor preventieve versterking.

Honderd miljóén? Een miljárd moest Groningen krijgen! ‘Het wordt tijd dat Den Haag opkomt voor álle Nederlanders,’ brieste Van den Berg. ‘Niet alleen voor die in Amsterdam en Rotterdam, maar óók voor de Groningers.’

Die plotselinge aandacht kwam niet alléén door Huizinge, zegt de inmiddels 72-jarige Max van den Berg eind november in zijn woning aan de Hoge der A, hartje ‘Stad’. ‘Daar hebben we enorm hard voor moeten lobbyen en actievoeren. Ikzelf voorop. Mijn rol werd veel zwaarder door de aardbevingsproblematiek, maar met name door de manier waarop ik die invulde.’

In provincies buiten de Randstad, zegt Van den Berg, spelen de provinciebesturen een grotere rol dan in Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht. ‘In de Randstad hebben de grote steden veel meer macht, waardoor de provinciebesturen minder te zeggen hebben. Ook speelt de identiteit daar minder. Wie voelt zich nou een Zuid-Hollander? Maar mensen voelen zich wél Zeeuw, of Fries. Of Groninger. Dat gevoel is in Groningen door de aardbevingen nog sterker geworden.’

Van den Berg werd als commissaris van de Koning opgevolgd door René Paas (CDA), oud-CNV-voorzitter en eveneens oud-wethouder in Groningen. Eigenlijk, zegt Paas een paar weken later in het provinciehuis, gaat het in de Statenzaal altijd over gas, ook als het níét over gas gaat, omdat de gaswinning als een soort spinnenweb over alle andere onderwerpen heen ligt: leefbaarheid, ruimtelijke ordening, energietransitie, noem maar op: ‘De gaswinning is de, hopelijk tijdelijke, identiteit van de provincie Groningen geworden.’

Een soort Mark Rutte

‘En, Mirjam, wat is je prognose? Twee zetels? Drie?’ plaagt PvdA’er Romke Visser (56) aan tafel in het atrium tijdens de lunchpauze die de Statenvergadering van november onderbreekt. Het atrium is de overkapte binnenplaats van het provinciehuis die tijdens vergaderingen wordt gebruikt als bedrijfskantine en na die tijd als kroeg. Visser is plaatsvervangend voorzitter van de Staten, waar hij sinds 2011 in zit.

‘Nou,’ grijnst VVD-fractievoorzitter Mirjam Wulfse terug, ‘Madà en ik denken er wel in te komen, hoor.’ Madà is Madà Miesen, de nummer twee van de VVD-lijst. Maar serieus, zegt ze, het is wel een gepuzzel, hoor, want je weet natuurlijk nooit hoeveel zetels je haalt. Zijn dat er, zeg, zes, dan kun je je twee minder ervaren kandidaten veroorloven. Maar met vier stuks, zoals de huidige fractie heeft, moeten ze doorgewinterd zijn. ‘Nu is het bij ons goed gekomen, maar je hebt het niet altijd in de hand. Zo hebben we ook geprobeerd meer kandidaten te krijgen uit Oost-Groningen. Niet gelukt.’

Och, verzucht Visser. ‘Toen wij er nog twaalf hadden, konden we ons een misser permitteren. Maar nu?’

Als de VVD nul zetels krijgt, zegt Wulfse, die haar leeftijd niet wil geven, verhuist ze terug naar het zuiden. ‘Als het hier zo links wordt, wil ik hier niet meer wonen,’ lacht ze tussen de happen groentesoep door. ‘Eigenlijk is La Wulfse een soort Mark Rutte, hè,’ grijnst Visser. ‘Die lacht ook alles weg.’

Zoutwinning en gas

Welkom op het provinciehuis van Groningen, waar op 16 juni 1602 de arena in gebruik werd genomen die nog altijd dienstdoet als Statenzaal (de langst in gebruik zijnde van Nederland!). Waar boven de gebeeldhouwde schoorsteenmantel (uit 1687!) het schilderij Religie en Vrijheid pronkt van de Stadjer Herman Collenius. Waar een scheepsbel het begin van elke vergadering en het eind van elke pauze inluidt.

Ook tijdens de Statenvergadering van november gaat het over het gas. Althans, de zoutwinning staat op de agenda, en zeg je zoutwinning, dan zeg je ‘gerommel in de bodem’, oftewel – exact.

‘Vermaak je je nog?’ vraagt René Paas grijnzend

De novembervergadering blijkt een soort marathon te zijn. Twaalf politieke richtingen, drieënveertig Statenleden, vijf gedeputeerden, één commissaris. En na de lunch, naarmate de middag vordert, denken ze allemaal hetzelfde: hoe lang nog?
‘Vermaak je je nog?’ vraagt René Paas grijnzend tijdens een schorsing, halverwege de middag. ‘Ik heb nu wel zin om even te rennen.’

Bianca Kruize van D66 haalt twee grote puntzakken drop tevoorschijn, die af en toe achterwaarts verdwijnen naar de collega’s van de ChristenUnie.
VVD’er Nico Bakker (66), een boomlange man met lijzige stem, dito tred en zwaar Gronings accent, loopt zuchtend de zaal uit. Of het nog een beetje gaat, vraag ik hem. ‘Nee. Pfffff.’ ‘Ga bij de Staten, het houdt je van de straten,’ citeert hij niemand in het bijzonder. ‘Maar dit hoeft nu ook weer niet. Even roken, hoor.’ Als hij terugkomt heeft hij twee koppen koffie bij zich: eentje voor zichzelf, de andere zet hij bij zijn fractievoorzitter Mirjam Wulfse neer.

De SP’ers dragen stropdassen

Zo’n lange vergadering is een uitgelezen moment om eens goed rond te kijken.

het aanzwellend drama kwam pas toen ik wilde beginnen met schrijven

De SP is met acht zetels de grootste fractie in de coalitie. Die maakte bij de vorige verkiezingen genadeloos een einde aan negentig jaar PvdA-dominantie en leverde zo de gedeputeerde op het zwaarste dossier: Eelco Eikenaar, op Gaswinning. Of dat nou zo’n goed idee was, daar zijn de meningen over verdeeld. Maar daarover straks meer.

Het CDA van gedeputeerde Patrick Brouns (Financiën, Economische Zaken, Herindeling) heeft vijf zetels. ChristenUnie (Henk Staghouwer, Landbouw, Natuur, Water) en D66 (Fleur Gräper, Verkeer, Ruimtelijke Ordening) hebben er elk vier.

De kleinste coalitiepartij is GroenLinks (Nienke Homan, Milieu, Energietransitie) met drie stuks.

Bij de oppositie is de PvdA de grootste: zes zetels. De VVD heeft er vier, Groninger Belang drie, Partij voor de Dieren en PVV elk twee. De kleinste zijn de twee eenmansfracties: die van de Partij voor het Noorden en de fractie-Kaatee – die laatste is een afsplitsing van de PVV. Ronald Kaatee kreeg ruzie met fractievoorzitter Ton van Kesteren. Volgens die laatste had Kaatee geflirt met Forum voor Democratie in aanloop naar de herindelingsverkiezingen. Hij ontkende, maar het vertrouwen was weg, en nu zitten ze tegenover elkaar in de Statenzaal.

Wat verder opvalt: de SP’ers dragen stropdassen. Wanneer is dat gebeurd? In het geval van Eelco Eikenaar: die knoopte er eentje om toen hij gedeputeerde werd. Fractievoorzitter Jan Hein Mastenbroek (43, ook een das), is advocaat. ‘Ik heb een redelijk inkomen en rijd in een dikke auto, maar ik blijf vinden dat mensen die het moeilijk hebben steun moeten krijgen. En dat mensen die het beter hebben dat kunnen betalen,’ zegt hij desgevraagd. ‘En dat kan ook in een pak. We hoeven niet allemaal in een Hans-Spekman-trui rond te lopen.’

Bijna elke fractie heeft een dame van een zekere leeftijd, met een bril en makkelijk, meestal grijs, haar. Ook opvallend: een handvol jongeren, eveneens verdeeld over de breedte van het politieke spectrum.

Wat nog meer opvalt: de Statenleden lijken een soort light-versie, een wat mildere variant van hun landelijke, meer uitgesproken politieke broeders en zusters.

Groninger ingetogenheid? ‘Wij neigen als collectief wel eens naar grijsgekookte andijvie,’ zegt PvdA’er Romke Visser met gedragen stem. ‘We nemen belangrijke beslissingen, maar op de keper beschouwd zijn de wezenlijke politieke verschillen vaak erg klein.’

Alle hoeken van de Statenzaal

Wat ik precies van plan ben, vragen de Statenleden nieuwsgierig. Of ik ook bij andere provincies langs ga. En wordt het ‘weer zo’n vooringenomen stuk,’ vraagt Ton van Kesteren van de PVV?

‘De assistente van Kamp’ noemden ze Wulfse

Dat ik kom kijken hoe House of Cards het is aan het Martinikerkhof, plaag ik. En wie dan de Groningse Frank Underwood is. Mirjam Wulfse van de VVD lacht hard en gul. ‘We hebben heel veel mensen die dénken dat ze het zijn. Maar och. Hádden we maar een Frank Underwood!’ VVD-fractievoorzitter Mirjam Wulfse zit in een soort spagaat. Zij is Groninger én lid van de partij van minister Wiebes, die over gaswinning gaat. Onder diens voorganger, de in Groningen omstreden Henk Kamp, zag Wulfse naar eigen zeggen vijf jaar lang alle hoeken van de Statenzaal. ‘De assistente van Kamp’ noemden ze haar. ‘Groningen is natuurlijk een links bolwerk en in elk debat werd ik verantwoordelijk gehouden voor de gaswinning. Ik ben tenslotte de exponent van de partij van de gaswinning en dus was het natuurlijk míjn schuld dat mensen al maanden huilend in een huisje zaten. Een heel mooi staaltje van framing. Elke keer als ik naar de microfoon liep, wist ik: ik ben weer het haasje. Aanvallen, interrupties, de hele vergadering probeerde me als hakblok te gebruiken. In die tijd leerde ik het nooit persoonlijk te laten worden. Anders red je het niet.’

Klaar om met de burger te praten

Het provinciebestuur in Groningen kwam door de aardbevingen opeens weer in de belangstelling te staan, maar dat vertaalde zich bepaald niet in hogere opkomstcijfers bij de Statenverkiezingen. In 2011, een jaar voor Huizinge, was het nog 58 procent, bij de verkiezingen van 2015 zakte het percentage terug naar 53.

Om de kloof tussen burger en provinciebestuur te verkleinen, werd in maart vorig jaar ‘Praten met de Staten’ ingevoerd. Zo’n acht keer per jaar, in de opmaat naar de maandelijkse Statenvergadering, kunnen Groningers een uur lang ‘in gesprek’ met de Statenleden. Soms zijn de sessies op locatie, maar op deze woensdagmiddag is het atrium het decor.

Enkele tientallen Statenleden staan klaar om met de burger te praten, bij statafels die zijn voorzien van bloemstukjes – bij toeval overgebleven na een evenement – en bordjes met actuele onderwerpen, zoals ‘Fietsroute Plus Groningen-Leek’, ‘Verdubbeling N33’ en ‘Presentatie startdocument Nationaal Programma Groningen’.

Er is koffie, er is Groninger koek en er is een bouillonnetje.

Zo’n twintig bezoekers komen in kleine groepjes binnendruppelen. Bij de entree hebben ze een paarse badge met hun naam gekregen. De gemiddelde haarkleur is grijs. De meesten vertegenwoordigen lokale belangenclubs en stappen doelgericht op ‘hun’ onderwerp af, gewapend met studies en plattegronden. De bezoekers blijken vooral bezig met de verdubbeling van de N33 en de fietsroute. Bij de tafeltjes ‘Interprovinciaal wolvenplan’ en ‘Provinciaal inpassingsplan waterberging en natuur zuidelijk Westerkwartier’ blijft het leeg. Maar de Statenleden zelf zijn tevreden over de opkomst, zeggen ze: bij Praten met de Staten komen zelden meer dan twintig burgers opdagen.

Drie petten

In het fractiehuis, dat vanbinnen via allerlei krochten aan het provinciehuis vastzit, heeft elke fractie haar eigen ruimte. De meeste kamers zijn opvallend kleurloos, met nauwelijks posters van partijcoryfeeën of andere parafernalia. Als er al ooit politiekromantiek heerste, dan is die vakkundig de nek omgedraaid door libidokillers als een clean desk policy.

Behalve in één fractiekamer: daar zijn de wanden van boven tot onder bedekt met Groninger vlaggen, flyers, posters, sommige gesigneerd. En, op posterformaat: de foto waarop de landelijke partijleider zelve poseert als diens grote held, Michiel de Ruyter – vastberaden blik, kanten kraagje, de blonde kuif fier wapperend.

Welkom bij de PVV.

Eerst had hij een klein kamertje, vertelt fractievoorzitter Ton van Kesteren – imposante man, 64 jaar, strak in het pak, weelderige grijze haardos, klaar klinkend stemgeluid. Behalve in de Staten zit hij ook in de Eerste Kamer én (inmiddels) in de gemeenteraad van de stad Groningen. ‘Maar toen werd het provinciehuis verbouwd en kreeg de VVD een mooie grote kamer. Dus ik zei: dat wil ik ook. Jammer, zeiden ze, had je eerder moeten zijn. Toen heb ik stennis geschopt.’ Zelf ziet Van Kesteren zijn drie petten als Statenlid, senator en gemeenteraadslid helemaal niet als probleem. Integendeel: ze zijn, zegt hij, uitstekend te combineren. De onderwerpen in de gemeenteraad en in de Provinciale Staten hebben veel ‘overlap’. Ook zijn contacten in de Eerste Kamer, waar hij een dag in de week aan kwijt is, zijn ‘van onschatbare waarde’ vanwege de korte directe lijntjes. Dankzij die contacten bracht het Benelux Parlement voor het eerst in zijn bestaan ‘een voor Groningen zeer succesvol werkbezoek aan Stad en Ommeland,’ vertelt hij. ‘Het is jammer dat media dat niet zien. Maar het zoeken naar stokken om de PVV mee te kunnen slaan ben ik wel gewend.’ Laatst nog vergeleek zijn collega-Statenlid René van der Goot (PvdA) de aanhangers van de PVV in een Twitterbericht met de nazi’s. Na woedende reacties van de PVV-fractie en een stormpje in de media stapte hij een dag vóór de novembervergadering op.

Op het planbord in de fractiekamer staan voor de hele week maaltijden ingevuld. Op dinsdagen sta at er ‘koek halal’ op het menu. Grapje zeker? De PVV’er lijkt de tekst voor het eerst te zien. Hij grijnst. ‘Wij houden van vrijheid en van humor.’

Glossy’s in plaats van flyers

Een dinsdagavond, begin december. In een vergaderkamer van het fractiehuis zitten de Statenleden van de ChristenUnie met hun medewerkers en steunfractieleden om een grote tafel. Fractievoorzitter Rinze van der Born, in het dagelijks leven marketingmanager bij VNO-NCW MKB Noord, opent de vergaderingen met Psalm 85, die hij voordraagt vanaf zijn iPad: ‘God bevrijdt mensen die ontzag voor Hem hebben.’

De CU-fractie is de enige met twee voorzitters. Van der Born (40) doet vooral het interne werk, incassomedewerker Gerrit Jan Steenbergen (48) treedt meer naar buiten. ‘Ik zie hem vaker dan mijn vrouw,’ knikt laatstgenoemde naar zijn collega-voorzitter. ‘Ik ben ook leuker dan jouw vrouw,’ riposteert die. ‘Ik ken zijn vrouw heel goed, hoor,’ stelt Van der Born de verslaggeefster gerust. ‘En ze weet wie het zegt.’

Op de agenda, onder meer: de verkiezingscampagne. Ze willen een glossy maken, met mooie foto’s en verhalen over alles wat de leden waardevol vinden. Flyers, zegt Statenlid Fredric Geijtenbeek (28), die, als hij niet in de Statenzaal zit, voor de klas staat, daar kun je écht niet meer mee aankomen.

‘Bovendien houdt onze achterban er niet van om op markten te staan. Maar glossy’s verspreiden is een heel ander verhaal.’

Aan het eind van de vergadering heeft Van der Born nog een puntje. Kledingbank Máxima in Sappemeer, waar ze laatst op werkbezoek waren, doet mee met Dress for Success. Minima krijgen nette kleding om in te solliciteren. ‘Ze hebben een enorm tekort aan mannenkleding, en toen dacht ik: hier op het provinciehuis lopen zoveel pakken rond, die moeten toch eens wat over hebben?’

Na de rondvraag dankt Steenbergen God voor de goede vergadering.

Het is laat, het is koud, de CU’ers nemen afscheid op de stoep voor het fractiehuis. Na een snel sigaretje verdwijnen ook de fractievoorzitters de donkere decembernacht in.

Alleen de VVD is tegen

Of ik iemand ken die werk zoekt, vraagt fractievoorzitter Bram Schmaal (47) van Groninger Belang, op zijn kamer in het fractiehuis – memomagneten in de kleuren van de Groninger vlag. Zijn vorige fractiemedewerker werd wethouder en nu zoekt hij een nieuwe. Lastig, zegt Schmaal, om zonder te zitten zo vlak voor de campagne.

Bram Schmaal en zijn tweelingbroer Henk Jan waren al langer actief in gemeenteraden. De verhouding tussen gemeenten en provincie, dachten ze, die moest toch beter kunnen? In 2014, na een avond brainstormen, nodigden ze de lokale partijen uit.

Vrij snel sloten zich er zestien aan, die gezamenlijk een partijprogramma samenstelden. Driekwart jaar later haalde Groninger Belang drie zetels binnen in de Staten, waar het dat programma nu uitvoert.

Daarnaast varen de aangesloten partijen hun eigen koers in hun eigen gemeenten, en dat moet ook zo blijven, zegt Schmaal: een grotere verantwoordelijkheid voor gemeenten is nu nét het speerpunt van Groninger Belang. ‘Wie weet er nu beter wat er onder de mensen speelt dan zij? Wij houden niet zo van de feodaal hiërarchische houding van de provincie. Zo van: wij zijn de grote broer met het geld en wij beslissen voor jullie.’

Het klinkt tegenstrijdig: tegen een te grote rol van de provincie zijn als je zelf de provincie bent. Niet per se, zegt Schmaal. ‘Je kunt ook achter het stuur kruipen om te proberen de boel om te draaien.’

Die middag staat het Gasbesluit op de agenda van de commissie Bestuur, Financiën en Veiligheid. In dat besluit staat dat minister Wiebes de gaswinning gaat terugschroeven tot 19,4 miljard kuub per jaar én dat hij de veiligheid van de Groningers moet garanderen. Of dat laatste wel hard genoeg gewaarborgd is, betwijfelt bijna iedereen, en nu is de vraag: gaat het college van GS tegen dit besluit in beroep? ‘Een overweging om het niet te doen, is dat de juridische procedure langer duurt dan de periode waarover het besluit gaat,’ zegt Schmaal. ‘Maar dan zou je dus nooit in beroep kunnen gaan. Bovendien is het voor ons geen argument om vriendjes te blijven met Wiebes. We zíjn helemaal geen vriendjes met Wiebes.’ Schmaal voorspelt: iedereen gaat voor beroep stemmen, behalve de partij van Wiebes: de VVD. Hij krijgt gelijk. De provincie tekent beroep aan tegen het gasbesluit, en alleen de VVD is tegen.

Belangenverstrengeling

Omdat het Statenlidmaatschap een deeltijdfunctie is, ligt belangenverstrengeling met andere professionele bezigheden altijd op de loer. Zo ook in Groningen, waar onder commissaris van de Koning Max van den Berg het toezicht op nevenfuncties werd verscherpt. Gedeputeerde Henk Staghouwer van de ChristenUnie, bijvoorbeeld, moest de zeggenschap over zijn bakkerij uit handen geven, en voortaan dienden Statenleden en gedeputeerden cadeaus van meer dan vijftig euro te melden. Voor Statenleden werd de lijn: niet spreken of meestemmen over onderwerpen die raken aan het terrein waar ze hun dagelijks brood verdienen.

Voor veel van de huidige Groningse Statenleden is dat niet zo’n punt. De PvdA-fractie kent bijvoorbeeld een postbode, een ‘life coach’ en een operator in een kabelfabriek, de VVD-fractie een goudsmid en een marketingmedewerker, die van de SP onder anderen een arts en een rouwbegeleidster: professies die weinig met de taken van de Staten van doen hebben. Lastiger is het voor degenen van wie het werkterrein wél duidelijke raakvlakken heeft met de provinciale politiek. Neem Ronald Knegt van het CDA, omgevingsmanager bij BAM Infra Regio Noordoost Wegen. Of zijn fractiegenoot Jacob Klaas Star (51), eigenaar van een onafhankelijk adviesbureau op het gebied van duurzaamheid en energiemanagement, met onder meer lokale overheden als opdrachtgever. Zo was hij coördinator Gaswinning en Duurzaamheid bij gemeente De Marne, midden in het aardbevingsgebied. Precies de onderwerpen waar de provincie over gaat.

Wringt dat niet? Star: ‘Max van den Berg zei eens tegen mij: als mensen als jij stoppen met het werk in de Staten, dan kalft de positie van de volksvertegenwoordiging ook af. We moeten ondernemers hebben, docenten, mensen zonder werk, mét werk, iedereen moet vertegenwoordigd zijn.’

In wat voor konijnenhol ben ik nú weer gekukeld?

Om de schijn van belangenverstrengeling te vermijden, zegt Star, heeft hij net als zijn fractiegenoot Ronald Knegt de keuze gemaakt geen woordvoerder te worden op het eigen werkterrein. ‘In de Statenzaal ben ik geen woordvoerder op energietransitie en de gaswinning. En ik neem natuurlijk geen opdrachten aan van de provincie. Er komen heel mooie voorbij waarvan ik denk: hmmm… Maar ja, dat kan dus niet.’

Paas als schooljongetje

In de eerste weken die ik in en rond het provinciehuis doorbreng, vragen de Statenleden me wat míj eigenlijk opvalt. Dat de sfeer zo gemoedelijk is, zeg ik. Dat iedereen zo sympathiek en lief voor elkaar is, of lijkt. En dat ik dat eigenlijk niet goed kan geloven.

Commissaris van de Koning René Paas lacht heel hard als ik het hem voorleg. Noemt de hoofdpersonen in de Statenzaal ‘bijna allemaal aardige mensen, sommigen zelfs potentiële vrienden’. Mensen, zegt hij, die tegen een heel geringe vergoeding bereid zijn heel hard te werken voor de publieke zaak. ‘Ze zoeken de verschillen, want je kunt je alleen maar profileren door je af te zetten tegen de ander. Wat mij altijd weer opvalt, is: je zoekt de verschillen en je vindt de overeenkomsten.’

Alsof de duvel ermee speelt, publiceert Dagblad van het Noorden een paar dagen later een gepeperde analyse van de aanzwellende onrust binnen het college van GS. Ernaast een spotprent van Paas als schooljongetje, in korte broek met een pleister op de knie. Uit zijn achterzak steekt een schoolrapport.

Als je er drie maanden in rondloopt is geen enkele wereld ontoegankelijk

Statenverslaggever Johan de Veer refereert aan de bewonersavonden in het aardbevingsgebied die uitmonden in chaos omdat niet duidelijk is wie waarvoor verantwoordelijk is. Aan het feit dat gedeputeerden Gräper (D66) en Brouns (CDA) zich gaandeweg met het Nationaal Programma Groningen zijn gaan bezighouden, terwijl het formeel toch Eelco Eikenaar (39) is die over het gasdossier gaat. Hij schrijft over het zogenoemde ‘feestjesincident’. Afgelopen oktober werd in Den Haag het Nationaal Programma Groningen ondertekend, een stimuleringsprogramma om Groningers te verzekeren van werk en voorzieningen, waarvoor het kabinet 1,15 miljard euro beschikbaar stelt.
Eikenaar weigerde af te reizen voor de bijeenkomst. Er viel niets te vieren, oordeelde hij, van een ‘feestje’ was geen sprake. Immers: vele duizenden Groningers zitten nog steeds in onveilige woningen. Bovendien had hij er geen rol. ‘En ik leen me er niet voor om als een decorstuk achter een bord te gaan staan.’ Paas en gedeputeerde Fleur Gräper gingen wél.

En dan was er nog het interview dat Eikenaar begin december gaf aan RTV Noord. Dat hij zich wel eens eenzaam voelde binnen het college, gaf hij daar toe. Dat zijn partij, de SP, achteraf bezien beter twee gedeputeerden had kunnen eisen, in plaats van eentje.

Het interview wakkerde al langer hardnekkig sudderende geruchten aan van een college dat tot op het bot verdeeld is. Waar de rest van het college voldoende vertrouwen lijkt te hebben in minister Wiebes, veegt Eikenaar geregeld de vloer met hem aan. ‘De VVD regeert dit land wel alleen,’ twitterde de gedeputeerde afgelopen zomer.

‘Overige partijen in de coalitie mogen netjes recht zitten en pootjes geven. En dat doen ze.’

Kluitjesvoetbal

Als ik René Paas naar de verdeeldheid vraag, verwijst hij naar het staatsrechtelijke principe van ‘collegiaal bestuur’. ‘Dat betekent dat er altijd eenheid is van collegebeleid. Aan het eind van elke collegevergadering die ik in de afgelopen tweeënhalf jaar heb meegemaakt, waren we het eens. Het is makkelijk om te zeggen: zijn ze wel een eenheid? We zitten met vijf partijen aan tafel! Zijn die het altijd aan het begin van de vergadering al eens? Nou, hopelijk niet, want dan is de politiek zo goed als dood.’

‘Ik heb een maatschappelijke visie die sterk afwijkt van de rest,’ zal Eikenaar later reageren op de verdeeldheid, als ik hem spreek, begin januari. ‘Het is kluitjesvoetbal, en ik zit buiten het kluitje. Ik wil fundamentelere veranderingen dan de anderen. En dat heeft directe gevolgen voor mijn bestuursstijl.’ Het is, zegt hij, een bewuste keus van hem om buiten het ‘establishment’ te blijven staan. ‘Ik wil niet one of the guys zijn. Als je iets wil veranderen, moet je er geen deel van worden.’ En hij blijft heus niet bokkig met de armen over elkaar staan, integendeel, zegt de gedeputeerde: hij sprak vaak met de minister.

‘Maar nooit vanuit de gedachte: “wij begrijpen elkaar”. Ik hóór niet bij hem. Ik hoor bij de bewóners, bij de Gróningers. Ik ben Eelco Eikenaar die gedeputeerde is geworden en namens de bewoners de strijd aan mag bij de minister.’ De enige inschattingsfout die zijn partij maakte, zegt hij, was om niet twee gedeputeerden te eisen. ‘Als je me nu vraagt of de afgelopen vier jaar geslaagd zijn, zeg ik niet ondubbelzinnig ja. Want er vált nog potjandorie een strijd te voeren.’

Had een partij met zo weinig bestuurlijke ervaring wel de gedeputeerde op het grootste en zwaarste dossier moeten leveren, vragen de critici. En: hoe sterk is de commissaris van de Koning eigenlijk? Moet die niet eens met een vuist op tafel slaan?

Koren, molen, olie, vuur.

De verkiezingen naderen, de oppositie ruikt bloed.

Politiek met een kleine p

Op de avond dat Dagblad van het Noorden de onrust binnen het college van GS beschrijft, wordt in de Remonstrantse Kerk in de stad het Nationaal Programma Groningen gepresenteerd. Het krantenartikel gonst rond. Burgemeesters, wethouders, raads- en Statenleden roezemoezen in de pauze. Ik sluip tussen hen door. Vang de zinsnede ‘het functioneren van Eelco’ op.

Spits mijn oren.

Zodra de sprekers me zien, veranderen ze snel van onderwerp.

In diezelfde week vergadert de gewestelijke afdeling van de PvdA. In De Fakkel in Uithuizen, een oud FNV-pand dat nu dorpshuis is en op zijn website ‘een stijlvol ingerichte opbaarruimte’ aanprijst, stromen de sociaal-democraten toe vanuit de hele provincie. De zaal zit propvol, mensen moeten staan.

In de afgelopen periode heeft de fractie flink moeten wennen aan haar nieuwe positie, spreekt Romke Visser zijn partijgenoten toe. Auw, ja, pijnlijk punt. Op het hoogtepunt van haar negentigjarige dominantie, in het gouden jaar 2003, had de PvdA twintig zetels. In 2007 zakte ze naar twaalf. Ze hield dit zetelaantal twee periodes vast tot de genadeklap van 2015: een halvering en vertrek uit het college.

Daarnaast zijn de Staten de laatste jaren versnipperd geraakt, vervolgt Romke Visser. Neem de komst van Groninger Belang, neem de splitsing binnen de PVV. ‘Hoe goed we het ook doen, we moeten erop rekenen dat we na de verkiezingen elf, twaalf, misschien wel dertien partijen in de Staten hebben. En dan wordt het heel lastig om een stevig stempel op het programma te drukken als wij weer mogen meedoen.’

Voorzitter Thea van der Veen van de kandidatenlijstencommissie vertelt, bij het presenteren van de lijst, dat ze gekeken hebben naar regionale spreiding, naar de manvrouwverdeling. Naar de zittende fractie, want je wilt geen kennis verliezen. Naar leeftijd.

Achter haar, tussen de vanen van Arbeiders Muziekvereniging Opwaarts, verschijnen de namen op het scherm. Voorzitter Wouter Schippers van de Jonge Socialisten loopt naar de microfoon. Waarom er niet één jongere op de lijst staat, vraagt hij, is er wel actief gescout? ‘Dit is niet motiverend voor jongeren, en ik denk dat het ook heel moeilijk wordt om mensen te mobiliseren.’

De zaal gonst, eens- en andersgezinden doen hun zegje. Want ja, vernieuwing.

Maar ja, ervaring.

De vergadering verloopt chaotisch. Gingen we nu eerst de kandidaten voorstellen en daarna vragen naar tegenkandidaten, of andersom? Zijn we nu eigenlijk al aan het stemmen, vraagt iemand na de tweede naam op de lijst? Of niet? De zaal tuttuttut, een enkeling durft toe te geven dat hij het óók niet snapt. Er wordt opnieuw gestemd, maar waren we nu bij kandidaat twee of al bij drie? En waar zijn de stembriefjes gebleven?

Een blok post-its duikt op – die plakken en zijn dus niet handig open te vouwen, maar ja, je moet toch wat. Zelfs de verslaggeefster krijgt een stembriefje aangeboden. ‘Ik ben ook voorzitter van de fietsclub bij ons in het dorp,’ mompelt een man achterin. ‘Maar daar gaat het er professioneler aan toe dan hier.’

Aan het eind van de dag is de lijst definitief. Op één staat Tjeerd van Dekken, een bekende in Stad, Ommeland en daarbuiten. In 2007 stelde hij zich kandidaat voor het voorzitterschap van de partij, drie jaar later kwam hij in de Tweede Kamer – hij bleef er tot 2017. De 51-jarige Van Dekken moet de PvdA uit het slop trekken. Zijn lijsttrekkerschap noemt hij ‘een grote eer, een groot genoegen en een belangrijke verantwoordelijkheid.’ En wat is er veel werk te verrichten!

Want, zegt hij, je zál maar slachtoffer zijn van de aardbevingen en een jarenlange strijd moeten voeren. ‘De PvdA wás er, ís er en zál er zijn voor de Groningers, want wij zijn zélf die Groningers. Hoe erg is het, dat de huidige gedeputeerden onderling ruzie maken! Ik noem dat “politiek met een kleine p”.’

Kansloos instituut

Verdeeldheid, politiek met een kleine p – op het handjevol bezoekers van Praten met de Staten na hebben burgers nauwelijks een idee wat er op het provinciehuis gebeurt. Laatst nog leidde commissaris van de Koning René Paas een groep Rotarians rond door de Statenzaal: driekwart was daar nog nooit geweest, vertelt hij. Dat snapt hij wel: een paspoort of rijbewijs aanvragen, naar de gemeente moet iedereen wel eens, maar de provincie? En tegelijkertijd, zegt hij: zonder provincie zouden de wegen en het licht niet meer werken. ‘Als gemeenten allemaal zelf zouden doen wat ze mooi vinden, zou dat uiteindelijk leiden tot een minder aantrekkelijke provincie. Ik vind dat wat wij doen heel relevant is.’

Jan Hein Mastenbroek van de SP denkt daar heel anders over. ‘De provincie is een tamelijk zinloze tussenlaag,’ zegt hij. ‘Net als de Eerste Kamer. Ik bedoel: het voegt niets toe. Het ene kansloze instituut houdt het andere kansloze instituut in stand. De provincie is abstract, de afstand tot de burger is enorm. Wat mij betreft kan de hele bestuurslaag prima worden opgedoekt.’

Ook Mirjam Wulfse van de VVD vindt dat de Provinciale Staten op termijn wel weg kunnen. ‘De provincie vervult een aantal belangrijke taken, maar die kunnen op den duur best worden overgeheveld naar de gemeenten. Die moeten dan wel wat groter worden. Zeg dat er drie, vier gemeenten in Groningen overblijven. Dan kunnen we onszelf langzamerhand overbodig maken. Dat vergt wel wat van de gemeentebesturen. De gemeenten zijn nu nog gewend op de provincie te leunen. Je ziet het in het gasdossier: wij hebben het ambtenarenapparaat, alle gegevens, immense rapporten. En de samenwerking met de stad Groningen is belangrijk, we zijn meer dan een pinautomaat, zoals raadsleden ons wel eens noemen. Er zal dus nog heel wat moeten gebeuren voor het zover is.’

Op de nieuwjaarsborrel houdt René Paas de moed erin. De komende maanden staan voor gekozen politici in het teken van de oogst, spreekt hij de bloedhete zaal toe, waar inmiddels copieuze schalen met eierballen zijn rondgegaan. ‘De geschiedenis heeft bewezen dat deze oude Statenzaal tegen verschillen van mening kan. Ze is gebouwd op het bereiken van eenheid. Een eenheid waar ik ook persoonlijk een bijdrage aan wil leveren!’ In de zaal klinkt beschaafd applaus, de borrel kan beginnen.

Nog geen maand later ligt de SP weer dwars en staat de coalitie op springen.

Dit artikel is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten (www.fondsbjp.nl)

Rik Kuiper: de kunst van het rondhangen bij de strandwacht

Het is corvee in de zomer, die snelle repo bij de strandwacht. Maar wie lang genoeg rondhangt, zoals Rik Kuiper, komt met een verhaal thuis.

Krakend onheil door de portofoon. Een jongen van zes jaar is zoek, klinkt het bij het paviljoen van de Reddingsbrigade in Kijkduin. Robin heet hij. Blond haar, blauwe zwembroek met witte stippen en een groen randje.
Op zoek naar een blauwe zwembroek met witte stippen

Diane van der Burch (46) pakt haar blocnote en noteert het signalement. Zij bemenst hier vandaag de ‘kinderbewaarplaats’, waar ze kinderen opvangt die hun ouders kwijt zijn en ouders die hun kinderen zoeken. Van der Burch stelt ze gerust, terwijl de vrijwilligers van de Reddingsbrigade op zoek gaan.

Dat is regelmatig nodig. Eerder deze maand, tijdens een van de drukste strandweekenden van het jaar, waren er op het Haagse strand veertig tot vijftig vermissingen. Het was een seizoensrecord.

 

Op deze zondag is het minder druk op het strand, maar ook nu raken er kinderen zoek. Omdat ouders niet beseffen hoe lastig het kan zijn om vanuit de branding de eigen parasol terug te vinden. Omdat ze hun kinderen niet zo’n polsbandje met een telefoonnummer omdoen, die gratis te verkrijgen is bij de Reddingsbrigade. En ook, zo waarschuwen ze hier, omdat de ouders niet opletten.

‘Mensen zitten tegenwoordig de hele tijd op hun telefoon’, zegt senior lifeguard Mark Beeloo (35). ‘En ondertussen laten ze de kinderen bij de zee spelen. Onbegrijpelijk vind ik dat.’

‘Ik hoor ook wel dat ouders in slaap zijn gevallen’, zegt Van der Burch.

‘Kinderen moet je nooit alleen laten’, zegt Beeloo. ‘Pas als ze een jaar of zestien zijn, snappen ze de gevaren van de zee.’ En toch helpen de vrijwilligers van de Reddingsbrigade die ouders graag. Ook nu wandelen er twee lifeguards tussen de badgasten door op zoek naar Robin. De collega’s in de auto’s zijn alert. En in de glazen cabine op het dak van het paviljoen tuurt Bart Isendoorn (42) door zijn verrekijker, op zoek naar die blauwe zwembroek met witte stippen.

Dat doet denken aan ‘Waar is Wally’, het prentenboek vol mensenmassa’s waar je de bebrilde held met zijn rood-wit gestreepte shirt moet vinden. Alleen is dit serieuzer.

‘Ik deel het strand in vakjes in’, zegt Isendoorn. ‘Dan kijk ik in zo’n vakje of ik iemand zie die aan de beschrijving voldoet. Zo niet, dan ga ik naar het volgende vakje.’

En ja, zegt hij, het lukt wel eens om vanuit hier een vermist kind op te sporen, al heb je meer kans als je de ouders achterin de pick-uptruck zet en over het strand gaat rijden. ‘Zij herkennen hun kind veel eerder dan wij.’

Dan klinkt er een bericht uit de portofoon. ‘De moeder van Robin komt naar de post’, zegt een collega vanaf het strand. ‘Ze wil even door de verrekijker kijken.’

En inderdaad, daar komt Astrid Tuin (37) uit Den Haag de trap van het paviljoen op, twee jongens van een jaar of tien in haar kielzog. Ze wordt opgevangen door Diane van der Burch, die een paar geruststellende woorden spreekt. Het gebeurt vaker, zegt ze. Iedereen kijkt mee. Ze komen altijd terug.

Tuin tuurt door de verrekijker, die ze al snel overdraagt aan de jongens.

‘Waar is hij nou?’ vraagt een van hen.

‘Nu mag ik’, zegt de ander.

Tuin wijst ondertussen naar de blauwe parasol vlak voor de post van de Reddingsbrigade. Daar zaten ze. Robin ging zich even wassen bij de zee, vertelt ze, want hij zat onder het zand. En toen kwam hij niet meer terug. Ze waren gaan zoeken, haar man en zij. Tevergeefs. De meest verschrikkelijke scenario’s spookten door haar hoofd.

‘Hij zit vast ergens in het zand te spelen’, zegt Van den Burch.

‘Daar zie ik hem wel voor aan’, zegt Tuin.

En dan, rond kwart voor twee, pruttelt de portofoon. ‘Hij is gevonden’, zegt Van der Burch. ‘Twee van onze jongens nemen hem mee deze kant op.’

Even later ziet Tuin haar zoon aankomen, geflankeerd door twee mannen in gele shirts. Ze rent naar hem toe en vliegt hem om de hals. Hij kijkt beteuterd.

‘Hij was zelf op mensen afgestapt om te zeggen dat hij zijn ouders kwijt was’, zegt een van de lifeguards.

‘Je krijgt nu wel een polsbandje’, zegt Van der Burch. ‘Daar kun je het telefoonnummer van je moeder op schrijven. Dan gebeurt het niet nog een keer.’

En dan dient het volgende probleem zich aan.

‘Waar is papa eigenlijk?’ vraagt de broer van Robin.

Cheptegei gelooft tot de laatste zin in z’n toptijd

De jonge Oegandees Joshua Cheptegei, tweevoudig winnaar van de Zevenheuvelenloop, ging voor het wereldrecord op de 15 kilometer. Hij moest het al snel alleen doen, maar hield het publiek tot het laatst in spanning. Sportverslagger Rob Gollin van de Volkskrant legt uit hoe je een wedstrijdverslag ook tot de laatste zinnen spannend houdt.

Direct na de start op de Groesbeekseweg nemen ze afstand van alle andere lopers, de vier hazen van het NN Running Team. In hun kielzog Joshua Kiprui Cheptegei. De Oegandees is nog maar 21, maar hij won de Zevenheuvelenloop al twee keer. Hij is degene die het moet gaan doen zondagmiddag.

Met enig aplomb had de organisatie het aangekondigd: het zeven jaar oude wereldrecord op de 15 kilometer, 41 minuten en 13 seconden, moet er maar eens aan. De verwachting dat Cheptegei in staat is de grens te verleggen, stoelt meer nog dan de zeges in Nijmegen op zijn tweede plek op de 10.000 meter tijdens het WK in Londen, afgelopen augustus. Hij eindigde enkele seconden achter de keizer van de lange baan, de Brit Mo Farah. Hij is de coming man.

Er is een levend scherm voor hem opgetrokken om het tempo op peil te houden en hem uit de wind te zetten, zeker op de Zevenheuvelenweg, waar de noordwestelijke bries pal tegen staat en beschuttend herfstbos op afstand blijft. Twee atleten uit zijn land lopen mee, Abel Sikowo en Stephen Kissa, en twee Kenianen, Noah Kipkemboi en Victor Chumo. Een hazenlegertje  van een zeer behoorlijk kaliber, verzekerden de organisatoren vooraf.

De praktijk is weerbarstiger. De eerste kilometers verlopen volgens schema – de eerste gaat zelfs in 2.35, veel sneller dan voorzien. Maar er is een prijs: twee van de vier gangmakers haken al af als het oker van het najaar het decor kleurt.

Cheptegei is zelfverzekerd. Hij voelt zich dit jaar sterker dan ooit en de kennis van het parcours is in zijn voordeel. Bovendien, zegt hij, 7 is hier een magic number. Het is de Zevenheuvelenloop, het huidige record is zeven jaar oud en het record van daarvoor dateert ook nog eens uit 2003, weer zeven jaar eerder. Hij neemt de poging uiterst serieus. Dat het op een wat minder courante afstand is, doet hem weinig. ‘Het is geweldig een record te hebben. Iedereen weet: dat doe je niet zomaar.’ In zijn gebeden, zegt hij, hoopt hij op meer records, eerst op de baan, dan op de marathon.

Tot degenen die deze zondag Cheptegei c.s. al snel moeten laten gaan, behoort Leonard Komon, 29 jaar, Keniaan, en tot dan toe de houder van het wereldrecord uit 2010. Hij heeft er vrede mee als hij het deze dag zou kwijtraken. ‘Zo hoort het te gaan in de sport: nieuwe gezichten komen, andere gaan. It’s okay.’ Hij heeft er veel aan gehad. ‘Het maakt je beroemd. Iedere loper wil een record. Zo’n prestatie geeft je vertrouwen, je bent er trots op.’

Op het moment dat Cheptegei de Zevenheuvelenweg op draait en hij het meest steun zou moeten hebben van de hazen, loopt alleen Kipkemboi bij hem. Het duurt niet lang. De winnaar van het zilver in Londen oogt al snel eenzaam in de open vlakte, op zijn feloranje schoenen. Komon had het hem op het hart gedrukt: loop je eigen race. Zo had hij het ook gedaan, zeven jaar geleden.

Het is geen parcours waar je wereldrecords verwacht.Het gaat er geregeld omhoog, langs de Langenberg, de Vlierenberg en de Engelenberg, met 102 meter het hoogste punt onderweg. Dat het er geregeld toch zo snel gaat, hangt volgens directeur Ronald Veerbeek samen met het gunstige profiel: de laatste vijf kilometer zijn bergaf. Het ergste is dan achter de rug. Verloren tijd wordt hier goedgemaakt.

De zwaarte van de klimmen moet ook niet worden overdreven. Veerbeek: ‘We hadden hier Haile Gebrselassie een paar keer. Die zei: bergen? Welke bergen?’ Nee, misschien is er wel een veel belangrijker oorzaak van de goede tijden: er zijn maar weinig runs die het budget hebben om wereldtoppers uit te nodigen. De Zevenheuvelenloop heeft anderhalve ton aan startgeld beschikbaar.

Alleen en met de wind op kop lijkt het voor Cheptegei zondag uit te draaien op een vergeefse missie. De achterstand op het recordschema loopt op tot 10 seconden. Maar op 10 kilometer klokt Cheptegei 27.44. Dan zijn er volgens het draaiboek nog maar vier seconden terug te winnen. Vanaf dat punt gaat het naar beneden, terug naar de Groesbeekseweg. Zal hier andermaal worden bewezen dat het profiel toptijden faciliteert?

Achteraf zei Cheptegei dat hij gedurende de wedstrijd er altijd in is blijven geloven. Hij was wel teleurgesteld dat de hazen snel pasten. Kipkemboi had hem tussen de 7 en 10 kilometer uit de wind moeten houden, maar na 7,5 was het al voorbij. Hij had al veel krachten verspeeld door eerder dan voorzien veel op kop te lopen.

Bij de finish durft de speaker het nog niet aan. Cheptegei is volgens hem op ‘weg naar een prachtige tijd’.‘Gaat hij het halen?’ De atleet staart gebiologeerd naar de klok als hij de laatste restjes energie uit zijn benen perst. Op 41.13 weet hij dat het voorbij is. Drie seconden later komt hij over de finish. Geen wereldrecord, geen cheque van 50.000 euro.

Met een handdoek om de schouders loopt hij nog even door. Op zijn gelaat vechten ongeloof en teleurstelling om voorrang. Atletenmanager Jos Hermens snelt op hem toe en neemt liefdevol zijn hoofd in zijn handen. ‘Fantastische tijd, Joshua, fantastische tijd!’ Zie zijn winnende tijden hier: van 42.39 via 42.08 naar 41.16.

Ja, hij wil desgevraagd best trots zijn op de progressie. En ja, als de gelegenheid zich voordoet, komt hij volgend jaar graag terug, van een aanval op een wereldrecord heeft hij bepaald nog niet genoeg. Maar of het elke keer zo spannend moet zijn, daar is hij nog niet over uit.